De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen

Part 29

Chapter 293,832 wordsPublic domain

Artur en zijn gemalin Guenievre zitten aan tafel op de twee ereplaatsen, en om die ronde tafel heen alle ridders zonder onderscheid van rang. Zijn neef Gawein is het voorbeeld van een held, de bloem der ridderschap, de »chevalier sans peur et sans reproche". Hij is het schild van allen die in moeilikheden zijn, die altijd op 't laatste ogenblik hulp brengt, de ideale vriend die de held bijstaat zo die hem bij zijn grote daden nodig heeft. Hij is hoofs, opgewekt, heeft de vrouwen lief maar nog meer de strijd; altijd wordt hij geroemd wegens »mesure",--zijn takt en zelfbeheersing--en met bizondere hoogachting behandelen de dichters hem wanneer zij hem »Monseigneur" en »Messire Gauvain" noemen. Zijn beroemdste avontuur is dat met de groene Ridder--een oude Keltiese bosreus, die geheel in 't groen gekleed, op een groen paard gezeten op het Nieuwjaarsfeest bij koning Artus verscheen en de aanwezigen uitdaagde tot een wedstrijd in moed en kracht. Hij bood aan, zijn hals een ridder voor te houden die dan toe mocht houwen, op voorwaarde dat hij een jaar daarna zich op die wijze tot beschikking van »The Green Knight" zou stellen. Niemand durft de uitdaging aannemen, behalve Gawein. Die slaat de reus het hoofd af maar... maar dood-kalm zet die het weer op en roept Gawein tegen het volgende Nieuwjaar een tot weerziens toe bij »de groene Kapel"; daar moet Gawein de slag in ontvangst nemen. Ofschoon het zo goed als de dood voor hem betekent, gaat die toch tegen het volgend jaar, zo als hij nu eenmaal beloofd heeft, op reis om de groene kapel te zoeken; gedurende zijn tocht wordt ook zijn loyaliteit als vriend o.a. tegenover verleiding van vrouwen, op de proef gesteld,--zoals naderhand blijkt door de groene ridder zelf--; dàt is zeker het oude Oosterse motief van de »Vriendschaps-proef". En de onvervaardheid en trouw van Gawein bestaan die proef goed; slechts een kleine vlek komt er op het schild van zijn eer, maar daar pijnt hij zich dan ook evenzeer over als koningin Dagmar uit het volksliedje deed omdat zij eens op een Zondag haar zijden mouwen had vastgemaakt!

Dan komt Iwein, de ridder met de Leeuw die eens een leeuw gered had die met een slang vocht; nu is Iwein gelijk Androkles of Hieronymus overal door het dankbare dier vergezeld dat hem op kritiese ogenblikken bijstaat. En dan zijn er Lancelot en Perceval op wie wij terug komen. De grappenmaker is Key, de drossaert. Oorspronkelik was hij niet onsympathiek getekend, hij is dapper maar al te doldriest, met wat al te veel vertrouwen op zich zelf; hij moet altijd absoluut elk avontuurtje aan 't hof aanpakken maar hij delft altijd het onderspit. Naderhand wordt hij kwaadaardig, laf en vals, de onruststichter wiens vergiftigde tong vooral de dames van 't hof belastert.

Ook de ridders van Arthur vormen reeds in hun uiterlik in vele opzichten een tegenstelling met de paladijnen van Karel de Grote. Wel zijn ze sterk en breedgeschouderd als Karels pairs, maar waar bij de beschrijving van hun figuur spesiaal de nadruk op gelegd wordt is juist het slanke en elegante: het smalle middel, de lange smalle vingers, de hoge wreef zijn bizondere aristocratiese schoonheidstekenen. De Arthur-ridders hebben blonde lokken maar géén baard; de uitdrukking van hun gezicht is niet gelijk die der Paladijnen »fier, hardi" maar schoon en rein: »face tendre, chière riante, vis joyos"; »hij scheen helderder dan een edelsteen" staat er ergens; het aangezicht heeft een bloeiende kleur, is »als de roos een morgen in Mei". Het oog is stralend, zacht; de mond is klein, maar heeft gevulde lippen, die is »als een meisjesmond", de kin heeft kuiltjes, de hals is lang, gevuld en »wit als die van een meisje". De gestalte van de Arthur-ridder tekent kracht zowel als bevalligheid en deugt voor de strijd even goed als voor het hofleven en de liefde.

En aan het hof van Arthur leeft men in vreugde en genot. Dan zijn het toernooien, dan jachtpartijen. Terwijl de koning 's middags na de maaltijd zijn slaapje doet, zien wij het gezelschap in een kring zich aangenaam bezig houden met vertellen van hun ondervindingen; het gezelschap wordt door de koningin gepresideerd, Key begint weer op te spelen en wordt door haar op zijn plaats gezet. Of wij treffen ze in hun tenten in het bos onder een van die dagen lang durende jachtpartijen. Hij die er in slaagt het witte hert te vellen, heeft het recht de schoonste dame aan het hof te kussen,--in de oude Keltiese sagen mocht de overwinnaar zich bij de maaltijd het mooiste stuk vlees afsnijden!

Maar het hof van koning Artus is slechts het uitgangspunt en de laatste scène der Arthur-romans. Zijn ridders zijn niet geschapen voor een gezellig hofleven van niets doen dan genieten. Zij moeten de wereld in, en avonturen zoeken, om later--zoals een van hen zegt--iets te hebben om in gezelschap van te kunnen vertellen. Meer dan eens verklaart Arthur 's morgens dat hij zijn eten niet aan wil roeren »vóór er het een of ander gebeurd is". En dat laat dan in de regel ook niet lang op zich wachten. Dan komt er b.v. zoals wij reeds zagen, een vrouw klagen dat de een of andere reus haar vriend weg is komen halen of geweld tegen haar gepleegd heeft. Of omgekeerd is een vrouw aan haar vriend ontstolen geworden. Of er komt een reus de ridders tot 't een of ander uitdagen. Een der dames krijgt het in haar hoofd dat zij het wonderhert met de witte benen moet hebben, dat ergens in het diepst van het woud door vier leeuwen bewaakt wordt. Of er komt een jonkvrouw uit Ierland aanzetten die de helden hun werkeloosheid verwijt; zij moesten maar eens naar haar eiland komen, naar een kasteel dat zo vol met spoken is, dat niemand er durft overnachten. En de romans trachten elkaar langzamerhand met het vreemdste, meest spannende begin te overtroeven. Midden in de zaal vertoont zich b.v. opeens een schaakbord van zilver en ivoor dat even plotseling weer verdwijnt. Arthur verklaart dadelik dat hij dat absoluut hebben moet. Of er vliegt plotseling een wit hert dwars door de zaal, daarachter een hond en een jonkvrouw; een ridder weet de hond te pakken, een ander grijpt de jonkvrouw die hij mede neemt, en nu krijgen natuurlik terstond drie ridders van de Tafelronde bevel van de koning, de een om het hert op te sporen en twee anderen om de geroofde hond en de maagd na te zetten. Of eindelik: er komt een boot aanzetten die landt met niets dan een lijk er op, waarin de punt van een lans vast zit; in de hand van de dode zit een brief waarin de verslagene verlangt door hem gewroken te worden die het stuk van de lans uit het lijk kan trekken, maar hij zal dit onmogelik kunnen doen, staat er verder, tenzij met de hulp van een ander die er in slaagt de ringen van de vingers van het lijk af te halen.

En dan trekken de ridders er op uit om de avonturen te bestaan die zich zo voor kunnen doen. Maar dikwels worden die gezocht door de een of andere jongeling die juist dezelfde dag aan 't hof is gekomen en die van Koning Arthur permissie krijgt daar zijn krachten op te beproeven. En dan gaat het de weg op,--de wijde wereld in,--gelijk men in de Griekse romans op zee voer, zo hier te land. Alleen zijn het niet zoals dáár, lijdende helden en heldinnen die door het noodlot van de ene kant van de wereld naar de andere kant gestuurd worden, gevangen worden genomen, in slavernij verkocht, enz. en zonder tegenstand zich aan alles wat hun overkomt maar onderwerpen; hier zijn het energieke, moedige ridders die zelf die avonturen zoeken en de strijd met beide handen aangrijpen. Wat die romans geven in de poëzie van de gehele tijd der kruistochten en van de omzwervende losbandige ridderschap--dat zelfde onberekenbare leven, zo rijk in afwisseling, van de zwerver en de vagebond dat er in onze tijd ook nu nog een klein beetje inzit, dezelfde geest die Simplicissimus te voorschijn heeft geroepen en Gil Blas, Peregrine Pickle, Wilhelm Meister en Kenelm Chillingly,--een geest die in een tijd vooral dat het onrustige bloed zich nog niet naar vaste regels in de samenleving voegen kon, de bijwegen onveilig maakte en de herbergen met reizigers uit alle klassen der maatschappij vulde. De werkelikheid is in die Bretonse romans nog maar heel vaag aangegeven en veel feitelike aanduidingen over de reis krijgen wij ook niet; evenmin als in de Keltiese sagen worden er bepaalde plaatsen genoemd, de reis gaat in »la blanche lande", door »la forêt aventureuse", voorbij »l'orgueillus castel fort", en gewoonlik zijn er nog zelfs geen herbergen, waar men overnachten kan, maar klopt men bij de een of andere arme »vavasseur" aan, of slaapt in een vervallen »tour des merveilles." In dit leven aan de grote weg staat alles op losse schroeven en draagt elke schrede de kiem van gevaar in zich. Wanneer men een bos intreedt--»s'enforester" zoals dit met een bijzondere term luidt--is het altijd met een beklemd gevoel van angst voor rovers; komt men aan een kruisweg, kiest men maar op goed geluk een dier wegen. Gewoonlik treft men daar wel de een of ander die weet te vertellen dat de ene weg veilig is en goed, de andere daarentegen vol bezwaren en gevaren, zo dat niemand daar levend over schijnt te kunnen komen. Waarop de ridder dan als van zelfsprekend die laatste weg kiest. Door zijn drang tot avonturen laat de man zich zonder enig vast plan steeds weer van zijn doel afbrengen; door alles wat hij onderweg tegenkomt laat hij zich ophouden. Iets van de weg af, in het bos, hoort hij kreten en als hij dan een ridder aan ziet komen rijden met een dame dwars over het paard heen geworpen, dan moet hij die natuurlik achterna. Of hij komt aan een brug waar een ridder zich bij geposteerd heeft, en ieder die er over wil, moet verklaren dat de dame van die ridder schoner is dan de zijne of zij moeten duelleren. Of wel men komt aan een slot waar een ridder woont die van alle voorbijgaanden schatting vordert. Dit laatste is iets wat maar al te zeer uit het werkelike leven gegrepen was.

Soms herkent men in die trekken met moeite nog de een of andere oude sage of sprookje. Maar heel dikwels zijn het niets dan kleine bedenkseltjes. »Les contes de Bretagne sont si vains et plaisants", heet het. Men voelt het sterk aan die romans dat ze al heel eigenaardig en lichtvaardig omspringen met allerlei vreemde sagen en sprookjesmotieven die absoluut geen wortel in het volk zelf hadden, die niet begrepen werden in die samenhang en zo ook niet op de rechte waarde geschat, maar alleen als stof dienden voor de spelende fantasie. Er was niets van het »Erdgeruch" der verhalen van Karel de Grote over de Bretonse romans, het waren niets dan vluchtige, fladderende luchtspiegelingen. Al heel gauw kwam het er eigelik maar op aan elkaar in verrassende en de nieuwsgierigheid prikkelende »Aventures" te overtreffen. Alle mogelike bizarreriën hoopt men op elkaar. Een ridder komt aan een herberg waar de waard zijn gasten de gekste en meest absurde bevelen geeft en iedereen doodslaat die niet gehoorzaamt; de ridder volbrengt zonder kikken al zijn bevelen en het slot is dat hij zijn dochter ten huwelik krijgt; dit schijnt een sprookje uit Wales te zijn, dat van Kilhwch. Een andermaal komt de zoekende een ridder tegen die met een dame rondtrekt die er als een lichte vogelverschrikker uitziet, maar tegenover wie hij vol van alle mogelike galanterieën is en op wie hij zeer jaloers schijnt. Ginds komt een dame aan, die met haar kleeren te binnenste buiten gekeerd, achteruit op een paard rijdt, dit alles om zich zelf te straffen omdat zij tegen een zekere ridder onvriendelik geweest is.

Evenals in de Griekse romans wordt de handeling nog verder gecompliceerd door allerlei misverstand en vergissingen. Men loopt elkaar mis: de ridder die de dame vergezellen zal raakt haar onderweg kwijt en wanneer hij dan bij zijn zoeken naar haar in een herberg komt is zij daar net vandaan getrokken en niemand weet waar heen. Nog meer vergissingen hebben er plaats en nog groter verwarring ontstaat er omdat alle ridders in hun dichtgesloten wapenrusting er presies 't zelfde als een »ijzeren wezen" uitzien, dat alleen maar te herkennen is aan het wapenschild of helmteken en die dus volkomen incognito zijn wanneer ze dit verbergen; ook de dames zijn gemakkelik te verwisselen waar het gelaat zo dikwels bijna geheel door de hoofdtooi bedekt is. Daardoor strijdt men dikwels met de verkeerde ridder, misschien wel met zijn beste vriend, of wel schaakt men de verkeerde dame. En verder spelen intriganten de gelieven vervalste brieven in de handen om kwaad bloed te zetten.

Maar daarbij komen dan nog allerlei bovennatuurlike dingen. Zo is er b.v. een slot met een »lit perilleux" waarin de ridder natuurlik dadelik vraagt te mogen overnachten, te middernacht schiet er een vlammende speer het venster in en doorboort de dekens, bijna was hij zelf gedood. In een ander slot waar hij komt, »la gaste cité", zijn duizend vensters, in elk venster staat een jongleur met zijn snareninstrument en een brandende kaars; het is een toverslot en een vroede man heeft Guinglain de enige manier laten weten waarop die betovering op zal houden: hij moet steeds met een heftige vervloeking antwoorden op de vriendelike begroetingen waarmee hij ontvangen wordt, en dan moet hij in de grote zaal wachten. Dat doet hij dan ook. De ene reusachtige tovenaar na de ander komt binnen, maar wordt zo door de ridder overwonnen. Nu gaan opeens alle kaarsen der jongleurs uit, in de duisternis hoort men ongure geluiden, en de ridder wordt bang en maakt het teken des kruises. Een ogenblik daarna komt er een slang binnenkronkelen, met vuurspugende ogen maar een heerlike vrouwenmond. En die moet de ridder kussen; met die »fier baiser" is het met de tovenarij uit, en de slang wordt een allerliefste prinses. Of er borrelt ergens een bron op onder een fraaie boom die nooit zijn bladen verliest; er hangt een gouden beker bij. Als de ridder water in die beker doet en 't daarna op stenen voor die bron leeg giet, steekt er een geweldige storm op. Maar 't wordt gauw weer kalm, en dan wordt de lucht helder en heerst er een wondere stilte, alleen is de boom vol van de prachtigste vogelenzang. Maar dan komt er een wildeman met groot lawaai aanzetten die van de ridder rekenschap vordert omdat hij die storm veroorzaakt heeft; met zijn leven moet hij daarvoor boeten.

Die bovennatuurlike dingen zijn een mengsel van Keltiese, Oosterse en alle mogelike andere sprookjesmotieven. De brommende reus en de storm komen in de 1001-nacht voor; de boom met de heerlike vogelenzang stamt uit de legende van de H. Brandanus, die een gekerstende bewerking is van oude Keltiese sagen. De slang die door een kus tot een prinses wordt, schijnt Byzantijns-Oosters; in de reizen van Mandeville wordt die historie van de dochter van Hippocrates verteld,--misschien door een vermakelike vergissing, hij had n.l. een zoon die Draco heette. In een episode van »laide semblance", een monster welks aanblik niemand uithouden kon, is de Medusa sage te herkennen. En als wij ergens anders van een ridder lezen die naar een onderaards vertrek van een slot gebracht wordt, waar hij een speer in zijn hand krijgt die zijn krachten wegneemt, en een ring aan zijn vinger die vergetelheid brengt, en die voor het weefgetouw gezet wordt en allerlei keukenwerk voor een dame moet verrichten, dan is men geneigd te geloven dat hier een antieke bron voor te vinden is, literair of door afbeeldingen, in de geschiedenis van Heracles en Omphale. Maar van Keltiese sagen en gedichten stammen zonder twijfel de boze dwergen, de schone heksen, de wilde reuzen, »de gevaarlike heide" en »het avontuurlike bos".

Zelfs blijken dikwels hele Keltiese mythen achter de handeling dier Bretonse romans te staan. Dat is het juist wat de achtergrond er van zo vol stemming maakt en er een perspektief in legt dat de fantasie zo aanzet, dat men er een andere bovennatuurlike wereld achter voelt, die de schrijver zelf niet kent of die hij altans verkeerd begrijpt, maar die dan juist door zijn poging om die menselik te maken, des te fantastieser en vreemder wordt. Daar lezen wij b.v. van een burchtvrouwe die haar slot door een ridder laat bewaken; die moet met allen vechten die naar het kasteel komen, totdat hij door iemand overwonnen zal worden, dan komt hij vrij, maar de overwinnaar moet nu de wacht overnemen tot hij op zijn beurt weer afgelost wordt. Ergens anders lezen wij dat de ridders die haar bewaken de een na de ander als beloning haar trouwen, zodat de burchtvrouwe op die manier steeds de moordenaar van haar man huwt. Weer in een ander werk wordt diezelfde geschiedenis nu vrij sentimenteel zo verhaald dat het een dame is die, om haar minnaar alleen voor zich te hebben, hem de belofte heeft afgeperst dat hij in een tuin bij haar blijven zal totdat iemand hem overwonnen heeft; nu kampt hij met allen die de tuin in willen dringen en stelt de hoofden van de overwonnenen op de tuinmuur ten toon, maar zelf verlangt hij er eigelik alleen maar naar om eindelik eens het onderspit te delven om zo van zijn vervelend baantje verlost te worden. Men voelt licht dat al die versies niets zijn dan pogingen om de Keltiese sagen in mensenfiguren te belichamen van feeën die mannen naar hun rijk halen en als minnaars bij zich houden, hoezeer die ook naar hun eigen land verlangen; totdat er weer andere sterfeliken komen en de eerste minnaar doden, of aan wien de fee nu haar liefde schenkt.--Dikwels horen wij ook van de gemalin van Arthur, die door een vreemde koning geschaakt wordt, maar door ridder Lancelot wordt gered, maar er wordt zoveel vreemds van dit land verteld »waarvan niemand terug keert", van een brug zo smal als de scherpe kant van een zwaard, waar men over moet om er in te komen, enz., dat de lezer een vaag gevoel krijgt dat dit oorspronkelik niets anders dan het Dodenrijk is geweest, waar een levende uit teruggehaald moest worden,--een mytiese stof reeds uit de oertijd die in Griekse sagen van Persephone en Eurydice teruggevonden wordt, zowel als in Perziese mythen en kristelike visioenen van het hiernamaals, maar vooral in Ierse sagen van reizen naar het land der onsterfeliken. Er is ook nog een historie van een jonge knaap,--Tyolet heet hij in een »lai"--die geboren en getogen is in de eenzaamheid van het bos en die nu de wereld opzoekt, naïef en onschuldig, alleen maar geholpen door de goede raad van zijn moeder en wien uit de dagen van zijn leven in het bos een merkwaardige macht over alle dieren bij gebleven is.

* * * * *

Het was in de bewerking van Chrestien de Troyes dat deze »Bretonse" stofmassa de meest volledige verfransing onderging en tot een aristokratiese sosiale roman werd. Chrestien was de toonaangevende, misschien ook de oudste schrijver van die Bretonse romans. Hij schreef tussen de jaren 1160 en 1190 en leefde waarschijnlik als een »heraut d'armes", aan het hof van Maria van Champagne en dat van Philip van Vlaanderen; aan elk van hen heeft hij werken opgedragen. Van de gewone kennis der geesteliken was heel wat de zijne; hij kende zijn Ovidius en debuteerde met een vertaling van diens »Minnekunst" en enkele van de »Metamorphoses", hij was bekend met de Aeneas- en Troja-romans en schreef, zoals wij al gezien hebben, een roman »Cligès" op enkele Grieks-Oosterse verhalen. Maar van betekenis is hij voornamelik door vier romans met Britse en Bretonse stof ten grondslag: »Erec en Enide, De ridder met de kar, Iwein, de ridder met de Leeuw en Perceval."

Chrestien schijnt mij van burgerlike afkomst te zijn; hij is vol belangstelling en bewondering voor het ridderlike hofleven en maakt zijn kunst tot één en al verheerliking daarvan en verkondigt er de idealen van. Zijn romans zijn eerst en vooral zedeschilderingen van het elegante leven der edelen van de 12de eeuw. Overal heeft hij het licht van de werkelikheid op de vage, fantastiese sagen laten schijnen en maakt hij de losse schetsjes van de _contes_ en _lais_ die zijn bronnen waren, tot uitvoerige levensbeelden. Overal heeft zijn fantasie gevraagd: »wáár gebeurde dat?--hoe is dat gekomen?--wàt zeide hij?--hoe zag dit of dat er uit?" En zo worden de voorstellingen overal aanschouwelik, en meer en meer gedétailleerd en worden ze tot hele portretten, beschrijvingen, gesprekken en scènes. Het »Chanson de Roland" vertelt ons heel wat over de tijdgeest, maar heel weinig over het dageliks leven en de zeden en gewoonten van de 12de eeuw; daarvoor is de toon van 't heldendicht te verheven, en de vorm te stijf. In de gewone, levendige, onderhoudende romans van Chrestien treedt ons daarentegen de gehele atmosfeer van het omgevende leven tegemoet en uit zijn romans kan men het »höfische leben" van zijn tijd reconstrueren, wat dan ook meer dan eens geschied is! Bij een bezoek aan de franse burcht, komt men over de ophaalbrug, onder de valpoort door op de binnenplaats, dan in de boomgaard, de trappen op, zuilegangen door, in de grote zaal en de andere vertrekken en ziet hoe dit alles ingericht is. Wij zien het jonge meisje in de hof haar ouders zitten voorlezen; in de grote werkzaal zitten talrijke dienstmaagden en gevangen vrouwen de gehele dag te weven. Wij zitten aan bij een feestmaaltijd en bewonderen het servies en de spijzen; wij doen aan jachtpartijen mede waarbij ons de wapenen en alles wat er bij te pas komt vertoond wordt, wij wonen toernooien bij, waar wij de verschillende banieren en deviezen leren kennen en wij krijgen de techniese verklaring te horen van allerlei houwen en stoten. Overal komt de wapenheraut en de ceremoniemeester voor den dag, maar wat wij óók zien, is, dat de schrijver niet in al die heerlikheid opgevoed schijnt. Het grootste deel van de attraktie zijner romans zal wel bestaan hebben in de zeer zaakkundige beschrijvingen van alles wat het »high-life" van zijn tijd betrof. Terecht heeft men hem de Paul Bourget van die tijd genoemd. Evenals deze overdrijft Chrestien ook heel dikwels de rijkdom en de elegance,--de prachtige kleedij en sieraden der ridders en hun dames, de zeldzame paarden en de kostbare wapenen. Het is uit de roman van Troje en, met dat werk als schakel, uit de Latijnse poëzie en de Griekse roman dat Chrestien die vele overdreven beschrijvingen met zo al te veel details geleerd heeft; vooral in de stereotype schilderingen van tuinen met exotiese planten herkent men dikwels de vreemde bronnen,--de hof is n.l. zo ongeveer het enigste in de natuur waar Chrestien oog voor heeft.