De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen

Part 36

Chapter 363,925 wordsPublic domain

Een smachtend lyriese toon klinkt er vooral door de minne-poëzie van Gottfried; dat is reeds de echte Duitse »Ueberschwänglichkeit". De held is een »vreugde verspreidende zon", een »Werltwunne", hij leeft slechts in zijn rijke gevoelsleven, »zweeft in de lucht zijns harten", op alle praktiese verstandsredenen en nuttigheidsgronden ziet hij met verachting neer, en dat hij in zijn jongensjaren wat school- en boekenwijsheid geleerd heeft, vindt hij eigelik zonde en jammer, een ingrijpen in de vrijheid van de dweepzieke jongeling, een verdorren van de bloei zijner vreugde. Met extase schildert de dichter de zaligheid der liefde wanneer hij zijn »kaiserlîches wîp" omhelst en haar mond »honderdduizend maal" kust,--op een zeker ogenblik krijgen we een hele hymne aan de liefde; als ik aan de liefde denk--zegt hij--ofschoon ik dat geluk nog maar weinig ken, dan zwelt mijn hart op en alles in mij verlangt dan naar iets hoogs, iets boven de wolken. Maar sentimenteel weet hij van 't begin tot het einde de tonen van de smart en de dood in de liefdemuziek in te leggen. De liefde is een religie, voor de liefde is alles veroorloofd, alle wetten moeten voor de liefde wijken, zelfs Kristus kan de ware liefde heel gemakkelik naar haar hand zetten. Maar de enige inwijding in de liefde, de noodzakelike prijs er voor is lijden en het lijden is de grootste waarde. Daarom wendt zijn gedicht zich niet tot de velen die alleen vreugde vragen en genot; alleen tot die uitverkorenen die »diu senfte herzesmerzen" kennen, tot »den edelen senedæren", de edele verlangende gemoederen die het zoete van de liefde kennen, alleen tot troost voor _hen_ en om een ogenblik slechts de zware smart van hen af te wentelen, vertelt hij van Tristan,--van hem wien het gegeven was in volle mate twee dingen te bereiken: lijden en geluk. Hier zijn wij bij de Tristan en Isolde-romantiek van Wagner.

Gottfried von Strassburg is de bloem der ridderlike kultuur in Duitsland. Een natuur vatbaar voor ontwikkeling en die het in zich had om wat hij doen moest, ook harmonies af te maken,--zoals Raphael en Racine dat voor hun tijd waren--geen baanbrekende vernieuwer, geen »oer-eigen origineel genie" als Wolfram, wiens gehele persoonlikheid Gottfried een afschuw was en de enige tegen wie de Straatsburger zich kwaadaardig toont,--maar goed belezen in de klassieken, volkomen thuis in 't Frans,--hij is de enige dier Duitsers die geen vertaalfouten maakt,--met een levend poëties gevoel, een fijne aestetiese smaak, een plooibaar en volkomen artistiek gevoel voor vormen; tegelijk een man van de wereld, volkomen thuis in de hogere ridderkringen, met een aangeboren zin voor de hofkultuur en de uiterlike kentekenen er van,--een fijne nobele natuur, een echt gevoelig mens. Zijn gedicht van Tristan openbaart meer dan eens meer goedheid des harten en meer geweten dan de Franse bewerkingen van de stof.

Met Gottfried is de Duitse ridderromantiek even hoog gestegen als de Franse en zijn volgelingen overtreffen hem even min als die van Chrestien van Troyes deze laatste.

XX.

IDEAAL HUMANISME.

In haar korte bloeitijd die in het einde van de 12de en het grootste deel van de 13de eeuw valt, ontvouwt de ridderromantiek zich op haar hoogste punt tot wat men zou kunnen noemen een soort ideaal humanisme.

De hele kultuur van de middeleeuwen komt in het Frankrijk van Philips Augustus en Lodewijk de Heilige en het Duitsland der laatste Hohenstaufen tot een korte harmonie in een edele en schone menselikheid,--een classiciteit zo goed als die der Grieken en Romeinen. Alles wat er van de kunst dier dagen tot ons gekomen is, draagt die stempel. De Gotiese katedralen van de Rijnstreken en Noord-Frankrijk met hun lichte gewelfde, feestelik stemmende ruimten, de slanke pijlers en bogen, het kleurrijke stralende licht door ruiten en rosetten. De schone glasmozaieken der kerken van Tours en Bourges met de reine diepe kleuren, de eenvoudige, duidelike omtrekken der figuren en de hele ideale klassieke stijl die wat te vertellen heeft, dezelfde die wij in de edele eenvoudige miniaturen van de zogenaamde Bijbel van Lodewijk de Heilige terugvinden. De Madonnabeelden en die der Apostelen op de kerkfaçaden van Rheims en Amiens, de reliefbeelden van de dood van Maria op de Notre-Dame te Parijs of de Dom van Straatsburg,--afbeeldingen van de mens van een even vrije natuurlikheid en hoge adel als die van de klassieken. Of »de heilige kapel" te Parijs met het feestelik fijne samenspel van licht en kleuren, ruimte en lijnen en met de reine en nobele ornamentiek der muren. In het museum van Cluny te Parijs of het »Germanisches Museum" te Neurenberg getuigen kleine voorwerpen--een ivoren kam, een kandelaar, een muurtapijt--van de edele en fijne schoonheidskultuur der 13de eeuw.

Op dezelfde wijze wordt de ridderromantiek op haar hoogste punt slechts tot een geïdealiseerde uitdrukking van de edele en fijne menselikheid die in de eerste kultuurcentra van die dagen te voorschijn kwam. Vele romans en korte ridderlike berijmde novellen laten nu meer en meer de wonderbaarlike producten der fantasie vallen die de ridderromantiek uit Keltiese en Oosterse bronnen ontleend had en de kinderachtige avontuurtjes die ze van de Griekse romans geleend hadden; ook de geaffekteerde, overspannen troubadourpoëzie geven ze op, zowel als de zoetige sentimentaliteit der Bretonse romans en hun andere extravagances,--feitelik ontdoen ze zich van alles wat spesiaal ridderromantiek was en worden zo tot heel natuurlike, menselike, verhalen uit het leven der Franse en Duitse edelen, een ideale afspiegeling van de werkelike kultuur der hoge kringen en een interpretatie van de fijne gevoelige menselikheid die het leven in de beste ogenblikken kon verwerkeliken. En in een reeks leerdichten worden geformuleerd, niet langer gelijk vroeger, de voorschriften der geestelike paedagogen, hoe men de »fijne wereld" opvoeden moet, maar omgekeerd, regels voor goede manieren, opgesteld door die zelfde geesteliken tengevolge van wat ze zelf in die kringen hadden kunnen opmerken en leren.

Die »kringen",--dat zijn de uitverkorene edelen,--over die alleen is het de moeite waard te spreken: een dode edelman is meer waard, heet het, dan een levende burger. En het enige leven waar men iets aan heeft is dan ook dat in die kringen; men moet »sich gesellen", anders wordt men »sauvage",--»ongemanierd", zoals Parzival of Iwein dit werden in de eenzaamheid van het bos. Een hogere stand die slechts leeft voor een luxe, leven van vrije, schone, fijne menselikheid,--een »liberaal" leven in tegenstelling dat der »illiberale" werkers, der _banausoi_,--dat is de ridderwereld, gelijk de Griekse aristocratie van de »edelvoortreffeliken"--de »kalokagathoi"--dat was. »Le vilain"--zo leert een riddergedicht--leeft alleen maar om te zwoegen en te sparen, te pruttelen en te schelden,--hij spreekt niet en hij zingt niet, als de hond die slechts bijt; hij voelt niets voor bloemen en vogels, en alles wat schoon is en schittert, ergert hem alleen maar, zijn hele leven is één wanklank in de harmonie des hemels,--Gods vrolike, gelukkige engelen hebben niets met zulk een grove plebejer uit te staan. De »edelgeborene" daarentegen, die God zelf met zijn schone handen uit een edeler natuurstof gevormd heeft en die ook verder een goede opvoeding in gezelschap van nette mensen gehad heeft, die leeft alleen maar voor alles wat schoon is en edel en goed.

Waar men in de eerste plaats voor leeft, is om de schoonheid van het leven te genieten en het nog schoner te maken. De natuur werpt men een vriendelike blik toe, maar verder niet. Meest is het nog in tuinen en parken dat men de natuur liefheeft,--men bezingt de roos als het zinnebeeld van het liefdegenot, het madeliefje van de trouw; in de Duitse liederen is de linde de boom van de zomer en de liefde. Onder de vogels zijn de meest geliefden de nachtegaal van Marie de France, de leeuwerik van Bernard de Ventadour en de zwaluw die een lok van Isolde's gulden haren uit Ierland haalde. Maar ook het jachtleven opent de ridder het oog voor de natuur: men vindt b.v. een beschrijving van de dauw-natte morgenstond, de slaperige middagstilte in het diepe groene bos, de slanke ree, het enorme wilde zwijn en de roofvogels in de toppen der bomen. De reiger en de valk--»the gentil faucon" noemt Chaucer hem--is de lievelingsvogel van de ridders zowel als de dames. »Die vogel doet mij 't harte goed", heet het in een gedicht ter ere van de valk, »als ik die op mijn hand zie zitten, zacht en hoofs, of wanneer die zo »edel" vliegt; alleen daarom sta ik gaarne 's morgens vroeg op." En de borst van een valk,--zwelt die niet even schoon als een vrouwenboezem? En kan de blik van een schone vrouw stralender zijn dan die van de ridderlike jachtvogel? Menig ridder twijfelt of hij meer van zijn valk houdt of van zijn dame en er lopen verhalen hoe een dame uit jaloesie de valk van haar ridder de nek omdraait of hoe de arme ridder bij de ontvangst van zijn dame genoodzaakt wordt haar het allerzwaarste offer te brengen: zijn valk te doden en haar die bij de maaltijd voor te zetten. Of een page die in een alleraardigste kleine vertelling door liefde verkwijnt voor de echtgenote van zijn meester; zij heeft vergeefs getracht hem weer moed in te spreken, en wanneer haar man dan vraagt wat er eigelik bij hem aan scheelt, begint de dame aan het ziekbed van de jongeling en tot diens grote schrik, te vertellen hoe de knaap haar aldoor achtervolgd heeft en gesmeekt om... zijn meesters lievelingsvalk, maar dat zij die toch niet heeft durven geven. Maar de ridder verklaart dat hij hem liever al de valken zal geven die hij bezit, dan hem zo van ellende te zien verteren en nu belooft de meesteres de zieke dat hij dus de valk krijgen zal waar hij zo naar gezucht heeft.

Meer dan de natuur is het 't hofleven op de burcht dat de ridderkultuur schoner tracht te maken en dat de ridderromans verheerliken. Een eenvoudige, fijne smaak heeft nu in het leven zowel als in de romans die massa van bonte Oosterse pracht vervangen die b.v. de Troja-romans bij hunne beschrijvingen op elkaar stapelden; maar feestelik en schitterend ziet zoo'n slot er toch uit. De muren blauw met gouden sterren of met tafrelen versierd of wel hele schilderingen met voorstellingen naar de ridderromans; ook in de muurtapijten zijn zulke scènes uit die boeken geborduurd. De vloer is van groen marmer »als een weide met gras" of grote lemen platen met bloemdekoraties of wapenschilden er in gebeiteld. Op deuren en zolderingen zijn dieren of bloemen uitgesneden; kunstig smids-werk; weinig maar smaakvol versierde ligbanken en taboeretten; vele kleuren en een sierlike rijkdom van détails, maar zuiver en deftig van smaak.

Een deftige smaak vertoont zich ook in de klederdrachten der ridders en der dames in de 12de en 13de eeuw, waardoor ze ook sterk verschilden van de barbaarse tijd der roofridders en van de geraffineerde extravagance der 14de eeuw. Een lange mantel van donker purper met gouden sterren er op, werd om het lijf door een zijden koord samengebonden en van boven door een gouden gesp; de voering van hermelijn met zwarte sterren, om de open hals sabelbont, op het haar een krans van bloemen, aan welks kant twee geëmailleerde gouden gespen aan zijn gebracht,--zo ziet de heldin bij Chrestien er in haar bruidstooi uit. Zorgvuldig worden de kleuren van dat gewaad zo uitgezocht dat ze niet vloeken en dat ze bij de teint en de kleur van het haar passen, met dezelfde zin voor schoonheid als bij het draperen van de beelden wordt er voor gezorgd,--voor zover we uit de beschrijvingen der romans op kunnen maken--dat de kledij goed in de vouwen valt en er wordt voortdurend op gewezen dat hoe mooier het meisje is, des te eenvoudiger moet de klederdracht zijn. Met zéér geringe afwijkingen wordt hetzelfde kleed en mantel door man en vrouw gedragen, door jong zowel als oud, gelijk ook de gladgeschoren baard het verschil tussen leeftijd en geslacht uitwist, de dracht waarmede men in het openbaar verschijnt, maakt allen als 't kan slechts tot mensen, alleen de stof en de snit laat diskreet de waardigheid en de leeftijd doorschijnen, de gratie van de vrouw en de lichte elegantie van de jongeling. Ook in de wapenrusting en wat de man verder voor de oorlog nodig heeft,--wat men b.v. op de zegels uit die tijd goed kan bestuderen--openbaart zich een zuiverheid en een adel van smaak die zowel de tijd die er aan vooraf gaat als die welke er na komt, zeer in dit opzicht overtreft.

De vormen der samenleving worden ook schoner en edeler,--van de pedant aangeleerde regelen voor goede manieren die men uit het buitenland en van de geesteliken ontvangen had, worden ze nu tot een werkelike wellevendheid, gedragen door takt en fijngevoelige vriendelikheid. »Cortezia"--zegt een ridder uit Provence--»bestaat dáárin dat men zich door woord en optreden bemind weet te maken, en hoofs is hij die weet te doen wat anderen aangenaam is; hoofsheid vertoont zich in klederdracht en vriendelike tegemoetkoming, in het onthaal en in liefde." De Duitse woorden »Tugend" en »gezogentlich" slaan op uiterlike zowel als innerlike eigenschappen. »Iemand die op hoofse wijze een ander een beker aan kan bieden," zegt een moralist, »en zijn handen houdt zoals het hoort, van zo iemand zeggen de mensen dadelik: »wat een welopgevoede knaap is dat toch, die is zeker deugdzaam, zie eens hoe deugdzaam hij zich gedraagt"." En een Duits boekje over »tafelmanieren" zegt: »Verloren is geen opgevoed man, heb ik wel horen zeggen, nooit kan een onopgevoede een plaats in de hemel verkrijgen." Nu komt het er niet alleen op aan om »wel bedankt" te zeggen of »Goeden-dag", of zijn mond goed af te drogen, neen, men moet zich nu netjes houden en rechtop lopen »als een waskaars" of »als een jonge scheut op een tak"--en daarvoor zijn schermoefeningen goed, heet het,--en men moet de conversatie goed gaande weten te houden--in de romans vindt men menig gesprek tussen gast en gastheer waarin die elkaar in beleefdheidsfrases trachten te overtreffen--en men moet zich licht en bevallig weten te bewegen en zich fijn en netjes gedragen. Het is duidelik dat de omgangsvormen bepaald werden door hetzelfde tegen elkaar doen opwegen van een conventionele vormelikheid en de natuurlijke vrijheid die bijvoorbeeld ook de figuren kenmerkt op miniaturen en ivoorwerk. De houding, gestes en andere bewegingen hebben nog een traditionele betekenis om het gesproken woord kracht bij te zetten en te illustreren, even simbolies ongeveer als bij de oude rechtspleging: door de vinger op te heffen maakt men op iets opmerkzaam, in diepe gedachten steunt men zijn kin op de hand, en dat twee goede vrienden elkaar omhelzen wanneer ze elkaar ergens ontmoeten en samen in een vensternis gaan zitten praten, hoorde evengoed tot de overgeleverde »goede toon" als dat een rechter op zijn rechterstoel zitten moest als een »grisgrimmender löwe" en met »de rechtervoet over de linker geworpen."

Een samengaan van »Tucht" en »Gemeite", d. w. z. van eerbare tucht en opgewekte vriendelikheid is het ideaal voor de verschijning in 't publiek. Te hard lachen en te hard schreeuwen als men klaagt is al even ongepast; een vrouw moet met half open mond lachen, en al is ze ook nog zo zeer onder de indruk van het een of ander, moet ze toch goed oppassen dat haar hoofdtooi netjes blijft zitten,--als Walther klaagt dat de wereld in de war is, drukt hij dit zo uit: »Wee, u, wereld, wat zit uw hoofddoek tegenwoordig slecht!"--zacht en licht moet de vrouw voortzweven (»schleichen"), liefst met een zekere gratieuse zwaai (»swanc"); het hoofd ietwat op zij--zoals men dat op de Mariabeelden kan zien; en de ene kant van haar kleed moet zij op een bepaalde wijze opnemen. Zij mag niet te veel rondgluren maar een zekere schuchtere, half nieuwsgierige blik past een jong meisje wel, zegt Walther. Een voorbeeld van menselike »Tucht" en »Gemeite" is de manier waarop Isolde en haar moeder, de koningin, de zaal binnentreden in de koningsburcht, zoals Gottfried dit schildert. Slank als een den is de prinses, haar bruine fluwelen kleed is om het middel vastgesnoerd en voegt zich lenig om de lichaamsvormen, met haar linkerhand houdt ze een paarlen snoer vast dat de mantel op haar borst vast bindt, zo dat ze volgens de hoofse zeden die met twee vingers samenhoudt; bevallig »zweeft" ze nu met haar moeder naar binnen, men volgt hen met de ogen en langzaam en gelijk op doorlopen de blikken der twee vorstinnen de zaal, zo dat elk der aanwezigen een blik krijgt en in aller harten brengen ze onrust; de moeder begroet de anderen met een woord, de dochter, zo als het past, buigt zwijgend.

Steeds fijner worden de wenken die Provençaalse en Franse didaktiese gedichten de dames geven voor hun optreden in de wereld--»Het hof der Liefde",--»De God der Liefde",--»De Sleutel der Liefde",--»De Kunst der Liefde" en wat die alle heten,--de Liefde wordt nl. altijd beschouwd als de bloem van het wereldse »Savoir-vivre". Dergelijke leerdichten bewerkte een halfduitse geestelike in Italië in Duitse verzen en zond die naar zijn land onder de titel »De Walse Gast",--en kort daarop volgde een »Winsbecker" en een »Winsbeckerin" met _hun_ raad. Een geslacht later was er een notaris uit Florence die aan Franse hoven verwijld had en die, toen hij thuis gekomen was, een leerdicht schreef om zijn vrouwelike landgenoten Franse manieren te leren. En nu zijn het niet meer zo als vroeger elementaire regels die ze daar te lezen krijgen: wanneer ze zich verschonen moeten en dergelijke dingen--ofschoon »er zijn dames die geloven dat reinheid een teken van losse zeden is"--hij schrijft vooral over de kunst om maatschappelike talenten te vormen. De dame moet leren zingen en als zij een aangename stem heeft, moet zij zich niet laten bidden, maar gewillig een lied ten beste geven; ten dans moet zij gaan »à petit pas, simple et mollet", zij moet kunnen schaken en de teerlingbak spelen, waarbij het er minder voor haar op aan komt goed, dan wel met gratie te spelen en zij mag voor al niet boos worden als zij verliest,--de vrouw die boos wordt en dat in woorden toont, verdient de naam van »dame" niet. Vooral moet zij de kunst verstaan van een gesprek te voeren, »car nul chose tant n'afole--coeur d'homme que douce parole", zij moet, gelijk een Zuid-frans gedicht het fijn uitdrukt, zo kunnen spreken, zo kunnen converseren dat de ander bij zijn afscheid, de indruk meeneemt dat hij geestig geweest is, zelfs al is hij niet meer dan een dwaas, en zij moet een gesprek dat haar mishaagt af kunnen breken of het een andere draai te geven, zonder iemand te stoten; dan kan zij hem b.v. vragen of hij de vrouwen uit Gascogne of die uit Engeland schoner vindt en welke opinie hij dan ook heeft, kan zij het tegenovergestelde beweren om zo een dispuut aan de gang te krijgen. Zeer fijne regels worden er b.v. ook gegeven over de kwestie hoe een bruid zich gedragen moet. Bij het wisselen van de ringen moet zij terughoudend zijn, bijna angstig, haar hand niet al te gretig naar de ring uitsteken en slechts met een zachte stem »ja" zeggen. Het is ook verstandig als zij thuis reeds iets eet, zo dat zij bij de huweliksmaaltijd zich meer in kan houden, en wanneer zij het vertrek binnenkomt waar de bruidegom is, moet zij eerst doen alsof zij hem niet ziet, dat is echt »hoofs".

Opgewektheid, vriendelikheid, zachtheid, dat is voor de man zo wel als voor de vrouw de hoofdzaak bij de omgang; het is er de kultuur dier dagen dan ook altijd om te doen, ruwheid en brutaliteit te onderdrukken. De Tristan van Gottfried is de verpersoonliking van de vriendelikheid; wij lezen van hem dat hij graag een ieder op zijn handen wil dragen en voor allen tracht te leven, »wat iemand uit het gezelschap ook maar voorsloeg was hij dadelik bereid te doen." Ook Aucassin is de beminnelikheid zelf; door zijn zachtmoedigheid en hoofsheid ontwapent de jonge edelknaap volkomen de lompe kolenbranders en herders die hem onbeschoft aan hebben gesproken. Een zoetige liefheid hoort tot de goede toon tussen ridders en hun dames: »Schone Heer",--»Schone Dame",--»Lieve, zoete vriend",--»God zegene U", en kussen en een omhelzing horen tot de omgangsvormen, evenals er in de brievenstijl allerlei sierlike wendingen en zwierige zwaaien voorkomen die in de »brievenboeken" aangegeven zijn.

Een vrolik »leven en laten leven" hoort verder tot de »liberale" ridderlike opvattingen. Al wat treurig is en ruw, wordt glad gemaakt, al wat somber is en donker wordt verlicht en verzacht in deze adelswereld van spel en schoonheid. Ouderdom en dood is iets waar de ridderpoëzie maar zo min mogelik over denkt; de dood die zulk een tragiese pathos in de oude heldenpoëzie gebracht had, komt hier bijna niet voor, en de eerbied waarmede de ouderdom daar ginds omstraald werd is hier verdwenen--het is b.v. bepaald vermakelik te zien hoe ongepast in de Parzival van Wolfram de oude moeder van koning Arthur behandeld wordt en terzijde gezet, voor de jongere dames. Schoonheid, jeugd en vreugde moeten regeren. Hoog en rijk moet er geleefd worden,--alle sparen en alle zuinigheid maakt de geest bekrompen en zet »banausties" stof op de vingers. Men moet »gast-ere" aan den dag leggen zowel als »hus-ere",--d. w. z. milddadigheid en gastvrijheid bij feestelike gelegenheden tonen, en zelf een gepaste weelde in zijn huishouding ten toon spreiden. En het is niet langer genoeg vrijgevig te zijn, men mag een echte welwillendheid en fijngevoeligheid eisen in de manier _waarop_ men geeft. Van een edele vorstin lezen wij: zij heeft er meer door fraaie woorden gewonnen, dan anderen door grote gaven, en zo vriendelik geeft zij haar geschenk dat dit voor dubbele gave telt. En omgekeerd worden die gastheren gelaakt, die over niets met hun gasten spreken dan over de slechte tijden en hoe weinig er te verdienen valt, zodat de gasten het niet anders dan bezwaarlik moeten vinden zich zo te laten onthalen.

»Les vilains",--dat zijn de gemelike knorrepotten die altijd in de contramine zijn, en die noch zelf willen leven noch anderen laten leven. Maar God is met de opgewekten en welwilligen, »les courtois"; hij zelf en zijn engelen zijn schoner en opgewekter dan alle anderen en hij heeft alle jonge paren en alle vrouwen lief. Hoe graag zou hij b.v. niet Nicolette daarboven in den hemel bij zich gehad hebben, »om in den avondstond als een licht voor hem te schijnen"! En jonkvrouw Maria--men merke maar op hoe schoon en liefderijk zij er uit ziet, die zal zeker de jonge ridderknaap niet weigeren wat hij zo graag zou wensen. Als schitterende feestzalen schijnen de Gotiese kerken. »Het oog weet niet waarheen het 't eerst de blik zal wenden. De zoldering is groen als een tapijt, de muren verbeelden het paradijs, de vensters wekken bewondering door de schone kleuren van het glas en het rijk versierde werk... Het is alsof men naar de hemel verplaatst is en zich in een der schoonste zalen van het paradijs bevindt." Hier, bij het heldere schijnsel der waskaarsen en het schone misgezang der geesteliken, wordt de ziel tot liefde gestemd en hier heeft men gelegenheid de schonen te zien, die iemand een glimlach of een knik geven of in het geheim de hand drukken en de zeer gewillige biechtvader heeft er niets op tegen de smeekbeden van de minnaars te verhoren, of de geliefden samen te brengen ten spijt van boze ouders of brutale echtgenoten.