De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen

Part 28

Chapter 283,699 wordsPublic domain

Provençaalse melodieën en liederen waren daar reeds vroeger gezongen geworden; ze gingen onder de naam van »sons poitevins"; ook troubadours kwamen er wel eens. Maar sedert de laatste dertig jaren van de 12de eeuw kwam aan de grote en kleine Franse hoven een adelike hoflyriek op en in bloei, volkomen in de trant van de troubadours. Evenals in het Zuiden, had men ook in het Noorden dichters van allerlei stand: naast een vorst als graaf Thibaut van Champagne, een leenheer als Conon van Bethune, vond men de slotheer van Coucy, ridders als Gace Brulé en burgerlike trouvères als Jean Bodel van Arras. De troubadours werden nagevolgd in de kunstige versvorm, in de conventionele poëtiese stijl, en zelfs in de ootmoedige vrouwendienst die er de inhoud van uitmaakte. Alleen was het Noordfrans een veel minder vormrijke taal, en de Noordfranse volksaard geheel anders dan die der Zuidelingen, en zo er al heel gauw iets kunstigs en conventioneels in de Provençaalse troubadours kwam, de imitatie der Noordfranse heren was eigelik al niet veel meer dan een echt dilettantengezelschapsspelletje. En het zijn ook zo goed als uitsluitend de erotiese en maatschappelike genres waar men zich daar op toelegt: voor de politieke _sirventes_ is de bodem daar minder geschikt. Enkele van die minneliederen vertonen iets persoonliks. In de liederen van de graaf van Bethune zijn er hier en daar zeer originele beelden; op zijn zegel ziet men hem in volle wapenrusting voor zijn dame knielen, terwijl hij haar hand als een vasal vastgrijpt, die zijn leenheer huldigt. Een tijd lang leefde hij aan het hof van Marie te Troyes en bezong haar, maar werd door »de Fransen" voor de gek gehouden wegens zijn dialekt van Artois. De burchtgraaf van Coucy schreef gedichten ter ere van de vrouwe van Fayel die een zeer natuurlike verknochtheid aan »ma très douce chière amie" ademen; mijn liefde, zegt hij, is zo vermetel als het kind dat schreeuwt »por la bele estoile avoir--k'il voit haut et cler seoir". Graaf Thibaut die op bescheiden afstand zelfs een hulde bracht aan koningin Blanca van Kastilië, de trotse moeder van Lodewijk de Heilige, toont in vele zijner liederen heel wat smaak voor geleerde allegorieën en mythologie, maar toch ook een ware aanleg voor liefde en echt Franse fijngevoeligheid. Mijn liederen--zegt hij--zijn vol gramschap en smart, ik weet niet of ik zingen zal of wenen. Ik weet niet hoe ik het met mijn trouweloze schone heb, maar »un peu la hais trop amoureusement". En wanneer de dichters, zoals b.v. Richard de Semilli, vrijere versvormen gebruiken, zingen ze dikwels heel vrolik en fris. Richard vertelt b.v. hoe hij zijn dame in gezelschap van anderen langs de Seine wandelend is tegengekomen--haar voetje is zo klein en haar schoentje zo netjes en zij loopt er zo keurig op--, en dan geeft hij een genoegelike schildering van een damestoernooi: de hele uitrusting, brokstukken van een levendige woordenwisseling, en angstig voor zijn dames roept hij als een soort refrein voor elke strofe een nieuwe heilige aan met zijn »Gardés moi mes dame, mes Sire Saint..."

Maar anders is alles vrij bleek en banaal. De hele stijl, met zijn smachtende hyperbolen, die de verliefde vleier in de mond van een Zuid-Franse heel natuurlik staan, worden bij de Noordeling koude conventie. Het is het verstand dat droog de beelden over het hart doorwerkt, dat bij de aangebedene in gevangenschap verwijlt, en waar zij voor zorgen moet, en stroo en brood moet verschaffen in de gevangenis,--of over haar schoonheid die als een pijl de toeschouwer het oog doorboort: haar ogen zijn de pijlspits, haar wenkbrauwen de boog en haar lokken de veren der pijl. Slechts nu en dan duikt er een fris uit het ridderleven gegrepen vergelijking op. Over het algemeen is het slechts het spirituele en het subtiele in de liefde dat de Noordfranse geest bizonder op prijs stelt en ontwikkelt. Parijs was niet voor niets de zetel der scholastiek. Al de scherpzinnigheid waarmede men in de scholen van Parijs abstrakte begrippen definieerde of geestelike verschijnselen analyseerde, werden ook al heel vroeg door de lyrici op het liefdeleven toegepast, en men kleedt in de lyriek evenzeer als in de scholastiek zijn gedachten in allegoriese abstracties en personificaties. Nu treden in de gedachten niet alleen »Prix" en »Honneur" als handelende en sprekende personages op, maar ook »Attente", »Espoir", »Pitié" en »Doux-Semblant" en het hart van de schone wordt tot een gevangenis, waarvan »Bon-Espoir" de boeien zijn, het slot: »Bel-voir" en de cipiers: »Beau-Semblant" en »Dangier". Een poëties genre waarin men bizonder uitmuntte was die nabootsing van de Provençaalsche versdebatten over het een of ander eroties vraagstuk dat, merkwaardig genoeg met de naam van »jeux-partis" wordt aangeduid. Zulke debatten werden er dikwels aan het hof van Thibaut van Champagne gevoerd. »Welk echtgenoot is het meest te beklagen,--was één vraag--hij die vermoedens of hij die zekerheid heeft? Welke van twee gelieven is het ongelukkigst, hij die het gezicht of die het gehoor mist? Welke dame bemint het vurigste: zij die uit angst voor haar vriend hem verbiedt aan een toernooi deel te nemen, of zij die hem met 't oog op zijn eer daartoe aanzet?" Gezelschapsspelletjes, waarin wel veel kinderachtigs steekt maar toch ook dezelfde belangstelling voor psychologiese en morele kasuistiek die steeds de toon is aan blijven geven in de Franse salons van Marguérite de Navarre tot de tijd van de Précieuses en van de dagen van Marivaux tot die van Bourget.

In dergelijke liefdedebatten heeft Marie van Champagne dikwels met haar dames als hoogste rechter gefungeerd en »vonnissen" moeten »vellen", evenals haar moeder, koningin Eleonore of de burggravin Ermengarde van Narbonne dat in Zuid-Frankrijk gedaan hadden. Ook zullen Noord-Franse ridders en dames meer dan eens voor Marie of voor gravin Margaretha van Vlaanderen of koningin Aelis van Frankrijk gekomen zijn met een greep uit het werkelike leven, om te vragen hoe men volgens hoofse Provençaalse opvattingen in die gevallen moest oordelen of handelen, zoals men ook naar de nieuwe mode kwam informeren. Er is b.v. een page die postillon d'amour geweest is voor zijn meester, een ridder, bij een dame. Maar nu zijn de page en de dame verliefd op elkaar geworden. Wat moet men nu met zoo'n paar misdadigers beginnen? En gravin Marie antwoordt: zij zijn goed genoeg om elkaar te mogen behouden, maar zij kunnen niet meer in de goede kringen geduld worden. Een dame heeft een jonge man tot zich genomen, een ridder, waar de schaaf nog zo goed als in 't geheel niet over gegaan was, heeft hem toegelaten haar te dienen en heeft hem nu zo ver gebracht dat hij een voorbeeld van goede manieren en zeden is geworden; nu komt een andere dame die hem haar liefde biedt, de ridder keert zich nu tot deze en veronachtzaamt zijn weldoenster. Wat moet men van zo iets denken? En de gravin van Vlaanderen zegt: de dame zowel als de ridder hebben zeer verkeerd gehandeld; door de ridder zo op te voeden heeft de dame het recht verworven hem voor zich te houden.

Deze en dergelijke oordeelvellingen vindt men in een kurieus Latijns boekje van ongeveer 1200 opgenomen, gevormd: »De arte amandi", geschreven door een geestelike, Andreas, die aan het hof te Parijs werkte en die alles opschreef voor een jong man uit de hoge standen om hem te waarschuwen tegen het betreden van de wegen der liefde, maar hem toch ook (en dit is het wat verreweg het grootste deel van 't boek uitmaakt) eens goed op de hoogte te brengen van alles wat tot die nieuwe »Comme-il-faut-liefde" hoort. Het boekje geeft zeer duidelik de geest der scholastieken weer, die zo ook de kunst der hoop en liefde doordringt, ze in sisteem zet en in optima forma tot een _leer_ maakt. Onze klerk heeft een groot materiaal bijeen verzameld van dergelijke rijm-debatten uit de Provençaalse en Noord-Franse dichters en van exempelen uit allerlei ridderromans, waaruit hij nu met fijne dialektiek maar grove pedanterie een leerstelsel voor de hogere kringen op tracht te bouwen. Zo geeft hij b.v. een hele collectie formules, voor de verschillende standen, in welke bewoordingen »hij" »haar" moet vragen en hoe zij moet antwoorden. En er zijn allerlei rubrieken: een niet-edelman die evenzo een burgerlike dame vraagt, of een adelike dame of een van de hoge adel of zelfs een vorstin! Dan: een gewoon ridder die tot een burgervrouw spreekt of een ridderlike dame of een vorstin enz. enz. Volgens die verschillende mogelikheden is de toon eerbiedig of opdringend, gewoon of met de nodige fraaie wendingen aan de kant van de vrijer en meer eerbiedig of vereerd of uit de hoogte bij de dame. En achter het stijve Latijn kan men dikwils de levende taal, en de omgangstoon van de verschillende maatschappelike standen onderscheiden. Verder geeft de geestelike ook een »Wetboek der Liefde" zo als een ridder dat van het hof van koning Artus heet gehaald te hebben. Onder de 31 voorschriften daaruit--die Andreas uit de troubadourlyriek en de ridderromans getrokken heeft--zijn er als volgt: dat de liefde geheim gehouden moet worden, dat het huwelik geen geldige reden is te weigeren een ander lief te hebben, dat men maar één te gelijk liefhebben kan, maar heel goed door méér dan één bemind kan worden, dat niemand zonder goede reden er van af moet zien iemand lief te hebben en dat men twee jaar lang over zijn afgestorven geliefde moet treuren. Men ziet er ook uit dat de ware minnaar slecht moet slapen en weinig eetlust hebben, dat hij verbleekt wanneer hij zijn geliefde ziet, dat hij alleen maar plezier hebben moet in wat zijn aangebedene hem vrijwillig toestaat, maar dat hij natuurlik jaloers is en haar bij de geringste aanleiding van het ergste verdenkt. Psychologiese waarneming en een zeker morele fijngevoeligheid, gelijk men ziet, naast zuiver conventionele regels, als voor een nieuw gezelschapsspel.

Wordt nu troubadour-erotiek in het Noord-Franse riddergezelschap van zijn lyries karakter ontdaan en gemaakt tot een spirituele gevoels-analyse en sentimentele moraalleer, Noord-Frankrijk is toch aan de andere kant het tehuis van de oude epiese heldengedichten, en de mannelike zijde van de ridderkultuur kwam hier, in het leven zowel als in de literatuur, heel wat meer tot ontwikkeling dan in Zuid-Frankrijk.

De Anglo-Normandiese koningen waren meer en meer de vorstenidealen naar het hart der ridders geworden: dapper en eergierig, vrijgevig en prachtlievend. Reeds Hendrik I had een grote naam van ridderlikheid verkregen, toen hij na een slag bij Noyon, tegen zijn leenheer, de koning van Frankrijk, grootmoedig alle gevangenen vrij liet, die als vazallen van hem en de koning van Frankrijk, hun plicht jegens hun hoge leenheer vóór hadden laten gaan. Zijn schitterend hof in de jaren 1130-40 had kleur geleend aan de schilderingen door Geoffrey van Monmouth en Wace van het Sagehof van koning Arthur. Maar nog meer werden de tijdgenoten verblind door de overdadige pracht, die Hendrik II ten toon zou spreiden om zijn koningswaardigheid op te houden,--het bonte weelderige gevolg, waarmede Thomas à Beckett, de kanselier, op gezantschapsreizen zijn intocht in Franse steden hield, of de bijna Byzantijnse feestdos en het ceremonieel waarmede Richard Coeur de Lion te Westminster gekroond werd. Van zijn jeugd af was Richard voor zijn tijd de incarnatie van ridderlikheid en vorstendeugd. Goed bezien was hij, oproermaker als zoon en als vazal, eigelik volstrekt geen goed voorbeeld, net zo min als echtgenoot en als koning over een rijk dat hij geheel en al verwaarloosde. Maar hij was statig van postuur en geweldig sterk, was zeer op het uiterlike gesteld, was altijd opgewekt en onvervaard, »vrijgevig als Titus, welbespraakt als Nestor," een man die tengevolge van een ogenblikkelike inval, zonder het voor en tegen te overwegen, zich in het een of ander schitterend avontuur zou storten, roekeloos dapper, de eer boven alles stellend, daarbij niet zonder een zekere altans schijnbare ijver voor de zaak der kerk. Geheel en al romanties was de glans die op hem viel toen hij, de afgod der troubadours, de belhamel van Zuid-Frankrijk, op éénmaal, vlak nà zijn kroning op een kruistocht trok. Gelijktijdige berichten schilderen hem in alle poëtiese heerlikheid op die kruistocht: weg galopperende op zijn edel Spaans paard--»een schilder kon het niet fraaier gemaakt hebben"--in zijn rozenrode mantel met halve manen er in genaaid en zijn geborduurde scharlakenrode hoed met prachtige wapens en gulden sporen; streng de hand houdende aan tucht en orde in het leger--»geen van 't andere geslacht mochten mede trekken behalve wasvrouwen, die zo moesten zijn dat ze niemand tot de zonde konden verleiden"; stoutmoedig zich in de avontuurlikste tochten stortende en Philip Augustus geheel overschaduwende; de edele koning Saladin bewondering afdwingende en trachtend hem in beleefdheden en grootmoedigheid te overtreffen; ten slotte door de jaloerse Franse koning verlaten en in zijn land door zijn broeder verraden, vermomd door Duitsland heen terug ijlend waar hij lange tijd in smadelike gevangenschap gehouden werd door de Duitse keizer.

Van die figuur van Koning Saladin straalde de tijdgenoten een even schitterende glans van ridderlike poëzie te gemoet. De gedichten wisten te vertellen hoe hij zich door Bertran de Born in de ridderlike liefde liet onderwijzen en hoe hij zich door een gevangen genomen ridder de wetten van de Ridderlikheid liet uitleggen en de ridderslag ontving met een simboliese verklaring van al de ceremoniën daarvan.

De Noord-Franse vorsten en ridders trachtten zowel door uiterlike glans als door hun schitterend optreden aan de wedstrijden voor de prijs der Ridderlikheid deel te nemen. Zeer beroemd werd een feest dat Graaf Boudewijn V van Henegouwen gaf toen zijn zoon tot ridder geslagen was, de toernooien te Soissons van Augustus 1175 en van Trasignies in 1169, maar de glorie van het grote feest dat de Keizer van Duitsland in 1184 te Mainz had gearrangeerd, toen zijn zoon de ridderslag ontving, had toch alle andere overtroffen en een massa Noord-Franse vorsten en ridders namen daar aan deel. En van Gotfried van Bouillon en Boudewijn van Vlaanderen af tot de ridders toe die Konstantinopel in 1204 veroverden en in 1214 de zegepraal bij Bouvines behaalden, vertellen de kronieken van een hele reeks schitterende Noord-Franse ridderfiguren.

De ridderschap als zodanig werd meer en meer door de Noord-Franse juristen en ceremoniemeesters georganiseerd en gevormd. De graden door welke de jongeling tot de ridderwaardigheid komt, de ceremoniën van de ridderslag, heraldiek en de regels voor het steekspel--dit alles werd in de praktijk vastgesteld, maar dan in de theorie verder uitgewerkt. En in Latijnse verhandelingen en Franse leerdichten werd een ideaal van de ridderlikheid ontwikkeld waartoe de adel hun zonen trachtte op te voeden. Een der geesteliken van Hendrik II, John of Salisbury leert in zijn groot werk »Polycraticus" dat de soldatenstand even goed een missie heeft als de geestelikheid, maar evenals slechts zij waarlik geesteliken zijn die de H. wijding ontvangen hebben, zo zijn alle krijgslieden die niet tot ridder geordend zijn, slechts indringers en rovers. De ordinatie bestaat voor hen in de omgording met het zwaard en de ridderslag; het is een sakrament even als dat van de priester. De missie van de geordineerde krijgsman is de kerk te beschermen, de priesters te eren, kinderen en zwakken tegen overmacht te beschutten en zijn bloed in de strijd voor anderen te vergieten. Mannen die hun vorst zo dienen zijn heilig en het is een schone zede dat de Ridder op de dag waarop hij met het zwaard omgord wordt, naar de kerk gaat, daar zijn zwaard op het altaar legt en daardoor zijn gang aan de dienst Gods wijdt. De geestelike »Doctrinals" en »Enseignements" die als paddestoelen opschieten, willen gewoonlik volstrekt niet ridders tot monniken maken. Zij schelden integendeel de vorsten flink uit, wanneer die geen hof houden en feesten geven, hun ridders niet eren en de kunst niet verstaan om »biau despendre", zoals de Duitse keizer dat deed bij zijn glorierijk feest te Mainz. Zij schrijven handleidingen voor het schaken en de jacht voor, die bij de opvoeding in al wat ridderlik is te pas komen, en tot de ware ridderlijkheid rekenen ze ook de kwestie van kleêren, strijd en toernooien. »Men moet zo leven dat er over je gesproken wordt" zingen de ridderlike dichters, moeite en strijd moet men niet schuwen, »het gemak is voor de eer de dood,--de ere eist voor 't lichaam nood", men moet 't gevaar opzoeken en avonturen, om te »valoir", d. w. z. te tonen dat men iemand is, en wáár men toe deugt. Maar de riddereer wordt meer en meer tot de kern van het ridderwezen, en er wordt een fijnere en ook hogere moraal in gelegd. Het krijgsmansleven bouwt al uit zich zelf een eremoraal op; het gevoel van sterkte en de moed scheppen eerlikheid en een zekere grootmoedigheid, kameraadschap en discipline ontwikkelen standvastigheid en trouw. In het nationale heldenepos dat in het noorden van Frankrijk nog in de zalen der ridderhuizen weerklonk, was die militaire eremoraal steeds verheerlikt geworden. Maar die wordt nu verder ontwikkeld door de steeds omdwalende ridderschap, door de hogere kringen en door de scholastiek--ontwikkelt men alleen in de richting van het humane en het geraffineerd spitsvondige, maar ook van sterk overdreven ijdele bravades. De kerk leert dat de ridder vrouwen en zwakken moet beschermen, goud en goederen voor zijn deugd en zijn eer op moet offeren, grootmoedig zijn vijanden moet vergeven. Het maatschappelik leven legt fijngevoeligheid, bescheidenheid, hoffelikheid, en vrouwendienst in het begrip der riddereer, maar ook kleingeestige geraaktheid en ijdelheid. Door de tournooien en het leven der rondtrekkende ridders wordt men aan menige bravade gewend, een voortdurend geraffineerd op de spits drijven van het begrip van eer en menig geval van lichtvaardig spelen met leven en ledematen. Het begrip van de riddereer wordt tot een doctrine en krijgt zijn wetboek evenals de leer van de ridderliefde.

* * * * *

In de rijke Noord-Franse en Vlaamse beemden waar reeds vroeger een letterkundig leven bloeide, ontvouwt zich nu een geweldige productie van romans, een konkurrent van die heldenpoëzie, wel in vele opzichten ook als literatuur een vervolg en een nabootsing er van, maar toch in de eerste plaats in bewuste tegenstelling daarmeê. Van alle kanten vloeide de stof bijeen. De kruistochten waarin de adel van Vlaanderen en Lotharingen het voornaamste aandeel had, brachten een voortdurende verbinding met Byzantium en het Oosten. De vorsten van Lotharingen werden koningen van Jeruzalem, de handelsverbindingen der Vlaamse steden met het Oosten via Venetië vermenigvuldigden zich en werden bezegeld, toen graaf Boudewijn op de vierde kruistocht Keizer van het Byzantijnse rijk werd. De epiek der kruistochten en de Grieks-Oosterse romans die wij in »Floris en Blanchefleur" en »Escoufle" geschetst hebben, waren ook juist toen in dat zelfde Noord-Frankrijk geschreven. Van het Anglo-Normandiese rijk kwamen toen ook juist de Bretonse sagen en gedichten en uit Midden-Frankrijk werden de Alexander- en Troja-romans geïmporteerd. In die gehele romantiese stof werd nu juist hier de professionele ridderlikheid ingewerkt en de van de Provençaalse hoven ingevoerde liefdepoëzie, en daardoor is het dat de ridderromantiek tot de volle ontwikkeling komen kan.

XVIII.

BRETONSE ROMANS.

»Bretonse Romans" werden de meesten van die Noord-Franse romans uit het einde van de 12de en het begin van de 13de eeuw genoemd. Die speelden altijd in de wereld van »de twee Bretagnes" en waren opgebouwd op stoffen en motieven uit de Keltiese sagenwereld, maar vermengden die met talrijke antieke en Oosterse elementen, waardoor ze hun dichterlike fantasie de vrije loop lieten. Enkele namen dier schrijvers--Chrestien de Troyes, Raoul de Houdenc, Renaut de Beaujeu, Guillaume le Clerc zijn tot ons gekomen, maar verreweg het grootste getal van die romans zijn anoniem,--die van Durmart le Galois, Meraugis de Portlesguez, Ider, Gliglois, Perceval, Gauvain, Chevalier as deus epees, le Bel Desconu en hoe al die andere helden van de Arturcyclus heten.

Reeds Geoffrey van Monmouth en Wace hadden tegenover Karel de Grote, met zijn hof te Aken of te Laon en zijn twaalf paladijnen, een andere held opgesteld, Artus, de oude sagekoning uit Cornwall met zijn hof te Carduel (in Cumberland) en zijn ridders van de Tafelronde. En hij is 't dan ook die de roman met zijn hof tot hun centrum maakt. In vele opzichten is er een scherpe tegenstelling tussen die twee. Karel was de witgebaarde, oer-oude keizer »au fier vis" altijd in de wapenen en in krijg voor de zaak van de kristenheid, geweldig in de strijd, van woede bulderend in zijn raad, maar ook vol majesteit in zijn ouderdom en zijn heiligheid ingesloten, als de gezalfde Gods en diens vertrouwensman, die de openbaringen van de hemel ontving en door de hemelse mirakelen gesteund werd. Artus is »le bon roi", schoon, en in zijn optreden helemaal een jonge man, maar iemand die, al kon hij, als het er op aan kwam, dapper genoeg zijn, toch niet aldoor maar ten strijde trok, in de regel zit hij vreedzaam op zijn kasteel, vrolik en gezellig, alleen maar aan feesten denkend; sombere gezichten om zich heen kan hij niet dulden, verklaart hij. Hij woont de mis bij en doet aan alle uiterlike ceremoniën mede, maar er ligt niets van de priester over hem, hij staat in geen mystiese verhouding tot de hemel, integendeel representeert hij de hele wereldlike ridderlikheid, »die Welt" die zich geheel van de kerk los heeft gemaakt. Hij is een voorbeeld van vorstelike gastvrijheid en milddadigheid, een tweede Alexander. Zijn hof en zijn tafel staan voor allen open, hij strooit gaven om zich heen; wanneer Tristan als een bedelaar naar het hof komt en om een mantel vraagt, doet hij dadelik zijn eigen mantel af en geeft hem die. Tegen allen is hij hoofs en hoffelik. Hij zou het niet in zijn hoofd krijgen om, gelijk Keizer Karel, »Houd je mond" tegen zijn aartsbisschop te zeggen en zijn Roland om de oren te slaan; integendeel tracht hij altijd vrede tussen de ridders te stichten. Wanneer er dames op bezoek komen, ijlt hij ze tegemoet en helpt ze zelf uit het zadel. Hij is grootmoedig, zijn werk is om de beschermer van alle zwakken te zijn, degeen die alle onrecht goed maakt. Dageliks komen er dan ook aan het hof die zijn hulp komen inroepen en niemand trekt ongehoord weg. Vooral zijn dat vrouwen wier echtgenoot ze verlaten heeft of die overlast geleden hebben of beledigd zijn; want Artus is vooral de ridder der vrouwen en aan zijn hof heerst de vrouw en bloeit de vrouwendienst.