De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen
Part 30
Maar waar de perceptie zo nauwkeurig en uitvoerig te werk gaat, is geen plaats voor die scala van gebeurtenissen en episoden waar de lichtvoetige fantasie der Bretonse vertellingen zich zo gemakkelik over beweegt. Met die zelfde innerlike drang tot klaarheid die men later ook bij Racine en het Frans klassisisme opmerkt, verstaat Chrestien de kunst zijn stof te simplificeren. Waar het bij hem voornamelik op aankomt, zijn volstrekt niet de uiterlike gebeurtenissen, maar het zieleleven waar handelingen uit voortspruiten en waarop die inwerken. Er is een overwegend dramaties element in de romans van Chrestien. Bij elke roman die hij schrijft nemen de gesprekken een grotere plaats in evenals de psychiese monologen en dialogen. Reeds in de Aeneas-roman zagen wij dat de lange retoriese tiraden van Virgilius tot levendige, voortdurend afwisselende vragen en antwoorden geworden zijn, hier bij Chrestien zijn het dialogen geheel in de trant van een blijspel, b.v. die van het Mysterie van Adam, uit dezelfde tijd, waarin Eva door de slang verleid wordt. Midden in een indirekt verhaal slaat Chrestien opeens in de levendigste dialoog over en geeft de woorden weer zoals ze vielen. En de gesprekken zijn dikwels heel levendig en geestig, vooral wat de vrouwen zeggen is vol Frans _esprit_. Daarbij komen dan nog de monologen en de gesprekken waardoor de personen ons hun innerlik doen kennen. Ook dat kunstmiddeltje had Chrestien van de romans geleerd die de antieken nabootsten. Maar duidelik heeft de lyriek der Provençaalsche troubadours hier ook als voorbeeld gediend; meer dan één van de monologen van Chrestien's minnaars is niets dan een lied der troubadours in acht-lettergrepige verzen omgezet. Ook de hele geestelike dialektiek is Chrestiens' leraar geweest in dialogiese analyse van zielstoestanden, de dramatiese voorstelling van met elkaar in konflikt komende opvattingen. Er is een sterk element van scholastiese dialektiek en spirituele pedanterie in de manier waarop hij zijn gedachten aan de man brengt; liefde en haat, vermetelheid en vrijgevigheid treden als personen op en schelden elkander uit of vliegen elkaar aan en er wordt over 't algemeen kinderachtig veel met woorden geschermd in plaats van met gedachten gevochten. Maar dikwels wordt de sofisterij van het hart zeer levendig weergegeven, wanneer de passie zich van schijngronden bedient om verstand en plichtgevoel er onder te brengen. En aldoor volgt de dichter alles wat er geschiedt met zijn psychologiese fantasie en zijn sympathie. Hij verstaat levendig de kunst om het ongeduld weer te geven van een die lang wachten moet of de gewetensbezwaren van een twijfelaar en hij jubelt met de verzoende geliefden wanneer ze »met elkaar wedijveren hoe ze elkander het meest plezier kunnen doen", of wanneer Gawein plotseling zijn lang ontbeerde vriend Lancelot naar hem toe ziet komen rijden, van zijn paard springt en hem omhelst: Gawein »was zo verrast alsof Lancelot uit de wolken was komen vallen en hij zou zelfs niet graag tot koning gekozen willen zijn in plaats van Lancelot te zien".
Overal in zijn kunst wordt Chrestien door zijn persoonlikheid in twee verschillende richtingen getrokken. Er is een realisties nuchter verstand in hem dat het vreemde element assimileert aan wat hem familiaar is en bekend, het hoge aan het lage. Maar er is ook een drang naar het ideale in hem die hem steeds zijn onderwerpen doet opsmukken, verfijnen en veredelen. Zijn fantasie leeft steeds onder de vorsten en edelen, hij schildert slechts rijkdom en schoonheid, en tovert zich en zijn publiek het verleden als een ideale avontuurlike wereld voor de ogen. Laten wij van de tegenwoordige tijden maar niet spreken, zegt hij,--die kennen geen ware ridderlikheid meer en geen ware liefde, maar laat ons spreken van hen die _waren_; een dode edelman is meer waard dan een levende ellendeling; laten wij spreken van de gulden tijden van koning Artus, toen het leven was zo als het zijn moet. Toen waren er feesten,--»niets ontbrak er toen van wat genot geeft of 's mensen harte vreugde brengt"; toen waren er vrouwen,--»nooit zag men een schoner paar", »God schiep in Blanchefleur zijn meesterwerk"; toen waren er paarden,--»geen koning of keizer bezit zulk een prachtig paard",--»dat is 100 Mark, ja, wel 100.000 Mark in goud waard." In zulk een idealisme wordt elke karakteristiek van personen en toestanden uitgewist. Maar als hij aan 't werk is, vergeet Meester Chrestien gelukkig dat hij Hofdichter is en Artus moet bezingen en geïnspireerd door zijn naieve en realistiese vertellingskunst, schildert hij zonder zich te generen, hoe de ridder achter de valdeur gevangen zat als in een rotteval, hoe een der strijders een hele karbonade uit zijn tegenstander kerft en hoe die zich liever een tand uit wou laten trekken dan door te vechten. Vooral tegenover de vrouw en de liefde komt zo zijn realistiese en ironiese blik op de menselike natuur duidelik voor den dag. Hij vindt het gewoon »onzin" om te beweren, zoals Thomas in zijn Tristan doet, dat de ene geliefde op een afstand kan voelen wat de ander denkt, omdat »zijn hart bij haar en 't hare bij hem is." En hij heeft er plezier in alle voorbeelden op te noemen van de trouweloosheid en veranderlikheid van de vrouw en tekent een beeld van haar dat heel wat verschilt van dat der troubadours. Maar toch zijn Chrestien's romans er op uit om in de Bretonse sagestof het idealisme van de liefde en de riddereer te leggen die hij aan de adel verkondigt. Het is een sentimenteel, maar misschien ook tot zekere hoogte een logies idealisme: het is zijn dialekties verstand dat er een genoegen in vindt om die opvatting van de liefde en de eer welke hij in de ridderlike poëzie al gevonden had, zo subtiel mogelik ten spits te drijven en logies in al zijn konsekwenties door te voeren. Zo als dit voor een ceremoniemeester en wapenheraut past, stelt hij in zijn romans alle regels der riddereer op en interpreteert ze als een streng jurist; maar als de hofdichter van Marie van Champagne huldigt hij tegelijk ook de religie van de mode-liefde en waakt er nauwkeurig over dat aan alle eisen daarvan voldaan wordt. En met zijn dramatiese dichtergave weet hij in zijn romans het konflikt tussen riddereer en ridderliefde ten top te drijven.
In »Erec en Enide" wordt verhaald hoe Erec, een der ridders van koning Artus, door de dwerg van een onbekend ridder gehoond is geworden. Zijn riddereer verbood hem de dwerg dadelik te tuchtigen, maar nu gaat hij naar een stad waar hij die ridder in een toernooi zal ontmoeten. Gezellig pratend vertelt Chrestien hoe Erec bij een arme »Vavassor" met een witte baard, zijn intrek neemt die droef in zijn eenzaamheid voor zijn huis zit. Zijn gastheer heet hem dadelik welkom en roept zijn vrouw en dochter van haar huiselik werk en beveelt het jonge meisje voor het paard van de ridder te zorgen en dat op stal te zetten. Zij is zeer armoedig gekleed en treedt schuchter voor de gast, maar haar zeldzame schoonheid lijkt dubbel schoon in haar nederig kleed. Als zij het paard verzorgd heeft, leidt zij de ridder bij de hand naar de kamer die de moeder intussen zo fraai mogelik voor hem in orde heeft gebracht. En daar zet Erec zich nu tussen zijn gastheer en diens dochter op het met tapijten bedekte bed voor een helder brandend vuur, terwijl de enige dienstmaagd van de familie het avondeten toebereidt. Erec vindt het meisje hoe langer hoe liever en de vader vertelt met naieve trots hoe velen haar al gevraagd hebben, maar zij is zo schoon dat hij haar niet geven wil tenzij er een echte koningszoon komt die haar hebben wil. Nu maakt de gast zich bekend als Erec, de zoon van koning Lac, een der ridders van de Tafelronde en vraagt dat de dochter morgen bij het toernooi zijn dame moge zijn. De gastheer en de hele familie zijn natuurlik allemaal even blij als vereerd en voor de avond om is, is de zaak uitgemaakt dat Enide met Erec trouwen gaat. Stil en bedeesd zit het jonge meisje daar, innig gelukkig bij de gedachte dat zij koningin zal worden. De volgende morgen helpt zij hem bij het aantrekken van zijn wapenrusting, »dat liet zij zich niet twee maal vragen," zegt de dichter schelms, en Erec overwint in de strijd en geeft haar de prijs: een sperwer. De volgende dag trekt Erec met Enide naar het hof van koning Artus. Erec vraagt dat zij haar armoedig kleed aan zal houden, niet alleen omdat hij dit wel pikant vindt, maar ook omdat hij zeer ridderlijk haar uitzet door koningin Guenievre wil laten bezorgen; het enige dat zij mede neemt is de sperwer die niet uit haar hand te krijgen is, en waarin ze de hele tocht door een kinderlik plezier heeft, terwijl Erec zich steeds dicht tegen zijn schone aandrukt en niet moe wordt haar aan te zien, vol ongeduld om haar aan het hof voor te stellen en zijn lotgevallen te vertellen...
En nu vertelt de schrijver, alles in de prachtigste kleuren, van de schitterende bruiloft en van het jonge paar en hun huweliksgeluk. Maar nu komt pas het eigelike onderwerp: het konflikt in Erec tussen de minnaar en de ridder. Naïef en familiaar verhaalt Chrestien ons hoe Erec meer en meer verwijfd wordt; hij is niet van Enide af te slaan en staat soms niet voor 12 uur op. Zijn mannen beginnen daar over te mopperen en eens op een morgen hoort hij hoe Enide tegen zich zelf ligt te klagen dat zij schande en oneer over haar man gebracht heeft door hem van zijn ridderlike daden af te houden. Als Erec met moeite uit haar gekregen heeft wat er van hem verteld wordt, ontwaakt zijn trots en zijn gramschap en zijn gekrenkte riddereer doet hem in zijn overspanning een plotseling besluit nemen. Nu zal hij haar en de wereld eens tonen wat het voor een man is die zij verdenken en tegelijkertijd zal hij haar vertrouwen en gehoorzaamheid op de proef stellen. Hij laat zich zijn volle wapenrusting aandoen en zonder enige verklaring, bars en met een paar woorden, beveelt hij zijn vrouw haar schoonste kleed aan te trekken; nu gaan zij te samen de wereld in. Het enige teken van tederheid dat hij aan den dag legt, is dat hij zijn vader opdraagt voor Enide te zorgen, voor het geval dat zij alleen terug zou komen. Nu laat hij haar steeds een eind vóór hem uit rijden en verbiedt hij haar streng tegen hem te spreken of hem te waarschuwen, welk gevaar zij ook moge vrezen. Zijn bedoeling daarmee is haar als een soort lokvogel te laten dienen en zo allerlei roofridders en strijders te krijgen die Erec in nieuwe gevaren zullen brengen en nieuwe avonturen zullen bezorgen. Er wordt nu geschilderd hoe ze rondtrekken; overdag mag de arme Enide geen woord tegen haar geliefde man zeggen en des avonds in de herbergen behandelt hij haar als zijn schildknaap en moet zij het werk van een stalknecht doen. Keer op keer is haar man aan gevaren blootgesteld door haar schoonheid; òf het zijn drie roofridders die hem overvallen, òf wel een burchtheer in een ander slot waar ze overnachten, wordt verliefd op Enide en wil Erec ombrengen... En keer op keer vergeet zij in angst voor haar man zijn verbod of veronachtzaamt het, waarschuwt hem en redt daardoor zijn leven; maar hij wordt elke keer weer meer vergramd over haar ongehoorzaamheid en haar wantrouwen,--hij zal zich wel weten te redden zonder hulp van vrouwen! Maar,--haar liefde is toch steeds sterker dan haar vrees voor zijn gramschap. Dit is feitelik een oud motief uit de heldenpoëzie en de sprookjesliteratuur: een hond of een paard dat door zijn blaffen of hinniken zijn heer voor een gevaar wil waarschuwen die de bedoeling van het trouwe dier niet begrijpt en het daarom met slagen dreigt of werkelik slaat, maar de liefde van het dier is steeds sterker dan de vrees en de gehoorzaamheid; pas op 't allerlaatste ogenblik, misschien pas als het te laat is of hij zijn trouwe vriend gedood heeft, bemerkt hij het gevaar. Hier is het nu de vrouw die haar heer die hondentrouw bewijst of die nederige liefde toont. Het motief is ook verwant met die talrijke verhalen op het (latere) Griseldis-motief van een man die zijn echtgenote op de proef wil stellen, haar verstoot, haar een andere vrouw laat dienen die hij voorgeeft te willen huwen, die haar beveelt hem als staljongen te volgen en die hij op stroo aan het voeteneinde van zijn bed laat slapen... alleen om haar later tot groter eer en waardigheid op te heffen. Tenslotte, wanneer Erec dodelik gewond bewusteloos voor dood nederligt en Enide juist door een burchtheer gedwongen zal worden hem te trouwen, komt Erec door haar kreten weer tot bewustzijn, vliegt op en bevrijdt haar... Zij omhelzen elkaar; aangedaan dankt hij zijn Enide--telkens wanneer zij ongehoorzaam was had zij in werkelikheid hem eigelik weer een bewijs van haar liefde gegeven en van nu af leven zij in een en al geluk zonder de minste wolkjes.
Hier was het de vrouw,--in de volgende roman van Chrestien »Ivan, de ridder met de leeuw", is het de man die door een hardvochtige geliefde gepijnigd wordt, waar die de proef door zijn onderdanige liefde bestaat; en ook in deze roman is het weer het konflikt tusschen de eisen der liefde en die der riddereer voor een leven van heldendaden, dat de handeling in beweging brengt. Maar het begin behandelt toch een ander onderwerp,--dat duidelik de reeds hiervoor genoemde sage van feeënliefde is, maar op menselike wezens overgebracht, zodat het bijna onherkenbaar is. Chrestien's bewerking van dit motief werd door zijn tijdgenoten beschouwd als een meesterstuk in vrouwen-psychologie.
Ivan heeft met een gouden beker water uit een betoverde bron geschept, met de eigenaar van die bron gestreden en hem dadelik gewond. De gewonde vliedt naar zijn burcht terug, Ivan zit hem op de hielen... maar is juist de poort door binnengedrongen, wanneer die achter hem dicht slaat, voor hem valt een hamei neer en... zo zit hij gevangen! De burchtgravin en de dienstbaren zijn gelukkig zo druk bezig met hun meester die in de ridderzaal ligt te sterven, dat zij hem niet opmerken, alleen een der camerieres heeft hem gezien en wat nog beter uitkomt, eens toen zij met een boodschap naar het hof van Artus was gekomen, had Ivan haar een kleine beleefdheid kunnen bewijzen; als dank voor die ridderlikheid belooft zij niet alleen hem niet te verraden, maar zij geeft hem ook een ring die hem onzichtbaar maakt. Met die ring aan zijn vinger loopt hij nu veilig overal het kasteel door. Wanneer Ivan de zaal inkomt, springen de wonden van de dode open en begint het lijk te bloeden,--een zeker teken dat de moordenaar in de nabijheid is--maar de mensen zoeken hem vergeefs. Maar daar staat nu Ivan, en kijkt de wanhopend verdrietige weduwe aan, de schone »Dame de la Fontaine" en voelt de liefde voor haar ontwaken. Echt een pikante en sentimentele situatie: de overwinnaar overwonnen door de echtgenote van zijn verslagen vijand, in de macht van haar die hem meer dan allen haat. Betoverd door zijn liefde is het hem onmogelik de plaats te verlaten die meer dan een ander vol gevaren voor hem is. Wanneer Lunette, de cameriere hem de open deur wijst, kan hij 't niet over zich krijgen het slot te verlaten, hoe hopeloos zijn liefde hem ook voor moet komen. In lange monologen horen wij in detail al het paradoxale van zijn toestand en hoe sentimenteel hij nu volkomen in de war is gebracht. Nu maakt hij Lunette tot zijn vertrouwde en deze, een van het echte koppelaarster-soort (verwant aan de dienstmaagd van Medea en Dido's zuster in de antieke romans) beweert kans te zien er haar meesteres toe te brengen de moordenaar van haar echtgenoot lief te krijgen. In de feeënsage die hier aan ten grondslag ligt, was het heel natuurlik dat elke ridder die opnieuw de Meester van de bron werd, ook de watergeest daarvan, de fee, zou bezitten; het wordt pas stotend en paradoksaal wanneer dit op menselike wezens overgebracht wordt. Toch kan dit het publiek van de heldenpoëzie niet ongelofelik voorgekomen zijn, zo min als de lezers van onze oude balladen; voor hen was het iets heel gewoons dat een moordenaar als boetedoening en schadevergoeding de weduwe of de dochter van de verslagene huwde. Maar de prototype van Chrestien was niet zo zeer de Oosterse cyniese vertelling van de gemakkelik te troosten weduwe van Ephesus, als Jokaste die, in de Roman van Thebe, de moordenaar van haar man huwt, of Dido, die er door haar zuster toe gebracht wordt haar belofte van trouw tegenover haar gestorven gemaal te breken, of de wispelturige trouweloze Briseis in de roman van Troje. Het is vooral zeker de episode van Briseis die Chrestien heeft willen overtreffen door een nog schitterender schildering der veranderlikheid van het vrouwenhart en hoe dat zich onder alle omstandigheden voor de liefde vinden laat. Het meisje dat blijkbaar tegen haar meesteres zeggen mag wat ze wil, begint een praatje met haar: dat het toch niets geeft of ze daar nu al blijft zitten wenen, zij moet er liever over denken hoe zij de bron en het kasteel nu kan beschermen, zij kan toch gemakkelik weer een even goed heer en meester krijgen als hij die ze nu verloren heeft. Haar meesteres, die, gelijk alle vrouwen, »weigert wat ze in haar hart eigelik wil", zendt het meisje weg en verbiedt haar zulke dingen te zeggen. Maar ze denkt er toch steeds aan en voelt al wat berouw dat zij Lunette verboden heeft er op terug te komen. Gelukkig begint die er kalm de volgende keer toch weer over en verklaart dat het een voorname vrouw als haar meesteres niet past zo lang te wenen en vraagt of zij misschien denkt dat er geen moediger mannen zijn dan hij die nu gevallen is?--»Ja,--en wie zou dat dan zijn?"--»Ik zeg 't niet want dan wordt u maar boos!"--De vrouwe belooft van niet. En nu begint Lunette: »Iemand die een ander velt, moet een beter en sterker ridder zijn dan de verslagene, en dus..." »Weg, uit mijn ogen! afschuwelik wezen!"--barst de meesteres uit,--maar desniettegenstaande ligt zij toch een hele nacht over de zaak na te denken en reeds begint zij in haar hart zijn zaak te bepleiten. »Als de mensen mij maar niet uit zouden lachen!" Maar wanneer Lunette haar de volgende dag vertelt dat de man niemand anders is dan Ivan, de beroemde Artus-ridder, dan is de dame op eens vuur en vlam. »Hoe gauw zou hij hier kunnen komen?"--en ofschoon Lunette hem in haar bereik heeft, laat zij toch haar vrouwe een hele dag lang in spanning op hem wachten vóór zij haar Ivan brengt. Wanneer die voor haar verschijnt weet hij nog van niets en is hevig bevreesd voor zijn leven, ofschoon Lunette hem schelms verteld heeft dat haar meesteres hem in een niet zeer onaangename gevangenis wil zetten. Hij moet nu ook niet met zijn mond vol tanden blijven staan maar... flink voor den dag komen. Hij gaat nu recht op haar af, werpt zich voor haar op de knieën en geeft zich aan haar genade over,... vertelt dat het liefde voor haar is die hem op het kasteel heeft doen blijven; en eindelik stelt zij hem kort maar bondig en zakelik voor de verdediger van de burcht te worden en daarmede... haar man! Dan roept zij haar baronnen bij elkaar, speelt een scène voor hen en weet het zo in te richten dat zij haar dwingen een nieuwe echtgenoot te kiezen,--waarop zij met Ivan voor den dag komt en hen de eed van trouw aan hem doet afleggen.
Hoe naïef dit hele stuk psychologiese roman de moderne tijd ook kan schijnen,--de mensen _waren_ nu eenmaal naïever en meer ongekunsteld in die dagen, en de analyse van Chrestien komt tegenover de werkelikheid misschien niet zo heel veel tekort. Maar nu komt als de eigelike inhoud van de roman, het moment dat Iwein's vriend Gawein hem al heel gauw verwijt dat hij »luiwammest" en in zijn liefde het ridderleven vergeet en nu vraagt en krijgt Iwein een jaar permissie van zijn vrouw. Maar de vriendschap met Gawein, het genot dat hij nu weer in het ridderleven schept en dan ook zijn ridderplichten die hem steeds weer de ongelukkigen ter hulp doet snellen die in nood verkeren, dit alles maakt dat hij langer dan een jaar uitblijft--de plichten der liefde worden nu voor die der riddereer verzuimd--en nu krijgt hij bericht van zijn dame dat zij hem niet meer zien wil. In wanhoop en berouw vliedt Iwein nu naar het bos en leeft daar als een wildeman, wordt waanzinnig van verdriet en het is niet dan na veel ellende doorstaan en vele heldendaden bedreven te hebben dat hij alweer door de slimheid van Lunette zich in genade bij zijn vrouw weet te doen aannemen.