De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen

Part 32

Chapter 323,948 wordsPublic domain

Lijnrecht tegenover die sentimentele liefde staat echter bij Chrestien als bij anderen, een ander ideaal prinsiepe, dat van de hooggespannen en ten top gedreven cultus van de eer. Konden echte helden der heldensage bang worden, deze onwerkelike ridders weten niet wat vrees is; konden de eersten verstand aan den dag leggen en list vertonen, de laatsten verachten zulke dingen. Wanneer er gezanten de grote zaal van Artus binnenkomen, pochend en vol drukte zoals er dat in de heldensage bij hoort, dan antwoordt de koning zachtmoedig glimlachend: »Vriend, zeg ons uw boodschap; dat zal niemand u verhinderen." De ridders van de Tafelronde moeten elke bede op voorhand inwilligen en keer op keer worden Artus zo wel als zijn helden in de pijnlikste verlegenheid gebracht wanneer de bede iets absoluut onmogeliks blijkt te beogen, en meer dan eens worden zij door die onbezonnen beloften genoodzaakt een onrechtvaardige zaak te bevorderen. Met poenerige trotsmoedigheid zet de ridder zijn dame op het spel, zodra iemand hem maar uitdaagt om haar te strijden. Komt er een vreemde strijdridder aan het hof van Artus, die een ieder uitdaagt die maar wil om met hem om de koningin te vechten, dan neemt Artus dit dadelik aan. Guenievre wordt dadelik als het voorwerp van de strijd naar een weide gebracht en wie ook maar wil van de ridders, al was het ook ridder Key, die om zijn ongelukken bekend is, mag haar verdedigen. In de strijd zelf geeft de ridder zijn tegenstander allerlei voordelen en is er op uit de fijnste ere-regels voor de strijd op te stellen. Onder de ridders geldt ook de stijfste beleefdheidsetikette en elk woord dat niet »convenable" is of elk onbeleefd antwoord betekent zoveel als een uitdaging in een duel. Vooral is hoofsheid tegen de dames een ridderplicht; een dame niet te groeten is een misdaad, die gezoend moet worden; de hand aan een vrouw te slaan--zelfs al zou zij daar zelf schuld aan zijn doordat zij zich tussen de strijdenden geworpen had--eist een lange tijd van boetedoening.

Een nieuwe ridderlike deugd, die de ridders van koning Artus op de meest geraffineerde wijze beoefenen is de bescheidenheid; die hebben ze uit de heilige legenden geleerd. Nooit zullen ze zich ook maar enigermate op de voorgrond stellen, altijd, zo mogelik, hun heldendaden anoniem volbrengen, in een onbekende wapenrusting, men moet ze bespioneren om gelegenheid te krijgen ze te bedanken. Schoon is b.v. ook een scène waarin Gawein een zijner broeders treft, zonder dat die hem kent. De broeder vraagt de Artusridder over de Tafelronde uit, wie de beste is, enz.... steeds in de hoop Gawein te horen prijzen. Maar Gawein noemt allen anderen een voor één op, maar nooit zijn eigen naam, waar de ander zich hevig over ergert. En Lancelot zowel als andere helden hebben er een bepaald plezier in om zich zelf te plagen, en zich te doen miskennen, zich voor te doen als of ze voor iets niet deugden en zich door anderen in de schaduw te doen stellen; zachtmoedig houden zij zich op de achtergrond, totdat ze van de nood een deugd moeten maken en ze zich plotseling in al hun kracht vertonen.

En de Artusromans hebben er plezier in, evenals Chrestien, de ridder met zijn eigen geweten in konflikt te brengen, waardoor verschillende kwesties van eer of de eisen van de riddereer en die der liefde tegenover elkaar komen te staan, zo dat de ridder genoodzaakt wordt een dier eisen te overtreden en daarvoor gestraft wordt òf dat hij zich door de ene of andere subtiliteit uit de slag moet trekken. Hij heeft b.v. juist een tegenstander overwonnen en die ligt nu weerloos onder hem; nu komt een dame aanzetten die om een gunst vraagt welke de ridder haar natuurlik dadelik toestaat,--nu vraagt zij om het hoofd van de overwonnene. Eerloos zou het zijn de weerloze te doden, maar zijn belofte aan de dame mag een ridder ook niet breken; hij geeft dus de ridder zijn wapenen terug en begint een nieuwe kamp met hem, waarin hij hem overwint. Of Gawein heeft een ridder verslagen die een vrouw geweld aan heeft gedaan. Des avonds komt hij aan een kasteel waar hij allervriendelikst ontvangen wordt. Maar aan het eind van de maaltijd wordt het lijk van de verslagene binnengebracht en nu blijkt het dat het de zoon van zijn gastheer is die Gawein gedood heeft; het bloed dat uit de wonden vloeit toont wie de moordenaar is en hij tracht dit dan ook niet te ontkennen. Eerst wil zijn gastheer hem nu doden, maar dan herinnert hij zich de eisen der gastvrijheid, laat hem de volgende morgen wegtrekken, om hem dan pas te vervolgen en wraak te zoeken.

* * * * *

De proza-roman van Lancelot is van de monniksgeest doortrokken. Lange uitwijdingen over dogma's breken het verhaal overal af en voortdurend wordt de kristelike missie van de ridderschap op de voorgrond gebracht. Van zonde, berouw en boetedoening is de liefdeshistorie van Lancelot en Guenievre vol, en de gehele elegiese sentimentaliteit waarmede hun moeilikheden geschilderd worden heeft een kristelike legendentoon over zich. De schroomvallige nauwgezetheid en de spitsvondige dialektiek waarmede de ridder aan de eisen van de eer tracht te voldoen, het diepe schuldbewustzijn dat de minste tekortkoming aan die eisen in het gemoed van die ridder achterlaat,--dat is alles ook van kristelike oorsprong. En de roman eindigt er dan ook meê dat Guenievre zich in een klooster terugtrekt en Lancelot zijn leven als een vrome eremiet eindigt.

Vele zijn over het algemeen de pogingen van de geestelikheid geweest om de ridderpoëzie van de kristelike geest te doordringen. Wij hebben »lais" die een kristelike morele kleur over de heidense Keltiese sagen trachten te leggen; wij hebben romans waarin de kristelike mirakelen tegen heidense toverij strijden of waar het teken des kruises de ridder uit de handen der spoken redt. Maar de belangrijkste poging om een beslist kristelike ridderromantiek tegenover de wereldlike te zetten, deden de monniken in de Graalromans. Tegenover de ridders van de Tafelronde kwam de heilige ridderschap van de Graal te staan, tegenover de jacht op avonturen en eer, die van de Graal, »la quète du graal", een jacht op die levenskroon welke slechts de volmaakte ridder zonder blaam zou kunnen bereiken. En niet minder avontuurlik,--neen! nog avontuurliker en wonderliker, nog meer vervuld van heldendaden en ridderlikheid dan al die Artur-romans werd die Graal-romantiek in de werken van Chrestiens' navolgers, de Duitser Wolfram von Eischenbach, die in een groot gedicht een verloren Franse versroman nabootst, in de berijmde Graalromans van Robert de Boron, een Anglo-Normandies dichter en ten slotte in de grote prozaromans die ten dele aan Walter Mapes toegeschreven worden.

In die overweldigende massa van vers en proza golft er een chaotiese menigte van voorstellingen, van alle kanten te samen gevloeid en die elkaar dikwels tegenspreken. Maar de hoofdtrekken zullen wel zo ongeveer de volgende zijn:

De schaal, het bekken of de schotel waarvan Kristus bij het laatste avondmaal zeide: »Die de hand met mij in den schotel doopt, die zal mij verraden", heeft steeds een wonderbare kracht behouden, niet alleen om de goeden en de reinen voedsel te geven en hen tevreden te stellen maar ook om de zonden te ontsluieren door geen onreinen in de buurt te kunnen dulden. Die schotel kwam in het bezit van de vrome Josef van Arimathea die er het bloed van de Gekruisigde in bewaarde. Toen hij gedurende de Kristen-vervolgingen in de gevangenis geworpen was, werd hij wonderbaarlik voortdurend door den schotel gevoed, en Kristus openbaarde zich voor hem en leerde hem de ritus van de Mis en de mystiese betekenis er van. Toen stichtte Josef een broederschap van die »Graal" zoals het genoemd werd en van een Tafelronde, ter herinnering aan het laatste Avondmaal. De Graal verschaft voedsel, maar hij die alleen uit nieuwsgierigheid er in kijken wil of die zich aan de tafel neerzet zonder er recht op te hebben, wordt gewond of verblind door hemelse wapenen. De Graalbroeders trekken als zendelingen de wereld in en ten slotte trekken zij op hemels bevel naar Engeland om dat land te kerstenen. Overal wordt hun tocht door mirakelen en mysteriën gekenmerkt, zij vinden het toverzwaard van koning Salomon; ter loutering van hun zonden worden enkelen hunner met toverschepen naar tovereilanden gebracht: een der leden van de broederschap heet Brons en wordt »de rijke visser" genoemd, omdat hij een vis gevangen heeft waar een heel gezelschap mee gevoed is geworden.--Petrus wordt in de H. Schrift een »visser der mensen" genoemd en de vis is ook het symbool van Kristus--, een ander wordt door een bloeddruipende lans in zijn voet gewond, hetzij omdat hij op een heilige plaats is gaan slapen of omdat hij in de schotel gekeken heeft, of het is door het zwaard van Salomon dat hij gewond wordt. Intussen is de Graal van Josef van Arimathea in andere handen overgegaan en die wordt ten slotte in een onbekend slot, ergens in het westen van Engeland, bewaard opdat die niet in de handen der woeste Saksen vallen zal.

Daar zit nu een Graalkoning die te bewaken... hij is ziek, maar hij kan niet sterven of beter worden, vóór een rein, edel man naar de Graal en de bloedende lans komt vragen. In navolging van de broederschap van de Graal is nu Artur's ridderschap van de Tafelronde gesticht geworden om de Graal te zoeken. Merlijn is de stichter er van; hij was eigelik een afgezant van de Hel, uit een maagd geboren om zo een tegenhanger van Kristus te vormen en had als deze bovennatuurlike macht gekregen; maar het goede in hem had de overhand gekregen over het daemoniese in hem. Zo zijn de ridders van de Tafelronde een wereldlike ridderschap die naar ideële volmaking streven en de beste ridders zoeken overal de wereld af naar de Graal. Door zijn liefde voor de koningin heeft Lancelot zich onwaardig gemaakt om die te vinden; het is òf Percival òf--volgens anderen--Galahad, de zoon van Lancelot, die eindelik als de reine ridder zonder smetten, het kasteel weet te bereiken, de vragen stelt en Graalkoning wordt.

Dat schijnen de grote trekken te zijn. Het is een vreemd mengelmoes van trekken uit alle kanten. Zeker zijn er Keltiese sage-elementen bij. Zoals wij reeds gezien hebben waren er oude Ierse verhalen van een ketel waarin altijd genoeg te eten was, en van andere merkwaardige talismans als een lans en een zwaard; verder de sage van de gewonde koning Artus die nog steeds in leven is op het tovereiland Avalon, en er zijn zonder kwestie sagen bij de Britten in omloop geweest van de romantiese jacht die hun helden de gehele wereld door maakten op wonderbare talismans,--evenals Jason het gulden Vlies was gaan zoeken, Herkules de appelen der Hesperiden, Thor de wonderbare ketel van Hymir en de appelen van Idun, of de helden van de Kalevala de molen van Sampo. Perceval schijnt oorspronkelik er op uit getrokken te zijn om een toverzwaard te zoeken waarmede hij de moord op zijn vader zou wreken; andere helden zochten de wonderbare ketel die weer welvaart zou brengen in een land dat onder een vloek had gelegen of die een zieke koning de gezondheid weer zou geven.

En geesteliken hebben nu die Keltiese sagen in verband gebracht met kristelike legenden. Apocryfe evangelieën waaronder dat van Nicodemus het voornaamste is, vertelden van Josef van Arimathea, die de beschermheilige der ridders werd en vooral van Brittannië en van oude kristelike Broederschappen. Vervolgens: evenals alle andere relikwieën uit het leven van Kristus--zijn rok, de zweetdoek van Veronica, de lans van Longinus, het kruishout en de kruisnagels--zette de avondmaalschotel ten tijde der kruistochten de fantasie in hoge mate in beweging en ook alweer als die andere relikwieën werd het op verschillende plaatsen vertoond, b.v. te Constantinopel en te Genua. Verder moest het bloed van Kristus in de opvattingen van die dagen wel een grote rol spelen. In overeenstemming met de oude begrippen van bloedwraak was het 't storten van Kristenbloed zelf dat voor de mensheid de eigelike verzoening betekende. Dat zij die het lichaam van de dode Heiland gewassen hadden, dat kostbare vocht niet zouden hebben bewaard, waarin toch altijd zulk een merkwaardige kracht moest zijn blijven wonen, dat scheen de mensen volkomen onbegrijpelik: op vele plaatsen beweerde men dan ook een weinig bloed van Kristus te bezitten, zo kreeg b.v. in het jaar 1247 koning Hendrik III van de patriarch van Jerusalem een kristallen buisje met een weinig van het heilige bloed er in, dat in de familie van de patriarch, van de tijd van Josef van Arimathea af, van vader op zoon overgegaan was. Bij de communie gebruikte men dit bloed ook, en het was juist in de dagen der Kruistochten dat het krasse materialisme der Middeleeuwen als vaststaand aannam dat het brood en de wijn door de mis werkelik tot het lichaam en het bloed van Kristus werden. De naam graal was waarschijnlik bedorven Middeleeuws-latijn, en de substantie waarschijnlik een samensmelting van de schotel en de kelk die bij het H. Avondmaal gebruikt waren, in oude miniaturen wordt die als een kelk afgebeeld en het schijnt ook dat een en ander der mystiese liturgie der mis, misschien wel bizonder zoals de kruisvaarders die in de Oosterse kristelike kerk bediend zagen, de stof gegeven heeft voor vele Graal-mysterieën.

Over het algemeen kan men zeggen dat de kruistochten het voornaamste element voor de Graalpoëzie geleverd hebben. Er zijn talrijke Oosterse elementen in de fraaie détails. Verschillende van de mystiese merkwaardigheden van de Graalburcht doen denken aan wat de »Priester Johannes" in de (onechte) Latijnsche brief aan de Keizer van Byzantium vertelde van zijn geheimzinnige reis naar de binnenlanden van Azië, of aan een nieuw Babylonies rijk waar te Byzantium van gefabeld werd,--waar de Griekse afgezanten bv. een heilige kerk gezien hadden die altijd met water van het graf van Kristus gevuld bleef, en waar onzichtbare stemmen en mystiese opschriften de vreemdelingen altijd op weg hielpen--evenals in de Graalromans. Maar die hele Broederschap van de Graal schijnt te danken aan voorstellingen over de orde der Tempeliers, met hun prachtige residentie in de »Tempel van Salomon", hun verschillende religieuse mysterieën en hun half priesterlike ridderschap. In een geschrift »De laude novae militiae" verheerlikte Bernard de Clairvaux die krijgshaftige Broederschap »die ik niet weet of ik monniken of ridders moet noemen",--»zachtmoediger dan het lam, wilder dan de leeuw;" leefden die te zamen in kuisheid, soberheid en eendracht, terwijl zij wonderen van heldendaden bedreven tegenover de ongelovigen. In de verloren Franse Perceval-roman van »Kyot uit Provence"--die Wolfram von Eschenbach als zijn bron noemt, wordt de Graal ook, duidelik genoeg, door een Broederschap van heilige ongetrouwde »Tempelridders" bewaakt.

Maar evenals de Tempelheren al heel spoedig als separatisten en ketters bij de Kerk in miskrediet en in ongenade vielen, zo was goed beschouwd de gehele Graal-poëzie tegenover de Roomse kerk ook ketters. De leden vormden toch eigelik een priesterschap zonder door de kerk geordineerd te zijn, met hun eigen sakramenten en hun eigen heiligdommen, terwijl zij de kerk die ze niet nodig hadden ook niet als hun overheid erkenden. De grote prozaroman over de H. Graal beweert zelfs brutaalweg van Kristus zelf te stammen als een evangelie even heilig als dat van de kerk. En een duidelik Anglikaanse tendens beheerste het gehele gedicht; de Britse kerk heeft te bogen, èn op een bizonder hoge ouderdom en een bizondere heiligheid, geheel onafhankelijk van de Paus te Rome. Er is ook heel veel grond om met de middeleeuwen aan te nemen dat deze en dergelijke trekken te danken zijn aan Walter Mapes, bekend als diplomaat en de hoogbegaafde kapellaan van Hendrik II. Evenals het trotse nationale Anglo-normandiese rijk van Hendrik II de figuur van Koning Artus als een pendant van Karel de Grote voor de Fransen voelde, zo is de Graal-legende zeker wel een poging om in de fantasie een nationaal Engels Kristendom te scheppen.

Maar, hoe dit nu ook zij, een feit is het dat de Graalromans een legendaries-mysties en een asketies-moreel element in de ridderromantiek brachten en tussen de Bretonse romans in, waarmede ze veel van de ridderlikheid en het sosiale en het fantastiese element gemeen hebben, zowel als de drang naar avonturen langs de grote weg, waren de Graalromans bizonder in trek en werden ze met een spesiale eerbied ontvangen. Na de ridder-romantiek van Chrestien, menselik-wereldlik en met haar drang naar strijd en liefde, met intérieurs van het high-life van die tijd en met avonturen waar niets »achter" stak, naïef rechtuit en in bepaalde, duidelike, glasheldere omtrekken,--volgde er in de Graalromans een ridderlik geestelike romantiek van een diepzinniger en meer metafysies karakter en met een dieper en verder strekkend fantasie-perspektief in zich. Met grote kunst wordt de fantasie der lezers steeds in een mystiese atmosfeer zwevend gehouden. Er zijn bv. geheimen die Jesus Josef van Arimathea in het oor gefluisterd heeft en die niet bekend gemaakt mogen worden, of duistere voorspellingen die niet verwezenlikt zullen worden voor »de dag komt, waarop de ridder met twee zwaarden de droevige slag zal slaan waardoor alle wonderen van de Graal zich voor het koninkrijk van Logres zullen openbaren en alle die ellende op Groot-Brittanië zal vallen". Of we horen van mysterieën die men aan profane oren niet durft toevertrouwen, maar die »opgeschreven gevonden kunnen worden in het boek der klerken, waarin alles opgetekend staat over de grote heimelikheid die »de Graal" heet." Of we krijgen wonderen te aanschouwen die heel wat irreëler en bovennatuurliker zijn dan de reuzen en dwergen van Chrestien: er wordt u een slot voorgetoverd in plaats waarvan er plotseling een dorre heide verschijnt; een meer, als dat waarin de »Dame du Lac" woonde en dat dan weer een bos blijkt te zijn; stemmen, opschriften die een waarschuwing of een voorspelling bevatten, onzichtbare handen die iemand trekken of terughouden, die iemand een slag met een zwaard op de schouders geven, of die als de geesten der spiritisten, iemand in de wang knijpen, zo dat er een litteken van blijft zitten. Ook wat er op de kastelen voor toverij gebeurt, is heel wat dromeriger en geheimzinniger in de Graalroman dan bij Chrestien. In donkere gangen tast men zijn weg, deuren vliegen open en slaan weer toe, men hoort het geratel van ketenen en ongure helse geluiden... Hier is een drempel waar de ridder met geen macht ter wereld over heen kan komen, daar ziet men een put open staan, waar giftige gassen en duivelse stank uit komen... het doet zo wat denken aan de ongemotiveerde en absoluut onbegrijpelike manier waarop men bij een nachtmerrie in zijn dromen van het kastje naar de muur wordt gestuurd.

Maar steeds weer voert die atmosfeer van mystiek naar een hiernamaals en altijd klinkt er een moraal-religieuse toon doorheen. Het zijn geen heidense maar kristelike spookverschijningen die men hier in alle soorten vindt. Kisten wier deksel zich opent en waar vlammen uitslaan; te middernacht in de kerk, wordt de ridder met geselslagen van onzichtbare geesten ontvangen of moet hij strijden met vormloze spookverschijningen; of wel is het buiten op het kerkhof dat hij jammerkreten uit de graven op hoort stijgen, hij wentelt grafstenen weg en bevrijdt jonge meisjes die daar door duivels opgesloten werden om hun lusten te dienen. Duivels die in de vorm van schone vrouwen mensen trachten te verleiden, ridders voor hun zonden door straffende mirakelen getuchtigd. Dikwels zijn het mirakuleuze illustratiën van het een of ander dogma; een brood dat zich bij het gebruiken van het Avondmaal in een levend kinderlichaam veranderd, welks bloed in de kelk vloeit terwijl hemelse stemmen bevelen dat het in tweeën gesneden en verteerd moet worden. Dwars door de gesloten deuren en vensters van een vertrek komt op eens een wonderschone knaap, die ook op die zelfde wijze weer verdwijnt; een stem verklaart dat hij die dit wonder gezien heeft zich nu ook niet meer er over verbazen mag dat Jesus uit het lichaam ener maagd geboren kon worden. Dikwels laat zich nog heel goed aantonen dat er aan zulke verhalen een heidense Keltiese sage ten grondslag ligt, maar waar de geesteliken een symbolies-kristelike uitlegging aan gegeven hebben.

Een fatalisme vol geheimzinnigheden dat half Oosters schijnt te zijn, maar ten dele ook op de kristelike leer der voorzienigheid gebouwd, rust op alles wat wij zien gebeuren. Alles is voorspeld en staat met »çhaldæiese" schrifttekenen in het »Boek van het Noodlot"; de menselike vrije wil is maar een illusie, het zijnde hemelse machten die de mensen blindelings, volgens ondoorgrondelike besluiten hun pad doen betreden. Eens vindt Lancelot ergens een grafsteen met zijn naam en zijn afstamming er op aangegeven, die hem onbekend waren, en er staat bij dat hier zijn graf zal staan. Er komt ergens een schip zonder zeilen aanzetten, op het dek ligt een wapenrusting met een schriftelike mededeling dat de wijze Salomon duizende jaren geleden het schip gebouwd heeft en het de wereld in heeft gezonden, waar het rond zou dwalen tot het de persoon zou vinden voor wie schip en wapenrusting bestemd waren. Het zwaard is prachtig maar het hangt aan een versleten hennepen koord en er staat bij dat het steeds daaraan gedragen moet worden, totdat een koningsdochter er een ander voor in de plaats maakt van wat zij bij zich draagt en het meeste liefheeft en zij zal het zwaard dan ook pas zijn ware naam geven.

De monniksgeest die wij reeds in de roman van Lancelot op de voorgrond zagen komen, beheerst de Graal-poëzie al meer en meer. Reeds in de »Perceval" van Chrestien was er op de sexuele kuisheid van de knaap en zijn misdaad jegens zijn moeder sterk de nadruk gelegd; maar in het gedicht van Robert de Boron en in de proza-romans dringt het ascetisme overal door. In alle verhalen over de voorhistorie van de Graal, speelt de vrouw bijna in 't geheel geen rol en waar ze optreedt wordt ze meestal als het lagere wezen voorgesteld dat alleen maar tot het kwade verleidt, evenals in de legenden en in de Oosterse bronnen. En in de verhalen die »la quête du Graal" schilderen, het zoeken der Tafelronde-ridders naar het kasteel waar men de Graal bewaart, wordt sexuele reinheid en maagdelikheid absoluut geëist van hem die Graalkoning worden zal. »Hij moet goed zijn in de ogen van God en in die van de wereld. In de wereld moet hij goed zijn als hij, die vervuld is van alle goede eigenschappen: eer, schoonheid en moed, en in Gods ogen moet hij goed zijn, want hij moet vervuld zijn van barmhartigheid en vroomheid en hij moet ook het zuiverste voorbeeld van kuisheid genoemd kunnen worden."

Maar hier overschrijden wij dan de grenzen der ridderromantiek. De mystiek en het idealisme van de Graal krijgt meer en meer een volkomen kristelik-geestelike kleur,--wordt meer en meer geestesverwant met die kruistocht der Albigensen, waardoor het vrolike Zuid-Frankrijk als de aren voor de zeis werd neergemaaid, of met Lodewijk de Heilige, die geen trouvères of minnestreels aan zijn hof duldde.

XIX.

DUITSE RIDDERROMANTIEK.

De Ridderromantiek is geheel en al op Franse bodem ontkiemd en in Frankrijks lucht groot geworden en haar levensloop kan in de Franse literatuur zelf nagegaan worden van de tijd dat zij knoppen zet en bloeit af, totdat zij zaad schiet en verkwijnt toe. Maar--zoals wij reeds in het begin gezien hebben--de sosiale en geestelike voorwaarden waren zo ongeveer dezelfde in Duitsland en de ontwikkeling der kultuur en literatuur zou daar in hoofdzaak langs dezelfde ontwikkelingslijnen gaan als in Frankrijk, zodat de enorme Franse invloed die zich weldra aan gene zijde van de Rijn deed gelden, eigelik slechts die geestelike krachten in beweging bracht en vorm gaf, welke uit zich zelf al op Duitse bodem ontstaan en gegroeid waren, en dan ook niettegenstaande alle verfransing tot zekere hoogte een Duits karakter bewaarden.