De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen

Part 23

Chapter 233,753 wordsPublic domain

In het door de Noormannen veroverde rijk kwam het koningsschap in Engeland met Willem de Veroveraar en zijn opvolgers tot een macht zoals die sedert de tijd van Karel de Grote niet gezien was. Een rijk waarin een kleine klasse van veroveraars een veel groter massa, de oorspronkelike bevolking, er onder wil houden, moet noodzakelik streng monarchies en militaristies georganiseerd worden. En de krachtige, niet al te makke koningen die ze waren, wisten de organisatie dan ook flink door te voeren. Zware belastingen vulden 's konings schatkist, grote goederen en jachtrechten maakten de baronnen rijk en machtig, maar de koning liet allen, ook de vazallen zijner vazallen, aan zichzelf de eed van trouw zweren en oefende een niet geringe despotiese macht over de adel uit doordat hij zich het recht van voogdij en om huweliken te sluiten voorbehield; ook de gehele rechtspleging en het gehele bestuur hielden de koningen alleen in hun hand; gelijk ook de geestelikheid hun gehoorzaam gereedschap was. Voortdurend staken zij het Kanaal over en onderdrukten Angelsaksen en Britten en de baronnen van Normandië; razend van woede zodat hun aderen er van opzwollen, als iemand ook maar kikte of tegenstand trachtte te bieden, ontembaar in hun wreedheid, zelfs tegen hun naaste bloedverwanten, ontoombaar in hun lusten en begeerten, als zij op de jacht het koren der boeren neertrapten, hun echtgenoten wegzonden of er talrijke bijzitten op na hielden, maar ook, als goede koningen voor hun soldaten, goud onder hun mannen uitstrooiende en er genot in vindend royaal en vlot te leven en schitterende feesten te geven. In het begin van de 12de eeuw hield Hendrik I een hof, waar de meest elegante feesten en tournooien gegeven werden en waar men de dames het hof maakte zoals in die tijd anders zo goed als niet voorkwam behalve in Provence en Languedoc.

Na een periode van burgeroorlogen die de Noormannen, Britten en Angelsaksen geheel tot één volk deden samensmelten, dat zich Engelsen noemde, maar waarin Frans de taal van de hogere klassen was, kwam toen ongeveer 1150 met Hendrik II, het huis van Anjou aan de regering, dat der Plantagenets. Onder hem zagen de Normandiese koningen de hoogste verwezenliking van hun eergierige plannen. Van moederszijde een afstammeling van Willem de Veroveraar, had hij van zijn vader Anjou geërfd, zowel als Touraine en Maine. Door zijn echtgenote, koningin Alienor (Eleonora), een prinses van Poitou, die eerst met de koning van Frankrijk getrouwd was geweest, kreeg Hendrik ook nog het graafschap Poitou en het hertogdom Aquitanië, d. w. z. geheel Zuid-West-Frankrijk in zijn bezit. Zijn machtig West-Europese rijk dat zich van de Orkney-eilanden tot aan de Pyreneeën uitstrekte, overschaduwde geheel en al de Franse koning te Parijs met zijn nog slechts beperkte macht. En de verbindingen van het koningshuis strekten zich over geheel Europa uit. De oudste zoon van Hendrik, die onderkoning over Engeland was, trouwde met de dochter van de Franse koning, de tweede zoon, Richard Leeuwenhart, huwde de dochter van de koning van Aragon, de oudste van zijn eigen dochters trouwde met de machtige hertog Hendrik van Saksen en werd de moeder van een aanstaand Duits keizer, een andere prinses werd koningin van Castilië, een derde trouwde met de rijke koning van Sicilië. Het was in Hendriks hand dat alle draden van de Europese politiek samen schenen te komen.

Van uiterlik was de koning zelf een echte Noorman uit het geslacht van de Veroveraar: vierkant, maar met een rond hoofd, met een vuurrood gezicht vol sproeten, en rood haar. Maar even als zijn korte schoudermantel--die hem de naam van »kortmantel" verschaft had--uit Anjou kwam, zo duidden ook veel van zijn eigenaardigheden er op dat de man zelf daar ook uit stamde: zijn soberheid, zijn levendigheid en zijn drang naar ontwikkeling. Zijn werklust had iets koortsachtigs: altijd zat hij in 't zadel, nooit was hij langer dan één week op één plaats in zijn rijk, zijn gevolg was altijd veel eerder moe dan hij; zelfs als hij 's avonds in zijn kwartier aangekomen was, liep hij nog heen en weer te redeneren, zelfs onder de mis kon men hem nog edikten zien zitten uitvaardigen. Ook zijn zucht naar kennis was zonder perken, Latijn sprak hij even goed als Frans en hij verstond veel andere talen; als hij geen zwaard op jacht in de hand had of met zijn raad vergaderde, zat hij in een boek verdiept of te disputeren met zijn klerken.

Het rijk waarvan hij aan het hoofd stond, nam enorm in bloei toe. Nu Engeland door de Noormannen veel van zijn geïsoleerdheid verloren had en op 't punt stond zich tot »het Australië van Europa" te ontwikkelen, zou het de Vlaamse en Italiaanse lakenindustrie van wol voorzien en maakte het ontwakende handelsleven steden als York, Nottingham, Gloucester en vooral Londen, van vlekken tot rijke burger-gemeenten. En welk een enige vermenging van intelligente nationaliteiten vond er nu niet in dat rijk plaats! De Noormannen die reeds door hun verfransing zulk een merkwaardige ontfankelikheid en drang tot ontwikkeling aan den dag gelegd hadden, en die zich bij alle gelegenheden door hun levendigheid en hun moed de voorgangers van Europa toonden. De Kelten die reeds in de 6de-8e eeuw in Wales en Ierland een buitengewoon rijke en merkwaardige kultuur gehad hadden en de Angelsaksen die in de 8e-10e eeuw hun zeker niet minder belangrijk bloeitijdperk gekend hadden,--en wel alle twee in een tijd dat de rest van Europa de zoetste slaap der onwetendheid sliep. En eindelik Poitou, in West-Frankrijk, dat de beste scholen had van die tijd en de meest originele literatuur en dat waarschijnlik de wieg geweest is van de troubadour-poëzie die zo snel naar Zuid-Frankrijk oversloeg om daar pas tot bloei te komen. In de streek van Poitou was het, zoals men zich herinneren zal, dat juist nu, in de tijd van Hendrik II, de roman van Aeneas, de Alexanderroman, de roman van Thebe en de Trojeroman door Benoît de St. More geschreven werden. En in het Engels-Normandiese rijk was het ook, zoals wij gezien hebben, dat de belangstelling der baronnen in de historie het eerst rijmkronieken in het leven riep, die de Latijnse geestelike annalen voor leken toegankelik maakten.

Het was, zoals men zich herinneren zal, in de eerste plaats, de kroniek van Geoffrey van Monmouth, een geestelike uit Wales over de »Historia Regum Britanniae", welke de Normandiese vorsten en vorstinnen door hun klerken in Franse verzen over lieten zetten. Patriot en vol verdriet over de ondergang der Britten, maar toch veel voelend voor de Normandiërs, welke immers een einde hadden gemaakt aan de macht van de Angelsaksen en de Denen op het eiland, dichtte Geoffrey uit de volheid van zijn rijke fantasie en zijn grote geleerdheid; voor het Britse volk toverde hij uit de overleveringen van Wales een sage van hun stralend verleden op, en--of dat nu een diplomatieke zet was of uit »eerlike ambitie"--weefde hij het verleden van de Fransen en zijn eigene landgenoten zo volkomen samen alsof de schrijver op het standpunt van de Normandies-Engelse koningspolitiek stond. De Britten, beweerde hij, stammen van de Romanen en Trojanen evengoed als de Fransen, waren een even geciviliseerde natie als zij en vooral niet te verwarren met Angelsaksen en Denen. In hun glanstijd, onder koning Arthur, had het rijk der Britten èn Engeland èn 't grootste deel van Frankrijk omvat, presies als nu het Normandies-Engelse rijk. En in die zelfde koning Arthur, wiens schitterende hof hij blijkbaar in de beeltenis van het hof van zijn tijdgenoot Hendrik de Eerste beschreef, schilderde Geoffrey voor het nieuwe rijk de grote held van het nationale verleden, die helemaal niet onder deed voor Karel de Grote, waar de »Franceis de France" in hun »Chansons de geste" zo trots op waren.

Geoffrey is de Nestor van een groep geleerde Engelse geesteliken die zich nu als om strijd aangorden de wereld van het Britse verleden voor de Fransen en Europa te openen. Toen Geoffrey zag welk een sukses zijn kroniek had, verraste hij de geleerde wereld ook met de merkwaardige voorspellingen van Merlijn, de oude wijze van Wales, die, zoals blijken zou, volkomen de gebeurtenissen tot zijn eigen tijd toe had voorspeld. En nu kwam Giraldus Cambrensis, geboren op een adellik familieslot in Wales, maar met half Normandies, half Brits bloed in zijn aderen; resoluut wierp hij de algemene zware pedanterie der geesteliken van zich af en praatte er in zijn Latijnse geschriften over Wales en Ierland lustig op los, vertellend van de vele natuurwonderen, van de merkwaardige zeden en gewoonten, over de gave der voorspelling van zijn landgenoten en al het mirakuleuse dat in zijn eigen land als in de lucht lag. Dan was er Walter Map, ook van adel en uit Wales, aartsdiaken te Oxford; in zijn geschrift hoopte hij als in een soort rommelkamer allerlei anekdoten en merkwaardigheden op, die hij gehoord had of gelezen en zich herinnerde, en de geleerde schrijver heeft er toch ook plezier in allerlei volksverhalen weer te geven over dwergen en kabouters, over »Harlekijn" en over feeën die zich door ridders laten beminnen, maar ze laten lopen zodra die dat aan de grote klok hangen. Misschien was het ook Walter Map die de merkwaardige graal-histories in elkaar heeft gezet, uit Keltiese, Oosterse en Kristelike elementen samengesteld, welke in die tijd juist in omloop kwamen.

Zowel Walther als Giraldus waren kapellaans aan het hof van koning Hendrik de Tweede en ofschoon zij in 't Latijn schreven, richtten zij zich tot de hofkringen. Evenals onder de Otto's in Duitsland zijn er blijkbaar heel wat ontwikkelden onder de hoge adel geweest, die evenals de koning zelf Latijn verstonden. En het is een hele geestelike »Keltiese beweging" waar deze ijverige Britse geesteliken propaganda voor maken. Giraldus las zelfs zijn werk, drie dagen lang, aan een auditorium voor, dat hij te Oxford bij elkaar had gehaald, en--ontving bij die gelegenheid zijn toehoorders allerroyaalst!

Maar van nog groter betekenis dan deze geleerde propaganda was de invloed der Brits-Bretonse speellieden en vertellers uit Wales en Bretagne. De »Bretonse" melodieën waren al heel vroeg wijd en zijd bekend geworden en tegelijk daarmeê werden zeker ook veel van die volksliederen die er bij gezongen werden, door talenkundige speellieden in 't Engels en Frans overgebracht en in elk geval werden de sagen welke die liederen behandelden wel in diezelfde kringen in proza naverteld. Reeds vóór dat de Noormannen naar Engeland trokken, hadden ze zich, intelligent en ontfankelik als ze waren, al in verbinding gesteld met het naburige Bretanje en toen ze een mensenleeftijd vóór ze naar Engeland gingen, naar Zuid-Italië waren getrokken, brachten ze reeds de namen van helden uit hun sagen met zich mede; reeds in de 11de eeuw vindt men in Italië Arthur en Gawain als doopnamen. Maar vooral nu, na de samensmelting tot één volk, is een grote invloed van poëzie en sage niet te miskennen.

En die Keltiese sagen en gedichten spraken voor zich zelf. Voor de mensen die smachtten naar romantiek, zou zich daarvan nu een gehele wereld openen.

* * * * *

Kelten waren toch ook de Fransen eens geweest en in den grond was hun aard, niettegenstaande al hun romanisering, toch helemaal Gallies gebleven; de karakteristiek welke de Latijnse schrijvers van de Galliërs geven--hun sanguiniteit en hun levendigheid, hun zin voor opschik, hun opgewektheid, hun gezellige omgang,--dit alles past nog op den huidigen dag op de Fransen. Trots het Latijn en het Kristendom en de heerschappij der Franken, hadden zich ook nog overblijfselen van de oude Keltiese godsdienst der Druïden bewaard. De oude priesterkaste, waarvan er zelfs in 't jaar 700 nog geheime genootschappen bestonden, bleef zijn bestaan voortzetten als tovenaars die de magiese kruiden kenden en de oude toverformules. Nog trokken tegen Nieuwjaar, evenals vroeger, de mensen in de maneschijn naar buiten om de heilige mistelstruik te zoeken. En in de bronnen woonden nog altijd feeën die met geschenken bij de wieg der pasgeborenen aan kwamen zetten en die de eenzaam in 't bos rondzwervende jonge mannen in hun alfendans meesleepten.

Maar ginds in Ierland en Cornwalles en Wales leefden er massa's Keltiese sagen en gedichten en door immigratie uit Cornwalles in de 6de eeuw was nu ook de noord-westelike streek van Frankrijk, Bretagne, weer voor de Keltiese wereld teruggewonnen. Toen de Noormannen naar Engeland kwamen, vond men in de Ierse kloosters grote perkament-folianten--ze zijn er nog tot op den huidigen dag--waarin de monniken de oude sagen opgeschreven hadden over de heldendaden van Cuchulain, de voornaamste Ierse held, en over de strijd tussen de mannen uit Ulster en Connaught, of die tussen de koningen van Erin en hun huurlingen, de mannen van Fionn, wier voornaamste helden Fin en Ossian waren. In bepaalde direkte verbinding met de Ierse sagen kwamen de veroveraars niet te staan, maar er bestond in Wales een overeenkomstige poëzie, die wij nog in haar vorm van vóór 1100 kennen, n.l. in de oudste delen van de oudste manuskripten uit Wales, het zogenaamde »zwarte" en het »rode Boek". Dit zijn ten dele kunstmatige lofzangen over vorsten, strijdzangen, en bardenliederen die, geakkompagneerd door de harp, in de grote feestzaal gezongen werden evenals de Noorse liederen der skalden; ten dele zijn het volkssprookjes: de Mabinogion, op oude sagen en mythen gebouwd. Onmiskenbaar slaat ons uit deze poëzie het eigenaardig Keltiese tegemoet.

Er ligt iets vaags over die poëzie in haar lyriek en fantasie. Vaste omtrekken of een massa détails te geven is haar zaak niet; personen en gebeurtenissen vloeien in 't vage, immateriële over, schijnen als visioenen voorbij 't oog te trekken. Maar ze worden door een rijk en levendig gevoel gedragen, dat alles in lyriese kleuren-tonen beeldt en een losgelaten fantasie die alles naar haar eigen bandeloze luimen omvormt.

Er schuilt een elegiese, romantiese stemming achter veel van die bardenliederen. Stap voor stap zijn de Kelten dan ook uit Europa verdreven, eerst naar 't Westen, toen op de eilanden,--door de Romeinen, de Germanen, door Angelen en Denen. Klagend staat de bard uit Wales aan de graven der krijgers en herdenkt de dappere gevallenen. Klagend spreekt de oude dichter, nu hij in zijn ouderdom een kruk draagt, over wat hij kon en deed in de dagen van zijn volle kracht, en over zijn liefde. Maar van de werkelikheid, het nu, ijlt de fantasie òf de toekomst tegemoet wanneer de sagekoning uit de glanstijd die nu op het feeëneiland wegens zijn wonden verzorgd wordt, wanneer koning Arthur op zal staan en de oude Britten-heerschappij weer zal vestigen, of zij gaat terug naar de oude tijd,--»ouder dan enige geschiedenis, die in enig boek geschreven is". Van oude heidense sagen die de gekerstende inwoners van Ierland en Wales niet meer verstaan, bouwt de fantasie lustige, luchtige sprookjes op, woest en barbaars, maar vervluchtigd en vormloos als vage, stralende dromen. Geweldig kijven de helden van Ulster en Connaught met elkaar, of de witte stier van Ulster of de bruine van Connaught sterker is en schoner; ook al om de een of andere jacht-twist wordt er hevig gestreden, of over een paar varkens, over een oorvijg, of wie het eerste stuk vlees krijgen zal; en als de reus uit de slag thuis komt, is hij zo verhit door zijn woeste razernij dat hij dadelik moet baden om af te koelen;--drie kuipen gaan er aan, want de eerste twee worden dadelik door zijn lichaam aan 't koken gebracht. Op de wonderlikste expedities trekt de held uit; de gekste, onmogelikste opdrachten worden hem door Penkawr gegeven vóór hij de schone Olwen krijgt, maar hij volbrengt ze alle; hij loopt ook zo licht dat geen grassprietje zich onder zijn voet buigt; en hij kan de mier horen wanneer die 's morgens zijn nest verlaat. Tachtig jaar lang zitten die reuzen in de Wonderbare zaal te eten en te drinken zonder dat zij merken dat er meer dan één uur verlopen is. Onverzadigbaar is voor mannen en vrouwen beiden de liefde; de vrouw vraagt gewoon de man in wie zij behagen vindt, en Cuchulain maakt de vrouwen van Ulster zo gek op hem verliefd, dat de mannen terwille van hun huiselike vrede zelf er op uit trekken om hem de schoonste vrouw in de wereld te verschaffen. Maar wij horen ook van de jongeling die van stom liefdelijden versmacht of die slechts in zijn droom een schoonheid heeft gezien die hem zo zeer met liefde vervult, dat er geen stukje in een van zijn beenderen is, of geen plaatsje op het binnenste van zijn nagel dat niet van liefde doortrokken is. Door toverij wordt er een vrouw gevormd uit louter bloemen, uit de brem en de spirea en andere bloemen die daar groeien, zij krijgt de naam van »Bloemenaangezicht"--Blodenwedd--en wekt bij een ieder liefde op. Overal wordt er veel met kleuren gewerkt. De kleedij des konings is gelijk de wazige Mei-morgen, wisselend van kleur; de winden hebben een kleur: uit 't Oosten komt de rode wind, uit 't Zuiden de witte, uit 't Noorden de zwarte en uit het Westen de dikke, grauwe mist-wind. Ook de geïllumineerde handschriften en oude wettelike dokumenten bewijzen welk een lyries gevoel voor kleur de Kelten hadden. Pracht en rijkdom, gouden sieraden en geborduurde en geweven stoffen, prachtige sloten en zalen en feesten, dit alles ziet men in hun sagen schitteren. En wij horen van allerlei wonderen,--van een toverketel die door de adem van meisjes verwarmd wordt; wanneer de ledematen van de dode krijgslieden daarin worden gelegd, groeien ze weer aan elkaar en worden ze weer levend; en van een tovervat dat altijd vol is met eten en de dingen die alle behoeften tevreden kunnen stellen; van toverlanden waar alle wensen vervuld worden en van »Avalon" het »appeleneiland" der eeuwige jeugd, heel ver weg in het Westen.

Een vage romantiese fantasie omgeeft overal de werkelikheid met die wereld welke niet gezien wordt. Staande tegenover de heldere aanschouwingskunst der Latijnse volkeren, bestond daar bij dat ras een fantasie die overal het onzichtbare zoekt, dat wat slechts mystiese voorstellingen opwekt. Een levendige romantiese natuur-poëzie gaat er door de sagen en sprookjes zowel als de liederen,--een poëzie van het mistige klimaat en de altijd omslaande winden en de Atlantiese Oceaan, van bos en heide, dat zoveel plaats in 't land inneemt. »Een roep van de bulderende zee komt tot mij, een roep van de bulderende zee jaagt mij des nachts op van mijn leger... Raad eens waaraan ik denk: Een sterk wezen, zonder vlees, zonder been, zonder hoofd, zonder voeten; het wordt nooit ouder dan het is; de zee wordt wit wanneer het komt. Hij is op 't veld, hij is in het bos, zonder hand, zonder voet, hij ziet niet en wordt door niemand gezien... Van 't Noorden komt de winterwind, laag en kort is nu de baan van de zon, de varens in het bos zijn geel, de golven van de zee brullen, de wilde gans laat zijn gewone kreet horen, de vorst bijt hem in zijn vleugels. Het is de tijd nu van het ijs en treurig zijn mijn woorden."

Daar zien wij hoe een volk van jagers met de natuur en de jaargetijden vertrouwd is. Met de wilde woeste vlakten waarop het heidekruid in de wind golft, en vooral met het bos: de grauwe eiken en de hazelbosjes, de herten die op de open plekken in 't bos grazen, de wilde zwijnen daar waar het 't dichtst is, de arend in de toppen der bomen. Steeds horen wij van de passie waarmede er gejaagd wordt,--op wilde zwijnen, wolven en herten. Van de jonge man die in de eenzaamheid van 't bos geboren en getogen is, geen mensen kent, maar wel alle natuurgeluiden en de taal der dieren, die hij met zijn fluit tot zich kan halen. Van de witte toverhinde, waar alle jagers het op verzien hebben. Van de fantastiese bosman die de jagers soms op een heuvel in het oerbos vinden, de Deense sagafiguur »Dier-mens" die met een knots in zijn hand het wilde, vreemde vee bewaakt... Vooral van de feeën die de jager aantreft wanneer hij een dier vervolgt en daardoor zijn jachtgezelschap kwijt raakt. Bij een meertje of een bron ziet hij een nymf daarin baden. En dan is òf zij het die zijn liefde verlangt en hem, wanneer hij niet wil, betovert en aan het ziekbed kluistert, of wel steelt hij haar kleêren die op de oever liggen en zo krijgt hij haar met geweld tot zijn wil.

Soms worden de mensen door de feeën zelfs naar hun rijk meegelokt. Een geloof in een land van gelukzaligheid en onsterfelikheid ergens in 't Westen komt overal in de Keltiese sagawereld te voorschijn. Enkele uitverkorenen onder de stervelingen zijn daar wel al eens op bezoek geweest. Een gewond krijgsman legt zich b.v. in een boot neer en laat zich dan door weer en wind maar drijven, waarop hij dan in het feeënrijk komt, waar zijn wonden verbonden worden. Dat gebeurde b.v. met koning Arthur. Hij die uit het feeënrijk terugkomt, meent dat hij maar één dag weg geweest is, maar dan kunnen er honderden jaren verlopen zijn. Eens toen Bran, door zijn krijgers en hoofdmannen omgeven, in zijn hal zat, stond er plotseling een vrouw voor hem, een afgezant uit het Geluksland, die in wonderbare verzen van de heerlikheid in dat eiland zong--waar de witte zeepaarden (de golven) omheen spelen en uit hun manen kristallen droppels naar de kust spatten; waar de vogels in oude, bloeiende bomen zingen, waar ze spelen op de vlakte, onder het genot van Wein, Weib en Gesang; alles in geluk en in zonneschijn, »zonder enige mist", zonder verdriet, en ziekte en dood, waar alles gelijk de zoetste muziek in de oren klinkt... In een kristelik kleed is een reis naar dat land beschreven in de verhalen van de Heilige Brandanus, en in een heidense variant als de tochten van Maël Duin. Hier komen ze aan allerlei fantastiese eilanden: het eiland van de grote mieren en de grote vogels, het eiland der zwarte Wenenden en der Lachenden, het eiland waar alles van kleur verandert en het eiland van de verschrikkelike smeden, de »ile des forgerons", waar er geen gras groeit, maar waar men overal sintels vindt en hamerslagen hoort en blaasbalgen van de onderaardse smidsen,--men denkt hier allicht aan de Hekla en IJsland.

Dat zijn van die verhalen zoals alle zeevarende volkeren ze kennen; de Indiërs en de Grieken hebben die zowel als de IJslanders, en het is duidelik dat er al van zeer oude tijden verband is tussen die verhalen: men herkent allerlei motieven in die Ierse wonderbare reisverhalen òf uit de »Indica" van Megasthenes, òf uit de reizen van Sindbad, of uit de Odyssee en Virgilius.