De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen
Part 24
De gehele lucht is er vol van toverij en magie; wat Ierland voor de Scandinaven was, vonden de Fransen in Wales: het land van tovenaars. De kern van de godsdienst der Druïden was dan ook het geloof in de magie; de Druïden hadden in hun cultus de goden zo goed als afgezet en beheersten nu zelf de wereld. Niet de krijgslieden maar die priesters en tovenaars waren de eigelike heersers in hun maatschappij. En sage en gezang vertellen van hun doen. Ze lopen langs de zee en vinden voorspellingen in de golven en de stemmen der zeevogels; donkere profetiën vertellen van een bos dat over de zee zal komen (een mastbos) over de rode en de witte draak die samen zullen vechten (Saksen en Britten). De figuur van Merlijn werd het inbegrip voor Wales van voorspelling en toverkunst. In zijn haat voor de mensheid was hij naar de bossen van Northumberland gevlucht en daar voorspelde hij nu alles wat er gebeuren zou. In de bardenpoëzie wemelt het van mystiese versraadsels en die is ook doortrokken van een vreemd geloof in de zielsverhuizing: »Ik heb vele gedaanten aangenomen, ik ben een traan geweest in de lucht, de verste van alle sterren, een woord, een boek, een kaarslicht, een wild zwijn, een geluid in de slag, een golf op de woeste kust,"--men ziet hoe vreemd onwezenlik de meesten van die personificaties zijn. Door allerlei bezweringsformules kunnen de tovenaars de wil van de mens buigen, kwaad over het hoofd van de vijanden brengen, zich zelf en anderen in allerlei gedaanten omtoveren, en een mist op de heide of prachtige kastelen te voorschijn toveren en dit ook weer laten verdwijnen. Die toverij schijnt vooral op de heide te bloeien,--»la lande aventureuse", waar we in de Franse romans uit Bretanje zo veel van horen.
Ongemengd was dit Keltiese element nu niet. Niet alleen de reis van Brandanus, maar de hele literatuur van Ierland en Wales was al vroeg doordrongen van antieke en Oosterse elementen en dikwels ook kristelike. Driehonderd en vijftig jaar lang hadden de Romeinen in Engeland geheerst en tot op den huidigen dag toe tonen ruïnes en opgravingen hoe grondig ze de Latinisering aangepakt hadden. Evenals de hele latere Romeinse wereld, was ook hier in 't uiterste Noord-westen de Romeinse kultuur sterk met Oosterse elementen vermengd. Een prefekt--weet men toevallig--was van Nicomedia, een tribuun uit Syrië, dikwels kwamen garnizoenen uit Azië hierheen en in Northumberland heeft men altaren gevonden voor de Perziese Mithra, te Cambridge voor de Syriese Astarte, te York voor de Aegyptiese Serapis. De Keltiese kristelike kerk was in de 6de-8e eeuw, een tijd, verder van alle kultuur ontbloot, de enige in Europa om niet alleen aan Latijn te doen, maar ook aan Grieks; de Ierse kloosters hebben een hoofdaandeel aan het bewaren van de antieke literatuur. En een bizondere band schijnt ook die Westerse kerk met de Oosterse gehad te hebben; het kristendom der Ierse monniken draagt in vele opzichten meer een Oosters dan een Latijns karakter.
Toen Geoffrey de Britten van Brutus liet afstammen en van de Romeinen, was dat nog niet zo helemaal zonder enige reden. Onder de (jongere) »Mabinogion" vindt men verhalen die niets dan fantasiën over de tijd der Romeinen zijn,--b.v. over een keizer van Rome die met 32 koningen op jacht gaat en van een toverschip droomt, een tovereiland, een toverslot en een toverachtig schoon meisje en dan laat hij de hele wereld afzoeken totdat hij eindelik in Brittanië komt en de maagd vindt. Zo zijn er ook zelfs in het oudste deel van de Mabinogion, voortdurend trekken die opvallend aan Oosterse motieven doen denken, zo b.v. de »Vriendschapsproef",--twee vrienden die elkaars plaats innemen, maar tegenover elkaars echtgenoot vriendentrouw bewaren--of wel de geschiedenis van Ali Baba en de oliezakken die wij herkennen, of wel verwoeste prachtige toversloten, waar de bezoeker tot steen wordt, zodra hij een gouden schaal aanraakt. Bij het »Appelen-eiland" van de Eeuwige Jeugd in het Westen denkt men allicht aan de appelen der Hesperiden en de eilanden der zaligen, en er loopt een verhaal van een held die »het land waar niemand ooit vandaan komt" binnengedrongen was en daar met een vrouw vandaan was gekomen, waarbij natuurlik iedereen aan de geschiedenis van Orpheus en Eurydice denkt. Merlijn wordt ook al heel gauw verdoopt en heet dan als de zoon van een Romeins konsul Ambrosius, veel trekjes die zijn list betreffen en zijn helderziendheid, zijn eenvoudig op hem overgebracht van de verhalen van Indiese, Griekse en Hebreeuwse wijzen--van Midas en Silenus, van koning Salomo en de vorst der Geesten, Aschmedai--terwijl zijn »Profetiën", die Geoffrey uitgaf, vol van reminiscenties van Lucanus zijn en van de Sibellijnse boeken.
Eindelik schijnen ook verschillende Germaanse elementen de Keltiese sagen binnengedrongen te zijn--het is onzeker of dat nu de Noorse Vikingen, de Angelsaksen of de Denen en Noormannen zijn die ze gebracht hebben. Nu eens herkent men trekken uit de sage van Siegfried, dan uit die van Völund-Wieland--of wel zijn het Germaanse namen die men plotseling te midden van zuiver Keltiese aantreft.
* * * * *
Maar hoe deze »Matière de Bretagne" ook samengeweven is,--daarin opende zich voor de Franse trouvères van het Engels-Normandiese rijk een wereld van poëzie die hen en hun publiek in verrukking moest brengen. Die wereld was hun nieuw en vreemd en daar lag een mysties perspektief, een geheimzinnige ondertoon van halfvergeten mythen en sagen achter die verhalen, welke de fantasie romanties in beweging moest brengen. En met die vreemde stof kon men ongegeneerd omspringen en doen wat men wilde, zonder door traditie of piëteit gebonden te zijn; dat alles kwam in losse onsamenhangende saga-motieven uit het Westen aanfladderen en elke dichter kon dat aan elkaar flansen, presies zoals hij zelf wilde. Dat was iets anders dan dat gescharrel met die romans van Karel de Grote, waar de stof met zulk een piëteit en histories nauwkeurig behandeld moest worden, of een Latijns boek voor zich te hebben dat men volgen moest!
En wonderbaarlik scheen die »Bretonse stof" met de poëtiese smaak dier tijden overeen te stemmen. Hier streed men niet in geordende scharen voor goederen of voor land en rijk, maar de helden trokken--presies als de kruisridders en de vaganten in hun eigen wereld--op eigen hand op weg om avonturen op te zoeken. En nu waren het eens niet die eeuwige Saracenen daar ze mee moesten vechten, maar monsters en wildemannen,--en voor al die magie en toverij en dergelijke avonturen, daar hoorde een andere soort moed toe, een »nouveau frisson" die zij de zenuwen gaven. Er lag een geur van natuurromantiek over deze poëzie van bos, heide en oceaan en een glans en een kleurenpracht en sprookjesrijkdom over die Keltiese fantasiewereld, welke bijna de vergelijking met de Alexander- en Troje-romans kon doorstaan. En per slot van rekening leken die Keltiese sagen de Fransen meer van hun eigen vlees en bloed dan de Frankies-Germaanse epiek der baronnenwereld. Er was een levendigheid en een fijne genotzucht in die Keltiese poëzie, een vrolik opgewekt samenleven en zulk een sterk erotiese aanleg kwam daar in te voorschijn, dat de Fransen zich daar zeer aan verwant moesten voelen. Hier waren schitterende feesten, vooral ook aan het hof, een sappig »esprit gaulois", en een gepassioneerd »feminisme",--te midden van al die barbaarse woestheid lijkt het bijna een eerste schets van het leven der Franse edelen in de 12de eeuw.
Een kleine groep van ridderlike dichters die in het Anglo-Normandiese rijk werkten en die, ten dele direkt, maar ten dele ook door middel van Engelse en Latijnse vertalingen de Britse en Bretonse sagewereld trachtten te leren kennen, brachten van het midden der 12de eeuw af, »la Matière de Bretagne" in de kring van het Franse geestesleven en wel met het gevolg dat niet alleen de »Matière de France" (de nationale heldenpoëzie) maar ook de »Matière de Rome" (de onder antieke invloed staande romans) door de nieuwe modepoëzie vrijwel in de schaduw werd gesteld.
Maar feitelik was het niet zo zeer de »Matière de Bretagne" die Frankrijk veroverde als wel de Franse riddermaatschappij wier eigen dichterlik genie de Keltiese stof in zichzelf op wist te nemen.
XV.
MARIE DE FRANCE.
In het begin vergenoegde men er zich mede in kleine berijmde vertellingen de stof neer te leggen die men in de liederen der Bretonse en Britse speellieden getroffen had of door de »fableors" had horen vertellen. Het woord »lai", van Keltiese oorsprong, kwam in gebruik voor die berijmde novellen welke hun stof uit den vreemde haalden en die door hun karakter en hun geest zich meer in 't bizonder tot de hogere kringen richtten, spesiaal waarschijnlijk tot de dames.
De oudste en fraaiste van die lais, waarvan de stof dus Brits was, waren door een dame gedicht wier naam Marie was en die in 't eigelike koninkrijk Frankrijk geboren was, maar onder de regering van Hendrik II, in Engeland woonde en hem haar novellen opdroeg. Evenals de oude romancen, schijnen ook de lais dikwels door vrouwen geschreven te zijn. In een Noorse bewerking uit de 13de eeuw van een Franse lai, heet het dat Willem de Veroveraar eens met zijn mannen aan de Normandiese kust lag, terwijl storm hen verhinderde naar Engeland over te steken; toen verdreef hij de tijd met jacht en feesten en om te zorgen dat die niet vergeten zouden worden, zond hij enige harpspelers naar een dame in Bretagne die bekend was door de schone lais die zij dichtte, en liet haar uitnodigen, op een fraaie melodie daar gedichten over te maken; dat deed zij en leerde de harpspelers 't gedicht zowel als de melodie. Zo maakte ook Iseut gedichten over haar ontmoetingen met Tristan. Marie was literair ontwikkeld, zij vertaalde fabelen uit het Engels en legenden uit het Latijn en zoals zij in de proloog voor haar lais vertelt, had zij er eerst over gedacht een goed geschiedwerk uit het Latijn te vertalen, maar daar er nu zovelen juist met dergelijke dingen bezig waren, had zij liever willen vertellen wat zij van Bretonse verhalen gehoord of gelezen had. Bij die »dergelijke dingen" denkt zij waarschijnlik aan zo iets als de Roman van Aeneas, er zijn allerlei reminiscenties in haar lais juist aan die roman te vinden, evenals aan Ovidius. Een zekere kennis van de Provençaalse erotiese poëzie der troubadours schijnt zij al vroeg gehad te hebben. Dichteres van betekenis was zij niet; er is iets bleeks en damesachtigs over haar stijl, iets konventioneels in haar karakteristiek; maar bevallig en met gemak geeft zij de Keltiese stof in Franse verzen weer,--in hoeverre zij zelf voor dit alles verantwoordelik is, of wat zij dankt aan een ander, Frans of Engels, die tusschen haar en de sagestof in staat, dat laat zich niet gemakkelik uit maken; zij zelf schijnt in elk geval geen Kelties gekend te hebben. Maar--zij wist een eigenaardige romantiese geur van 't ver-affe en 't wonderbaarlike over die vreemde, niet altijd meer goed begrepen motieven te leggen; zij voelt de poëzie van zee en bos, zoals die over de Keltiese sagen ligt, en overal legt zij nadruk op het erotiese en het sentimentele en het vergroot eigelik alleen maar de poëtiese charme, wanneer trekjes uit de Aeneas-roman of Ovidius of zelfs motieven van de Grieks-Oosterse vertellingen in de Keltiese stof ingeweven zijn.
Verscheidene Keltiese sagen behandelden b.v. de verhouding der mensen in zake de liefde betreffende, tot de onsterfeliken. Mannen die b.v. uit het land des Doods opgestaan zijn of mannen uit het onderaardse feeënland die een vrouw onder de sterfeliken liefhebben. Of, gewoonlik, feeën die sterfelike mannen hun liefde aanbieden. Maar wanneer de zaak bekend wordt is 't uit,--gelijk altijd bij de onderaardsen: wanneer niet-ingewijden 't zien of de zaak bij de naam genoemd wordt, dan verdwijnt alles. Zulk een sage was nu net iets voor de sentimentele romantiese smaak dier dagen. Lanval, een gedicht van Marie de France evenals verschillende lais van onbekende schrijvers, behandelen dat tema met allerlei variaties. Er is b.v. een ridder die alleen het bos doorrijdt,--hij is op jacht van zijn gezelschap afgeraakt of hij dwaalt alleen maar wat om, b.v. omdat hij bedroefd is over het feit dat de koning zijn diensten niet goed beloont. Hij viert de teugel, en weldra heeft 't paard hem in 't dichtst van 't woud gebracht; het is heerlik weer en de vogels zingen in de middaguren, maar hij hoort er niet naar. Op eens is het hem alsof hij honden hoort aanslaan of een glimp van het witte hert krijgt, dan zet hij de hoorn voor de mond zodat het luid door 't bos weergalmt... Maar hij is steeds alleen in de betovering van 't eenzame bos. Zo komt hij dan aan een bron waar hij een badende fee verrast, hij bemachtigt haar klederen en zo krijgt hij haar in zijn macht en heeft haar zo aldra tot zijn wil,--als in de sage van Völund (Wieland). Of wel wordt hij door haar aangezocht en laat hij zich naar haar tent of haar slot voeren, waar hij haar liefde geniet, volop eten en drinken krijgt zowel als de kostbaarste kleren en goud. Zulke feeën die prinsen naar hun feeën-kastelen ontvoeren, kenden ook de Oosterse verhalen; met een Middeleeuws-Latijnse verzameling van zulke geschiedenissen (de Delopathos) heeft een van die lais merkwaardige punten van overeenkomst en die zelfde lai (Guingamor) schildert ook de pracht van marmer en ivoor in dat slot en de muziekfeesten, met echt Oosterse kleuren. Het einde van de historie, om er dat even bij te voegen, is zeer karakteristiek. Wanneer de ridder daar drie »dagen" bij die fee door heeft gebracht, begint hij naar huis te verlangen en wil weg, maar nu vertelt de fee hem dat er reeds 300 jaar verlopen zijn en zo vindt hij dan ook 't bos en alles heel anders wanneer hij weer in de wereld terugkomt. Niettegenstaande dat de fee hem er tegen gewaarschuwd heeft, eet hij toch onderweg van de vruchten van een appelboom en daardoor valt plotseling de ouderdom op hem en wordt hij een oud mannetje,--door van 't aardse voedsel te gebruiken is hij n.l. ook weer onder de aardse wet der sterfelikheid gekomen,--evenals zij die naar 't dodenrijk trekken ook aan de wetten daarvan onderworpen zijn, zodra zij daar eten. (Verg. de appelen van Persephone en de sage van koning Hadding uit Saxo).
In de andere lais keert de ridder na een »heure du berger", naar de mensenwereld terug, maar nu is hij altijd rijk en opgewekt en heeft nog steeds, wanneer hij maar wil, ontmoetingen met zijn geliefde; alleen heeft de onderaardse schone hem verboden op straffe van haar te moeten verliezen, iets van deze zaak te vertellen. Maar nu wordt ongelukkig de koningin op de jonge ridder verliefd. Met haar vrouwen komt de koningin de tuin in, waar de ridders dadelik de dames het hof gaan maken, maar hij, de schoonste van allen, houdt zich alleen op een afstand; ofwel komt de koningin eens door de voorhal waar zij hem bij het raam ziet zitten schaak spelen, terwijl een zonnestraal daardoor op zijn aangezicht valt en er een nieuwe glans op werpt. Zij laat hem roepen, tracht hem te verleiden door hem haar liefde aan te bieden en is diep gekwetst wanneer de jongeling die afwijst,--in een dier lais in de eigen woorden van een lange passage uit Cicero's »De Amicitia". In onbeheerste razernij barst de koningin nu in allerlei eerrovende beschuldigingen uit (wij volgen hier de versie uit Marie de France, waar de gebeurtenissen het natuurlikst met elkaar in verband schijnen te staan),--dat Lanval zeker niet om jonge vrouwen geeft omdat hij natuurlik van knapen houdt,--de dichteres zal dat wel uit de Roman van Aeneas hebben--en om zijn eer te wreken komt Lanval er nu toe te zeggen dat hij een ander liefheeft die veel schoner is. In een veel plompere, misschien wel oorspronkelike versie is het de koning die bij een groot gastmaal, zijn koningin geheel ontkleed op een bankje ten toon stelt, zoals Ahasverus dat ook wilde, opdat de ridders haar kunnen bewonderen en haar gemaal benijden; wat zij dan ook allen plichtschuldig doen, behalve onze jonge ridder die, wanneer de koning hem uitvorst, er iets over los laat dat hij er een kent die nog schoner is.--In beide gevallen moet de ridder binnen een zekere vastgestelde tijd zijn bewering waar maken, anders moet hij voor zijn brutale pocherij sterven. Wanhopend loopt hij nu rond, niet alleen omdat hij nu sterven moet, maar ook wijl hij zijn woord tegenover zijn geliefde gebroken heeft. Maar de laatste dag komt er een prachtige stoet van maagden aanzetten die de bewondering der hovelingen opwekken en ten slotte de feeënkoningin op een wit paard, in een wit gewaad, maar zo dat haar gehele lichaam door alle aanwezigen te zien komt,--Venus noch Dido noch Lavinia waren schoner dan zij,--zo wonderbaarlik schoon is zij dat allen erkennen moeten dat de jonge man niet gepocht heeft. Maar hij blijft apart staan, omdat hij zich schaamt over zijn gebroken belofte en zij is dan ook eerst niet geneigd hem genade te schenken, maar 't eindigt er toch mede dat hij met haar meegaat naar het feeënrijk en nu voor goed.
Ook dit alles: dat de ridder naar de mensenwereld teruggaat, zich zijn geheim laat afpersen, enz., wordt in Oosterse sprookjes van de fee Peribanu verteld; er is hier verband met Griekse mythen van Amor en Psyche en de Duitse sagen over Tannhaüser in de Venusberg. Even duister als de sage zelf is voorlopig ook nog het verband tusschen de verschillende vormen er van. Wat het omgekeerde geval betreft van een aardse vrouw die een onsterfelike man toebehoort, in die klasse valt Marie de France's lai over Yonec. Maar hier is de bewerkster zich maar half bewust dat zij met een onsterfelike te doen heeft en dat het land in kwestie het hiernamaals is; de personen uit die sage maakt zij, zonder het echter geheel van de mystiek te ontdoen, tot echte gewone mensen en ridders.
De jonge echtgenote van een ridder is in een toren opgesloten en »verspilt haar schoonheid met tranen". Op een morgen in de maand April ligt zij klagend naar de heldere zon te kijken. Dat die akelige jaloerse oude man van haar dan ook nooit schijnt te kunnen sterven. Dat er dan ook nooit bij haar eens een van die ridders komt, waar men hier in Bretanje altijd van spreekt, die de dames komen »troosten" zonder dat hun reputatie daar onder lijdt. Op 't zelfde ogenblik dat zij die wens uitspreekt, ziet zij in 't venster de schaduw--zeer schilderachtig wordt dit verteld--van een grote vogel, die vlak daarop de kamer in komt vliegen. Zodra de vogel en zij elkaar aankijken, wordt hij tot een ridder (in de »Oiseau Bleu" en ook in een Deens volkslied en een sprookje komt dat zelfde motief voor); nooit, beweert hij, heeft hij iemand anders dan haar liefgehad, maar hij zou zijn rijk niet hebben kunnen verlaten en bij haar komen indien haar wens hem niet geroepen had. Hier zien wij duidelik 't mytiese dat hier aan ten grondslag ligt, en de dame durft zich niet met hem inlaten, vóór zij de zekerheid verkregen heeft dat hij geen kwade geest is, nu weet de kristelike auteur er zeer naïef en onbeholpen niets beter op dan de ridder het H. Avondmaal in de toren te laten gebruiken! Dan schenkt de vrouwe hem haar liefde en--evenals de fee bij de ridder,--komt hij van nu af telkens wanneer zij dat wenst; alleen moet hij zorgen dat nooit iemand hem ziet. Lang genieten zij nu van elkaars omarmingen, totdat de echtgenoot zich er over begint te verbazen dat de schoonheid van zijn troosteloze vrouw nu op eens weer zo opbloeit; hij laat haar bespieden en als hij hoort dat er dikwels een grote vogel bij haar komt, laat hij ijzeren punten in 't raam slaan. En wanneer de vogelridder dan de volgende keer komt heeft hij zich bezeerd en valt bloedend op haar bed neer, evenals in de Deense ballade, de knaap Germand in zijn veêren kleêren tot zijn geliefde komt, alleen om te sterven, daar de harpij onderweg zijn hartebloed gedronken heeft. Ook de ridder zegt dat hij nu naar huis moet vliegen om in zijn eigen rijk te sterven, maar zij zal een zoon baren die hem zal wreken. Met kreten van smart springt zij hem uit het raam na; in haar hemd volgt zij zijn bloedige sporen; het wordt een lange tocht--men begrijpt dat het oorspronkelik de reis naar het doodsrijk was die zij daar ondernam,--door een bergengte... over met bloed besprenkelde weiden... door een stad waar geen mens op straat te zien is... tot in een kasteel waar zij hem stervend te bed vindt liggen. Maar zij mag dáar niet blijven, zegt zij, als de mensen haar zagen zouden zij haar afmaken omdat zij schuldig is aan zijn dood; maar hij geeft haar een ring die maakt dat haar man niets van haar afwezigheid zal merken, en een zwaard dat zij aan hun zoon moet geven om daarmeê zijn dood te wreken...