De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen
Part 26
Er is een voorhistorie over de afstamming en de jeugd van Tristan, maar die er later aan toegevoegd schijnt, op motieven zo wat van alle kanten bijeengeschraapt en in een ridderlike en sentimenteel-avontuurlike geest geschreven. Een ridder uit Wales of Bretagne houdt zich een tijd aan 't hof van koning Marc op, de beroemde legendariese koning van Cornwall of Engeland. De zuster van de koning wordt op hem verliefd--de naïeve monologen en koket-sentimentele gesprekken doen aan de Aeneas-roman denken--terwijl hij na een gevecht gewond is, wordt zij in 't geheim en onder tranen bij hem zwanger, dan vlucht zij met hem naar zijn eigen land. Maar daar valt hij nu in de strijd tegen zijn vijanden, die nu zijn goederen in bezit nemen en de wanhopende weduwe baart nu in smart de in smart ontvangen zoon, die bovendien bij de geboorte zijn moeder het leven kost. Tristan werd de erveloze knaap genoemd en zijn leven zal die naam der smarte waar maken. In 't geheim door een trouwe dienaar opgevoed, wordt hij door kooplieden met een schip ontvoerd, maar weet te ontvluchten en aan land te komen,--bij koning Marc, waar hij aan 't hof in grote gunst komt. Ten slotte wordt 't hem en de koning bekend wie hij eigelik is en de koning stelt zijn neef tot erfgenaam over zijn rijk aan; maar eerst trekt de jonge held er op uit om zijn vaderlik erfdeel terug te winnen, alleen echter om dat land aan zijn trouwe pleegvader over te dragen. In de volkssagen en de heldenpoëzie zijn er veel helden aan wier jeugd dit alles sterk herinnert, maar ook met de roman van Appolonius van Tyrus en die van Ruodlieb heeft onze geschiedenis menige trek gemeen.
En nu begint de eigelike roman daarmede dat Tristan, als hij weer naar 't rijk van koning Marc teruggekomen is, het heldenstuk uitvoert om in een tweegevecht de reus Morolt te doden, die uit Ierland gekomen was om het jaarlikse tribuut voor zijn zwager, de koning van Ierland en de Romeinse senaat op te eisen. Hier als ook nog elders is duidelik de kroniek van Geoffrey van Monmouth gebruikt en wel naar de Franse berijmde bewerking van Wace; het motief is bovendien algemeen genoeg in de heldenpoëzie. Het wordt een duel, volgens alle regelen van de kunst op een eiland gevochten. De reus wordt door een geweldige slag op zijn voorhoofd geveld--een stuk van Tristan's zwaard blijft hem in de schedel zitten--maar hij krijgt nog net de gelegenheid zijn overwinnaar een houw met een vergiftigd zwaard te geven en er stervend bij te voegen dat alleen zijn eigen zuster, koningin Isolde van Ierland, dit genezen kan.
Nu wordt Tristan ernstig ziek,--niemand kan zijn wonden helen, waar bovendien een onuitstaanbare stank uit opstijgt,--iets wat Gotfried overslaat omdat »zo iets niet goed past in de hoofse toon". Gelijk gewonde helden dat in de Keltiese sage dikwels doen, legt hij zich op een schip en laat dat maar ergens heendrijven; het komt in Ierland terecht. Men ziet hoe weinig doorwerkt de stof is, hij wist n.l. zelf dat hij dáár alleen genezing zou vinden. Als degeen die de dood van Morolt op zijn geweten heeft, durft hij zich toch niet te kennen te geven; hij verkleedt zich nu weer als koopman, of--zoals de ridderlike versies 't liever voorstellen--als een harpspeler en komt zo in het paleis van de koning waar hij zich Tantris noemt en door de koningin verzorgd en genezen wordt. Uit dankbaarheid daarvoor geeft, volgens de ridderlike bewerking, Tantris aan 's konings dochter Isolde les in het harpspel, in de kunst lais te dichten, in het schrijven en in goede manieren (moralitas), zodat haar vader zijn gasten dikwels door zijn jonge dochter kon laten bezighouden. Steeds bevreesd dat hij herkend zal worden, vertrekt Tristan terstond als hij zich weer beter voelt, ofschoon de koningin de wellevende vreemdeling graag nog wat gehouden had.
Nu leefde Tristan weer aan het hof van Koning Marc. Maar de baronnen die jaloers op Tristan zijn dat hij de troon zou erven, brachten er de koning toch nog toe weer een vrouw te zoeken. Alleraardigst is een hier ingevoegd sprookjesmotief. Terwijl zij bezig zijn de Koning over te halen, fladderen een paar zwaluwen het venster binnen en een daarvan laat een goudgeel vrouwenhaar uit zijn bek vallen. De Koning raapt het op en zegt dat als hij dan toch trouwen moet, dan wil hij de jonkvrouw hebben aan wie dat haar toebehoort. En Tristan neemt op zich de schone met het gouden haar voor hem te gaan vinden, die niemand anders blijkt dan de prinses van Ierland. Maar de ridderlike bewerkingen verwerpen deze trek als een onwaardige uitvinding der speellieden; Tristan zelf had bij zijn thuiskomst de schoonheid van de jonge Isolde in zulke hoge tonen geprezen en bovendien wensten de baronnen Tristan juist naar Ierland te zenden omdat zij wisten dat er daar levensgevaar voor hem schuilde.
Zo trekt Tristan daar nu weer heen, te midden van het gevaar. Hij kwam op een gunstig oogenblik. Een draak hield juist vreselik op het eiland huis, elke dag moest er een jonge maagd aan hem geofferd worden en de Koning had laten weten dat hij die de draak wist te dooden, de prinses ten huwelik zou krijgen,--een in de Griekse en Germaanse sagenwereld zeer bekend motief. Tristan, gelijk gewoonlik als een koopman verkleed, trekt er incognito op uit en doodt het monster door een stoot in zijn muil--in het hart zegt Gotfried meer in overeenstemming met ridderlike opvattingen--snijdt zijn tong uit en steekt die in zijn broekzak--legt die op zijn borst, zegt Gotfried, maar--nu trekt het vergif zijn lichaam door en niet ver van de draak valt Tristan zelf in zwijm. De Seneskalk des konings, een slecht mens, komt langs het lijk van de draak, en eigent zich de eer toe die gedood te hebben, rijdt vol triumf naar huis en eist Isolde voor zich op. Zij is wanhopend over het vooruitzicht met die man te moeten trouwen en zij kan bovendien ook niet geloven dat hij zulk een heldendaad heeft kunnen volbrengen en zij gaat met haar moeder het gevelde dier bekijken. Daar vinden ze nu de vreemdeling met de tong van het ondier; zij nemen hem mee naar huis waar hij verpleegd wordt en dan komt hij met zijn trofee voor den dag en bewijst tot groote schande van de Seneskalk hoe die ze allen heeft willen bedriegen. Dit is duidelik een geheel op zich zelf staande sage die vrij onhandig in het gedicht ingevlochten is, het wordt ook in een apart Kelties gedicht gevonden over »De held en het hert met de witte poot"; misschien is het ook verwant aan de Griekse geschiedenis van Alkatoos, die op die zelfde manier zich door de tong van het monster als de geen doet kennen die het gedood heeft, inplaats van een ander die hem die eer wil roven. De sage is in haar grondtrekken zeer algemeen.
Maar intussen is het opgehelderd wie Tantris is. Eens zit hij naakt in het bad en Isolde staat er bij met hem te praten, terwijl zij er zich over ergert dat die man, zo schoon als hij is, toch niets dan een koopman is. Nu gaat zij naar zijn wapens kijken die daar hangen, en ziet het zwaard dat nog de sporen draagt van de houw die Morolt er mee gekregen heeft--op eens krijgt zij een ingeving, zij haalt het stukje dat in het hoofd van Morolt is blijven zitten en dat zij bewaard heeft,--kijk! Dat past presies en op 't zelfde ogenblik wordt het haar op eens duidelik dat Tantris natuurlik hetzelfde is als Tristan. En zij neemt dadelik het besluit hem, zoals hij daar in het bad zit, te doden. Een echt pikante situatie, die de ridderlike versies in detail uitwerken: die naakte held geheel in de macht van het jonge meisje. Tristan herinnert er haar aan dat hij haar zal moeten helpen, nu de Seneskalk beweert de draak gedood te hebben en haar hand eist. De jonge maagd voert een innerlike tweestrijd, zij moest de moordenaar van haar moeders broeder haten, maar haar »milde wîplichheit" zoals Gotfried zegt, waagt het niet toe te slaan. Nu komt de moeder er bij en wordt van de zaak op de hoogte gebracht; beiden zijn vol twijfel, als de een iets besluit, houdt de ander haar terug, ook Brangien stelt zich op de voorgrond en wil als Isolde's »cameriere" ook een duit meê in 't zakje doen. Tristan verlaat nu het bad en knielt »voor de schone rij der vrouwen", die galant door de Duitser met de zon, de maan en de dageraad vergeleken worden. Brangien brengt er het drietal toe elkaar de kus der verzoening te geven,--het maakt vooral indruk als Tristan mededeelt dat het uit naam van de Koning van Cornwall is dat hij om de hand van Isolde komt vragen.
Isoldes vader gaat op dat huwelik in en met grote pracht en praal wordt de prinses, door Brangien begeleid, met Tristan over de zee gezonden. Er is tot nu toe geen sprake van liefde tussen die twee, wel zegt Gotfried iets van tedere gevoelens tussen hen, maar het wordt toch nog als iets dat van zelf spreekt beschouwd, dat Isolde met vreugde de Koningin van Koning Marc zal worden. In de voorgeschiedenis zijn er sprookjesmotieven en reminiscenties van allerlei heldensagen. De eigelike handeling begint pas waar Tristan en Isolde uit Ierland vertrekken, nadat Tristan voor zijn oom de hand van de Ierse koningsdochter gevraagd heeft.
Isoldes moeder heeft Brangien een minnedrank meegegeven die zij de jonggehuwden de avond van het huwelik moet doen drinken om hun huweliksgeluk te bezegelen. Van zulke minnedrankjes vertelde Ovidius,--Circe zowel als Medea hadden die gebrouwen. En nu heeft de tragiese vergissing plaats. Isolde heeft heimwee en is bedroefd. Tristan komt haar dikwels gezelschap houden en troosten. Eens wanneer het schip door windstilte genoodzaakt is geworden een haven binnen te lopen en de meesten aan land zijn gegaan, wil een van Isoldes maagden hun een glas wijn inschenken om bij de hitte hun dorst te laven. »Doch neen! het was geen wijn, ofschoon het dit wel scheen. Het was de eeuw'ge smarte, de eindeloze hartenood, en beiden bracht die ook de dood", barst Gotfried uit. Te laat ontdekt Brangien wat er gebeurd is. »Die drank die wordt beider dood." En inderdaad blijkt nu ook al ras dat »der Welt Unmusze", de grote onruststichter der wereld, hun beider gemoed is binnen gedrongen. Gotfried laat ze eerst nog wat tegenstribbelen maar »de ogen en de harten naderen elkaar steelsgewijze,"--de liefde--die »kleurster" maakt ze beiden dan rood, dan bleek. Zij is het die per slot van rekening het initiatief neemt, maar echt op de manier van jonge meisjes, met allerlei omwegen: levensmoede gaat zij tegen hem aan leunen en laat haar hoofd op zijn borst nederzinken, zodat hij haar met zijn arm omvat. »Wat scheelt er aan?" vraagt hij. »»L'amer" is het dat mij wee doet"; en nu spekuleert hij er over welke drie betekenissen dat woord hebben kan. Bedoelt zij »de zee"? Is het »de bittere" wind? vraagt hij daarna, maar zij is het die de derde betekenis noemen moet:--het is »de liefde". »Mijn beminde, zo is het ook mij gegaan," zegt hij dan. Het is zeker een vrij oud spel over die woorden, waarschijnlik al uit 't Latijn. En dan wordt Tristan--gelijk Gotfried het zoet-sentimenteel beschrijft, in de trant van »Daphnis en Chloë"--door de geneesheer Liefde naar de legerstede van Isolde geleid en biedt Amor hun elkaar aan als medicijn voor hun ziekte.
En hier is het punt waar alles om draait. Een gewone vergissing, iets wat niemand gewild heeft, brengt de hele tragedie aan de gang. Iets dergeliks hoorde in de grote Heldenepiek niet thuis, noch in de Ilias, noch in de Völsungensage, noch in de Chanson de Roland; dit is een roman-truc,--vooral in de Grieks-Oosterse romans is het prototype van dergelike vergissingen door drankjes te vinden. Zulk een toeval kan niet als de hoogste tragiek werken, een die met noodzakelikheid uit de oorzakelike samenhang voortgekomen werkt, integendeel komt er zo iets in de eigelike zin van het woord pikants in ons gevoel van verdriet, omdat we voortdurend voelen dat het ongeluk per slot van rekening even goed niet had kunnen gebeuren en hoe onzinnig het eigelik is en hoe het zonder enige reden op de slachtoffers neer is gekomen. Maar voor het middeleeuws bewustzijn is zulk een toeval géén toeval, maar het mystieke noodlot. En juist daarom, omdat het geheel niets anders dan toeval is, valt er iets plechtigs, bijna iets heiligs over de liefde en de dood van Tristan en Isolde, het zijn geen menselike grillen of invallende gedachten die de verschillende personen in elkaars armen werpen of in het ongeluk voeren, maar mystieke machten in wier hand de wil slechts was is. Die tweezijdige houding tegenover de geschiedenis van Tristan en Isolde kan men in de Middeleeuwen overal opmerken. Voor Berol is het niets anders dan een gewoon tover-toeval; voor hem duurt de werking er van dan ook maar een bepaald aantal jaren. En tegenover zulk een opvatting komen de erotici van professie met een protest in de echte stijl der troubadours, dat men zo iets liefde zou durven noemen. In tegenstelling met de klassieken die de liefde als een soort ziekte beschouwden, een noodlot dat de mensen overvalt, leerden namelik de troubadours dat de liefde een vrijwillige kultus van de vrouw is, een uiting van een moreel willen en dus een deugd, een verdienste, en meer dan één ridderlik dichter legt er dan ook, zoals wij zien zullen, de nadruk op, dat hun paar geliefden zich niet door een minnedrankje de liefde aangedronken heeft, maar dat die het gevolg is van hun vrije neiging. Velen hunner staat echter vaag een zekere opvatting voor de geest, volgens welke die liefdedrank alleen maar een simbool is van de natuurmacht der liefde,--zo, vrij zeker, voor Thomas en Gotfried voor wie de werking ervan ook niet tot een bepaalde tijd beperkt is. Wanneer het naïeve bewustzijn de plotseling opkomende liefde en de omstandigheid dat er geen ontkomen aan is, verklaren kan als de werking van runen, of andere tovermiddelen of als die van een pijl door een godheid afgeschoten, dan moest dit alles voor het meer ontwikkelde bewustzijn eenvoudig tot poëtiese uitdrukkingen worden van een natuurmacht die, zich boven verstand en wil verheffend, zich door de liefde openbaart en juist daardoor dat gevoel boven wet en recht stelde. Deze opvatting schemert al in de minnepoëzie der ridderromantiek door en die ligt ten allen tijde aan de romantiek ten grondslag; de burgerlike samenleving en de kristelike moraal hebben ook voortdurend tegen die gevaarlike teoriën moeten kampen.
Nu nadert het schip juist deze burgerlike samenleving, gelijk Isolde haar bruiloft. Zij is ongerust omdat zij niet als maagd het bruidsbed kan bestijgen en daarom haalt zij er haar camerière toe over haar eigen plaats in de huweliksnacht in te nemen,--een onderschuiving die in vele verhalen, o. a. in meer dan een Deens volkslied, voorkomt. Heel naïef krijgen de lezers te horen hoe de koning ietwat onder de invloed van de wijn is en hoe Tristan terstond de kaarsen uitblaast. Maar wanneer het paar zo van de diensten van Brangien geprofiteerd heeft, vinden ze het toch onaangenaam dat zij in hun geheim ingewijd is, en ruw en gevoelloos wordt verhaald van de voorbereiding die Isolde treft om de trouwe dienares kwijt te raken. Zij zendt haar het bos in met moordenaars die haar moeten ombrengen. Maar die volbrengen het stuk niet. Brangien brengt hun n.l. in 't bos aan het verstand dat haar hele misdaad daarin bestond dat zij haar meesteres haar eigen bruidslinnen heeft laten gebruiken, wijl dat van de hoge vrouw gekreukeld was; de moordenaars keren terug en laten de koningin een hindetong zien voor die van het meisje en vertellen haar ook wat die in het bos gezegd heeft. Die fijne beeldspraak die zo heel Oosters-bijbels klinkt, doet Isolde zo aan dat zij hevig berouw begint te gevoelen en de moordenaars bekennen nu de waarheid. Brangien wordt teruggeroepen en is van nu af de vertrouwde en de hulp der gelieven.
Die nemen namelik kalm hun maatregelen om hun relaties achter de rug van haar man en zijn oom voort te zetten. En van nu af begint er een voortdurende kamp. De twee gelieven kunnen niet zonder elkaar leven, zij proberen dit ook in 't geheel niet; maar Tristan heeft vijanden aan het hof--vooral is er daar een kwaadaardige dwerg zoals de Keltiese sage die kent--die de verhouding ontdekken, die aan de goede koning verklikken en de geliefden in de val trachten te lokken, die zij lang weten te vermijden--Brangien staat tegenover de dwerg aan hun zijde--maar waar zij eindelik eens invliegen; dan wordt Tristan verbannen maar hij weet de zaak toch gaande te houden en wordt spoedig weer in genade aangenomen. Oorspronkelik zal de hele geschiedenis,--er werd al op gezinspeeld--door de sage volstrekt niet zo sentimenteel-tragies opgevat zijn, de grote virtuositeit van de slimme held bestaat juist daarin dat hij zulke stukjes klaar weet te spelen en het slachtoffer nog een lange neus op de koop toe weet te bezorgen, en wat de echtbreuk in het geval betreft, over deze »komedie" heeft de volksfantasie altijd de nodige anekdoten te vertellen gehad; vooral de Galliese humor heeft voor dat tema altijd grote voorliefde aan den dag gelegd. Het enige wat de Tristan-roman met de krasse verhalen over de bedrogen echtgenoot wist te doen, was ze in een sentimenteel licht te stellen, wat gelijk wij zagen ook de grote kunst van Marie de France was. De minnedrank komt dan ook goed te pas om de onschuldige gelieven in een beter daglicht te stellen; zij weten beiden dat zij geen verantwoording voor 't gebeurde hebben, en dat hun alles toegestaan is--en dat voelt de lezer ook. Maar hun liefde staat ook daardoor hoger dan de grove komiek der fabliaux doordat de echtgenoot niet opgeofferd wordt. In de sage zal deze koning der ezelsoren niet anders dan de goedgelovige nar geweest zijn, lichtgelovig tegenover Isolde en die zich ook even licht door de verklikkers laat ophitsen. Bij Berol verwijt koning Artus hem ook dat hij wispelturig is en veel te gauw toegeeft. Maar niet alleen de dichters, ook zij die hem bedriegen erkennen dat hij welwillend is en toegevend, en groot is de sympathie van allen voor de »einvalt" en »wegelôse" koning, zoals Gotfried hem noemt. »Slechts zijn grote liefde voor u," zegt Brangien eens tegen haar meesteres, »maakte hem zo toegeeflik voor u, maar gij beloont hem slecht."
In talrijke episoden krijgen wij het spel en het tegenspel te zien. De koning heeft Tristan van het hof verbannen en de geliefden versmachten van verdriet, nu zij van elkaar gescheiden zijn. Edoch, Tristan weet raad. Er stroomt een rivier langs--of oorspronkelik door--het vertrek van Isolde (zo eigenaardig en primitief was het Keltiese huis van bouw) en door middel van zaagsel dat tekens vormt en de rivier afdrijft, laat hij haar weten hoe zij elkaar zullen vinden,--een list die reeds in een oude Ierse sage voorkomt.
De dwerg is te weten gekomen dat zij elkaar 's nachts bij maneschijn aan de oever van een meertje in het bos zullen ontmoeten. Koning Marc is met een pijl en boog gewapend in een boom geklommen daar dicht bij om ze te beloeren,--in de oorspronkelike versies van de sage vindt men, naar het schijnt, nog geen lans of paard. Tristan komt eerst en ziet de schaduw van de koning in het water. Hij staat als op gloeiende kolen en durft niets te laten merken, maar is vol angst hoe alles aflopen zal wanneer Isolde ook komt. Maar, ook zij ziet de schaduw en nu beginnen ze door een gelukkige inval van beide kanten, en tot stichting van de koning in de boom, een aandoenlik gesprek over de laster waaraan hun onschuldige vriendschap blootstaat en Tristan smeekt de koningin zijn voorspraak bij de koning te willen zijn--vooral over een som gelds om zijn harnas terug te krijgen dat hij heeft moeten verpanden--; maar zij zegt dat zij dit niet durft,--zo alleen en vreemd als zij zich aan het hof voelt. De echtgenoot wordt zo aangedaan dat hij, zoals hij naderhand vertelt, bijna uit de boom was gevallen. De volgende dag neemt hij Isolde in verhoor en na een kleine komedie, waar zij prachtig toneel speelt, wordt zijn neef weer in genade aangenomen. Maar Brangien moraliseert over het mirakel dat God voor hen gedaan heeft--op een manier waarvan men eigelik niet weet of het Godsbespotting of naïef laks kristendom is--hij is een goed vader die geen hart heeft hen kwaad te doen die »buen et loyal" zijn.
Een ander maal heeft een dwerg meel tussen de bedden gestrooid; de koning, Isolde en Tristan slapen n.l. in hetzelfde vertrek en er wordt vermoed dat Tristan 's morgens het bed van Isolde bezoekt wanneer de koning vroeg opgestaan en uitgegaan is. Maar de gelieven hebben dat meel gezien en met een enorme sprong weet Tristan direkt uit zijn bed in dat van Isolde te komen. Maar ongelukkig was hij kort te voren door een wild zwijn gewond (volgens de meer ridderlike versie heeft hij zich juist adergelaten) en nu springt de wond open en komt er bloed op het laken van Isolde en zo wordt alles toch ontdekt, ofschoon hij heel onschuldig in zijn eigen bed ligt te snurken wanneer er anderen binnen komen. »Ach, God, welk een smart," roept de dichter uit--»dat de koningin de lakens niet weggedaan had."
Isolde moet nu een eed afleggen om door een godsgericht haar onschuld te bewijzen. Ten einde op de plaats des gerechts te komen, moet zij met haar gevolg een rivier over. Aan de oever staat een schurftige bedelaar en wanneer de koningin nu landen zal, vraagt hij haar uit de boot te mogen dragen. Zij omvat hem nu met haar armen en benen want zij heeft dadelik Tristan herkend; hij had haar ook laten weten dat zij maar goeden moed zou houden. En wanneer zij nu aankomt, kan zij kalm de eed afleggen dat zij nooit een andere man dan de koning haar Heer en Meester in haar armen heeft gehad en,--ja, dan ook nog die schurftachtige bedelaar van daar straks,--en doorstaat zij met glans de ijzerproef.--Reeds in de oude Indiese vertellingen en later in Griekse romans hadden loze geliefden dergelijke dubbelzinnige eden afgelegd. Daar ziet men alweer, roept naar aanleiding hiervan de antiklerikaal Gotfried tot de geestelikheid met haar »vrome bedriegerijen",--daar ziet men alweer dat Kristus zich tot alles leent, hij is als een mouw die men kan draaien en wenden, presies zo als men wil, evengoed tot bedrog als tot waarheid!
Maar,--de koning kan, niettegenstaande dit alles toch niet blind blijven voor wat er tussen die twee gebeurt. Hij ziet het, zo als Gotfried het sentimenteel uitdrukt, aan hun blikken, hun groeten, hun handen die zij zo dikwijls tegen het hart drukken. Weer volgt er een breuk en wordt het paar veroordeeld. Bij Berol geschiedt dit op zeer ruwe manier. Tristan wordt naar de brandstapel geleid, maar als hij onderweg permissie heeft gekregen om een kleine kapel in te gaan om te bidden, weet hij met een koene sprong het raam uit te springen naar een steile rots en zich zo te redden, Isolde zal ook verbrand worden, maar op weg komt de stoet een troep melaatsen voorbij en hun geleider stelt de koning voor de zondares aan hen over te leveren. De melaatsen die in de middeleeuwen in voortdurende vleselike lust bleken te leven, konden haar nu allen bezitten en dat zou nog de beste spot voor zulk een verwende prinses zijn. Zonder zich een ogenblik te bedenken levert de koning haar uit en trots trekken zij met de wenende verder. Maar uit een hinderlaag komt Tristan op eens te voorschijn en verdrijft de schare; Berol, dichter van de beginnende ridderlikheid als hij is, zegt dat Tristan zich volstrekt niet verwaardigde zijn zwaard te trekken, zoals vroegere dichters hebben beweerd, zijn getrouwe vriend en makker ranselde er met een knuppel op los en dat was genoeg. Dan trekt hij met zijn geredde geliefde het bos in.
Thomas laat dit alles weg; alleen doet de koning beiden in de ban, Tristan voorziet zich alleen maar van wat geld; neemt zijn harp, zijn hoorn, zijn degen en zijn hond mede en vol verrukking gaan de twee gelieven zonder enig protest, hand in hand op weg.