De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen
Part 35
Maar die zoete kern is bij Wolfram in een verwonderlik harde schil verborgen. Zijn stijl is even hortend en stotend, even verward en met presies zulke uitwassen als de Duitse taal zelf met zijn ophoping van sisklanken en harde konsonanten en zijn in elkaar gedraaide zinsbouw. Evenals de verzen van de IJslandse Skalden zijn die van Wolfram vol van de meest capricieuse onvoldragen en geheel en al mankgaande beelden die een merkwaardige neiging vertonen om in onverteerbare klompen samen te groeien of zich in onontwasbare knopen door elkaar te slingeren. Zijn fantasie is even groot als zijn smaak barok is, hij houdt er van allerlei kunstige omschrijvingen te bedenken en heeft plezier in de wonderlikste vergelijkingen: het is alsof hij er een eer in stelt alles op zijn eigen manier te zeggen en het de lezer zo lastig mogelik te maken om hem te volgen. Wolfram is een echte Germaan die zijn hoed draagt zo als hem dat nu eenmaal belieft, en die nog trots is op zijn eigenaardigheden ook.
In de Franse romans van Parzival vond de Beiers-Frankiese dichter een voorbeeld dat hem in het hart grijpen moest. Daar leest men immers hoe een jonge, naieve, onbeschaafde bewoner van Valois,--maar dat is nu juist, zegt Wolfram, alsof wij zeggen zouden: een Beier--langzamerhand in de ridderlikheid ingewijd en tot een voorbeeldig ridder gemaakt wordt; hier vond men nu juist zulk een kursus in goede zeden en ridderlik denken als Wolfram zelf wenste te doorlopen en zijn landgenoten voor te kunnen houden. Het zou zijn levenswerk worden om die gedichten in het Duits over te brengen en Wolfram's Parzival werd het belangrijkste en meest echt-Duitse werk van de Duitse ridderromantiek. Nu is het natuurlik op dit ogenblik heel moeilik met zekerheid aan te geven wàt er in dat werk van hem is en wat hij aan de Franse bronnen te danken heeft. Als een dier bronnen noemt Wolfram naast het gedicht van Chrestien de Troyes vooral »Kyot van Provence" (waarschijnlik Guiot) maar dat gedicht is niet tot ons gekomen. Maar in hoofdtrekken kan men toch wel aan ieder het zijne geven.
Die Franse schrijver zal van Anjou geweest zijn, hij heeft altans ter ere van het Angevin-Engelse koningshuis Parzival een prins van Anjou tot vader gegeven en er een hele voorgeschiedenis bij geschreven over diens heldendaden in Azië en zijn huwelik met een koningin der Moren,--alles in de gewone stijl van de epiek der Kruistochten. Trouwens, hij heeft er veel Oosterse elementen der Kruistochten bijgevoegd, citeert Arabiese werken die hij in het Latijn gelezen heeft en is een van degenen geweest die het meest gedaan hebben om de Graalromantiek met geestelike mystiek te doortrekken; hij zal dan ook wel een geestelike geweest zijn. De Graal is nu niet meer een schotel, maar een steen met allerlei wonderbare eigenschappen. Die bezaten ook volgens de Oosterlingen vele edelstenen en meteoorstenen, en zowel te Mekka als in Phoeniciese steden en in Klein-Azië aanbad men in de oudheid heilige stenen. En de Alchimisten hebben het altijd over de »Steen der Wijzen". Een heel merkwaardig verhaal hangt Guiot (Kyot) nu op over de Graalsteen die uit de Hemel naar de aarde gebracht was en eerst bewaakt was door de Engelen die als »neutralen" uit de Hemel verbannen waren geworden, maar die nu bewaakt werd op een kasteel »Mont Sauvage" (of Mons Salvationis) en bediend door een ridderschap van kuise Tempelridders. Elke Goede Vrijdag wordt de wonderbaarlike kracht van de Steen vernieuwd door een oblaat waarmeê een duif uit de Hemel aan komt vliegen. De eerste Graalkoning was Titurel, de tegenwoordige is Amfortas maar die is tot straf voor een zondige liefde met ziekte geslagen. In het algemeen is de Graalmystiek in dit werk heel wat meer geestelik-asceties en Oosters gekleurd dan die van Chrestien. Er is ook een mystieke tovenaars-figuur ingevoegd, die van Clincheor (Klinschor)--een soort Merlijn maar een boosaardig halfmens--die op »Chateau Merveille" woont; en uit een Brabantse sage is de Zwanenridder Lohengrin er bij gehaald die een onschuldig aangeklaagde prinses redt en door Kyot tot ridder van de Graal gemaakt is en de zoon van Parzival heet.
Dit ridderlik-geestelike gedicht is het nu dat Wolfram verduitst heeft en vrij bewerkt in overeenstemming met zijn eigen karakter en persoonlikheid. Veel meer dan de Graalmystiek is de geschiedenis van Parzival zelf voor hem hoofdzaak en daardoor is die bij hem veel dieper en tot een wereldlike »Erziehungsroman" geworden zo als later »Wilhelm Meister" en in dramatiese vorm »Faust" dat is. Wat hij van Parzival maakt is, als men het zo uitdrukken mag, de »perfect gentleman", niet alleen in uiterlike ridderlikheid waar het voor Chrestien bijna alleen op aan kwam, maar vooral in de hogere vorming van het hart en het karakter, in een volle en echte menselikheid zoals het ideaal daarvan zich voor een Beiers ridder voor moest doen.
De jonge, in het bos geboren en getogen knaap is hier niet alleen zoals voor de Fransman, een simpel onbeschaafd jongeling uit Wales die door de wereld afgeslepen moet worden; Wolfram herkent zich zelf en zijn eigen Beieren in die frisse oprechte kinderlikheid en bekijkt met hartelike welwillendheid zijn onervarenheid en eerlikheid, waarachter hij alle deugden van hart en karakter vermoedt. Reeds in het begin van zijn werk begroet hij zijn held als »traeclîche wîs",--hij die traag rijpt en langzaam, maar dan ook des te heerliker vrucht geeft. Zo hadden de Germaanse heldensagen er steeds behagen in geschept hun helden voor te stellen--wat van Beowulf verhaald wordt, geldt ook van vele andere helden, hoe ze in hun jeugd eigelik wat achterlik waren en geminacht werden, zoals dit ook bij ons in het Noorden zo dikwels met de rijkste naturen werkelik voorkomt. Juist onhandigheid en naïeveteit zijn de eigenschappen waar Wolfram veel voor voelt als de karakteristieke kentekenen van jeugdigheid en onbedorvenheid. Zijn »süeziu jugent" brengt hem in verrukking; hij is »tumb und wert", hij is »gein valscher fuore ein tor", een dwaas tegenover alle valse streken,--zoals Thor dat in Jotunheim is.
Een echt Duits lyries dwepend jongeling is hij ook, die Parzival van Wolfram, wanneer hij in de eenzaamheid van het bos ronddwaalt en zijn borst uit voelt zetten bij het zoet gekweel der vogeltjes, dat zijn hart doordringt; wenend loopt hij naar zijn moeder en kan haar niet verklaren waarom hij weent. Dat is hetzelfde verlangen om weg te komen, dat reeds »zijn linkerborst doet zwellen" evenals dat hetwelk zijn vader er uit dreef en later ook de jongeling zelf er uit zou jagen--alle vlakten waren hem nog te eng, al het groen scheen hem verlept, zoals het ergens over hem heet. Een verwonderlik dromerige zwaarmoedigheid en dwepend verlangen blijft de Duitse Graalheld aan de eenzaamheid wijden en aan rusteloos smachten; in gedachten verzonken, leeft hij op meer dan een plaats, soms raakt hij helemaal zijn hoofd kwijt; die hele figuur schijnt als een uitwerking van het oude Keltiese sprookjesmotief dat Chrestien reeds voor Parzival gebruikt heeft, maar dat Wolfram veel verder uitwerkt: de held die op zijn omzwervingen een zekere dag in gepeins verzinkt bij het zien van een paar bloeddruppels in de witte sneeuw, die nu het gezicht van zijn geliefde voor zich ziet en de gehele dag door daar blijft staan, in smachtend verlangen verzonken.
Nu gaat Parzival de wereld in en verlaat zijn moeder. Maar reeds bij zijn eerste stappen veroorzaakt hij, zonder het te willen en zonder het te weten, ongeluk op ongeluk door zijn naïeve onachtzaamheid en gedachteloosheid en hoopt de ene schuld op de andere; door zijn moeder te verlaten legt hij haar in het graf, hij doodt een zijner bloedverwanten om diens wapenrusting machtig te worden en is de oorzaak dat Jeschute door haar man verdacht en hard behandeld wordt. Maar dat gebeurt alles terwijl hij eerlik meent de raad van zijn moeder te volgen: »sus riet mîn muoter" zegt hij telkens weer, en zijn »zoete jeugd", zijn goed hart, zijn flink karakter komen altijd weer te voorschijn en winnen de harten van allen. Alles wat hij nodig heeft is slechts dat hij door onderricht en ervaring wijzer worden moge.
Onderricht,--dat geeft hem evenals bij Chrestien, de oude ridder Gurnemanz en op zijn tochten treft de jongeling ridders en dames wier optreden een voorbeeld is voor hem--en voor Wolfram's lezers. Het gedicht is om zo te zeggen één kursus in uiterlike vormen en als in het geval van Hartmann tracht ook hier de Duitse leerling zijn Franse leermeester in pedant ceremonieel te overtreffen. Ridder Key, de drossaart van Arthur, die in de Bretonse romans altijd uitgelachen wordt, verdedigt Wolfram omdat hij zo goed de etikette in acht doet nemen; het hof van de Thüringse landgraaf zou zulk een ceremoniemeester uitstekend kunnen gebruiken. Dames en ridders trachten elkaar in het gedicht in tucht en hoofsheid de loef af te steken, en zelfs wanneer Gawein na een gevecht doodvermoeid ter neder ligt en geen lid verroeren kan, maakt hij nog duizend excuses tegen de jonge meisjes die hem verzorgen dat hij daar zo »ungezogenlîche" blijft liggen. »Gezogenlich" en »Vuoge" zijn de uitdrukkingen voor dat zekere »decorum" dat Wolfram najaagt. Maar behalve in de uiterlike riddervormen geeft de Gurnemanz van Wolfram, veel meer dan die van Chrestien, Parzival ook diepere morele levensregels ten beste: karaktervastheid en ootmoed, barmhartigheid voor hen die in nood zijn, achting voor de vrouw, trouw in de liefde,--dat zijn de deugden die hij hem voorhoudt en aanprijst. En bij Wolfram is het dan ook juist door een afwijken van die diepere moraal dat Parzival eerst zondigt, om daarna, als hij het weer goed gemaakt heeft, te zegevieren.
Uit de handen van Gurnemanz en na diens onderwijs genoten te hebben, komt Parzival aan het slot van de jonge ridderdochter Kundwiramur waar hij zijn opvoeding in de liefde-kunst ontvangen zal. Ook in de min deed Wolfram zijn best zich volgens de nieuwe ridderlike smaak te vormen, maar die komt met zijn natuur heel weinig overeen. Als hij op zijn Frans frivool wil zijn, wordt hij onbehagelik wellustig, als hij charmant wil zijn, wordt hij zoetig geaffekteerd,--men vergelijke b.v. de episode van Gawein-Obilote bij de beide schrijvers. Zo is ook het jonge meisje op het slot dat de knaap de liefde wil leren kennen, veel gracieuser in het Frans en onschuldiger in haar natuurlikheid,--bij Wolfram ligt er iets zoets, wellustigs over de episode. Maar daar staat iets tegenover dat werkelik Scandinavies-Germaans genoemd mag worden. Wanneer in de huweliksnacht de jongeling te schuchter is en te veel er op uit zijn bruid te sparen, om dadelijk aan zijn wensen toe te geven, dan stelt hij zich met lichte liefkozingen tevreden, maar de jonge bruid bindt toch de volgende dag zich de »Vrouwenband" om het voorhoofd en weet niet beter of zij is vrouw geworden, zo goed als een ander!
Wanneer Parzival aan de Graalburg komt, verzuimt hij bij Wolfram zowel als bij Chrestien, de vraag te stellen die een einde aan de betovering zou maken. Dit oud sprookjes-motief is bij Chrestien een bewijs van Parzival's naïeveteit en onbeschaafdheid; hij heeft de waarschuwing van Gurnemanz om zijn vraaglust niet te veel bot te vieren, al te letterlik opgevat en laat alle merkwaardige dingen gebeuren zonder de vraag te stellen die men van een gast die zijn wereld kent had mogen verwachten. Maar Wolfram geeft het geheel een veel moreler en sentimenteler draai. Niet naar de Graal en de lans had Parzival moeten vragen, maar als gast had hij met deelneming en medelijden naar de ziekte van de lijdende koning moeten informeren. Door een al te streng vasthouden aan de uiterlikheden van Gurnemanz's voorschriften verzuimt hij zijn plicht als man. Het is dus alleen nog maar het uiterlike, de schil der ridderlikheid die hij zich eigen heeft gemaakt; hij laat de stem des harten verstikken in leeg conventionalisme, en daarin steekt zijn fout. En als hij dan hoort wat hij al niet door dat verzuim verspeeld heeft en gesmaad wordt voor wat hij juist als fijne riddervormen beschouwde, dan raakt hij helemaal de kluts kwijt en zo vervalt hij dan in een veel groter zonde, die waarvan Wolfram juist leert dat het 't grootste gevaar voor de mensheid is,--dan komt de twijfel bij hem op,--d. w. z. dan begint hij te twijfelen aan de hemelse rechtvaardigheid en hij komt tot oproer tegen God, in plaats van zich ootmoedig onder de hem opgelegde beproevingen te buigen. En hier zien wij de eis van de religieuse opvoeding der ridders waarschijnlik uit Wolfram's geestelike Franse bron te voorschijn komen. Dit ontbreekt Parzival n.l. nog maar, zegt Wolfram en hierin herkent men hem terstond, als er maar echte mannenaard en trouw tegen zich zelf in de mens zit, dan werkt hij zich wel uit die twijfel en die vertwijfeling vandaan, en komt zeer zeker tot de troost van God. »Wert gedinge," d. w. z. een edel vertrouwend streven, zegt Wolfram, is een groot geluk in dit leven zowel als hiernamaals. »Wer immer strebend sich bemüht, den können wir erlösen," zoals het heet van een ander die zich ook van God losgemaakt heeft, maar die tengevolge van zijn morele kracht toch door strijd tot redding weet te komen. En zo buigt ook Parzival na jarenlang nutteloos omzwerven tenslotte gewillig zijn ridderlik mandom onder de wil van God. Nu is zijn zedelike opvoeding pas geëindigd, de hoogste ridderlikheid bereikt en als de volmaakte ridder weet hij de toverij te doen wijken en wordt hij zelf tot Graalkoning uitgeroepen.
Dit alles is niet helder doordacht en de oude stof heeft er zich maar half toe kunnen lenen om de gedachtengang in levende handeling om te zetten. In tegenstelling met Gawein die, gelijk reeds bij Chrestien, niet anders doet dan op krijgs- en liefdesavontuurtjes uittrekken, is de Graalheld Persival de naar volmaaktheid strevende, ideale ridder. Maar hij wordt geen monnik-ridder, hij wil, evenals Wolfram, voldoen aan de eisen van God maar ook van de wereld. Wolfram leefde namelik midden in de voortdurende strijd tussen Keizer en Paus en hij voelt met zijn karakter, even diep als Dante, de grote tegenstelling tussen die twee levensopvattingen, maar wil, ook gelijk Dante, leven voor een krachtige dualiteit. Dit was trouwens toch in 't algemeen het programma van de ridder-romantiek: »Voor >Dieu< en voor >le Siècle< te leven, goed te zijn voor God en in de ogen der wereld",--dat is het ideaal der Franse ridderromans. »Het lichaam moet voor de wereld leven, het hart moet naar God streven," de mens moet tegelijkertijd »die beiden ê" (fas et jus) nastreven--zo leren de Duitse ridderlike leerdichten, want, gelijk Frederik Barbarossa een oproerige stad toevoegde die religie in de politiek wilde mengen: »Aangaande den hemel, de hemel is des Heeren; maar de aarde heeft Hij der menschen kinderen gegeven" (Ps. 115, 16). Dit programma zal Parzival illustreren. De hermiet schrijft hem voor dat hij niet alleen God moet liefhebben, maar ook dienen moet »umbe wibes gruoz", de ridderschap moet vooral »des lîbes prîs" nastreven evenals »der sêle pardîs". En zo is Parzivals ziel ook verdeeld tussen verlangen naar de Graal en naar zijn geliefde Kundwiramur.
Niet de religie maar een zuiver menselike moraal is feitelik het hoogste voor Wolfram. Het is dan ook een zeer weinig kerkelik Kristendom dat er in het gedicht doorstraalt. De kuise vrouwelikheid van de Moren-koningin is, volgens de dichter, haar doop en was Parzivals moeder niet te voren gedoopt geweest, dan zou zij »in haar moedermelk" gedoopt zijn geworden, d. w. z. door haar moederliefde. En gelijk in de figuur van Parzival het mannelik ideaal verheerlikt wordt als trouw tegenover zich zelf, »Staete", de deugd der Duitse karaktervastheid die ook Wolfram verheerlikt had, zo wordt in een reeks vrouwenfiguren het ideaal der zuivere »wîplichkeit" getekend als trouw tegenover de geliefde man. Vol smart voelt de dichter dat er zoveel valse vrouwen de reine naam van »wîp" dragen, waar alleen de trouwe vrouw recht op heeft; en ergens noemt hij alle trouwe vrouwen op die hij in zijn gedicht geschilderd heeft,--van de koningin der Moren af tot Parzival's moeder toe wier hart barstte »in liefdetrouw" en die daarom zeker tot de vreugde des hemels ingegaan is, van Ieschute die onschuldig als zij is, haar mans mishandeling geduldig draagt, tot Kundwiramur, die als een Solveig op haar rondzwervende man blijft zitten wachten--maar met twee kinderen--en hem met roerende vreugde ontvangt zonder een enkel verwijt. Maar het allervleiendst wordt de vrouwentrouw getekend in de figuur van Sigune--zij die eens in een gril, zoals de dames in de ridderromans die zo dikwels hebben, haar liefhebbende ridder in de dood heeft gezonden en die nu ontroostbaar bij zijn lijk zit te wenen--die daar nog altijd weer zit, telkens als Parzival op zijn zwerftochten haar weer aantreft, totdat hij haar ten laatste dood over zijn lichaam vindt liggen. In een aparte cyclus--de hoogste openbaring van Wolfram's fantasie en lyriek--verhaalde hij naderhand de liefdesgeschiedenis van Sigune en Schiotulander van hun kindsheid af toen zij samen opgroeiden tot op het ogenblik dat zij uit pure nieuwsgierigheid, omdat zij weten wou wat er op de halsband van een jachthond geschreven staat, haar hartevriend in de strijd zendt waarin hij vallen zou. Er is hier ook een zekere zoetige sentimentaliteit en een geaffekteerde naïeveteit in die poëzie van Wolfram, maar er ligt ook iets als men 't zo uitdrukken mag, Scandinavies-blonds, iets smachtends over de liefde dier twee jonge lieden, iets dat meer verwant is aan de gevoelens van Fritjof en Ingeborg dan aan die van Floris en Blanchefleur. En de trouw waarmede zij zo lang boete doet voor haar flauwe koketterie is, evenals Wolfram's schildering van »Dame orgueilluse", is het echt-menselike protest van de dichter tegen de frivoliteit van de ridderliefde. Overal in Wolfram's poëzie komt ook de verheerliking van het huwelik mooi door de literaire galanterie heen op de voorgrond. Waar hij ook rondzwerft, denkt hij aan zijn armoedig slot, zijn vrouw en zijn kinderen en één van zijn »Tagelieder" waarin de minnaar bij het breken van de dageraad uit de kamer van zijn geliefde weg moet sluipen, breekt af met een hartezucht: hoeveel heerliker dan zulk een heimelik gestolen liefde toch die is, welke »ein offen suëze wirtes wîp" schenken kan.
* * * * *
Maar het zou niet de verduitsing der ridderromantiek door Wolfram en door Walther zijn die de aard en het karakter der latere literatuur bepaalde. Sterker en sterker werd de invloed van de Rijnstreken. Zelfs het oude Duitse heldenepos dat nog steeds aan de hoven van Oostenrijk in ere stond, ondergaat de invloed van de ridderromantiek, zoals dat b.v. met het Nevelingenlied en de Gudrun het geval was. Wel zijn de grondtonen en de grondstof en het oorspronkelik celweefsel gebleven maar over de barbaarsheid en de naïeveteit van de toestanden is door de ridderlike bewerkers een blinkend net van fijne, hoofse levensvormen en zeden geworpen: klederdrachten en feesten, de toernooien en de gehele omgangstoon is die van het nieuwe hofleven en door het wilde heroisme en het tragiese pathos zijn er tonen gemengd uit de liefdelyriek van het minnelied en de ridderromans van Hartmann von Aue: men denke slechts aan de verliefdheid van Siegfried en Chrimhilde aan het hof te Worms of de innerlike strijd van Markgraaf Rüdiger waar hij weifelt tussen riddereer en leenmanstrouw, volkomen in de trant van die van Iwein.
En met de derde grote naam van de Duitse poëzie der Middeleeuwen, _Gottfried von Strassburg_,--dus uit het meest verfranste deel van Duitsland--werd de invloed van de Franse ridderromantiek zo goed als kompleet. Hier stelt de schrijver zich niet tevreden met een nabootsing van uiterlikheden als van een scholier gelijk in Hartmann, of met een barok alliage van vreemde en eigen stof als bij Wolfram; de »Tristan en Isolde" van Gottfried sloot zich zoals wij reeds gezien hebben, innig aan het Franse gedicht aan, maar werkte zelfstandig op die stof voort, welke op zoveel krachten in Frankrijk beslag had gelegd, en wel hoofdzakelik in dezelfde richting. Zijn gedicht over Tristan betekent de hoogste kunstmatige afronding die de stof in de middeleeuwen ten deel gevallen is, en daarom is het dat wij die reeds vroeger hier behandeld hebben als een schakel,--de laatste--in de keten der Franse bewerkingen.
Enkele van de fouten die de Duitse vertalingen van Hartmann aankleefden, vindt men ook wel bij Gottfried. Het breedsprakige uitrekken van elke trek in het origineel, het pedante de ander steeds trachten te overtreffen in sierlikheid en ceremonieel, als wanneer de précieuses der provincie die der hoofdstad naäpen--het spitsvondige spelen met allegorieën en de schoolmeesterachtige moralisaties. Waar hij er maar gelegenheid toe vindt--zelfs ook waar die er eigelik niet is--geeft de schrijver ons een hele cursus in de kunst om het wild toe te bereiden of een uitvoerige allegoriese verklaring van de »deugden" waar Tristan's ridderkleed uit is samengeweven; en wanneer de blikken van Isolde alles in de zaal »schaak zetten" of Tristan's hart verzegeld wordt met »de zegel der liefde", dan herkennen wij de Duitser en zien hoe zwaar op de hand die worden kan, wanneer hij aan Frans »esprit" wil gaan meedoen. Niet minder Duits is daarentegen het lyriese smachten en de romantiese fantasie die zulk een glans werpt over de Tristan van Gottfried. Zijn taal kan soms een hele symboliese gevoelskleur krijgen, als hij van woorden spreekt die door het oor klinken en in het harte lachen of die het hart verkwikkende schaduw brengen als het sappig-groene lindenblad. De natuurromantiek die zijn schildering van Tristan en Isolde's bosleven bezielt, bezit een eigenaardig Germaans karakter. Het doet sterk aan Heine denken waar Gottfried »diu senfte süeze sumerzît" verheerlikt die »zo zoet" de weide heeft versierd; het groene gras, »de vriend van de Meimaand" dat zulk een »wunneclîchiu sumerkleit" aan had getrokken, de schitterende bloemen die de mensen »sô rehte suoze lachende" aankeken en »de zalige nachtegaal" die met zulk een overstromende vreugde (»übermüete") zijn trillers sloeg dat alle harten er van verrukt werden. Een verfijnd genot in muziekale schoonheid is ook overal in het gedicht op te merken. Wij horen een en ander over Tristan's kunst om op de hoorn te blazen en wanneer hij op de harp speelt, vertelt de dichter niet alleen welke prachtige zoete tonen hij te voorschijn wist te lokken, maar ook hoe zeer het tokkelen zijn zachte, slanke, lange hermelijn-witte vingers uit deed komen.