De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen

Part 34

Chapter 343,923 wordsPublic domain

Maar over 't algemeen kan men toch zeggen dat overal Duitse tonen door de conventionele nabootsing heen breken. Heel ver van de vormen der troubadourpoëzie is bv. de jolige platduitse humor in meer dan één van Hendrik van Veldekes platduitse liederen: het jonge meisje dat haar aanbidder weg heeft moeten zenden omdat hij »lose minne" van haar durfde vragen; zij vindt het vervelend dat hij niet zo is geweest als zij van hem verwachtte maar zij neemt het zijn »ziek gemoed" niet kwalik, verheugt zich op de komende zomer en heeft plezier in vrolike, onschuldige »bliskap". Of het huiselike, klagende innige der liederen van Albrecht van Johannesdorff, terwijl hij op een kruistocht naar zijn geliefde terug verlangt: »Hoe liefde begint dat weet ik wel; hoe die ophoudt weet ik niet... Mijn eerste liefde zal mijn laatste zijn... God geve dat ik haar in ere terug moge vinden als ik weer thuis kom, dan is mijn beste wens vervuld. Indien zij onderwijl haar leven veranderd mocht hebben, dan wens ik zelf op reis om te komen! Een ding raad ik haar, dat haar woorden oprecht mogen klinken en dat zij zich eerlik »einvalteclîche" gedrage tegenover mij." Zeer Duits gekleurd is tenslotte ook Reinmar von Hagenau's slechts weinig gepassioneerde maar lyries sentimentele aanbidding van het »ewig weibliche."--»Met passende klachten en zonder aanstoot te geven" (ân arge site) zal hij zijn ongelukkige liefde dragen; hoe lang hij ook leeft, zijn gehele bestaan zal aan haar gewijd zijn, en niet alleen aan haar, maar aan de vrouw in 't algemeen wijdt hij zijn lied. »Wel u vrouw, wat een reine naam, zo zoet t'erkennen en zo zoet te zeggen, zo veel als gij kunt, kan er geen volbrengen, uw lof geen mens volprijzen kan, hij die gij lief hebt is een zalig man, één vreugd is hem het leven. De hele wereld geeft gij lust en moed, waarom hebt gij nooit het minste mij gegeven?" Die verering van de vrouw in het algemeen, in plaats van »een" vrouw is een spesiaal Duitse vorm van de liefdepoëzie der troubadours,--een groot deel van het verschil tussen de Franse en Duitse minneliederen ligt in die verschillende opvatting uitgedrukt.

* * * * *

Zoals al gezegd is, trok Reinmar von Hagenau naar Weenen en zijn leerling was Walther von der Vogelweide. De ridderromans van Hartmann vonden ook hun weg oostwaarts en in Beiers Frankenland vond hij een navolger in Wolfram von Eschenbach. In deze beiden, de twee eerste geesten onder de dichters der Duitse middeleeuwen, vindt de ridderromantiek het Duitsdom in zijn krachtigste vorm, zoals die in het Zuid-Oosten bloeide en de Nationale poëzie zoals die zich in het Nevelingenlied en het repertoire der scholastici vagantes vertoonde.

Walther von der Vogelweide was niet zoals de vroegere minnezangers een adelik dilettant, die de Romaanse troubadourpoëzie als een gezelschapsspelletje beschouwde; hij behoorde wel tot de adel, maar was zonder enig fortuin, zodat hij als een mindere van de rondtrekkende speellieden door muziek en zang de kost moest verdienen. Zijn lied komt voort uit het populaire speelmanslied en dat der vaganten, zoals dit bij de oudere Provençaalse troubadours het geval was, en zodoende is hij feitelik een veel zuiverder pendant daarvan dan hun directe navolgers dit waren. Hij zong ter ere van de Heren die hem onderhielden, verdedigde hun politiek en viel hun vijanden aan; bij alle gebeurtenissen van den dag meende hij ook een woordje meê te moeten spreken in wat wij nu berijmde pamfletten zouden noemen, en hij dichtte »Sprüche" en »Sinngedichte", zoals de oude speellieden gedaan hadden; en evenals deze ontzag hij zich niet bedelverzen te zingen of spotverzen op zijn mededingers. Eerst leefde hij aan het hof te Weenen en prees de vrijgevigheid van Hertog Frederik als groter dan die van Koning Artus; maar toen de nieuwe hertog minder belang in poëzie bleek te stellen, trok Walther weg en stelde in een gedicht Weenen voor als klagende over het verval van een glansrijke periode. Een tijd lang was hij de »man" van Hermann von Thüringen en hemelde hem op als de »Bloem van Thüringen" die steeds heerlik riekt en schittert, wanneer alle andere hoven reeds lang niet meer bloeien; al kostte een vat goede wijn ook wel 1000 pond, bij de landgraaf zou de beker van geen ridder leeg staan! Ook met andere kleine vorstenhoven stond hij in verbinding, maar hij sloot zich toch meer en meer bij de keizers aan: eerst bij Philip van Zwaben, wiens zaak hij voorstond tegen de Paus en de tegen-keizer Otto, terwijl hij niet nalaat tegelijk om een paar druppels van de zegen der vrijgevigheid te vragen en hij de royaliteit van een Saladin en Richard Leeuwenhart de keizer als voorbeeld voor ogen stelt. Na de moord op Philip koos Walther de partij van keizer Otto maar verliet die weer voor Frederik II,--wel ietwat te veel volgens de lijfspreuk der rondzwervende zangers: »wiens brood ik eet, diens woord ik spreek," terwijl hij zich bovendien maar al te dikwels zijn »zangerloon" door bedelarijen en dreigementen wist te doen geven, en hij ook meer dan eens danig van zich afsprak tegenover »Hr. Wichmann" of Nidhardt of hoe die andere »Professionals" heetten die hem concurrentie aan wilden doen.

Alle stemmingen der »Vagantes" heeft hij doorleefd en geeft daar uitdrukking aan in een lyriese poëzie, heel wat vrijer, persoonliker en rijker dan die uit de gedichten van hovelingen als Friedrich von Hausen of Heinrich von Moringen spreekt. Hij heeft de druk van de winter gevoeld en de vreugde wanneer »het seizoen" weer begon, zoals de vagantes en een Meester »Spervogel" of »Suchenwirt" en andere vogels van enigsins verdacht allooi ze gevoeld hebben. De wintertijd, wanneer de wereld van geel, rood en blauw, bleek en grijs geworden is en de kraaien krijsen en de vorst de kleine vogeltjes en de arme mensen plaagt. Als hij die strenge tijd nu maar verslapen kon, tot hij de meisjes weer met de bal kon zien spelen en de boer aan zijn veldarbeid ging! Zoete zomer, waar blijft ge? Zo lui te liggen en als in de ijzers geslagen, dat is alsof je een monnikspij aantrekt. Het bittere gevoel van geen thuis te hebben heeft hij gekend, hij smacht er naar eindelik eens niet zijn brood bij vreemden te eten, maar nog eenmaal zijn voeten onder zijn eigen tafel te steken en als gastheer begroet te worden door zijn vrienden, en wanneer hij eindelik op latere leeftijd een stukje land heeft weten af te troggelen, kent zijn vreugde geen grenzen. »Ich han min lehen, al die Werlt, ich han min lehen" en nu vreest hij geen vorst meer in zijn tenen!--Ook de aanvallen van doodsangst en walg van het leven kent Walther als zo menig andere Bohémien,--wanneer hij »Frau Welt" vaarwel zegt en de onvriendelike waard zijn groeten zendt en dat hij zijn schulden nu betaald heeft en zijn naam nu van het zwarte bord verdwijnen kan,--»ik zou liever geld van een Jood lenen dan _hem_ nog langer iets schuldig zijn; hij zegt niets vóór hij je plotseling de deur uitzet als men niet betalen kan." Of wanneer hij,--gelijk zo menig vagebond vroeger of later, b.v. Villon--in een ogenblik van weemoed al zijn roerende goederen vermaakt, voordat hij »fare" moet, opdat er geen twist tussen zijn erfgenamen kome--al zijn ongelukken aan zijn vijanden, zijn beslommeringen aan de leugenaars; aan de vrouwen schenkt hij zijn hele verlangende liefde!--Maar in den regel is het toch de vreugde die hij bezingt, de jeugd, de natuur en de liefde, zoals de vaganten dat deden. Waar de »höfische" lyriek liefst elegies het hoofd laat hangen, daar is Walther de zanger van de vreugde. De ouden van dagen mogen hun leeftijd voelen, maar zij mogen de wereld niet ook oud maken; waarom hebben de jongeren hun jonge sterke lichaam als het niet is om de vreugde te kultiveren? Is men jong en rijk op de koop toe, kan niemand u overwinnen en dan moest men in de lucht zweven van plezier. Mij die arm is heeft Vrouw Fortuna toch meer opgewektheid gegeven dan den rijke. Hij die beslommeringen heeft moest maar eens aan goede vrouwen denken en het schitterende jaargetijde, dan raakt hij zijn nachtmerrie wel kwijt.

Walther is dol op de natuur en leeft daar heel wat meer vóór en ìn, dan de echte Hofzangers. Hij bezingt het bontgekleurde tapijt der heide, wanneer die zich over haar winterzorg begint te schamen en bloost als zij het bos ziet groenen. Maar meer nog houdt hij van het bos zelf en het allermeest van de vriendelike weiden en de velden, waar de grassprietjes in de spelende zonneschijn staan te lachen en de bloemen en de klaver met elkaar schijnen te wedijveren wie het hoogst op schiet. Indien ik zulk een zalige dag als deze voorbij liet gaan, dan was ik wel gek,--barst hij in overstromende lentevreugde uit. God zegene u allen en wenst gijlieden mij nu ook maar veel geluk!--Op een warme zomerdag zocht hij de schaduw onder een boom op een weide bij een beekje--in zijn gedicht gebruikt hij bijna dezelfde woorden als een Latijns Vagantenlied--en daar valt hij in slaap en droomt hoe hij over alle rijken der wereld heerst en hoe zijn ziel uit alle beslommeringen weggerukt wordt en ten hemel stijgt,--tot een domme kraai hem tot de nuchtere werkelikheid terug roept.

Ook in zijn minneliederen bleef Walther in verbinding met de speellieden en de dansliederen. Offisieel was het zijn werk het hof te amuseren en daarvoor heeft hij zeer zeker de hofminneliederen van zijn leraar Reinmar von Hagenau nagedicht. Hij voelt zulk een gedicht heel wat sterker dan de vroegere minnezangers als iets dat _besteld_ is en noemt het zijn taak in die toonaard en die geest te zingen zoals het _volk_ het wenst: »swie sî sint, sô wil ich sin,--daz si niht verdrieze mîn." Voor hem hoort het tot de hoofse omgangsmanieren om zich één met de mensen te voelen met wie men samen is, en hij is bang om uitgelachen te worden wanneer hij alleen vrolik is terwijl al de lui om hem heen bedroefd zijn. En zo zingt hij ter ere van de voorname vrouwen en maakt zich de heraut van hun schoonheid; maar hij doet het voor zangerloon al is het maar een vriendelike »gruoz" en hij verklaart ronduit dat hij hun de rug toekeert indien zij dat niet voor hem over hebben en dan zullen zij ook gauw genoeg merken dat het met hun goede reputatie uit is. Maar hij geeft de conventionele, de Provençaalse dichters nageaapte vrouwendienst en de hele stijl die daarmeê in verband staat, toch heel spoedig op. In plaats van het »Vrouwe"--het »domina", meesteres, der troubadours--gebruikt hij in een fraai gedicht: »Wîp" als de erenaam der vrouw,--de natuurlike naam van het geslacht in plaats van de conventionele aanduiding van de stand en hij verheerlikt de »echtgenote" in plaats van de »vriendin". Mooi en natuurlik, zoals nog geen een dichter vóór hem, geeft Walther uitdrukking aan zijn echt rechtstreeks plezier in de schoonheid der vrouw: schoner gezicht zelfs dan de pracht der zomerweide is hem de schone reine vrouw, wanneer zij in een nette dracht en fijne witte hoofdtooi ten feeste opgaat, in fiere houding en door haar maagden begeleid, maar nu en dan toch eens vriendelik omkijkend,--een zonne tussen sterren. Met het beeld der uiterlike schoonheid vermengt zich hier reeds de hoofse zedigheid en de innerlike schoonheid der ziel. Maar nog inniger--en in verzen die nog heden geschreven hadden kunnen zijn--wordt de liefde der vrouw verheerlikt als de beste balsem voor het verlangend hart van de man. »Zalig verlangen, haar heb ik gevonden,--in mijn hart, daar keerde zij in,--heel mijn gemoed heeft zij betoverd, gebonden, mij beroofd van bewustzijn en zin--Nooit meer kan ik van haar scheiden, door haar goedheid en haar gratie, en haar rode mondje dat zo zoetjes lacht." »Maar," gaat Walther verder door, »liefde is slechts liefde wanneer die door beiden gedeeld wordt, die moet het geluk van twee uitmaken; als die er eén ongelukkig maakt, dan heet die ten onrechte liefde,"--voor de sentimentele elegiese troubadour die zich in zijn eigen smachten verkneutert, voelt Walter niets. »Liefde is niet goed voor één alleen, daar moeten er twee voor zijn, en wel zo dat die de twee harten doordringt maar ook niet meer." En de vrouw en de man moeten hetzelfde in die liefde voelen: jubelt de man dat »het geluk dat een man ten deel kan vallen, werd het mijne, toen zij mij eerlik rechtuit verklaarde dat ik haar na aan het hart lag", even openlik erkent de vrouw dat zij in hem ook »wîbes heil" gevonden heeft, het geluk dat voor de vrouw weggelegd is. Voor beiden moet de liefde iets zijn wat ze in de goede zeden opvoedt: _hij_ komt tot haar en bidt haar er met »Maze" de schaaf bij hem over te laten gaan, maar nu verklaart zij bescheiden dat hij even goed aan haar heel wat op te voeden zal vinden; en dan vertelt _hij_ haar wat de man bij de vrouw verwacht: trouw en zedigheid, maar tegelijkertijd opgewektheid en beminnelikheid, en _zij_ hem wat de vrouw graag in de man ziet: vrolikheid, maar gelijkmatigheid van karakter en trouwe toewijding. En vrouwen die zo kunnen beminnen en ook zo bemind kunnen worden, die vindt men, volgens Walther, alléén in Duitsland: vele landen heb ik gezien, maar nooit nog vond mijn hart smaak in vreemde zede; Duitse zedigheid gaat boven alles, van de Elbe tot de Rijn, en helemaal tot Hongarije, daar vindt men de besten als ik tenminste iets van geestesgaven en lichaamsschoonheid af weet; hij die deugd en reine liefde zoekt, moet naar ons land komen.

Dikwels gaat Walther ook van de conventionele »hohe minne" der hogere kringen op »die niedere minne" over en bezingt dan burgerdochters en boerenmeisjes in een fris gedichtje in de volkstoon. »Herzeliebes frowelîn," zingt hij, »de mensen maken er aanmerking op dat ik mijn snaren zo laag stem, maar zij die zo spreken, hebben nooit liefgehad. Zij die aardse goederen nastreven of schoonheid, voelen de ware liefde niet. De liefde maakt de vrouw haar schoonheid uit en laat ze maar praten, ik heb liever jou ring van glaspareltjes dan de gouden ring van een koningin..." »Neem deze krans," zeide hij in een heerlike droom die hij verleden had, tegen een »wôl getanen maget", en met blozende kaken en neergeslagen ogen nam zij die als een schuchter kind en »geschiedde er meer, dan bewaar ik dat in mijn heimelikheid." Nooit was groter vreugde mijn, de bloemen daalden van de bomen over ons in het gras neder,--toen het eilacy! dag werd en ik uit mijn droom ontwaakte. En nu loop ik alle meisjes sterk in de ogen te kijken of zij er ook bij is, van wie ik droomde. »Wie weet of zij hier niet bij is, bij deze dans? Wees zo goed, o schonen, uw hoed wat op te schuiven, ach! zag ik haar maar met haar krans!"--Schelms en lief zingt ook het jonge meisje hoe zij en haar vriend zich onder de linde op de weide een plaatsje uitgezocht hebben. Menigeen die daar voorbijkomt zal moeten lachen als hij ziet hoe het gras en de bloemen er uit zien! Aan de rozen zal hij het kunnen zien waar mijn hoofd lag. Als iemand wist dat hij bij mij gelegen had, zou ik mij dood schamen en wat hij met mij deed, dat hoeft niemand te weten behalve hij en ik en een klein vogeltje. Tietewiet! dat zit hier niet ver vandaan!

Dat is artistiek verfijnde volkskunst. En zo staan ook Walther's politieke »Dienst"-gedichten duidelik in verband met de oude populaire dicht-genres der Speellieden. Van de heidense tijden af waren volksdichters gewoon geweest de een of andere gedachte uit te spreken in de scherpe, treffende kernachtige vorm van een korte strofe gekleed, die òf op een bepaalde gebeurtenis sloeg òf van meer algemeen satiriese of morele aard was en soms een zekere leerstelling door een »exempel" illustreerde. In dergelijke »Sprüche" en »Bîspeln" geeft Walther gewoonlik zijn politieke journalistiek ten beste en heft daardoor ook zijn schimpdichten en zijn bedelpoëzie boven die van het ogenblik tot de waardigheid van werkelik diepere dichtkunst op, een poësie soms satiries, filosoferend of moraliserend. In zijn korte kernachtige »zinnekens" verstond hij de kunst de kern van de Duitse nationale politiek bloot te leggen, die hij voorstond en om het »los van Rome", de grondgedachte der Hohenstaufen, in alle toonaarden te variëren, van energies pathos tot bloedige hoon en bittere komiek--en dat steeds weer in nieuwe beelden en vormen die zelfs de kunst van de beste »Sirventes" der troubadours overtreffen. Men ziet dadelik dat hij hier uit zijn eigen volle nationale overtuiging spreekt. En in zijn meer algemene morele berijmde beschouwingen legde hij zijn gehele etiese levensbeschouwing bloot met als idealen twee deugden: »Maze" de deugd der ridderlike vormen en »Staete", de voornaamste der oude Germaanse deugden. »Maze" is evenals het Franse »mesure" in het algemeen hoofsheid, fatsoen, zedelike tucht. »Unmaze" legt zowel de vrouw aan den dag die als een man optreedt, als omgekeerd de man die zich als een vrouw aanstelt, zowel de ridder die als een monnik leeft, als de monnik die de allures van een ridder aanneemt, zowel hij die zich boven zijn stand wil verheffen als hij die zo lang drinkt tot zijn tong dubbel slaat en hij niet meer op zijn benen kan staan. En tot »Maze" hoort vóór alles, Gode te geven wat Godes is en de wereld wat der wereld is, »Gotes hulde" dus te zoeken zowel als »weltlich ere",--goed te onderscheiden tussen de hemel die Gods is en de aarde die des Keizers is. Maar nog hoger schittert toch »Staete". Walther's ideaal: »Staete" betekent de mannelike vastberadenheid, de opene integriteit, de onbuigzaamheid en trouw die reeds Tacitus zo bij de Germanen prees,--trouw tegen zich zelf zowel als tegen anderen. De man moet uit één stuk zijn, en »vierkant", wat de Grieken »tetragonos" en de Romeinen »quadratus" noemen, evenals nog in 't Frans carré, zijn zin moet vast zijn als steen, en rechtuit, zo recht als de pijl uit een boog,--niet glad als ijs of een aal,--zijn woord moet zonder tweetongigheid zijn, beter één eerlik Neen! dan twee gelogen Ja's, zijn hart zonder valsheid, zoet als de avondschemering die een heldere dag voor morgen voorspelt,--de ware man wordt nooit »nieuw",--wien hij éénmaal wel wil, wil hij ook wel voor altijd.

* * * * *

Aan het hof van Hermann van Thüringen trof Walther de dichter van de Parzival, _Wolfram von Eschenbach_, die in de lyriek een dergelike plaats inneemt als Walther, terwijl hij zich ook in een krachtige Duitse geest aan de ridderromantiek wijdde. Evenals Walther is hij van adel, maar zonder geld; hij is geboren, zegt hij, tot »Schiltes Ambet" en laat er zich zelfs erg op voorstaan dat hij heel weinig gelezen heeft en niet kan schrijven. Hij is uit Beieren en verklaart dat »wij Beieren zijn dapper, maar verstand en hoofse vormen is niet iets voor ons". Toch heeft hij met zijn grote drang naar ontwikkeling en vormen getracht zich het hele evangelium van het nieuwe Fransdom eigen te maken, zowel als allerlei geleerdheid over landen en volkeren en natuurfenomenen, gelijk hij zich ook brutaalweg inlaat met allerlei geheimzinnige teologiese bespiegelingen. En met al de verachting van een krijgsman voor boeken, heeft hij als de echte autodidact die hij is, er altijd plezier in zijn half verteerde wijsheid uit te kramen. Zijn taal is doorspekt met Franse woorden en eigengemaakte Franse uitdrukkingen en hij kan op de vermakelikste manier het »gaste forest soutaine" van zijn Franse bron tot »de woestijn in Soltâne" maken en »Une dame gisait" tot »Vrouwe Jeschute" en soms steekt hij zelf de gek met zijn Beiers Frans. IJverig heeft hij Heinrich von Veldeke en Hartmann von Aue bestudeerd en met hen als leermeesters tracht hij zichzelf en zijn landgenoten naar de nieuwe moderne ridderlikheid te vormen. Maar veel van de oude bekende heldenzangen hoort hij nog in zijn oor klinken en hij kent de oude heldensagen goed en wij vinden al de karakteristieke uitdrukkingen daaruit, als »Degen" en »Recken", »balt" en »ellenthaft" in zijn ridderstijl terug. Het was geen toeval dat hij het niet beneden zich achtte om een van de wildste oud-Franse Heldendichten--Aliscans--te bewerken, ofschoon, dat dient er bij gezegd, in een merkwaardig ridderromanties kleed!

Er is een frisse, kernachtige kracht, een flinke durf in die Beierse ridder en zanger. Aan de levende ridderwereld van de oorlog en de jacht en het paard en het zwaard, ontleent hij krachtige en schilderachtige beelden voor alles wat hij uit wil drukken. De morgenzon heeft zijn klauwen door de wolken geslagen en stijgt met macht; trouw zit in het maagdelik gemoed, vèr-blikkend als de helderziende valk; voor een van zijn personen breekt de »kling der vreugde" plotseling dwars door bij het heft, voor een ander is de smart reeds zo ver van honk gereden dat geen speer die meer in kan halen. Maar er is ook een brede Beierse humor in hem, sterk verwant aan die van de gedichten der speellieden. Midden in zijn verhaal vallen er hem woordspelingen of barokke vergelijkingen in, of kan hij niet nalaten zijn eigen personen voor de gek te houden; soms krijgen wij op eens een vermakelike scène aan het hof van Thüringen of uit zijn eigen levensgeschiedenis of tapt hij een hatelikheid op de stereotiepe beschrijvingen van andere dichters. En gewoonlik geneert hij zich niet,--hij toont zich de man die hij is en er zit niet weinig zinnelikheid in hem. Zijn grapjes draaien daarom dikwels om het geslachtsleven en zijn dubbelzinnigheden zijn gewoonlik grof en als hij er maar even kans toe ziet, beschrijft hij graag de vrouwelike vormen en een nacht van liefde. Zijn ridders en vrouwen en meisjes munten meestal uit door een grote mate van zinnelikheid en zijn ridders hebben het voortdurend over vrouwen en behandelen ze meer op de wijze der baronnen dan echt ridderlik.

Gemoedelikheid en karakter is er genoeg in het werk van Wolfram. Hij heeft het warme frisse gemoedsleven van de Zuid-Duitser en zijn poëzie ziet de wereld door een glimlach en tranen en voelt voor het geluk en het ongeluk der mensen waar zijn pen van schrijft. Humor, idyllen, sentimentaliteit, alle straalbrekingen van het gemoedsleven zijn er in de poëzie van Wolfram von Eschenbach evenals in die van Goethe of Jean Paul. De hele Parzival door wordt de belangstelling van de lezer gaande gehouden door aardige kleine scènes en episoden: nu eens wordt er humoristies de treurige hongerkuur geschilderd die de bezetting van een belegerde burcht moet verduren, dan eens is het een ridder die Parzival op zijn kasteel ontvangt en met de bedachtzaamheid van een familievader zijn schuchter jong dochtertje en de knappe vreemde ridder samen tracht te brengen. Of Gaweins zeer jonge zuster, die voor het eerst in haar leven met een ridder spreekt, en om beurten rood en bleek wordt wanneer die haar zeer dierbare groeten komt brengen van niemand meer of minder dan de Koning zelf, voor wie zij reeds lang in het geheim gezucht heeft. En overal in het boek schitteren beelden en vergelijkingen die van een bizondere sentimentele vlucht der fantasie getuigen: De groene vreugde van Parzival wordt volkomen ontkleurd,--de gedachte aan Sigune trok de vreugde te voorschijn uit het hart van de held gelijk de bij de zoetigheid uit de bloemen zuigt,--de sterren begonnen zich te vertonen, de boodschappers van de nacht, die haar voorafgaan om haar herberg te bereiden.