De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen
Part 22
Het gehele gedicht is in een zachte, schone sprookjestoon geschreven; de bloemennamen van de held en heldin schijnen direkt van dergelijke personennamen in Griekse romans vertaald, misschien is het helemaal oorspronkelik niets anders dan een bloemensprookje geweest. Het schijnt in twee verschillende versies naar West-Europa gekomen te zijn, en daar zijn dan twee groepen van die roman uit ontstaan, waarvan de éne in veel ruwer lijnen opgetrokken is, niet alleen wat de boosheid van Floris' vader betreft, maar ook de ongelukken van Blanchefleur: in 't algemeen schijnt deze groep voor de smaak van een groter, meer populair publiek bestemd.
Een heel bizondere bewerking heeft de sage ondergaan in de kleine »chante-fable" van »Aucassin en Nicolette". In dit liefelike gedicht zijn de verzen met uitzondering van de meest lyriese passages in proza overgebracht, iets wat verder in 't Oud-Frans niet voor schijnt te komen,--hoewel dat natuurlik bij de voordracht der berijmde romans door de trouvères feitelik meer dan eens plaats gegrepen zal hebben,--en door zoo van de banden van 't vers vrijgemaakt te zijn, is de vertelling tot een kompleet sprookje geworden, alle waarschijnlikheid over boord gooiende en op de alleraardigste manier een romantiese droom mengelend met de nuchtere werkelikheid des levens, een dwepen zo erg, dat de boog wel eens al te zeer gespannen blijkt en barst--met de meest naïeve natuurlikheid, de zoetste zwaarmoedigheid met schelmse en ondeugende vrolikheid. Hier is het 't meisje die tot de Moorse stam behoort, maar zij is gekerstend geworden en opgevoed te Beaucaire, waar de zoon van de graaf haar lief krijgt. De graaf laat het meisje in een toren opsluiten om haar later geheel te doen verdwijnen, en zijn zoon die zich van zijn passie niet wil laten genezen, werpt hij in de gevangenis; maar Nicolette weet door middel van haar beddelakens uit haar toren te ontvluchten, sluipt naar de gevangenis van Aucassin toe, waar zij door een spleet in de muur haar vriend te spreken krijgt, totdat de torenwachter die hen vol sympathie heeft gadegeslagen, haar waarschuwt dat de nachtwachter uit de stad op zijn ronde nadert. Nicolette moet over de muur en de gracht naar 't bos vluchten en zendt een groet aan Aucassin, die als hij ook uit de gevangenis ontsnapt is, daar ook heen snelt, en nu leven ze een romantiese natuuridylle in 't bos. Maar dan gaan ze op reis,--in de beschrijving van de vreemde landen met de merkwaardige zeden, waar ze door trokken, klinkt als een echo en bijna als een parodie van de exotiese reisverhalen der Griekse romans--zij raken in slavernij, worden onder een storm van elkaar gescheiden, en Aucassin komt in zijn eigen rijk terug; maar zijn leven is een en al zwaarmoedigheid, totdat eens op een dag zijn Nicolette, verkleed als een arme speelman (gelijk de helden in een Griekse roman) naar Beaucaire komt en zich weer bekend maakt...
Dit kinderlike en populaire volkssprookje zal eigelik wel niet voor de hogere kringen van de ridderromantiek bestemd zijn geweest; maar de fijne tederheid, de heidense sensualiteit, de schone mensenliefde, welke die gehele klasse van de Grieks-getinte romans kenmerken, die wij hier onderzoeken, laat zich nergens liefeliker kennen dan in »Aucassin en Nicolette"--waarbij dan nog een bijna ziekelike innigheid komt, een overspannen dweperij, die echt Middeleeuws-romanties is.
Heel wat beter aan Europese toestanden aangepast is het verdere verloop der handeling in »l'Escoufle", daar wij afscheid van namen toen de wouw in 't bos Guillaume en Alis had gescheiden. Bij haar rondzwerven komt de dochter van de keizer te Montpellier, waar zij met een arme vriendin een tijd woont en de kost verdient met haar prachtig handwerk. Zij borduurt b.v. zijden beurzen die de edellieden uit de omtrek aan hun dames ten geschenke geven; zij geneert zich ook niet het haar van de Heren te gaan wassen, al heel gauw is zij overal bekend wegens haar vriendelikheid en haar schoonheid, zo zeer dat het huis van de twee dames een hele salon wordt, waar de gehele adel uit de buurt de artistieke schone het hof komen maken, zodat de adelike dames erg jaloers worden. Eindelik komt zij als een soort dame van gezelschap of een hoger genre van dienstmaagd in huis bij een grafelike familie. Hier krijgen wij de beschrijving van een gezellige, naïeve scène,--de heer des huizes is 's avonds van de jacht thuis gekomen en maakt het zich gezellig bij de haard, waar men appelen braadt,--om beter te kunnen »gratter" heeft hij alleen maar zijn broek aangehouden en zijn hoofd rust in Alis' schoot;--de familie zit om hem heen en ze praten over koetjes en kalfjes. Een vertelt van die vreemde rare man die daar nu in de stad in 't hotel woont en die vandaag op de jacht meegeholpen heeft; er was ergens een wouw gevangen en zodra de jonge man die gezien had, had hij diens hart uit zijn borst gerukt en dat opgegeten. De graaf wordt nieuwsgierig en laat de man bij zich roepen, die dan vertelt waarom hij de wouwen zo haat... En terwijl hij daar zijn historie staat te vertellen, herkent Alis hem op eens... de rest kan men gissen!--Het is de levendigste beschrijving van het dagelikse ridderlike leven der 12de eeuw, die men zich wensen kan, en toch: niet alleen daarin dat Alis zeer sterk aan de odalisken doet denken, maar ook in de episode van de man die zijn zonderlinge manier van optreden moet komen verklaren, kan men moeilik iets anders dan een Oosterse bron van de scène zien.
* * * * *
Is het motief van de scheiding der twee gelieven en van hun hereniging een der grondformules van de liefderoman gebleven, het andere motief dat van de Grieks-Oosterse vertellingskunst in de ridderromantiek over is gegaan, heeft zich niet minder vruchtbaar getoond voor de wereldliteratuur. Dat is 't motief van de echtgenote die onschuldig van ontrouw verdacht en weggejaagd wordt; haar onschuld komt echter voor den dag en het gelukt haar man de verschoppelinge te vinden en haar weer in ere te herstellen. Het is een roman-formule waar het werkelike leven dikwels genoeg de stof voor geleverd heeft en die werkelik bizonder geschikt is om tot het gevoel en de fantasie te spreken: de reine onschuld die door duivelse boosheid zwart gemaakt wordt; de goedige echtgenoot, een man van eer, maar die door schijnbaar sterke bewijzen verblind, er toe komt groot onrecht te doen--de waarheid eerst onder de voeten getreden, maar die ten slotte triomfeert. Van verschillende trekken die nu in de »Duizend-en-één-Nacht" te vinden zijn tot de geschiedenis van Suzanna in het boek van Daniël, van de historie van Lucretia bij Livius tot de Griekse roman van Chaereas en Kallirhoe, boden het Oosten en de klassieken genoeg uitgangspunten. In de middeleeuwse kronieken en heldendichten kan men dergelijke geschiedenissen lezen over allerlei koninginnen, Angelsaksiese, Franse en Duitse; in de legenden waren die op heiligen overgebracht. Maar die vorm van het motief, waarin de middeleeuwse ridderromans het behandelen--de Franse »roman van de violette moedervlek", »de Graaf van Poitiers", de »roman van Rozenvlek", de Duitse »roman van de twee kooplieden"--heeft de eigenaardigheid dat een weddenschap of in elk geval een dispuut tussen de man en diens vrienden over de trouw zijner echtgenoot het uitgangspunt vormen; het »bewijs" dat de lasteraar haar gunst genoten zou hebben is dat hij weet aan te geven waar zij een moedervlek op 't lichaam draagt, of haar slaapkamer kan beschrijven of een ring van haar kan vertonen. De weddenschap of het dispuut als uitgangspunt hebben wij ook in de geschiedenis van Lucretia en iets dergelijks vinden wij in vele Oosterse histories; schijnbare bewijzen van ontrouw die de echtgenoot in de war brengen, hebben wij ook reeds in Griekse romans en Oosterse vertellingen. En die ganse half wrede, half moraliserende sentimentaliteit die in het motief ligt, draagt een Oosterse stempel.
De »Graaf van Poitiers" is de oudste, nog vrij ruwe versie, de »Roman van de violette moedervlek", de fijne ridderliker bewerking. De koning van Frankrijk houdt een feest voor zijn hof en zijn baronnen. Terwijl zij zitten te praten en te zingen, beroemt de graaf van Nevers,--of van Poitiers--zich op de trouw en de deugd van zijn geliefde Oriaut (in de oudste roman is het zijn vrouw) en zingt haar lof. Een edelman, een intrigant, graaf Lysiart van Forest, spot met zijn vertrouwen en beweert dat hij binnen korten tijd het bewijs zal brengen dat hij de liefde der schone genoten heeft. Zij wedden om hun graafschappen en graaf Lysiart rijdt naar het slot van Oriaut met de groeten van haar geliefde en de boodschap dat zij verzocht wordt hem goed te ontvangen. Oriaut staat juist als hij komt in het raam van haar torenkamer naar het gezang der vogeltjes te luisteren en liederen van Poitou te zingen terwijl zij aldoor aan haar hartevriend denkt. Zij ontvangt hem zeer vriendelik en geeft hem een kamer op het slot, maar wanneer hij woorden van liefde loslaat, wijst zij hem eens voor altijd af. (In de oudere roman toont hij zijn liefde door onder de maaltijd elk stuk te grijpen waar zij al van gegeten heeft, haar op de voeten te trappen en haar om 't lijf en aan de borsten te pakken). Maar Oriaut heeft een sluwe oude kamenier; de graaf weet haar om te kopen dat zij hem door een gat laat kijken terwijl de schone een bad neemt. En nu ziet hij dat zij een violette moedervlek op haar ene borst heeft. (In de oudere versie weet de cameriere hem haar ring te verschaffen, wat van haar haar en een stuk van haar kleed). Met dit »bewijs" voorzien, ijlt de verrader nu naar 't hof, waar hij nu vol jubel de ridder met al zijn vertrouwen beschaamt en zijn leen van hem wint.
Zonder enig verder onderzoek jaagt de ridder zijn geliefde nu natuurlik weg. En nu krijgen wij weer de gewone situatie voor die romans. Terwijl zij n.l. in de wereld ronddoolt, gezocht voor haar schoonheid en belaagd voor haar deugd die zij bewaart, merkt hij al heel spoedig hoe hij bedrogen is. Nu is het zijn beurt om met Othello zijn »Fool! fool! fool! fool!" te roepen en hij trekt ook de wereld in om zijn verongelijkte geliefde te zoeken. Zijn zwerftochten worden in lieve kleine episoden beschreven. Hij ligt b.v. ziek in het huis van een burger, van verdriet uitgeteerd en de schone dochter van de gastheer zit bij zijn bed te naaien, terwijl zij de ballade van Oriaut en Renaut zingt. Als hij de naam van zijn beminde hoort, wordt hij dadelik opgefrist wakker, nu wil hij opstaan om te gaan zoeken en hij begint in bed al een minnezang te zingen. Nu vraagt het jonge meisje hem of hij zich beter voelt en hij polst haar of zij wel weet van wie zij zong,--zodat zij begint te begrijpen dat wat hem scheelt »mal d'amour" is. Dan vertelt hij haar zijn hele geschiedenis en wil dadelik op weg. Maar de familie wil hem niet loslaten vóór hij goed en wel beter en wat aangesterkt is; de vriendelike mensen willen geen betaling van hem aannemen. Als hij ergens anders komt, wordt de dochter van een hertog verliefd op hem, haar dienstmaagd geeft hem een toverdrank te drinken, zodat hij zijn Oriaut vergeet... Reeds is het huwelik bepaald, maar eens op een dag, wanneer hij in 't bos op jacht is en hij een van de liederen van Bernard de Ventadour neuriet, vangt zijn sperwer een leeuwerik die--Oriaut's ring om zijn hals heeft! Nu wordt zijn herinnering weer levend, zijn liefde neemt de kamp op tegen de toverdrank en zegeviert. Weer trekt hij de wereld in en vindt haar juist als zij op de brandstapel staat--een gewone trek in een Griekse roman--; zij moet sterven voor een misdaad, waar boze mensen haar van beschuldigd hebben.
Zoals men ziet, vervolgt het noodlot de onschuldige vrouw overal in de wereld en van dergelijke door alle ongeluk getroffene, door de mannen belaagde en door boze medeschepselen van allerlei misdaden beschuldigde vrouwen, weten vele ridderlike romans en vertellingen op Oosterse manier te vertellen. De heldin wordt b.v. door haar eigen vader belaagd en houwt haar ene hand af om zo haar schoonheid in diskrediet te brengen; zij moet de vlammendood sterven, maar vlucht in een boot zonder roer de zee op; trouwt, maar wordt door haar schoonmoeder vervolgd, of wordt als kindermeisje beschuldigd het haar toevertrouwde kind omgebracht te hebben;--maar altijd brengt de genade van de voorzienigheid haar door alle beproevingen heen. Het is een hele literatuur over de vervolgde en onderdrukte vrouwen die haar oorsprong heeft in laat-Griekse sentimentaliteit en Oosterse martellust, maar in de middeleeuwse romans neemt die een belangrijke plaats in bij de strijd van het kristendom om de harten te verweken en de zeden te verzachten, en bij het werk van de poëzie, om de ruwe baronnen als ridders de vrouw te doen eren.
* * * * *
In schelle tegenstelling met de geest in deze romans staan al de Oosterse verhalen over de sluwheid der vrouw die terzelfder tijd de Westerse literatuur binnen drongen. Die kwamen geheel en al overeen met al de anekdoten over vrouwen die uit zichzelf in Galliese aarde ontstaan en gegroeid waren; alleen waren de inheemse »fabliaux" nog al humoristies en schuin, en meer ironies-skepties, terwijl er in de Oosterse een sombere, lage passie op te merken viel. Populaire speelmans-liederen in 't Frans en Duits bewerkten ook con amore de Oosters-Byzantijnse geschiedenissen van de ontrouwe echtgenote van koning Salomo en de sluwe bultenaar Morolf. Nu namen ook de ridderromans Oosterse verhalen van dat genre ter behandeling op. Maar zij wagen zich aan het kunststuk om die verhalen met een nieuwe geest te bezielen; openlik nemen zij het voor de vrouw en de liefde op en geven hun ten slotte de zege.
Een van de oudste ridderromans heet Eracle en is in 1160 door Gautier van Arras op grond van geestelike Oosterse legenden en Oosters-Byzantijnse vertellingen geschreven. De roman begint in religieus-stichtelike trant, door van een vroom Romeins echtpaar te vertellen--de man is senator. Zij leven kinderloos, totdat een engel zich voor hen openbaart die hun zekere intieme mededelingen doet, waaruit ze leren hoe zij hun nachtelik samenzijn de gewenste vrucht kunnen doen dragen. Schuchter volgen ze die voorschriften en er wordt hun dan ook een jongen geboren. Op de dag dat 't kind gedoopt zal worden kwam er een engel aanvliegen die een brief van God op de wieg legt; die mag niet geopend worden vóór de jongen die zelf kan lezen. Maar dat duurt niet erg lang, zo voorlik is het kind,--en in die brief schenkt God hem drie bovenmenselike gaven: hij zou verstand hebben van edelstenen, paarden en vrouwen,--de drie dingen waar een Oosterling altijd het meeste op gesteld was iets van te weten. Nu sterft de senator en de weduwe ziet zich genoodzaakt door geldgebrek haar kind te verkopen,--»zoals dat in die dagen zo veel gebeurde"; zij stelt zich bovendien voor--zo luidt de verontschuldiging van de schrijver--het geld uitsluitend voor zielemissen voor haar man te gebruiken. Roerend als in de legenden wordt beschreven hoe zij de strik om de hals van de jongen legt en zachtmoedig als een lammetje laat hij zich naar de slavenmarkt brengen. Hij landt weldra aan het hof van de keizer aan, waar hij spoedig gelegenheid krijgt om zijn kunst te tonen, die de keizer op de proef stelt--eerst met stenen, dan met paarden. Telkens laadt de jongen eerst de spot van alle aanwezigen op zich door zijn keuze; hij laat de grootste en aanzienlikste edelstenen liggen en pas later blijkt het dat daar »de worm" in zat; hij gaat de beste paarden voorbij en kiest een onaanzienlike klepper, maar overwint toch alle anderen met hem bij de wedrennen. Hij komt nu, als een bij de Oosterse hoven aangestelde »Wijze", tot grote eer en moet o. a. voor zijn heer en meester een keizerin kiezen. Dat gaat weer helemaal op zijn Oosters toe, als in het boek van Esther. Alle groten van het rijk krijgen bevel zich met hun jonge dochters naar de hoofdstad te begeven. Dat wordt daar buiten de stad een heel kamp en als een kermis, en de gespannen verwachting der jonge meisjes, en hoe jaloers zij op elkaar zijn, wordt buitengewoon levendig beschreven,--ook hun verwanten en bekenden, hoe die al het hof maken aan degene van wie men verwacht dat zij keizerin zal worden, enz. Eracle loopt langs al de opgestelde meisjes; ieder die iets op haar geweten heeft, beeft onder zijn blik, hij doorziet hun lichtvaardige en domme gedachten en gaat, het hoofd schuddend, ze allen voorbij zonder er één uit te kiezen. Maar op de terugweg ziet hij een arm klein meisje de straat oversteken; hij volgt haar naar het eenvoudige huis waar zij bij een tante woont en kondigt hun aan dat zij koningin moet worden. Men voelt met welk een sympathie de dichter de vreugde in dat bescheiden milieu schildert, de onschuld van 't kleine meisje, de voorbereiding van haar uitzet, en de pracht van de bruiloft zelf. Als keizerin verovert zij weldra allen door haar vrome ootmoed en gratie.
Maar nu slaat de toon van de vertelling om; het is duidelik dat 't vervolg uit een heel andere bron stamt, de inspiratie is geheel anders. De keizer moet ten oorlog en om zeker te zijn van zijn gemalin, zet hij haar in een toren met een lijfwacht van 24 ridders; zij heeft een bed in 't midden van de toren en de ridders slapen in een kring er om heen. Op die manier worden de vrouwen dikwels in de Oosterse vertellingen bewaakt, zo ook de dochter van Pompeius in de »Gesta Romanorum". Maar de ridderlike dichter ziet in die strenge beledigende bewaking een onrecht, dat de keizer zijn vrouw aandoet en dat verontschuldigt wat er nu gebeurt. Eracle heeft daar sterk tegen gewaarschuwd; men past 't best op een vrouw door haar vertrouwen te tonen, dwang en verveling, zegt hij, kan tot allerlei verkeerds leiden. En nu gebeurt dan ook--echt Oosters-paradoxaal--dat de deugdzame en zo uitstekend bewaakte vrouw toch toont de Eva te zijn die zij is en dat »vrouwenlist zonder einde is". Er moet een feest plaats hebben waar de keizerin volgens oude gewoonte bij tegenwoordig moet zijn, en waar zij onder volle bewaking heen gebracht wordt. Maar onder de jongelui van goeden huize die voor de vorstin zingen en dansen en aan de wedstrijden mede doen, trekt de jonge Parides weldra haar aandacht en in een ogenblik is zij evenzeer op hem als hij op haar verliefd. Fijn en fris worden beider gedachten beschreven: zij zit er over te peinzen hoe zij hem zal laten merken wat zij voelt; zij mag toch wel hopen dat hij haar blikken begrepen zal hebben, en zulk een edel gemoed als 't zijne moet toch de hoogte in willen en niet vervaard zijn om zijn gedachten tot een vorstin op te heffen; gelijk-gestemde zielen als de hunne moeten elkaar toch onder duizenden kunnen verstaan. Als zij nu zondigt, is het toch in elk geval de keizer die haar 't eerst onrecht aangedaan heeft, en de liefde wekt toch zo dikwels edele deugden in de mens op, dat zij zich toch wel voor God daarvoor zullen kunnen verantwoorden, zelfs als die op zich zelf misschien zonde is. De keizerin zit nu in haar wachttoren te verlangen, terwijl de jongeling zich, op zijn Oosters, op zijn bed legt en van liefde verteert. Maar nu komt er, ook op Oosterse wijze, een vriendelike oude buurvrouw die hem de pols voelt, hem vraagt wat hem scheelt en al heel gauw merkt wie het voorwerp van zijn gevoelens is. En de volgende dag gaat de oude vrouw met een mandje kersen naar de keizerin en begint een praatje met haar... zij beklaagt haar omdat zij zo van allen afgesloten leeft, en weet net zo lang te vragen tot zij begrijpt hoe de zaken staan en vertelt dan van die jonge man die van liefde verteert. In een pastei die de keizerin de volgende dag aan de vrouw laat brengen om voor de kersen te bedanken, ligt een mededeling hoe de ontmoeting plaats zal kunnen hebben. In de woning van de oude vrouw wordt een onderaardse kamer gegraven en daar wordt Parides in verborgen. Wanneer de keizerin nu, enige dagen daarna, bij een groot feest, met haar escorte daar voorbijrijdt, heeft zij 't ongeluk van haar paard te vallen, haar rijkleed erg vuil te maken en haar been te bezeren, zodat zij in 't huis van de oude ondergebracht moet worden. En dan wordt ook alles volgens 't programma afgewerkt,--dat natuurlik ook van Oosterse oorsprong is: »Ne sait, qu'il fait, qui femme gaite."
Maar natuurlik weet de wijze Eracle die met de keizer en het leger van huis is, dadelik wat er gebeurt en vertelt dit aan zijn meester. Deze ijlt spoorslags terug en neemt de schuldigen in verhoor. Zij erkennen beiden 't gebeurde, maar zij verklaart dat zij alles wil doen om haar geliefde te bezitten en ook hij is bereid voor zijn liefde te sterven,--»dat is geen schande." En wanneer dan bovendien Eracle de keizer nog voorhoudt dat hij zelf aan alles medeschuldig is, door zijn tyrannieke behandeling van zijn echtgenote, dan laat de grootmoedige Oosterse despoot die hij is, zich welwillend van zijn echtgenote scheiden en verenigt de twee gelieven... En dan glijdt de roman weer in een geestelike legendesfeer over.
Oosterse vrouwenlist, ontrouw van een Griekse keizerin, maar met de sympathie der lezers aan de kant van echtbreuk en de vrouw,--dat is ook het onderwerp van een der eerste romans van Gautier's grote mededingers,--de »Cligès" van Chrestien de Troyes. Het is haar neef die de keizerin hier bemint, en haar voedster, die de toverkunst verstaat, bereidt eerst een toverdrank die de keizer verhindert het huwelik te »consumeren" wanneer hij 's nachts bij haar komt en daarna een andere die de keizerin in een slaap brengt die op de dood gelijkt, waarna zij zich laat schaken,--evenals dit uit de geschiedenis van koning Salomo's echtgenote in de Oosterse vertellingen bekend is; wij kennen het uit de geschiedenis van Romeo en Julia.
Maar in een roman als »Cligès" is het, gelijk wij later zullen zien, alleen maar de uiterlike handeling, de machinerie er van, die uit het Oosten stamt. Van deze, zoals van zo veel andere romans die alleen in wat voorafgaat beschouwd zijn als een Europeisering van Grieks-Oosterse vertellingskunst, geldt het dat ze veel meer op te vatten zijn als geheel originele ridderlike romanpoëzie die eenvoudig »prend son bien où il le trouve".
Maar nog een vreemd element--en niet 't minst belangrijke--zou die romanpoëzie beïnvloeden, vóór die haar volle romantiese geur en kleur zou krijgen.
XIV.
MATIÈRE DE BRETAGNE.
De ridderromantiek ontvouwde zich voor 't eerst ten volle in het Engels-Normandiese rijk dat immers in het midden van de 12de eeuw Groot-Brittannië en het gehele West-Frankrijk omvatte en waar de taal van de heersende klassen het Frans was. Hier vond men de grootste welstand en het sterkste geestelik leven, hier kwamen het koningsschap en de adel der leenheren pas tot hun grootste recht, hier was de volksmenging en de kultuurmenging, waar de romantiek uit ontstond het rijkst.