De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen

Part 27

Chapter 273,949 wordsPublic domain

Het bos is altijd het toevluchtsoord voor alle vogelvrij verklaarden geweest;--in Engelse liederen van Robin Hood als in de IJslandse ballingsschapsverhalen. Even als daarin wordt ook in »Tristan en Isolde" de vrijheidsromantiek in het Robinson-achtige natuurleven in het diepe bos gepoëtiseerd. De geliefden bouwen zich nu een verborgen loofhut, vertelt Berol, en Tristan gaat op jacht na zijn hond zo gedresseerd te hebben dat die het wild grijpt zonder te blaffen; hij kan ook al de vogelgeluiden na doen zodat die zich om hem verzamelen. Liefde tot de dieren komt hier, evenals bij Marie de France, sterk op de voorgrond als een schakel in de keten der ontwikkeling van de sentimentaliteit en het natuurgevoel. Bij Gotfried, misschien reeds bij Thomas--komt zelfs het Rousseau-achtige dwepen met de natuur van de hoveling hier en daar te voorschijn. De twee geliefden leven alleen van hun liefde, dat is de enige spijs en drank waar ze iets om geven, hun hof is de linde, de weide en het gezang der nachtegalen. Wat niet weg neemt dat Berol ze, eigelik heel gek, een prachtige »liefdegrot" in het diepst van het woud in laat richten, en hij zich geen moeite spaart om de marmeren muren, de glans der edelstenen en het bed van kristal te schilderen--alles in de trant van de »Chambre de beauté" der Trojaromans--maar hij legt er een diepe allegoriese betekenis in en vertelt vol aandoening dat hij zelf dikwels in zulk een liefdegrot geweest is, ofschoon hij nooit Cornwall bezocht heeft,--hij was dikwels op jacht gegaan maar dan, zonder enig wild te vangen, altijd in die grot terecht gekomen. Des morgens, vertelt hij nu verder, wandelde het paar wat rond, of zat naar het kabbelende beekje te luisteren en volgde de golfjes met hun ogen. Wanneer de zon hoger aan de horizont kwam, gingen zij onder de lindenboom zitten die bij hun grot groeide, en dan suisde de wind koel door het schaduwrijke loof, terwijl zij elkaar droeve liefde-verhalen deden uit Ovidius. Ook vermaakten zij zich met te spelen en op de jacht te gaan. Zo gingen ze eens op een morgen hand in hand op weg; alle vogelen in het bos begroetten hen met hun kunstigste trillers, lachend keken de bloemen hun in 't gezicht, de dauw fonkelde in het morgenlicht en koelde hun voeten. Het was alsof de gehele natuur ze vaarwel wilde zeggen. Zij zijn n.l. in een onrustige stemming; de vorige dag hebben ze hondengeblaf gehoord en ze zijn bang dat de koning in de buurt op jacht is.

En zo is het,--de koning jaagt; hij wil proberen de zwaarmoedigheid te verdrijven die op hem rust sedert zijn vrouw hem verlaten heeft, die hij nog steeds lief heeft. En in de namiddag, wanneer de gelieven in hun woning liggen te slapen, komt een der jagers daar toevallig voorbij, kijkt door een reet en ziet ze liggen... dadelik haalt hij de koning, die aan komt sluipen om de schuldigen te doden. Maar gelukkig liggen ze daar, geheel gekleed, met het blote zwaard tussen hen in, als de gepersonifieerde onschuld. Geen luchtje roert zich, geen blaadje beeft, door het bladerdak dringt een zonnestraal en verguldt het aangezicht van Isolde, »zo slapen de twee gelieven, die denken aan geen kwaad, zij hebben niemand dan zich zelf hier in 't land." Het getrokken zwaard tussen de gelieven,--dat is het overoude teken van onschuld, dat men reeds in »Amis en Amiles" vindt, zowel als in de »Völsungensage", maar hier is het òf een bloot toeval dat ze zo liggen, òf een list, omdat zij wel vermoeden dat de koning op jacht is. En de brave koning loopt er dan ook in! Reeds heeft hij zijn zwaard opgeheven, maar ontroerd laat hij het vallen, vol liefde blijft hij zijn schone Isolde weer aan staren; hij besluit zich weer even ongemerkt te verwijderen, maar hij wil ze een teken achterlaten dat hij er geweest is en hun geen kwaad wenst,--even als David wanneer hij Saul in 't hol heeft gevonden. Hij ziet hoe haar teêre huid door de zon gekleurd wordt en trekt een van zijn handschoenen uit die hij voor haar gelaat hangt; ook neemt hij een van haar ringen weg,--ach! haar vingers zijn zo mager geworden dat dit gemakkelik genoeg gaat--en doet een der zijnen daarvoor in de plaats aan haar vinger; ook wisselt hij zwaarden. Een dergelike geschiedenis van een goedige echtgenoot vindt men in de oude troubadour-biografieën en is ook in de moderne literatuur te vinden.

Maar nu houdt de werking van de liefdedrank op; de drie jaar gedurende welke die volgens Berol werken zou, zijn verlopen. Op een dag dat Tristan op jacht is, begint het hem te vervelen dat hij niets te doen heeft en geen heldendaden meer verricht. En Isolde krijgt nu berouw dat zij haar koninklike waardigheid en het rijke hofleven voor al deze ellende heeft laten varen en zij zijn het er over eens dat zij hebben »male usé notre jovente". Nu zoeken zij een eremiet in de buurt op die reeds te voren getracht had op hun gemoed te werken,--zij beriepen zich toen op die minnedrank--ook nu nog verklaart Isolde dat zij geen berouw heeft, maar dat zij toch bereid zijn elkaar te verlaten. En de eremiet staat dadelik met een zeer ruim biechtvader-geweten paraat. God vergeeft alles zegt hij, hoe erg 't ook is, en luister nu eens, koningin, om de zonde te bedekken en de schande weg te nemen is een klein beetje »bel mentir" nu niet altijd zo heel verkeerd. En door zijn raad en medewerking wordt de zaak al heel spoedig zo geschikt dat Isolde weer tot haar vroegere eer en waardigheid komt, als zij verzekert dat er nooit iets anders dan gepaste vriendschapsgevoelens tussen hen beiden geweest zijn; maar Tristan moet het hof verlaten en ten strijde trekken. De Koning wil hem geld medegeven, maar dat weigert hij en na afscheid van Isolde genomen te hebben, trekt hij trots op weg; zolang Isolde hem kan zien, wendt zij het oog niet van hem af en zij heeft hem beloofd dat, zodra hij om haar zendt, muur noch toren haar terug zal houden.

Anders loopt het in de ridderlike versies, waar de werking van de minnedrank niet aan een bepaalde tijd gebonden is. Nog eenmaal worden de geliefden in genade aangenomen; fijn verklaart Gotfried hoe de Koning, door zijn eigen begeerte verblind, »weet en toch niet weten wil" wat er steeds tussen hen is; op die manier, vervolgt hij met een vrij slappe moraal, is het 's Konings eigen schuld dat het gaat zo als het gaat; bedriegen doen ze hem eigelik niet, zo open als alles in 't werk gaat. Maar eindelik vindt men ze eens op een warme zomermiddag in de tuin in een situatie, die geen de minste twijfel meer over laten kán en nu moet Tristan definitief weg. »Nos cors partir or convient,--mais l'amor ne partira nient," zeggen zij tot elkaar.

Tristan gaat nu naar Bretagne--het is steeds in het »Keltiese hoekje" dat die historie zich beweegt: Wales, Cornwall, Ierland en Bretagne, met de golven van de Atlantiese zee als brug tussen dit alles--; en hier is het nu dat Tristan een andere Isolde huwt,--Iseut aux blanches mains. Hij wordt n.l. bevriend met Kaherdin, de zoon van de hertog, en spreekt dikwels diens zuster naar wier vertrek Kaherdin hem placht te brengen. Haar naam ontroert hem sterk, hij maakt haar 't hof en dicht op haar: »Isot ma drue, Isot ma mie--en vus ma mort, en vus ma vie"; hij denkt aan zijn eigen Isolde, maar zij denkt aan hem; »die arme vrouw" meent dat zij bemind wordt, wat Gotfried zeer gevoelvol schildert en veroorlooft zichzelf al meer en meer toenaderingen, en Tristan is eerst op haar gesteld omdat zij nieuw voedsel aan zijn weemoed geeft, maar ten slotte vindt hij troost en vergetelheid bij haar.--Of deze tweezijdige verbinding een overblijfsel is van een zonnemyte laat zich niet uitmaken; in »Eliduc" zien wij de held evenzo tussen twee vrouwen verdeeld; de een in Engeland, de ander in Bretagne en ook daar waren hun namen ongeveer dezelfde. In elk geval is het een verfijnd sentimenteel onderwerp en in de ridderlike versie van Thomas licht Tristan zijn zielestrijd in lange monologen toe, in de trant van die in de roman van Troje; maar het is een zeer origineel stuk psychologie, naïef-ruw niet alleen, maar smachtend als 't in zijn ongemengde oprechtheid is.

Isolde--zegt Tristan zich zelf--kan nu toch zeker niet meer zo naar mij verlangen; nu heeft zij immers haar man met wie zij de liefde leert kennen. Tot andere gedachten is zij zeker niet gekomen, dan zou ik 't wel gevoeld hebben, evenals zij 't gevoeld zou hebben als dit met mij 't geval was.--Hier hebben wij het geloof in een wisselwerking uit de verte tussen verwante zielen (dat reeds in de naïeve verhalen uit de volkssagen bekend is) hoe de thuisgeblevenen aan een achtergelaten haarlok of kleed kunnen zien hoe het de ander gaat;--een motief dat zeer vaak in de liefderomans opgenomen wordt als een soort mise-en-scène van de steeds zeer voorkomende bewering van de lyriese dichter dat hij met zijn geliefde »van hart verruild" heeft.--Maar,--gaat Tristan tegen zich zelf door--dàt zij bezig is van mij af te gaan, is zeker, anders zou zij wel om mij gezonden hebben. Als zij nu elke nacht door haar man omhelsd wordt, zal zij mij niet langer missen, en moet ze er langzamerhand toe komen hem lief te hebben. Ik wil dan ook maar trouwen en zien of ik bij die andere mijn lust kan vinden zonder haar werkelik lief te hebben. In een dergelijke wraak, merkt de schrijver hierbij op, zit eigelik liefde zo wel als toorn, hij doet wat hij eigelik niet wilde!

En zo huwt hij dan Isolde Withand,--maar als 't er op aan komt, kan hij het niet over zich verkrijgen bij haar te gaan. De gedachte aan zijn ware Isolde houdt hem terug en hij vindt er een geraffineerde zelfplagerij in, getrouwd te zijn en zich toch te onthouden. Hij verlangde steeds naar Cornwall en daarginds verlangde Isolde niet minder. Zij zit daar »lais" te zingen, en op haar harp te spelen; »zoet zingt de vrouwe, en de stem voegt zich naar het snarenspel, schoon zijn haar handen, haar lied is lief, zoet is haar stem en de tonen zacht." Er stijgt een wonderlik weemoedige stemming uit die fraaie verzen op: »La dame chante dulcement,--la voiz accord a l'estrument,--les mains sunt beles, li lais bons,--dulce la voiz et bas li tons." Eens krijgt zij een hond van haar vriend ten geschenke, met bellen om zijn nek; die heeft een vorst hem geschonken en wanneer die bellen weerklinken, vergeet men zijn verdriet, daarom zendt Tristan die aan zijn vriendin, opdat zij hem niet zal missen. Isolde is heel blij met haar hond, maar--als zij merkt dat zij door het gerinkel der bellen haar vriend vergeet, neemt zij haar hond de halsband af en werpt die in het water: zij wenst geen troost terwijl hij lijdt. Zulke vergetelheidbrengende feeëngaven waren blijkbaar een oud dichtermotief, maar de asceties sentimentele draai er aan is zeker aan de roman te danken. In Bretagne heeft Tristan ergens in 't woud een geheime grot die hij door grote meesters in de kunst van vergulde beelden van Isolde en Brangien heeft laten voorzien; dat zijn van die mekaniese kunstwerken als in de Troja-romans, die verspreiden heerlike geuren en daar gaat Tristan dikwels heen om het beeld van zijn geliefde te omhelzen en harer te gedenken. Dergelijke ietwat ongure geschiedenissen van vrouwenstandbeelden die mannen als levende vrouwen omhelzen, zijn uit de latere klassieke schrijvers in de Graalroman en de kronieken overgegaan en wijzen misschien op een zeker ruw volksgeloof met betrekking tot naakte antieke vrouwenbeelden.

Isolde Withand droeg haar jonkvrouwelike stand in het huwelik met berusting. Slechts door een toeval komt zij er toe haar broeder op de hoogte te brengen, waarbij de schrijver een motief uit een oud-Ierse sage gebruikt. Nu heeft Kaherdin een verklaring met Tristan, die zich voor zijn verdediging op de omstandigheid beroept dat hij een vriendin heeft die zo schoon is dat zelfs haar cameriere nog de zuster van Kaherdin overtreft,--bijna presies hetzelfde wat Lanval in de »lai" van Marie de France te zijner verdediging aanvoerde toen men hem zijn onverschilligheid voor vrouwen verweet. Maar dat gelooft Kaherdin niet voor hij 't ziet! En zo trekt hij met Tristan op naar Cornwall, waar deze laatste weer Isolde in 't geheim ontmoet, terwijl Kaherdin en Brangien weldra het tweede paar vormen. Dergelike verhalen komen er meer voor in de roman; veel van wat in deze motieven in de heldendichten en de vroegere litteratuur in 't algemeen voorkwam, van Renaud de Montauban, Grettir uit de IJslandse verhalen, Robin Hood en andere bannelingen die in 't geheim hun land bezoeken, wordt nu weder op Tristan overgedragen. Eens staat hij in haar tuin en bootst de klagende tonen van de nachtegaal na, zo zoet »dat er geen hart is, zelfs niet dat van een moordenaar, dat er niet door vermurwd wordt", en zij hoort dadelik dat het haar vriend is. Een volgende keer komt hij, alsof hij een krankzinnige was, met het sap van allerlei wortels besmeerd, een knuppel in zijn hand en als een wildeman gekleed, in de grote zaal van koning Marc, waar hij in bedekte woorden maar alsof het die van een krankzinnige waren, er vermaak in schept, de koning van zijn liefde en die van de koningin te vertellen. »Geef mij uw koningin," zegt hij, »ik zal haar naar een kristallen paleis boven de wolken brengen, waar de zon doorheen schijnt, waar de wind niet bij kan komen, naar dat slot zal ik mijn geliefde brengen", en hij herinnert de koningin aan de geschiedenis van de draak, aan de beker waar zij beiden uit gedronken hebben... de koningin raakt helemaal in de war en begrijpt er niets van. Zij vlucht naar haar kamer, de »krankzinnige" weet daar ook zijn weg heen te vinden; daar wil hij haar omhelzen, zeggend dat hij haar eigen Tristan is,--maar zij deinst terug, in die vreemde kleedij en met zijn valse stem kan zij hem niet herkennen. Nu spreekt hij haar van nog meer, waar alleen zij beiden van af weten, uit hun samenleven in het bos, en vraagt dan zijn oude trouwe hond te zien. En die alleen herkent dadelik zijn meester, trekt zijn touw stuk, likt hem en blaft... iets wat weer aan de hond van Odysseus herinnert waar die terug komt... Nog veel meer sentimentele episoden komen in de latere prozaroman de verlangens en de smart der twee gescheiden gelieven schilderen. Daar wordt Tristan bovendien nog door jaloesie geplaagd, omdat hij meent ontdekt te hebben dat zijn Isolde nu Kaherdin, zijn zwager uit Bretagne liefheeft, nu is het geen aanstellerij, maar wordt hij echt krankzinnig van verdriet, en gaat in het bos bij een beek zitten wenen en zijn zwanenzang dichten. Nu wil Isolde zich op haar beurt van 't leven beroven, evenals Dido; opgeschikt als op haar kroningsdag sluipt zij de tuin in om »in schoonheid te sterven" op die heerlike zomerdag. Zij staat reeds wenend gereed om in het zwaard van Tristan te vallen dat zij tegen een boom aan heeft gezet, wanneer de koning, die haar gangen na heeft laten gaan, aankomt en haar plannen verijdelt...

Tenslotte wordt Tristan in Bretagne door een vergiftigd zwaard gewond: kruiden helpen niet meer en hij roept Kaherdin bij zich en smeekt hem Isolde aan haar belofte te willen gaan herinneren en dat het nu tijd is te komen. Hij kan haar maar 40 dagen tijd geven, daarna zal zij hem slechts als lijk vinden. En evenals een vergiftigde wonde eens de aanleiding was dat hij hulp zocht bij de koningin van Ierland Isolde, zo kan hij nu alleen maar redding vinden bij de dochter Isolde. Wanneer zij mee terugkomt zullen zij witte zeilen heisen, anders zwarte. Maar aan Isolde Withand mag alleen slechts gezegd worden dat het een ervaren vrouwelik geneeskundige is die ze halen. Ongelukkig heeft de echtgenote buiten gestaan en alles gehoord: »al te gruwelik zal zij zich wreken op hem die zij boven alles lief heeft". Maar zij doet alsof zij niets weet en blijft zeer vriendelik.

Tristan ligt te verlangen,--laat zijn bed naar 't strand brengen en »houdt er alleen het leven nog maar in" om zijn geliefde terug te zien. Zij is dadelik op reis gegaan en is dan ook al dicht bij de kust van Bretagne. Maar er steekt een storm op, het schip dreigt te vergaan. Als zij nu haar vriend nog maar weergezien had, klaagt Isolde, zou zij gaarne sterven. Maar zo is de liefde, dat niemand van ons smart kan voelen of sterven zonder dat het de ander ook zo gaat. Als wij maar in elkaars armen konden sterven, in één kist neergelegd worden. Ofschoon, als ik nu hier in zee verdrink, zal Tristan zeker ook op zee sterven (steeds weer die gedachte aan hetzelfde lot voor de verwante zielen) en wie weet of dan niet een vis ons beiden verslindt en misschien vangt iemand dan die vis en herkent die onze lichamen en begraaft ons te samen!... Maar wat praat ik... als God ons nu maar te samen bracht, zodat ik hem òf genezen kon òf dat wij te samen in dezelfde doodsangst konden sterven.

Ondertussen ligt Tristan aan wal zich in ellende en verlangen op zijn sponde te wenden en te keren; het loopt op het uiterste. Listig komt nu zijn vrouw hem vertellen dat het schip in 't gezicht is,--wat ook werkelik waar is. Is het wel zeker, vraagt Tristan met ingehouden adem, en welke kleuren hebben de zeilen? »Helemaal zwart". Nooit had Tristan groter smart gevoeld, hij keerde zich af; Isolde had dus niet willen komen. Drie maal fluisterde hij zuchtend haar naam en toen stierf hij.--Zonder twijfel zijn het de zwart en witte zeilen van de Griekse Theseus-sage die men hier terug vindt, ook zeker wel een andere antieke mythe,--van Paris die vóór Helena, de geneeskundige nymph Oenone bemind had en dodelik gewond bij haar om hulp komt vragen. En evenals het een »toevallige" vergissing is welke die twee in liefde samen bracht, zo is ook het slot van de tragedie het gevolg van een »toevallige" vergissing. Want dat het uit jaloesie zou zijn dat Isolde Withand zwart in plaats van wit zegt, is blijkbaar slechts een latere, ridderlik, sentimentele motivering; in de primitiefste vorm van het gedicht is het slechts de gril van een vrouw om iets anders dan anders te zeggen.

Juist in die versie van Eilhart, is het slot ook het eenvoudigst en het schoonst. Wanneer Isolde nu aan land komt en de klachten over de dood van Tristan hoort, roept zij alleen maar uit: »Wee mij! O Tristan! hij is dood!"; zij verbleekte niet en werd niet rood. Ook weende zij niet mee, maar haar harte deed haar zo zeer. Bij 't lijk ligt de andere Isolde luid te jammeren, onschuldig als zij (in deze versie) aan zijn dood is. Zonder tranen komt de ware Isolde naar binnen en zegt: »Vrouwe, sta op! Laat mij er bij. Geloof mij, ik heb meer recht om hier te wenen dan gij. Ik heb hem meer liefgehad." En dan valt zij neer en sterft stil aan zijn zijde.

Maar op het graf aan Isolde werd een rozenstruik geplant, op dat van Tristan een wijnrank. Over de graven slingerden die zich samen en hoe er ook aan gekapt werd, die waren niet van elkaar af te houden. Een oude zeer verbreide volksoverlevering, die oorspronkelik misschien wel op de opvatting terug gaat van een werkelike verandering in planten van de afgestorvenen, maar die in elk geval het schoonste simbool er van is dat zij in het leven ook niet van elkander af konden.

XVII.

FRANSE RIDDERLIKHEID.

Ridderlikheid en hoofse vormen--zegt een Noord-Frans dichter uit het einde van de 12de eeuw--waren eerst te huis in Griekenland, toen kwamen ze naar Rome, nu zijn ze naar Frankrijk getrokken, en mogen ze daar steeds blijven. En het werd ook feitelik overal erkend dat Frankrijk nu de zetel van alle »Chevalerie" en alle »Courtoisie" was. Naast het hof van Hendrik II en Eleonora, zijn gemalin uit Poitou, waren er de vorstelike hoven in Vlaanderen en Champagne, in Neder-Lotharingen en Henegouwen,--dan een massa kleine hoven in Noord-Frankrijk en--een mensengeslacht later--dat van de koning te Parijs, waar het ridderleven en de ridderpoëzie tot de grootste bloei kwamen. Alle literaire en kultuur-invloeden die wij in het voorafgaande onderzocht hebben, werden hier samengevoegd tot één organies geheel.

Zoals wij reeds opmerkten, kon men invloed van de Provençaalse troubadours en hun minnedichten vinden niet alleen in de Troja-romans die door een klerk aan het hof van Hendrik II geschreven waren, maar ook hier en daar in de lais van Marie de France en de Tristan van Thomas. Koningin Eleonora, de kleindochter van Graaf Guillaume IX van Poitou, een troubadour van talent, en die zelf haar grootvaders schitterende en beminnelike sosiale talenten geërfd had, was meer dan alle anderen de schakel tussen Zuid-Frans en Noord-Frans. Evenals zij haar eerste gemaal, koning Lodewijk van Frankrijk verlaten had--»een monnik, maar geen vorst" zeide zij van hem--werd de verhouding tussen koning Hendrik en haar ook al heel spoedig slecht. Hij had meer dan één bijzit,--o. a. de beroemde »schone Rozemonde" waar zoveel sagen van lopen--en zij intrigeerde en zette zijn zoon net zo lang tegen hem op, totdat de koning haar, alsof zij gevangen was, steeds liet bewaken. Maar vóór die katastrofe hield zij hof te Rouaan, te Londen en Limoges waar zij massa's tot zich trok, o. a. vele troubadours. Zo was b.v. Bernard de Ventadour haar gast te Rouaan, waar hij minneliederen aan haar dichtte; »de jonge, vrolike, voortreffelike koningin," zegt de oude biografie, »ontving hem met genoegen en maakte hem tot de »seignor de tota lo soa cort."" Haar zoon Richard die zich geheel als Zuid-Fransman voelde, ging voortdurend met troubadours om. Bertrand de Born was eerst zijn bittere vijand, maar werd later door de jonge vorst gewonnen en bezocht hem te Rouaan. Een andere troubadour volgde hem op de kruistocht en bij de dood van Richard weerklonk Frankrijk van de liederen der troubadours te zijner ere. Zelf was hij ook troubadour, o. a. had hij het in zijn zangen met de Dauphin van Auvergne aan de stok of met de koning van Frankrijk en schreef een fraaie klaagzang over zijn gevangenschap in Oostenrijk; hij schijnt even gemakkelik in het Provençaals als in het Frans gedicht te hebben.

Er waren vele persoonlike verbindingen geweest tussen de Noord-Franse hoven en die van Anjou en het Anglo-Normandiese rijk. Een Vlaamse prinses was de gemalin van Hendrik I van Engeland geweest en vele werken der Anglo-Normandiese literatuur waren aan haar opgedragen. Het graafschap Champagne werd met het Midden-Franse graafschap Blois verenigd onder een zoon van de zo literaire vorstin van Blois. Een prinses van Anjou trouwde met een graaf van Vlaanderen en werd de moeder van de literaire Mecenas, Philip van de Elzas. Maar vooral waren het de dochters van koningin Eleonora die evenals hun moeder in het Noorden van Frankrijk een soort missionairs werden voor de Provençaalse kultuur. Marie huwde met de graaf van Champagne en hield in de jaren 1160-1180 een zeer gezocht hof te Troyes; haar zuster Aelis trouwde met de graaf van Blois, een broeder van Marie's echtgenoot. En elk bracht in haar kring de minnedichten der troubadours in de mode bij de Noord-Franse dames en heren.