De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen
Part 33
Zoals bij de Zuid- en Noord-Franse vorstenhoven, kwamen ook in het Duitsland der 12de eeuw de kleine edellieden aan de hoven der Welfen in Brunswijk en Beieren bij elkaar, te Weenen, in Zwaben en op de Wartburg, aan die der Babensbergers, der Staufen en der graven van Thüringen en daar ontstond even als in Frankrijk een sosiaal leven en een sosiale kultuur. De Latijnse roman »Ruodlieb" toonde, zoals wij gezien hebben, niet alleen hoe ver men in de 11de eeuw reeds aan de Beierse hoven gekomen was, maar ook vooral welke levensidealen de geesteliken de baronnen voor ogen hielden. Evenals wij dit bij de Noord- en Zuid-Franse hoven zagen gebeuren, werd ook aan die der Duitse vorsten het volkslied het voorwerp van een fijnere, meer aristokratiese behandeling en de edellieden van beider kunne dichtten dansliederen en minneliederen over ridders en dames die elkaar verlaten moeten, en »Liebesgrüsze" die ze elkaar in de verte zenden,--de dame is in de regel degeen die vraagt, de ridder gedraagt zich koel, zoals het zijn waardigheid van man past--; de zanger zelf staat op het voorplein van de burcht voor de dames en heren te zingen. En ten slotte: evenals weer in Frankrijk, begonnen ook aan het hof der Welfiese hertogen te Regensburg klerken de Latijnse kronieken der geesteliken tot Duitse rijmkronieken om te werken, als de Kaiserkroniek, rijk aan romanachtige onderhoudende stof, terwijl tegelijkertijd de omzwervende speellieden in Frankenland en Beieren evenals in Frankrijk zelf de oude heldengedichten gingen moderniseren en romantiseren door ze naar het Oosten te verleggen en ze met herinneringen aan de kruistochten op te smukken,--verliefde Saraceense schonen, Oosterse pracht en wonderen. Uit de tijd der Ottonen waren er toch genoeg verbindingen tussen het Duits-Romeinse Keizerrijk en Byzantium en lang vóór dat Duitsland door de tweede kruistocht aan die religieuse tochten mee was gaan doen, hadden vorsten en ridders, vooral juist uit Beieren, aan zulk een tocht naar het Heilige Land deel genomen.
Maar de begonnen zelfstandige ontwikkeling werd al meer en meer onder een direkte, veelzijdige invloed van de Franse kultuur gebracht. Die gehele nieuwe grote religieuse stroming van de 12de eeuw was Frans van oorsprong en de monniken van Cluny die ook in Duitsland het kerkelik leven beheersten, brachten de Franse geest en vorming met zich. Een reeks huweliken met Franse prinsessen introduceerden het Fransdom aan de vorstenhoven. Op het huwelik van Hendrik III met Agnes van Poitou, volgde later dat van Hendrik V met een Anglo-Normandiese en dat van Frederik Barbarossa met een Bourgondiese prinses en Hendrik de Leeuw van Saksen huwde met de zuster van Richard Coeur de Lion. Zowel Bourgondië als Provence kwamen onder de Duitse Keizerskroon en toen Frederik Barbarossa de reis door Provence ondernam om zich te laten huldigen of met oorlogszuchtige doeleinden naar Zuid-Italië trok, mag men wel aannemen dat zijn volgelingen allerlei Romaanse modes en zeden hebben leren kennen en overnemen, en dat troubadours hem op zijn feesten hun opwachting zijn komen maken en Duitse hofzangers een lesje in hun kunst hebben gegeven. Uit Noord-Italië trokken ook klerken zowel als die troubadours uit Provence over de oude Alpenwegen op naar de gastvrije hoven van Bohemen en Hongarije; de Donau-streken werden voortdurend bereisd door Fransen die over land naar Byzantium of het Heilige Land wilden. Maar vooral was de benedenloop van de Rijn: de Nederlanden, Neder-Lotharingen, zowel als Vlaanderen, de plaats waar Frans en Duits samenkwamen. Niet alleen Henegouwen en Brabant maar ook Lotharingen hoorden onder het Duitse Keizerrijk maar waren altans overwegend Frans in taal en kultuur en namen een aktief deel aan het opbloeien der ridderromantiek die zich in het naburige Vlaanderen en Champagne aan het ontwikkelen was. Langs al die wegen drong het Fransdom binnen.
En de superioriteit van dat Franse element werd bereidwillig door de Duitsers erkend die met het grote adaptatievermogen dat zij steeds hebben behouden, zich er vlijtig aan begonnen aan te passen. De bouw en de inrichting der kastelen, de klederdracht en de spijzen der edelen werden Frans. De hogere standen engageerden Franse geesteliken om hun kinderen Frans te leren of zonden ze met een gouverneur naar Frankrijk om daar de taal te leren, evenals ook Duitse studenten de Franse scholen gingen bezoeken. Door een reeks leerdichten, beantwoordende aan de Franse »castoiements" en »doctrinals", trachtten Duitse geesteliken hun landgenoten in Franse »Sitte" en »Zucht" in te wijden en zij vormden het woord »höfisch", beantwoordende aan het Franse »courtois". In 1127 werd te Würzburg het eerste toernooi op Duitse bodem gegeven op Franse leest geschoeid, en in diezelfde tijd begonnen ook de vormen en ceremonieën van het Ridderwezen een Frans karakter aan te nemen. En in verband hiermede begon men nu de erotiese poëzie der troubadours en de ridderromans langs verschillende wegen in het Duits te vertalen,--en het zal buitengewoon leerrijk zijn die wegen schrede voor schrede na te gaan.
Gewoonlik waren het persoonlike en maatschappelike verbindingen der vorsten die de aanleiding waren tot dergelijke vertalingen en bewerkingen. Op een reis in Frankrijk in 1131 had Hendrik de Stoute het Rolandslied leren kennen en bij zijn thuiskomst droegen hij en de hertogin aan een priester Konrad op dit in Duitse verzen te vertalen. Ongeveer gelijktijdig hiermede bewerkte een zekere Pfaffe Lamprecht, die aan de Rijn in de buurt van Straatsburg thuis hoorde, de Provençaalse Alexanderroman in het Duits. Maar degeen wie toch eigelik de eer toekomt die ridderomans in Duitsland geïntroduceerd te hebben, was Heinrich von Veldeke, die in de Nederlanden uit een ridderlik geslacht geboren en getogen was, maar dicht bij de Franse taalgrens. Voor een gravin van Kleef bewerkte hij de Aeneasroman in Duitse verzen. Toen zij met de landgraaf Lodewijk van Thüringen trouwde, was het een dier graven van Thüringen die het nog onvoltooide manuskript mede naar huis nam en eerst toen de dichter negen jaar later zelf naar Thüringen kwam, kreeg hij het van de literaire landgraaf Herman terug met de opdracht het te voltooien. En die zelfde graaf Herman gaf nu zijn wens te kennen de Trojaroman, die men als een soort vóórgeschiedenis van die van Aeneas beschouwde, ook in het Duits vertaald te zien. Een graaf van Leiningen wist de Franse roman machtig te worden en droeg een jonge geestelike uit Fritzlar op die te verduitsen. Een ander onderdaan van de Landgraaf, een der geesteliken uit het klooster Jechaburg in Thüringen, kreeg nu het idee de Metamorphoses van Ovidius in Duitse verzen te vertalen. En zo verplant de beweging zich, stap voor stap, van de Nederlanden naar het hof op de Wartburg.
Een andere zetel van de Franse kultuur was, zoals wij zagen reeds ten tijde van Hendrik de Stoute, het hof der Welfen te Regensburg; later bevorderde de Anglo-Normandiese gemalin van Hendrik de Leeuw nog de invloed van haar geboorteland sterker. Zo vertaalde b.v. een van 's hertogen »Dienstmannen" Eilhart van Oberge, uit het Brunswijkse, het ons bekende gedicht van Tristan en Isolde.
In Zwaben en aan de Bovenrijn hadden de Staufen hun eigelik machtsgebied en Frederik Barbarossa resideerde gewoonlik in de Keizerlike Palts, te Hagenau, Gelnhausen of Ingelheim. Het grote feest dat hij op Pinkster van 1184 te Mainz gaf naar aanleiding van de ridderslag--de »Schwertleite"--van zijn zoons, kwamen vorsten en edellieden uit Frankrijk en Duitsland te zamen en die glorieuse dagen te Mainz wijdden om zo te zeggen de gouden eeuw der Ridderromantiek voor Duitsland in. Een der mannen van Barbarossa, een ridder von Hausen uit de Rijnstreken die in de dienst van de Keiser naar Frankrijk zowel als in Italië kwam, vertaalde de minne-poëzie der Provençaalse troubadours in het Duits en veel andere keizerlike ambtenaren die ook in de Romaanse landen reisden volgden zijn voorbeeld. Andere ridders uit de Rijnstreek en Zwaben zochten hun voorbeelden in Noord-Frankrijk, zo richtte Reinmar von Hagenau uit de Elzas zich voor zijn minneliederen hoofdzakelik naar de Noord-Franse lyriek. Daar heeft ook de eerste grote man van de Duitse ridderroman gereisd, Hartmann, waarschijnlik in de dienst van zijn meester, de heer von Aue, zelf vertelt hij ons dat hij zijn ridderlike Liefdeleer daar van daan meebracht, die hij in een poëtiese zendbrief (ein »Büchlein") ontvouwde, zo wel als twee der ridderromans van Chrestien de Troyes die hij elegant verduitste: Erec en Iwein.
Tussen die verschillende haardsteden der kultuur in Zwaben, Rijn-Frankenland, Thüringen en het hof der Beierse hertogen was er nu een sterk, levendig literair verkeer, en van die vaste punten breidde de ridderromantiek zich over andere delen van Duitsland uit. Een der Franse edelen, een dier gijzelaars die tegen de loslating van Richard Coeur-de-Lion uit de gevangenschap des keizers gesteld waren, gaf een handschrift van de roman van Lancelot aan een geestelike uit Thurgau, die dit later in het Duits trachtte weer te geven op het voetspoor van Hartmann von Aue's romans. Een waardiger navolger en mededinger kreeg Hartmann intussen in een ridder uit het Beierse Frankenland, Wolfram von Eschenbach, die heel lang aan het hof van de landgraaf Herman von Thüringen leefde en werkte; althans één van de romans die Wolfram bewerkte was hem door die landgraaf besteld. Ook de troubadour-poëzie verplantte zich tegelijk van de Rijnstreek naar de hoven van Thüringen, waar Heinrich von Moringen de leider werd van een locale school van minnezangers.
En eindelik komt de beurt aan het Beiers-Oostenrijkse Duitsland, waar de eigen nationale kultuur zich nog het langst tegen de indringer verzet had,--waar de oude heldenliederen van Siegfried en Krimhilde en Wolfdietrich nog voortdurend in de grote hal der kastelen weerklonken en waar het inheemse minnelied nog steeds aan de hoven gekultiveerd werd. Uit de Rijnstreek kwam de zoëven genoemde Reinmar van Hagenau naar het hof der Babensbergers te Weenen en charmeerde allen door zijn vreemde koloratuur en niet lang daarna was het Oostenrijk dat in Walther von der Vogelweide de fraaiste liederen der ridderlyriek voort zou brengen. Uit Midden-Duitsland kwam de rondzwervende zanger Stricker naar Oostenrijk met zijn eigengemaakte Artur-romans en het was ook daar dat later de vrouwendienst en het rondzwervende ridderleven het verst gedreven werden, zelfs bijna tot een karikatuur, door Ulrich von Lichtenstein. Zelden zal een literaire modebeweging zo aardig stap voor stap in haar ontwikkeling gevolgd kunnen worden. Maar het waren toch voortdurend de Rijnlanden die de meest echt-Franse en de meest elegante ridderlikheid opleverden: de klassieke ridderroman in de »Tristan en Isolde" van Gottfried van Straatsburg, fijne ridderlike verhaaltjes in de »Mären" van Konrad von Würzburg die te Straatsburg en Bazel werkte.
De bewerking door Hartman von Aue der romans van Chrestien de Troyes toont al dadelik ook zeer duidelik de punten waarin de Duitse en Franse ridderromans altijd van elkaar verschild hebben. Bij de Fransman is de ridderwereld een stuk van zijn eigen inheemse kultuur, die met de tijd en de grond gegroeid is en die de burgerzoon uit Troyes met bewondering aan de vorstenhoven om zich heen gadeslaat. Voor de Duitse ridder is daarentegen die ridderkultuur een vreemde mode en fijne manier van leven en voelen, waarin hij zich zelf heeft moeten inwerken en opvoeden en waarin hij nu door zijn dichtwerk zijn landgenoten een kursus geven wil. Waar Chrestien naïef en fris beschrijft wat hij zelf gezien heeft en natuurlik menselik voelt, dikwels met zijn eigen burgerlikheid, daar heeft Hartmann aan de ene kant een zekere ingeboren fijnere ridderlikheid in zich, maar aan de andere kant kontroleert en »stiliseert" hij ook aldoor en idealiseert alles wat hij schildert volgens een ideaal der ridderlikheid dat hij zijn lezers duidelik wil maken; in de gehele verhouding tot zijn stof is hij niet-naïef, gereflekteerd, »sentimenteel". En dan: de Fransman werkt in de »grondstof" der sagen, die hij hun eerste vorm geeft, de Duitser is de bewerker die het essentiële van het werk afgedaan vindt en die het nu fijner kan maken,--die ongelijkheden kan effenen, het overbodige er uit kan laten, gebreken in de motivering kan aanvullen,--maar die er ook licht toe komt het er wat dik op te leggen, het te veel uit te spinnen en te overladen, of te veel en te geraffineerd te verfraaien. In vergelijking met Chrestien is de schildering van Hartmann meer kunstig maar ook meer gekunsteld.--Maar bovendien komt hier ook het verschil van ras reeds op de voorgrond dat later de gehele Franse en Duitse literatuur kenmerken zal. De Fransman heeft het nuchtere soliede gevoel voor de werkelikheid van de Latijnse naties; met al zijn zintuigen leeft hij in het uiterlike leven mede dat hij evenals zijn medemensen neemt zoals zij zijn en hij heeft daarenboven een sosiaal simpatiek karakter, dat zich in de gemoedsbewegingen zijner personen inleeft, en levendig alle scènes dramatiseert: de aanleg van de Franse geest voor roman en drama doet zich bij Chrestien reeds duidelik kennen. Het Germaanse karakter van de Duitser beschouwt de dingen en neemt ze van buiten waar, veel minder levendig en massief, hij leeft meer in zijn eigen voorstellingen en gevoelens en hij idealiseert het leven en de mensen naar zijn eigen dromen en idealen: de lyriese, idealistiese, rekonstruerende aanleg van de Duitse geest openbaart zich reeds bij Hartmann.
»Mij lust het u te laten horen, dingen, die het zéér waard is te bezingen," zo begint Chrestien zijn vertelling in naïeve »Lust zu fabulieren". Daarentegen schrijft Hartmann om aan te tonen »hoe hem die zich op de ware voortreffelikheid spitst, geluk en ere steeds zullen begeleiden". Waar dus Chrestien de scène zeer aanschouwelik schildert en de gebeurtenissen dramaties voorstelt, is Hartmann er steeds op bedacht alles zo goed mogelik het ideale ridderleven te doen illustreren en de lezers tot voorbeeld te doen strekken. Het konflikt tussen riddereer en liefde dat de romans van Chrestien behandelen, wordt bij de Duitser diepzinnig tot een moreel probleem, waarbij de begrippen Eer en Trouw zeer sterk op de voorgrond treden: Door zijn gelofte te breken is Iwein een verrader geworden, een »triuweloser man" welke allen zullen verachten die »Trouw en Eer liefhebben". En aldoor past Hartmann op dat alles volgens de ridderlike gewoonte en hoofsgepast geschiedt. Hij verwerpt de realistiese jolige vergelijkingen en allerlei triviale of naturalistiese détails over strijd of eten of kleeren, bizonderheden waar de speellieden uit het heldenepos zich gaarne in vermeiden. Daarentegen zijn een ideaal ridderpaard of een ridderburcht, een tournooi of een jachtpartij onderwerpen die blijkbaar beter bij zijn stand passen en die hij met voorliefde schildert. Waar Chrestien de een of andere ontvangst levendig weergeeft, doceert daarentegen Hartmann hoe de ware gastvrijheid zijn moet in tegenstelling met een die men tegen zijn zin, gemelik zich laat afdwingen. Wanneer Chrestien mededeelt dat Lunette bij de dienstmaagden zo geliefd was omdat zij hun de afgedragen japonnen van de prinses gaf, of dat het bruidskleed dat de koningin Enide ten geschenke gaf, nooit te voren gebruikt was geweest, en dat hij de koningin haar zelf laat verzekeren dat die wel meer dan 100 mark waard is, dan laat Hartmann dergelike burgerlike naïeveteiten eenvoudig weg, evenals het tussen de burchtvrouwe en haar cameriere, tussen de edellieden en de kleine burgers bij hem ook veel minder vertrouwelik, veel deftiger toegaat dan bij Chrestien.
In duizend kleinigheden merkt men groter takt en fijngevoeligheid bij de Duitse edelman en diens betere opvoeding en vormen. Zo is b.v. de gehele scène waar Erec bij de arme Vavassor intrekt en diens dochter wint, geretoucheerd met een massa fijne trekjes: dat het jonge meisje eigelik als stalknecht dienst doet, geneert de dichter evenzeer als Erec zelf; haar schuchtere (bliuchliche) blikken naar hun gast en diens verliefdheid worden veel fijner dan in het Frans weergegeven en bij Hartmann treedt de voorname ridder met veel groter kiesheid tegenover zijn gastheer op. En zo gaat het steeds; de uiterlike vormen zijn fijner en netter geworden, en in plaats van het vertrouwelike »zoete, lieve vriendin" wordt in het Duits de vorm »Frau" gebruikt waar hij haar aanspreekt en ook in bescheidenheid, takt en fijngevoeligheid staan de mensen hoger dan die van de eenvoudige Franse trouvère.
Verder is de Duitser harteliker en ook meer zoetsappig-sentimenteel. De vrouwen van Chrestien kunnen een drastiese passie tonen die bij de Duitser tot een stille eerbare sentimentaliteit wordt. En overal komt er een warme zachte gevoelstoon over wat er verteld wordt: de vriendschap tussen Iwein en Gawein heeft een volkomen sentimenteel karakter en er zijn aardige beelden uit het familieleven, hier en daar een stukje Duitse humor, een roerend afscheid van huis, een roerend weerzien van twee geliefden. »Hun mond was stom, hun harte zong,--het droeg een vreugdekrone,"--heet het lyries.
Vooral is de vrouwenverering en de liefde heel wat zoetsappig-sentimenteler bij Hartmann dan bij Chrestien. Zoetig-galant--»zoet" is een van zijn lievelingswoorden--is hij aldoor bij de beproevingen van Enide, en dat zijn ook alle mensen met wie zij in aanraking komt; zelfs het paard vindt dat zijn voeder beter smaakt wanneer het hem toegediend wordt door de witte handen van zulk een »zoete" stalknecht. Hij voegt er een lange roerende monoloog in waarin Enide verklaart zich van kant te willen maken, zij vraagt de dood om haar te komen huwen terwijl zij nog jong en fris is, en zij roept de dieren des wouds aan om haar op te komen eten;--waren zij werkelik gekomen, zegt de dichter, dan zouden zij alleen maar vol medelijden met haar geweend hebben. Veel meer dan bij Chrestien wordt het daarom bij Hartmann een sentimentele proef waarop de echtgenoot zijn vrouws liefde stelt en terwijl het Franse gedicht daarmee eindigt dat Erec Enide vergeeft, is het slot van het Duitse dat Erec haar om vergiffenis smeekt. Evenzoo wordt in de »Iwein" het avontuur van de held met de »Dame de la Fontaine" wier echtgenoot hij gedood heeft, door de Duitser veel sentimenteler geschilderd en hogerop genomen dan bij de Fransman. Dat een vrouw de moordenaar van haar man huwt is voor Chrestien niet meer dan een nieuw bewijs er voor dat de vrouw honderd keer van opinie verandert en morgen weer anders denkt dan vandaag en feitelik gebeurt dit ook alleen om de praktiese reden het kasteel weer een beschermer te geven. Voor Hartmann is het daarentegen »die gewaltige Minne" die de burchtvrouwe in haar macht krijgt ofschoon zij Iwein nog volstrekt niet gezien heeft. De dichter wil het verhaal idealiseren en sentimentaliseren, maar maakt het daardoor eigelik alleen maar ergerliker.
Op zijn eigen sentimenteel-Duitse manier legt Hartmann ook een kristelike kleur over zijn ridderromantiek. Zijn stijl is doortrokken van geestelike en bijbelse voorstellingen en God is steeds galant en sentimenteel voor de smeekbeden van een »zoete-meisjesmond". Enide wordt een echte heilige, omzweefd door hemelse allegoriese wezens. Als boete tot zekere hoogte voor zijn profane gedichten legde Hartmann er zich in zijn latere jaren op toe Legenden in een half ridderlike, avontuurlike sentimentele, half aestetiese stichtelike stijl om te werken. De kleine H. Gregorius is als kind in de kloosterschool door zijn beminnelikheid en zachtheid eigelik een vrome pendant van de Florissen en Guillaumes der Grieks gekleurde Franse romans onder hun verblijf aan het hof. En in »der arme Heinrich" is het dochtertje van de boerenkinkel dat leven en bloed over heeft om de melaatse vorstenzoon te genezen, nauw verwant aan het burgermeisje van Marie de France, dat zich voor haar geliefde ridder opoffert. Maar er is in die Oedipus-achtige Gregorius-geschiedenis zowel als in »der arme Heinrich" een mystiek, een drang naar de martelaarskroon en een verlangen naar het hiernamaals, die tonen hoe sterk de Duitse ridderromantiek nog in het teken van de levensopvatting der geesteliken staat.
Maar »Frau Welt" steekt het hoofd al meer en meer op aan de Duitse hoven zo wel als aan de Franse. In zijn jonge dagen geneerde Hartmann zich niet een veelvuldig gebruik te maken van een der lievelingsvoorstellingen der geestelike literatuur: een dialoog tussen het lichaam en het hart, om de levensregelen der ridderlike liefdekunst te verklaren en hij schreef ook troubadour-liederen. Het oudste Duitse minnelied staat over het algemeen bij Friedrich von Hausen, Heinrich von Veldeke, Heinrich von Moringen of Reinmar von Hagenau in dezelfde verhouding tot zijn romaanse bronnen als de romans van Hartmann von Aue tot de hunne.
Reeds te voren waren de minneliederen aan de Duitse hoven in zwang geweest en de erotiese poëzie der romaanse troubadours had die niet geheel en al kunnen verdringen, zo min als de Duitse zeden zich volkomen naar de Franse lieten vervormen. Maar: de in één strofe paarwijze rijmende verzen werden nu vervangen door de kunstige versmelodieën met hun vlug rhythme, dat maar heel slecht paste bij het stijve zware Duits door hun talrijke, door elkaar geslingerde rijmen, de getelde lettergrepen en hun in drieën verdeelde strofen. Men voerde de nieuwe dichterlike stijl in met de hele vrouwendienst. Men zeide van het lichaam der Schone dat het »wolgetan" en »minneclich" was, evenals de Provençaalse dichters het »ben estans" en »amoros" genoemd hadden, men prees haar »Tugend" en »Guote" in plaats van »pretz" en »bontatz", bad om genade en zwoer hulde als vasal, kultiveerde »tougen Minne", beloofde »Verswîgenheit" en klaagde over »die huote", »die nîdaere", juist zoals de troubadours de geheimhouding (»lo celar") als voorwaarde opstellen voor de ridderliefde en zij tegen de »gardadors", de wachters, al de »envios", de ijverzuchtigen, en de sluwe »lauzengiers", de lasteraars, te velde trokken. Ook het bekende arsenaal der beeldspraak: de pijlen van de blikken die het hart door het oog wonden, en de personificatie der liefde vinden wij bij de Duitsers terug. Maar het meeste voelt men toch als geleende veren en dat past soms heel slecht bij de Duitse toestanden. De Duitse zangers zijn geen afhankelike hofpoëten die hun meesteres moeten bezingen en haar daarom natuurlik hun vazallenhulde bieden en die alle mogelike reden hebben tot bescheiden ootmoed en discretie voor het geval zij zich verwaardigt hen te begunstigen. Het zijn integendeel voorname edellieden en welgestelde hovelingen en de vrouwen hebben er geen politieke en sosiale machtspositie als in Zuid-Frankrijk. De zangers verbergen de naam hunner aangebedene dan ook niet en dikwels zal het ook een ongetrouwd jong meisje geweest zijn dat zij openlik, en in eer en deugd het hof maakten. En zo ontmoeten wij bij die onderdanige huldigingsgedichten der dames naar de nieuwe mode bv. nog steeds die oude »Frauenstrophen" waarin de vrouw zich niet geneert haar liefdesverlangens en smeekbeden bloot te leggen en uit te spreken of zich eerst voorneemt zoals 't past, trots zich op een afstand te houden, maar weldra overslaat en eigelik niets liever verlangt dan naakt in zijn armen te liggen.