De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen

Part 21

Chapter 214,054 wordsPublic domain

En altijd overwint ten slotte de deugd en de liefde van het jonge paar. De onschuld en de tranen der schone roeren de tyran en de woeste rover, »die geen echte barbaar van zeden en manieren was, maar die de stempel van een zekere beschaving droeg"; hij is »de edele rover" die slechts tot zulk een leven gedreven is door het onrecht dat zijn familie hem aangedaan heeft, en »ook de handen van barbaren voelen weerzin, naar het schijnt, om zich aan schoonheid te vergrijpen en door de aanblik van de gratie wordt zelfs het boze oog weer vriendelik." De gevangen schone wordt galant door de zegevierende vorst behandeld, dikwels zucht hij van liefde voor haar, maar geeft grootmoedig alle rechten op haar op wanneer haar harte-vriend weer opduikt; een andere even grootmoedige koning die haar geliefde gevangen heeft genomen, hoort diens klachten, doet zich zijn treurige liefdesavonturen vertellen en laat hem vrij, ja, wat meer zegt, geeft hem reisgeld mede om zijn beminde te kunnen gaan zoeken.

De geliefden zijn bovendien niet afkerig van zich door allerlei streken uit hun moeilikheden te helpen. Wat de romans verheerliken is niet de moed van de krijgsman, maar list. Een van de bronnen waar de Griekse roman veel aan ontleend heeft is die literatuur van novellen over list en bedrog die van de oudste tijden zo populair bij de handeldrijvende Grieken geweest was. De schelmstukken van Odysseus werden het eerst opgeschreven; in de bewerking door Herodotus van de Aegyptiese dievenverhalen heeft men een specimen van de bijdrage die het Oosten hiervoor leverde en in de zogenaamde »Milesiese" vertellingen over liefde en list van Aristides van Milete, stamt veel uit Griekenland en het Oosten. Vooral toont het jonge meisje in die Griekse romans zich zeer vindingrijk en zonder scrupules; in 't algemeen laat zij het hoofd minder hangen dan de zeer weinig mannelike held. Of wel smeert zij haar gezicht vol met roet, en gaat in lompen gekleed en met een bedelrok op stap om haar geliefde te zoeken; of wel drinkt zij een slaapdrank, waardoor ze een tijd lang voor dood ligt, zodat zij niet meer met de gehate bruidegom hoeft te trouwen; soms legt zij een dubbelzinnige eed af; zo nodig koketteert zij hevig met de tyran en belooft zelfs hem na een zeker tijdsverloop te zullen nemen, om dan in die tussentijd de kans schoon te zien en te verdwijnen.

Maar alles eindigt ook goed, dat hoort nu eenmaal bij het genre van die romans evenals bij de komedie. Het zelfde spel van de grillen van het noodlot, de zelfde »Tyche", die alle berekening trotseert en alle plannen in duigen doet vallen, die nu eens de geliefden door een onzinnige orakelspreuk naar Oost en West uit elkaar drijft, ze dàn weer verblindt, zodat ze hun geluk niet vlak voor zich zien liggen, maar zich met opzet in 't ongeluk storten,--diezelfde geluksgodin zal toch altijd tenslotte ouders en kinderen elkaar terug doen vinden, de vrije geboorte van de slavin voor den dag, en de onschuld van de ten onrechte verdachte echtgenote aan het licht doen komen, en de twee geliefden ten slotte, bevend van aandoening in elkaars armen laten vallen. En de zelfde overdaad van tranen die zij in hun ellende hebben geplengd, is nu hun liefdesgeluk gewijd. Alles wat zij doorstaan hebben was slechts een loutering, die ze hun geluk meer waard zal maken,--of een raffinement dat de liefde èn bij hen zelf èn bij de lezers wat moet aanwakkeren!

En dit alles is toebereid met een kunst van onderhouden die voor lange tijden de techniek van onze romans bepaald heeft. Gewoonlik komt de lezer eerst in een merkwaardige, vreemde situatie, waardoor zijn nieuwsgierigheid en belangstelling opgewekt worden, zonder dat hij eigelik weet hoe en waarom. Twee reizigers treffen elkaar bijv. in een herberg en de een vertelt de ander een geschiedenis die hem onlangs overkomen is. De ander, wie men toch zou denken dat dit alles niets aanging, luistert in stijgende spanning, vraagt, raakt in de war en verwijdert zich om zijn aandoening te verbergen. Wanneer hij terugkomt om het slot van 't verhaal te horen of b.v. te vragen waar de personen in kwestie heen getrokken zijn, deelt de waard hem tot zijn diepe vertwijfeling mede dat de ander juist per schip vertrokken is. Langzaam, en stukje voor stukje begint de lezer iets van de vóórgeschiedenis te snappen, later krijgt hij nog een paar draden te pakken; de handeling kan hij tot een zeker ogenblik volgen, dan, juist als de situatie zeer spannend is, laat de schrijver die los en plagerig volgt hij nu weer een ander persoon op diens weg; voortdurend worden er nieuwe episoden ingewerkt; net als in die Chinese doosjes wordt in elke historie altijd weer een andere gevoegd, iedere nieuwe persoon die optreedt vertelt ook weer zijn geschiedenis, die de lezer zich dikwels ietwat geïrriteerd af doet vragen wat dit daar nu weer mee te maken heeft, maar die toch tenslotte van afdoende betekenis voor de hoofdhandeling kan blijken te zijn... en zo is de lezer in één voortdurende spanning en wordt hij voortgezweept, in de war gebracht, geërgerd, verder gebracht... teruggehouden... maar de roman laat hij niet los voordat hij aan 't einde gekomen is!

* * * * *

Een vervolg op die Griekse roman vormen, naar het schijnt, in de Byzantijnse tijd, andere romans die wij niet kennen, maar waaraan via het Latijn, Franse en Duitse romans hun oorsprong danken. Maar deze romanliteratuur is, zoals wij reeds zagen, slechts één enkele tak van de rijke, mondelinge en schriftelike vertelkunst die zich in de Grieks-Oosterse wereld ontwikkelde. En door de collecties van Latijnse verhalen die wij al meer dan eens genoemd hebben, zowel als nog meer langs mondelinge en schriftelike wegen die wij nu niet meer kunnen nagaan, kwamen er talrijke Oosters-Griekse verhalen tot de Middeleeuwen van het genre dat wij nu uit de grote schatkamers van Oosterse vertellingen kennen, waarvan de »Duizend-en-één-Nacht" een van de grootste en laatste is, maar die ook in 't Persies tot hele gedetaljeerde liefderomans uit werden gewerkt.

Die vertellingen zijn al even onkrijgshaftig als de Griekse romans, en ofschoon anders in elkaar gezet, zijn het dezelfde onderwerpen die daarin met voorliefde behandeld worden. Het zijn verhalen van sentimentele liefde, zielegrootheid, onschuldig lijden, list en vernuft, vreemde spelingen van het noodlot en de merkwaardigste gevallen van toverij.

Dat element van toverij ontbrak niet in de latere klassieke periode--de toverdrank van Medea en Circe en de toverroman van Apuleius en zijn »gouden Ezel" staan verre van alleen--maar vooral door de Oosterse vertellingen maakten de Middeleeuwen kennis met alle soorten van tovermotieven waar ze rijkelik gebruik van konden maken. Daar had men allerlei geesten en toverdieren; bronnen waar men niet uit mocht drinken of er stak een hevige storm op, of een enorme geest kwam de stoutmoedige tot een tweestrijd uitdagen; mensen die door toverij tot stenen en dieren gemaakt worden; toverslotten, waarin niemand wegens spoken en heksen durfde overnachten; feeën die hun menselike geliefden naar hun rijk ontvoerden. En er waren spiegels en bronnen waarmede men de kuisheid van een vrouw op de proef kon stellen en toverkussens die men in 't bed legde en die dan de man als van steen maakten in de armen van de vrouw.

Voor de Middeleeuwen waren alle »Wijzen van het Oosten" Tovenaars en Magiërs evenzo zeer als de Philosofen van de klassieken: Hippocrates en Virgilius, zo wel als koning Salomo en al de wijzen der Oosterse novellen. Die maakten vernuftige mekanismen, ze konden zien wat er op andere plaatsen geschiedde, konden de gedachten van anderen lezen en te weten komen wat anderen in 't schild voerden, misdaden opsporen, en zeer talrijk waren de bewijzen van scherpzinnigheid waar de Midrasch en de Talmud der Joden of de Arabiese sprookjesverzamelingen van verhaalden.

Maar slimmer dan zelfs de wijste man was toch dikwels de vrouw, waar het er op aan kwam om de mannen te bedriegen. Een wijze als Hippocrates werd door zijn vrouw vergiftigd; Virgilius de Tovenaar zou een listige vrouw in 't geheim ontmoeten en toen hij zich in een mand naar haar vertrek zou laten hijsen, liet zij hem midden in de lucht hangen tot spot voor iedereen. Van de vrouw van Salomo vertellen Joodse sagen en Byzantijnse romans, hoe de sluwe vrouw en de verstandige bultenaar Morolf, Salomo's broeder en helper elkaar steeds weer in list trachten te overtreffen. Van de gemalin van Caesar zowel als van die van Constantijn wordt verteld hoe zij hem met haar twaalf camerieres bedroog die verklede mannen waren, totdat een der wijzen haar schaamteloosheid aan 't licht bracht. Een vrouw neemt een slaapdrank in en geeft zich zo voor dood uit, ze wordt begraven en door haar geliefde weggevoerd. Een ander laat een geheime gang graven tussen het huis van haar man en dat van diens vriend, die tegelijk haar geliefde is. De vriend presenteert haar nu in zijn eigen huis als zijn eigen vrouw; de bedrogene kan zijn eigen ogen niet geloven, maar de vriend verklaart dat er alleen maar een merkwaardige gelijkenis in 't spel is; als hij naar huis wil gaan zal hij zijn eigen vrouw thuis vinden,--wat dan ook uit komt. Een derde heeft het ongeluk dat een geleerde ekster de echtgenoot vertelt, wat zij in zijn afwezigheid heeft uitgevoerd, maar de vrouw weet op alles raad en slaagt er gemakkelik in door een zeker experiment hem te overtuigen dat die eksters maar leugenbeesten zijn, zodat hij ze nu ook niet kan vertrouwen.

Meestal kan men die Oosterse verhalen van vrouwenlist waar ze in de Europeese novellen, b.v. de Franse fabliaux overgegaan zijn, daaraan herkennen dat ze zo paradoxaal lijken, zo kunstig, en in de aangewende middeltjes zo tegen alle gezond verstand in schijnen te druisen, vergeleken met de nuchterder, natuurliker Europese geschiedenissen. Het zelfde gemis aan respekt, beter: het zelfde genot in het paradoxaal-onwaarschijnlike kenmerkt ook die talrijke Oosterse geschiedenissen over het merkwaardige spel van het toeval of, als men wil, over de wonderbare wegen en de almacht van het Noodlot. Van de Duizend-en-één-Nacht kent een ieder genoeg dergelijke verhalen over de vreemdste combinaties van het toeval. Alle toevalligheden hebben b.v. zo zeer samengezworen naar 't schijnt om een volkomen reine vrouw in de schijn van schuld te brengen, dat ook alleen maar een even merkwaardig toeval haar onschuld aan den dag kan brengen. Of--en dit is een historie die in veel versies in de Middeleeuwen bekend was--men heeft de keizer voorspeld dat een arm kind dat juist geboren wordt, zijn schoonzoon en erfgenaam zal worden en wat de keizer ook keer op keer probeert om de voorspelling te doen falen, alles werkt daarentegen juist samen om die wel te doen uitkomen.

Maar de Oosterse fantasie zoekt ook buiten de grenzen van het natuurlike, op het gebied van het zieleleven haar weg naar overspanning en paradoks. Vrienden die elkaar in zelfopoffering, vijanden die elkaar in grootmoedigheid trachten te overtreffen, liefde die alle beproevingen doorstaat, de zwartste ondank, de blankste edelmoedigheid. Een jongeling woont bij een getrouwde vriend, diens vrouw begint te sukkelen en vertelt eindelik aan haar man dat zij van liefde voor de jonge huisgenoot vergaat. De man neemt nu zijn jonge vriend in 't vertrouwen, en die... weet zich een melaatse ziekte op de hals te halen om zodoende bij de vrouw zijns vriends de liefde te doen overgaan die de schone verhouding tussen hen drieën in de war had gebracht. Romanties is die liefde vooral en sentimenteel--veel meer zelfs dan in de Griekse romans. Als in deze laatste zijn de geliefden in de regel zeer jong. Hij wordt op iemand verliefd die hij nooit gezien heeft, op haar portret, op haar beeld dat hij in zijn dromen gezien heeft, of hoogstens heeft hij een glimp van haar achter het tralievenster gehad. Hij legt zich op zijn bed en wordt zieker en zieker en bij zijn onmannelik gedrag moet nu een vriend of de ene of andere koppelaarster voor hem handelen. Het feit dat in 't Oosten de vrouw altijd bewaakt wordt en van allen afgesloten leeft, geeft een hoogst romanties tintje aan de verhouding tussen de geslachten en brengt noodzakelik gevaarlike avonturen, zowel als het gebruik van tussenpersonen met zich meê, en wanneer b.v. de held als een slavin verkleed de harem binnen is gesmokkeld, of in een mand met bloemen naar boven is gehesen, dan wordt die gelegenheid ook terstond aangegrepen, daar was die zeldzaam genoeg voor en duur genoeg gekocht, om terstond op alle liefdegenot aanspraak te maken.--Maar meestal doolt hij lang in de grootste ellende rond; de ongelukkige jonge man wordt waanzinnig van verdriet; hij of zij worden als in de Griekse romans als slaven verkocht of door rovers weggevoerd en pas na jarenlange tegenspoeden, en na er veel tranen en zuchten bij te hebben gelaten, komen zij tot hun welverdiende geluk.

* * * * *

Hier en daar vindt men nu motieven uit die Griekse en Oosterse vertellingsliteratuur in de gehele Ridderromantiek,--in wat vooraf gaat hebben wij ze al gevonden en wij zullen er in wat volgt geregeld weer aantreffen. Maar als direkte afstammelingen daarvan doet zich heel duidelik een reeks romans en vertellingen kennen,--door de kinderachtig-zoetsappige liefde die daarin optreedt, of door een spesiale soort van avonturen en spel van het noodlot, of wel door de buitengewoon extravagante geschiedenissen van toverij en vrouwenlist.

Een van de hoofdmotieven in de Griekse romans was, zoals wij zagen, dat twee gelieven, of man en vrouw door een toeval, op reis van elkaar gescheiden raken, of door rovers overvallen worden, en terwijl zij elkaar trouw de gehele wereld over blijven zoeken, hebben zij al de wisselvalligheden der fortuin en al de wereldse ellende te verduren. In de Franse romans (van de 12de of begin 13de eeuw) zo als Floris en Blanchefleur, Aucassin en Nicolette, Escoufle, Guillaume van Palermo, worden histories van dat genre als in de ridderliteratuur behandeld.

De ridderromans beginnen met de opvoeding van de held of heldin van kindsbeen af aan een vorstelik hof te schilderen. Of wel is het de zoon van een edelman, Guillaume, die aan het hof van de keizer van Italië opgroeit met 's keizers dochter Alis, of de dochter van een kristen-ridder, Blanchefleur, is gevangen bij het hof van een Spaans-Moors koning en groeit daar op met prins Floris. Zoet wordt de schoonheid en de liefelikheid der kinderen geschilderd,--evenals in de sentimentele legenden van het Kindeke Jezus uit die tijd, of op de groepen van de »Madonna met het kind" waar de Franse kunst de kerkportalen mee begon te versieren. De jongen, drie jaar oud, lijkt met zijn blonde haar een engel, allen zijn dol op hem en hij zit voortdurend op de rug van de schildknapen en ridders. Wanneer zijn moeder hem naar 't hof zal zenden, neemt zij hem de laatste nacht nog bij zich in bed en als de jongen weg rijdt, legt zij een zacht kussen op zijn zadel. Aan het hof komt de jonge keizersdochter hem met haar speelkameraadjes te gemoet, hij groet zoals hij dat van zijn moeder geleerd heeft en de eerste ontmoeting der kinderen is vol gratieuse verlegenheid. Aldoor zijn Guillaume en Alis of Floris en Blanchefleur samen; hij is vol attenties en beleefd, heeft nooit lelike woorden of vloeken in zijn mond, en zij zingt en naait en heeft er plezier in steeds maar gordels en beurzen weg te geven die zij geborduurd heeft. Samen spelen zij in een tuin, terwijl »de vogeltjes van de liefde zingen". Als de een lezen moet leren, moet de ander meê doen en dan leren ze dat uit de »heidense liefdeboeken" en schrijven met zilveren en gouden stiften over vogelengezang en bloemen en liefde op ivoren tafelen (ook in de »Duizend-en-één-Nacht" schrijven een jongen en een meisje elkaar verzen vol liefdebetuigingen, zodra de onderwijzer hun de rug toekeert). Zij noemt hem »vriend" of »broeder", maar men kon aan de kleur op haar gezicht en de ogen zien welke naam haar 't zoetst klonk; wanneer zij »vriend" zegt, zucht zij en worden haar ogen eens zo klein van schattige schuchterheid.

En zo groeien zij op. Hij doet dienst als page, munt uit bij de ridderspelen, in 't schaken en bij 't bakspel, in hoofsheid en mildheid. Zij wordt maagd,--de kleine vaste ronde borstappeltjes zijn als »Waalse noten", haar tengere middeltje kan men met de twee handen omspannen; haar lichaam is zo blank dat wanneer zij met blote benen op de weide door de morgendauw loopt, de madeliefjes, met haar vergeleken, grijs schijnen. Hun gevoelens worden ook inniger. Wanneer hij eens een ogenblikje van haar af is, worden haar ogen helemaal »rond" en kijkt haar hart door 't raam van het oog om hem na te staren; en als zij eens op een dag in de tuin wandelend, de jonge man ziet liggen slapen, kan zij niet nalaten hem te kussen, maar nu heeft hij juist van haar liggen dromen en droomt op het zelfde ogenblik dat zij hem een roos geeft en nu wordt hij wakker en begroet haar beleefd. En het duurt niet lang of zij kussen en liefkozen elkaar en menige nacht brengt Alis slapeloos door als zij bedenkt hoe dikwels haar vriend haar borstjes en haar lijf onder haar kleren heeft gestreeld en haar »schone lenden" heeft geliefkoosd.

Het verschil in stand heeft weinig voor de gelieven te zeggen, en in elk geval brengt de liefde ze daar licht over heen, of zij nu 's keizers dochter is of hij vorstenzoon en zij van mindere stand. Maar de lelike ouders kunnen die mésaillance niet toelaten. Daarom vluchten b.v. Guillaume en Alis (in »Escoufle") eens op een nacht, aan haar beddelakens laat zij zich uit het raam van haar kamer neerglijden en op muilezels rijden zij de weg op. En de muilezels bleven aldoor vlak tegen elkaar aanlopen; de twee gelieven hadden pret en liefkoosden elkaar, dan eens nam hij haar hand, dan aaide hij haar over de wangen; »wat heb ik die maan toch lief," zegt hij, »die beschijnt uw schone aangezicht."--En de dichter barst uit: »Wel hebben die twee, vader en moeder, goud en goed op 't spel gezet om de roepstem huns harten gehoor te geven!" Vergeefs worden de vluchtelingen nagezeten, vrolik en wel rijden ze de wereld rond, in de herbergen krijgen ze volop eten en drinken op reis mee, buiten in de heerlike vrije natuur spreiden zij hun tafellaken... Maar, ééns op een dag, wanneer zij zich bij een bron waarbij ze gegeten hebben, te slapen heeft gelegd, en hij bezig is haar aangezicht tegen de zon te beschutten, dan schiet plotseling een wouw uit de lucht op zijn beurs af waarin een ring is die zijn geliefde hem juist geschonken heeft,--een trek die ook in de »Duizend-en-één-Nacht" te vinden is--Guillaume springt dadelik te paard hem achterna, Alis wordt wakker en is nu eenzaam door haar trouweloze schaker achtergelaten,--wanhopend gaat zij nu ook op weg,--natuurlik juist de verkeerde kant op. En zo krijgen wij weer de gewone situatie: twee gelieven die op goed geluk elkaar in de wijde wereld gaan zoeken.

Wanneer de koning der Moren in »Floris en Blanchefleur" merkt dat het tussen zijn zoon en het jonge kristen-meisje wat al te warm wordt, zendt hij de prins weg in een verre stad naar school, het meisje wordt aan vreemde kooplieden verkocht en de koning en koningin laten een prachtig grafmonument oprichten, dat Floris wanneer hij thuis komt, als het graf van die arme overleden Blanchefleur wordt getoond. Dit motief komt ook in de »Duizend-en-één-Nacht" voor. Zijn ouders die denken dat het gevaar nu geweken is, laten het graf versieren met schone herinneringen aan de jeugdige liefde van die twee kinderen: twee beelden die hem en haar voorstellen en die door de wind bewogen, elkaar goudbloemen geven, terwijl zij de woorden spreken: »Kus mij, mijne schone!" Maar Floris laat zich niet troosten,--»de liefde heeft een kruid in zijn hart geplant, dat steeds in bloei stond en dat zo zoet rook, dat hij daar alles door vergat", hij beklaagt zich overal en gelijk de held in de Griekse romans, besluit hij zich van kant te maken en wel met een zilveren schrijfstift, die zijn geliefde hem geschonken heeft; dan zal hij zo naar het »camp flori" komen en met zijn vriendin bloemen plukken,--dat zijn waarschijnlijk de affodil-bedden in de klassieke onderwereld. Nu moeten zijn ouders de waarheid wel bekennen en zij laten 't hem aan niets ontbreken als hij nu de wereld in trekt om zijn Blanchefleur te zoeken. Als een koopman verkleed, gaat hij op weg,--gelijk de prins in »Duizend-en-één-Nacht" die zijn geschaakte geliefde achterna trekt. (Latere versies vinden blijkbaar die verkleding als koopman niet deftig genoeg en laten de prins op reis gaan als een vorstenzoon met een gevolg van ridders).

Blanchefleur is verkocht geworden aan de »admiraal" van Babylon die haar in zijn »vrouwentoren" opsluit,--blijkbaar een soort Oosterse harem--waar er 140 kamers zijn met jonge meisjes die bediend en bewaakt worden door eunuchen. Elk op de beurt moest naar de »lever" van de admiraal en als het bewijs van hun kuisheid geleverd is, worden ze voor één jaar de favorite,--hierop worden ze onthoofd, want de despoot wil niet dat iemand anders een vrouw zal bezitten die eens de zijne geweest is. Dit is alles volkomen Oosters. Na lang vergeefs zoeken zit Floris in een herberg en terwijl allen om hem heen vrolik praten en eten, denkt hij alleen maar aan zijn »Wittebloem" en zucht en weet niet wat hij eet. De waardin merkt dit en stoot haar man in de zij,--»bij God, dat is geen koopman, dat is een jonge edelman." Dan begint zij een vriendelik gesprek met hem en vertelt hem in de loop daarvan dat er voor enige tijd hier een meisje was komen logeren die erg op hem leek en die Blanchefleur heette en aldoor zat te zuchten over een zekere Floris. De jonge »koopman" raakt helemaal in de war hierdoor, gooit de wijnkan op de tafel om, maar geeft de waardin een gouden beker tot beloning voor haar mededeling en trakteert het gehele gezelschap op wijn. Dan haast hij zich weg in de richting waar de waardin van vertelde, komt weer bij een vriendelike waard en waardin,--zijn eigenaardige jeugdige schoonheid wekt aller medelijden en welwillendheid,--en ten slotte komt hij werkelik te Babylon, waar zij in de »vrouwentoren" van de admiraal zit. Hij maakt kennis met de portier van de toren, speelt schaak met hem, en geeft hem ook een gouden beker ten geschenke, waarop de man hem in een bloemenmand naar boven hijst. Vrolik en wel springt hij de mand uit, maar ongelukkig is hij bij vergissing niet in de kamer van Blanchefleur terecht gekomen maar in die van een harer vriendinnetjes. Van schrik schreeuwt zij eerst luid, maar weet toch de andere meisjes die ijlings aan komen zetten weg te krijgen,--'t was maar een kapelletje dat uit de bloemen op was gevlogen. En dan roept ze Blanchefleur,--zij heeft n.l. dadelik begrepen dat het haar vriend is die gekomen is. Sprakeloos vallen ze in elkaars armen en de volgende dagen brengen die twee gelieven in één liefderoes in Blanchefleur's vertrek door. Maar zo komt het dat zij meer dan eens haar plicht vergeet om op de »lever" van de admiraal te verschijnen; zij worden samen in bed ontdekt,--allerliefst is het dat de admiraal eerst meent dat het een meisje is, dat daar bij Blanchefleur ligt, maar als zij de borst van de bedgenoot zien, weten ze dat het een jongen is. Nu moeten ze beiden verbrand worden,--Floris heeft een toverring bij zich, die hij Blanchefleur aan de vinger wil steken, zodat zij altans gered kan worden; maar geen van beiden wil alléén gered worden en dus werpen ze de ring weg en worden naar de brandstapel geleid. Maar--de admiraal krijgt de hele historie te horen, hoe zij elkaar in leven en dood trouw zijn gebleven en dan wordt hij, gelijk zo dikwels met de tyran in de Griekse romans het geval is, zo zeer door medelijden bevangen dat hij ze beiden vrij laat en--Floris zelfs tot ridder slaat! Nu trekken Floris en Blanchefleur vol geluk naar Spanje, waar Floris de troon bestijgt en ter ere van zijn kristelike vrouw zelf haar geloof aanneemt.