De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen

Part 3

Chapter 33,873 wordsPublic domain

Dat zijn de vrouwelike zijden van de menschelike natuur, waarvan het Kristendom zich midden in de ruwe mannen-wereld tot verdediger opwerpt. Reeds van de oudste dagen van het Kristendom af waren het de vrouwen geweest die het eerst het Evangelie hadden aangegrepen, zich de kristelike deugden het gemakkelikst eigen hadden gemaakt en de zaak van de Kerk bij hun echtgenoten en broeders hadden bepleit. Vele kerkvaders beweerden ook dat de vrouw vromer is dan de man. Reeds Augustinus leerde dat zij minder deel aan de zondeval heeft dan Adam. Zij is dan ook van een zuiverder stof gemaakt; terwijl hij van de dode klei gemaakt werd, is zij uit het levende vlees gesneden; en zij werd geschapen, op een voornamer en schoner plaats dan de man, nl. in het Paradijs en »misschien omdat God de vrouwen zulk een grote eer aandeed, vereren zij tot dank God hoger dan de mannen het doen." De vrouw--wordt er verder gezegd--is het zachte, gemoedelike, gevoelige van de twee geslachten. Daarin ligt een gevaar,--hoeveel vrouwen hebben niet mannen verleid en week gemaakt? Samson en Salomon zowel als Hercules en Jupiter! (en een vrouwenhatend monnikendom ontwikkelt dit punt steeds weer); maar de mildere opvatting legt er meer de nadruk op hoe gemakkelik de vrouw zich tot het goede laat brengen. Van 't begin af werkt de kerk er ook energies aan de maatschappelike positie van de vrouw te verbeteren. De vrouw is uit het dijbeen van de man geschapen--diens »zij-been"--en behoort ook aan zijn zijde te staan. In schone woorden wordt er verklaard dat man en vrouw samen in innige gemeenschap leven moeten, zij moet zijn kameraad zijn en alles met hem delen. En met strengheid wordt er een reinere geslachtsmoraal geëist die de vrouw tegen de ongebondenheid van de man beschermd.

Maar daarentegen wordt de vrouw door de kerk meer dan ooit te voren in haar vrouwelijkheid terug gedwongen; zij moet vrouw zijn, maar dan ook niets dan vrouw. De geslachtseigenschappen zijn het die alleen haar waarde bepalen, al haar deugden bloeien in haar geslachtseer. Ambrosius wil ingetogenheid bij de opvoeding van de vrouw; ook moet er ook voor gezorgd worden b.v. door een diëet, haar zinnen zo weinig mogelijk te prikkelen en moet men haar lichaam in een zekere staat van tedere zwakheid houden, om het jonkvrouwelike, koele, teruggetrokkene bij haar te bewaren. De missie van de vrouwelijkheid is de begeerten van de man te bedwingen, zijn woestheid te dwingen om te knielen en om de gunst van de vrouw te _bedelen_. Maagden--schreef Hieronymus--zijn gelijk engelen. »Wat anderen later in de hemel zullen worden, dat beginnen de maagden reeds hier op aarde te zijn." Alle martelaressen hebben geleden voor hun geslachtseer: de H. Agatha als de H. Lucia of Ursula en de 11000 maagden te Keulen.

Het grote voorbeeld van de kristelike vrouwelikheid werd de persoon van Maria. Elke eeuw vinden wij haar weer dichter bij de hemel gestegen, totdat zij nu in de 11de en 12de eeuw bijna de troon met de Driëenheid deelt. Op afbeeldingen, in hymnen, in legenden wordt zij als de Maagd verheerlikt, het ideaal van de reine, jonge Ongereptheid en tegelijkertijd de Moeder Gods, zij die geleden heeft en liefgehad als geen ander en die nu de barmhartige pleitster bij Kristus is voor de zondige mensheid. In de hymnen wordt de schoonheid der gehele schepping haar als een krans om het hoofd gebonden; zij is de Roos en de Lelie en de Sterre der Zee en de reine Parel en die aanbidding krijgt een kleurtje van de meest dwepende liefde-hulde. »Het is voor U gelijk een kus, Maagd!--zegt Bernard van Clairvaux--telkens wanneer gij het Ave der Engelen hoort! Telkens wanneer men U ootmoedig met dat Ave groet, wordt Gij, o Zaligste, gekust!" En de legenden worden niet moe te vertellen hoe de Madonna de grootste zondaars voor straf behoedt, zoowel op aarde als hiernamaals, wanneer ze maar ijverig tot haar gebeden hebben en haar altaar met bloemen versierd.

Terwijl deze schone veilige sentimentaliteitsgolf over de wereld der baronnen begon te spoelen en op zijn manier de ridder-romantiek voorbereidde, was er ondertussen nog een andere kristelike gevoelsgolf, somber en bitter en gloeiend, die zich met de andere vermengde, maar toch ook duidelik in de latere ridder-romantiek onderscheiden kan worden. Dat was de religie van de levensverzaking en de levensverlochening die van uit het Oosten, en door de onderdrukking van het Jodenvolk in de leer van Jezus gekomen was, en van daar weer over Europa stroomde.

Naast de Antieken en Germanen met hun robuste Heersersmoraal was het Kristendom gekomen en had zijn moraal aan de zwakken verkondigd en de dienstbaren en de ongelukkigen; onder de Slaven had het dan ook reeds vroeg de meeste proselyten en de meeste martelaars gemaakt. Voor de Romeinse patriciërs zo wel als voor de Frankiese baronnen had het de moeilike deugden van de ootmoed en de zelfverlochening, gepreekt en even onbekend voor Romein als voor Germaan was het bewustzijn van de zonde dat het Kristendom tracht te wekken en dat het aan het gehele menselike leven te gronde wil leggen. Uit het Oosten druppelde meer en meer ascesis en zelfkastijding het Kristendom binnen; in de wildernissen van Aegypte en Syrië trachtten kristen-kluizenaars elkaar in harde ontberingen en gruwelike pijnigingen de loef af te steken, en sedert dien bracht het monnikswezen in andere vormen de gehele zijde van de zelfverlochening van het Kristendom in systeem. Nu in de 11de eeuw was de kristelike sentimentaliteit, die zich over de landen verspreidde, vermengd met veel van de zwarte bitterheid der ascese.

Vrees, angst voor de zonde en voor het verlies van de ziel, dat is wat de ware Kristen in zijn gemoed moet voelen,--leert men. »Een bedroefde, naar de aarde gerichte blik, een verwaarloosd uiterlik, ongekamd haar en vuile kleeren",--zo moet de Kristen er uit zien. Bevend gaat hij door het leven. Alle geluk en vreugde zijn valstrikken van den duivel en staan in de soldij van de Dood; smart daarentegen en ongeluk zijn de voorschool van de Deugd, een beloning die God de uitverkorenen ten deel doet worden, een pand voor het loon hiernamaals. Men moet dezer wereld sterven. En afstand doen van geld en goederen,--leerde Kristus niet dat er geen goud of zilver in ulieder gordels zijn moet en dat gijlieden heen moet gaan en alles verkopen wat gij bezit? En alle macht en eer opgeven--alle wereldlike macht is slechts diefstal, alle wereldlike eer is slechts ijdelheid, leert Augustinus. Van kennis en wetenschap,--»de wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God," zegt Paulus. Geeft uw familie, ouders en kinderen op, »indien iemand tot mij komt en niet haat zijnen vader en moeder, en vrouw en kinderen en broeders en zusters, die kan mijn discipel niet zijn," zegt Kristus. Men moet het vlees doden,--was het niet gulzigheid die er onze voorouders in het paradijs toe bracht van de vrucht te eten? zegt Paus Leo. Men moet zich vernederen,--»die zich vernedert, zal verhoogd worden". Men moet geduldig zijn in het ongeluk, zachtmoedig tegenover het onrecht. Men moet uit zich zelf tot hen gaan die lijden en zich in tranen baden over de smart van anderen, zelf verdriet gevoelen bij dat van anderen, »wenen met de wenenden en klagen met de klagenden."

Ook voor deze zijde van het Kristendom stond er een hele kristelike dichtkunst ter beschikking, die op de fantasie en het gevoel van de lekenwereld werken kon en een grote massa sombere en droeve legenden, uit het Latijn en Grieks vertaald, vlogen in de 11de eeuw de wereld door en sloegen in het menselik gemoed neer. Schilderingen van de pijnigingen der martelaren en de zelfkwellingen der kluizenaars,--van gevallen vrouwen zoals Thais en Maria Aegyptiaca, die in hun wroeging allerlei ootmoedigende en vernederende boetedoeningen voor zich bedenken... onschuldige maagden, die door woestelingen vervolgd worden... zwarte misdaden die de straf des hemels over zich halen... moeders, die zich van hun kinderen losmaken of de H. Alexis die zijn bejaarde ouders en zijn bruid verlaat, ze aan verdriet en wanhoop overgeeft en die als bedelaar rond gaat trekken; zonder dat men hem herkent komt hij terug en woont jaren lang bij hen zonder zich bekend te maken, ofschoon hij ziet dat zij van smart sterven... alle menselike gevoelens worden getrapt, alle natuurlike banden verscheurd. Die legenden willen tranen zelfs uit de meest gevoellozen persen, zelfs de hardste harten tot bloeden brengen en het zijn dikwels feitelik al heel kleine romans die direkt de overgang vormen tot de sentimentele richting in de ridderromantiek.

De zelfzuchtige hardheid der baronnen vermurwen, en in liefde veranderen,--de stijve halzen dier Heren in ootmoedige zelfverlochening doen buigen--dat is het waar de kristelike gevoelsrichting in de 11de en 12de eeuw op aan stuurt. In tegenstelling met de beweging der bedelmonniken in de volgende eeuwen, tracht de Kerk zich voorlopig meest tot de andere maatschappelike lagen te richten en werkt dan ook het meeste onder hen uit. De religieuse herleving van de adel wordt goed geïnkarneerd in de twee grote kerkelike figuren uit het begin van de 12de eeuw. De een is Norbert van Xanten, een voornaam en rijk edelman, een bloedverwant van keizer Hendrik V. Eens op een dag dat hij in een prachtig zijden wambuis gekleed, door een wapendrager vergezeld, over de Rijn reed, werd hij door een bliksemschicht getroffen en bewusteloos ter aarde geworpen. Daardoor werd hij tot een godsdienstig leven gebracht, hij verzaakte zijn positie en zijn goederen, gaf zich aan zulk een hard asceties leven over, dat hij er door op het ziekbed werd geworpen en werd de stichter van de strenge orde der Premonstratensen, aan het hoofd waarvan hij stond als een streng niets-ontziend meester. Van meer betekenis nog was Bernard van Clairvaux. Zijn vader en zijn broeder dienden als ridders de Hertog van Bourgondië, maar Bernhard zelf was door zijn moeder een sterk religieus gevoel ingeprent en hij werd monnik. Hij begon met in heilige geestdrift zich zelf zo te kastijden dat zijn gezondheid er bij in schoot en daarna maakte hij de Cisterciensers tot een zeer streng-ascetiese orde; maar zijn ascetisme viel samen met een mystiese, sentimentele dweperij, die hij van uit zijn kloostercel aan grote kringen van de Franse adel wist mede te delen, door preken, traktaten, een uitgestrekte briefwisseling, niet het minst juist door die heerlik gevoelvolle brieven, bijna in de trant der Duitse piëtisten, aan de vorstinnen van Lotharingen en Bretagne. Liefde, leert hij, is het binnenste in de ziel; het komt er op aan het ijs in zich te smelten en herboren te worden tot de mildheid en klaarheid van het geestelike voorjaar; zelfzucht in een zee van liefde te verdrinken, waarin men samenvloeit met het oneindige; wanneer de drang tot die liefde door het lichaam schijnt, gelijk de lamp door het scherm, dan is de ziel »huweliks-bereid", bereid tot het geestelike huwelik met het Woord Gods. En Bernhard vertaalt de gloeiende Liefdes uitingen van het Hooglied en verklaart die gelijk een mysties-religieus dwepen; in schone hymnen schildert hij het kindeke Jezus als een minnaar en huldigt de Maagd Maria met de geestdrift van een troubadour.

Bernard werd dan ook de voornaamste prediker der kruistochten van zijn tijd. En al waren het ook--zoals wij gezien hebben--in overwegende mate wereldlike redenen die de meesten edellieden aan de kruistochten mede deden doen, toch had de gehele godsdienstige herleving dier dagen er een wezenlik deel aan. De kruistochten betekenen de officiele Heiligprediking van de oorlog door de kerk. In plaats van de »Gods vrede" waar men zich zo moeilik aan houden kon, proklameerde nu de Kerk een »Gods Oorlog", waar men heel wat meer voor voelde. Zo als een der kroniekschrijvers 't heeft; »God heeft in onze tijd de heilige oorlogen ingesteld om de Ridders nieuwe middelen tot redding te geven, opdat zij niet verder genoodzaakt zullen zijn zich aan een monniksleven te wijden om zich te kunnen bekeren, maar dat zij met hun gewone leven en werken, tot zekere hoogte altans, zich de genade Gods zullen kunnen verwerven." De baronnen beschouwen zich nu als de Vazallen Gods: de Koning van het Paradijs--zeggen zij in een gedicht over de kruistochten van de 12de eeuw,--heeft zijn getrouwe Franse baronnen ter hulp geroepen »por Dame Dieu vengier" en om van de heidenen het rijk te heroveren, dat »de droite Antiquité" aan Kristus toekomt; zij zijn het, verklaren ze, »cil qui Damedieu servant d'un loyal cuer entier." En de drang der ridders om zich uit de maatschappij los te maken en op eigen hand eer te behalen en op avontuur uit te gaan,--die ging om zo te zeggen bij de kruistochten een kompagnieschap aan met het individualisme van het Kristendom en werd daardoor geheiligd. In het Kristendom is er toch reeds van huis uit een tendens die de banden der maatschappij en van de familie losser maakt; die tendens wees de enkeling op zich zelf aan en leerde hem dat de zaligheid van zijn eigen ziel het enige is dat hij steeds voor ogen moet hebben, en dat hij zich alleen door eigen verdienste kan verwerven. Gelijk de vromen die in het klooster gingen, alle banden van het familieleven doorsneden en alle burgerlike verplichtingen van zich afwierpen, zo konden nu de ridders op de kruistochten het als heilig en verdienstelik beschouwen zich van alle maatschappelike plichten los te maken en hun lust tot doden op eigen hand bot te vieren. Maar ongetwijfeld is ook een zuiver godsdienstige geestvervoering een machtige hefboom geweest voor die beweging. En door Franse en Provençaalse kruisliederen, gelijk door het lied van de Duitsche kruisvaarder Ezzo, over »de wonderen van Kristus" klinkt er een dwepend verlangen naar het graf van Kristus en het Hemelrijk, en velen waren er die werkelik voelden--gelijk een der kroniekschrijvers van de eerste kruistocht het uitdrukt--dat »de tijd nu gekomen was waar het woord van Kristus op doelde: »Zo iemand achter mij wil komen, die neme zijn kruis op en volge mij.""

III.

WERELDLIKE KULTUUR.

Naast de kristelik-sentimentele beweging was er ook een soort wereldlike, humane kultuur die zich in de 11de eeuw aan de horizon begon te vertonen en die niet zonder opvoedende kracht zou blijken. Het werd al meer en meer duidelik, dat er ook buiten het Kristendom een beschavingswereld te vinden was,--een beschaving van de manieren en zeden, intellektueel zowel als aesteties--waar men zijn deel van krijgen moest op poene van een barbaar te blijven. Geesteliken, die als kleine jongens in de Latijnsche school het Latijn ingestampt was geworden door middel van de klassieke schrijvers, konden midden in een scholastiese discussie op eens een paar citaten uit Virgilius in de mond krijgen, die hen plotseling vreemde rijken van schoonheid deed vermoeden, en in uitverkoren kringen dier klerken begon men zich in die antieke literatuur in te leven en zich te laten doortrekken van, al was het een zwakke dosis, aesteties humanisme. En ridders die in Spanje geweest waren en daar gastvrijheid genoten hadden bij de ongelovige muzelmannen, of kooplieden die in Byzantium vertoefd hadden en een klein idee gekregen hadden van wat de beschaving daar betekende, die kwamen naar huis en vonden het leven lelik en vulgair, de zeden plomp en naief, zelfs in de kastelen van de machtigste baronnen. In de bovenste lagen der bevolking ontwaakten er toen vage voorstellingen van een hogere, zuiver wereldlike kultuur--een kultuur, zelfs ongelovig en heidens--en jeugdige verlangens om daar in door te dringen.

De antieke kultuur was ook nooit in de middeleeuwen geheel afgestorven; hoe beter men kijkt, des te duideliker ziet men dat de samenhang ongebroken is, zelfs in de donkerste eeuwen. Als taal der kerk was het Latijn immers de basis van alle geestesleven der klerken. Het was het hoofdvak op school, de taal van de godsdienst, in 't Latijn werd de bijbel gelezen en alle kerkvaders, in 't Latijn disputeerden alle scholastici en werden alle kronieken en traktaten geschreven. En voor het onderwijs werden de heidense klassieken gebruikt, in elk geval in proza-uittreksels en bloemlezingen uit de laatste perioden der oudheid; in de kloosters werden de oude manuscripten bewaard en afgeschreven, en al waren er ook strenge richtingen in de kerk die de lektuur van al die heidense onzin verboden, er zaten toch overal monniken in hun scriptoria en bisschoppen in de biblioteken der kathedralen die hun otium wijdden aan de studie van Virgilius of Lucanus, Seneca of Cicero. Had niet Augustinus zelf de kinderen de lektuur van Virgilius aangeraden »opdat deze grote, beroemde en uitstekende dichter niet zo licht uit hun herinnering zal verdwijnen?" En waren de geschriften der kerkvaders niet gespekt met citaten uit deze heidenen? Ze konden b.v. niet van de goede rover vertellen die van het kruis naar Kristus op ziet of het vers van Virgilius liep hen in de pen over de gevangen Cassandra, die haar blik omhoog hief: »de blik alleen, de magere handen bonden de boeien."

Zo volkomen was feitelik de kristelike leer der kerkvaders en daarmede die van de gehele middeleeuwen--b.v. die van de moraal der mensenliefde--van het materiaal der antieken doortrokken, dat, wanneer de klerken in 't geheim de geschriften der heidenen inkeken, ze elk ogenblik weer de waarheid zouden ondervinden van de woorden der kerkvaders dat het niet alleen de Joodse profeten geweest waren, maar ook veel geesten van het heidendom, die het licht van het Evangelie reeds te voren hadden zien gloren. Wanneer b.v. Cicero sprak van de »caritas generis humani" en de plicht in 't algemeen om zijn medemensen te helpen. Wanneer Lucanus voorspelde dat de volkeren eens hunne wapenen weg zouden werpen en elkander liefhebben. Of wanneer Seneca ontwikkelde hoe wij allen ledematen van een lichaam zijn. En was het geschrift van Ambrosius over de plichten niet slechts een bewerking met een licht kristelik kleurtje van »De Officiis" van Cicero--evenals men in het begin van de 12de eeuw de Engelse abt Aelred van Riedval de »Lelius" van Cicero ten grond kon leggen aan zijn dialogen over »de geestelike vriendschap"?

Overigens trekt die zelfde abt tegen zijn tijdgenoten onder de geestelikheid te velde, die tegelijk met de Evangeliën de Bucolica studeren, Horatius tegelijk met de Profeten en Tullius met Paulus. En in de 11de en 12de eeuw had de sterke bloei der scholen--vooral in West- en Zuid-Frankrijk zowel als Noord-Italië--ook daar vruchten gezet die de ernstige kristenen wel moesten ergeren. Eén dier vruchten was de vrije gedachte die overal, in Noord als in Zuid, tegen het juk van de kerkelike autoriteit opstond, in de ketterijen van een Berengarius van Tours, in de vrije opvattingen der ketters, in Roscelin en Abélard en de ontluikende Parijse scholastiek. Van groter en direkter belang voor het literaire leven waren toch voorlopig de geestelike kringen die hier en daar opkwamen waar men zich niet afgaf met dogmatiese ketterijen, maar con amore zich aan de profane studie der oudheid overgaf, en zo goed als 't kon, zich door de geest der oudheid liet doortrekken en ontwikkelen. Het was vooral in de West-Franse provinciën in Touraine, Anjou en Maine, dat de scholen bloeiden en dat de filosofiese vrije denkers en de aestetiese humanisten onder de geestelikheid opkwamen.

Daar was Hildebert van Lavardin die eerst een school had te Le Mans, die daar later bisschop werd en als aartsbisschop van Tours stierf. Hij nam sterk deel aan de kerk-politiek van zijn tijd en hield zijn bisdom vrij van de ketterse beweging, maar zoals men hem in zijn talrijke gedichten, redevoeringen en brieven leert kennen, is hij toch eigelik een leerling der oudheid. In zijn preken mengt hij voortdurend beelden en uitdrukkingen van de klassieke dichters onder de bijbelse. In de brieven die hij aan zijn biechtelingen schrijft, haalt hij dikwels zijn raad en zijn troostgronden uit de filosofiese epistels van Seneca zonder van kristelike argumenten gebruik te maken. Een massa wereldlike briefjes vertonen elegante beleefdheidjes in de vorm van de antieke brievenstijl. In hopen kleine latijnse gedichtjes proberen de poëten het met alle mogelike antieke genres: gedichten in antitese-rijke taal, gewijd aan Koningin Matilde van Engeland, grafverzen ter ere van een gravin van Maine, verzen vol komplimentjes aan de literair-ontwikkelde gravin Adèle van Blois, epigrammen en schuine erotiese versjes. Door Ovidius geïnspireerd, dicht onze prelaat een klacht van Apollo over de dood van Hyacinthus, pompeus bezingt hij de grootheid van het antieke Rome en houdt volkomen onkristelike beschouwingen over het Rad der Fortuin. Maar daar midden tussen in weer legenden en verzen, epigrammen over kristelike dogmata, of een gedicht, vol woordspelingen over de drieënigheid.--Wanneer zijn vorstelike of altans adellike biechtelingen aanvechtingen krijgen om zich in 't klooster te begeven of op een pelgrimage uit te trekken, verklaart de humanistiese bisschop dat men alle overdrijvingen en opzienbarende boetedoeningen moet vermijden en dat een graaf van Anjou werkelik gewichtiger plichten heeft dan als een pelgrim de wereld rond te trekken. En wanneer zijn vorstelike vriendin, de gravin van Blois op oudere leeftijd zich absoluut in het klooster wil begeven, weet hij haar in elk geval in de moederschoot der Kerk over te leveren met het meest elegante-hoffelike gedicht.

Een andere korrespondent van die gravin Adèle was de abt Baudri de Bourgueil. Van zijn hand heeft men kleine epigrammen om onder een portret te zetten of in een exemplaar van Ovidius, gelegenheidsgedichten op een roos of een gebroken grift, groeten op rijm en uitnodigingen of antwoorden daarop. Met een zekere Jonkvrouw Agnes en een non Emma voert die abt een correspondentie in verzen, hij onderwerpt zijn gedichten aan hun oordeel, en bromt op een vriendin van hun beiden, omdat zij niet aan die poëtiese oefeningen mede wil doen. In een lang gedicht aan die gravin Adèle schildert hij haar woning, zoals hij zich die in zijn fantasie voorstelt en beschrijft o.a. de wandtapijten met voorstellingen uit de Griekse mythologie en de Romeinse historie. In Latijnse hexameters schrijft Paris minnebrieven aan Helena en richt Florus brieven van troost tot Ovidius in diens ballingschap.

Zulke beaux-esprits heeft de geestelikheid omstreeks 1100 zeker niet weinige geteld en tussen het bisdom of een rijke abdij en het grafelike hof in de buurt, heeft zich ongetwijfeld zeer dikwels een druk verkeer ontwikkeld. De adellike dames stonden meestal zeer hoog in beschaving en hadden veel meer geestelike belangen dan de ruwe baronnen, en korrespondeerden druk met hun biechtvaders of met voorname nonnen in de buurt. In dergelijke kringen trachtte men religieuse stichting met literaire kultuur te verenigen. Men las de klassieken met elkander, schreef brieven in den trant van Cicero, en legde zich op een wereldse konversatietoon toe. De nonnen in het klooster Ronceras te Angers schrijven nu en dan de zaakpapieren van het klooster in verzen en een hunner kontrakten van overdracht begint aldus: »Kadmus, de wijze koning van Thebe voerde volgens het bericht van Isidorus het gebruik van het alfabet in Griekenland in, daar hij voorzag hoe noodzakelik dat in vele gevallen zijn zou." Bij sommige gelegenheden heeft men in die literaire abdijen eigengemaakte komedies opgevoerd in de trant van Terentius en Plautus, soms met een kristelik morele tendens, gelijk die welke een voorname Saksiese non, Hroswitha in het klooster te Gandersheim schreef, soms zeer wereldse Amphitryon-intriges en verleidingsgeschiedenissen, gelijk die welke aan een der klerken van Blois worden toegeschreven. In een klooster zette men de minnedichten van Horatius op muziek, later werd die melodie gebruikt voor een kerkelike hymne.