De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen
Part 20
Briseis is de dochter van Calchas. Haar vader heeft de Trojanen verlaten en zich bij de Grieken aangesloten, maar zij is te Troje achtergelaten en tussen haar en Prins Troilus is er een zekere verstandhouding. Zij is schoon, vriendelik, zachtaardig, hij is elegant, opgeruimd en zacht, met ogen die van vreugde en tevredenheid schitteren. Maar wanneer er gevangenen uitgeleverd zullen worden, verlangen de Grieken dat ook de dochter van Calchas teruggezonden zal worden en de Trojanen moeten dat beloven. Briseis is wanhopend, de laatste nacht brengt zij met Troilus onder omhelzingen en tranen door; met die tranen die uit de ogen neerstromen vermengen zij hun kussen, zoals zo dikwels in de Griekse romans. Twee gelieven te scheiden, roept de dichter vol medelijden uit, is een zonde daar men hard voor moet boeten. De volgende morgen moet zij nu alles inpakken, zij kleedt zich in haar fraaiste plunje--haar kleed is uit Indië, het heeft zeven kleuren--gaat van alle koninklike prinsessen afscheid nemen en trekt weg door verscheidene prinsen vergezeld. Troilus houdt de leidsels van haar paard vast. Bij het afscheid beloven Troilus en zij elkaar eeuwig trouw, maar de dichter voorspelt dat zij hem spoedig vergeten zal; kuisheid en schoonheid gaan zelden samen,--zegt Salomo. Nu komen verscheidene Griekse ridders haar tegemoet, o.a. de elegante Diomedes. Hij wordt dadelik op haar verliefd en terwijl zij samen verder rijden, biedt hij haar aan haar ridder en vriend te worden, als zij nu eenzaam onder al die vreemden zal zijn; nog nooit--verzekert hij--heeft hij aldus tot een vrouw gesproken,-- zij is de eerste die indruk op hem heeft gemaakt en hij wil alles doen om haar in haar smart te troosten. Maar Briseis antwoordt hem dat zij terecht zéér lichtvaardig zou schijnen, indien zij een man die zij in 't geheel niet kent, haar liefde schonk; liefde brengt ook veel ongeluk mede, »tegen éen die lacht zijn er zes die wenen" en de mannen bedriegen een meisje zo licht. »Maar gij zijt van hoge geboorte en welopgevoed en indien ik ooit iemand zou liefhebben, zou het niemand anders zijn dan gij!" Diomedes stelt zich, vrij natuurlik, hier mede tevreden, hij ziet nu wel dat zij »n'esteit mie trop salvage". Hij begeleidt haar nu naar haar vader's tent en neemt dan afscheid. Nu komen er vele Grieken haar een bezoek brengen die Briseis zeer beleefd ontvangt. Er zijn nog geen vier dagen vervlogen of zij voelt al geen lust meer om terug te keren. Maar kort daarop verovert Diomedes het paard van Troilus en zendt het haar als een groet van haar vroegere vriend,--een courtoisie die haar toch wel wat grof lijkt; zij laat hem antwoorden dat Troilus een beter ridder is dan hij en zijn beurt wel komen zal. Maar, voegt zij er bij, zij kan niet haten zo als zij moest, hem die haar lief heeft. En 't duurt ook niet lang voor Troilus op zijn beurt het paard van Diomedes machtig weet te worden en Diomedes, meer en meer verliefd, laat zijn hoofd nu hangen,--zo treurig er uit ziende als een sperwer bij 't ruien. Briseis merkt wel hoe hij lijdt, maar zo is nu eenmaal de aard van de vrouw, dat, wanneer zij merkt dat gij haar lief hebt, dan werpt zij u alleen maar aanmatigende blikken toe, en hier, zoals zo dikwels, stoot de dichter een harte-zucht voor eigen rekening uit. Maar intussen, Briseis zou eigelik graag Diomedes het paard van Troilus terug gegeven hebben, als dat maar aanging,--opdat hij zich wederom in de strijd zou kunnen onderscheiden--zij wil het zelf ook eigelik graag kwijt, daar de Grieken de spot drijven met dit geschenk dat zij op zulk een eigenaardige wijze van haar vroegere geliefde gekregen heeft; eindelik slaagt zij er in hem op een fijne manier onder de vorm van een plagerij, aan Diomedes zijn geschenk terug te geven. Nu voelt zij zich gelukkig, dat zij hem helemaal in haar net gevangen heeft en schenkt hem ook nog haar mouw als banier. »Van nu af--merkt de trouvère op--moet 't Troilus duidelik zijn dat hij niet meer op haar liefde staat kan maken." Troilus wordt dan ook razend van woede wanneer hij bij het gevecht Diomedes met die banier ziet, die hem 't duidelikst bewijs is van de trouweloosheid van zijn geliefde, en onder ruwe scheldwoorden aan haar adres, houwt hij op haar nieuwe ridder los. Lelik gewond wordt Diomedes naar huis terug gebracht, maar nu houdt Briseis zich ook niet langer in: zonder zich aan bedreigingen van haar vader of aan de praatjes te storen, ijlt zij naar de tent van de zieke. Onderweg heeft zij een hevige innerlike strijd te doorstaan, zij noemt zich zelf trouweloos, »om mijnentwil zullen de vrouwen heel wat over hun valsheid moeten horen, en het is wel waar dat mijn aard wel wat àl te veranderlik is." Maar--antwoordt zij zich zelf--nu kan ik nooit meer terug, nu heb ik mijn nieuwe vriend mijn gehele hart gegeven en nu moet ik trachten hem trouw te blijven. Had men mij te Troje laten blijven, dan was dit alles niet gebeurd. Maar hier ben ik zonder vriend, niemand kan mij raad geven, en ik kan toch ook niet altijd hier blijven lopen treuren! God geve Troilus alles goeds, maar nu wij elkaar niet meer lief kunnen hebben, geef ik mij liever aan Diomedes... kon ik maar vergeten wat er gebeurd is, dat drukt toch wel zwaar op mijn geweten.
Heel erg zwaar neemt de trouvère de trouweloosheid van Briseis blijkbaar niet op. De vrouwen zijn voor hem toch maar het zwakke frivole geslacht, waar men niet te veel van verwachten mag: in 't algemeen kan men zeggen dat uit de manier waarop hij »de zoete zonde" beschouwt, die hele lichtzinnige weekhartigheid blijkt die de ganse ridderromantiek kenmerkt, en nergens ziet men duideliker dan hier, hoezeer Benoît al het geestelike afgelegd heeft en zich in de armen van »Frau Welt" heeft geworpen.
Bovendien, Briseis is feitelik maar een dochter van een priester, die toch niet anders was dan de bijzit van Prins Troilus. Daarentegen heeft de dichter in Polyxena, een van de dochters van Priamus, de echte tegenhanger geschilderd van de trotse prinses uit de Roman van Thebe, Antigone, en in het gevoel van Achilles voor haar heeft hij een liefde getekend meer ridderlik van aard dan die van Diomedes, zowel als van Aeneas. Onder een wapenstilstand is Achilles over gekomen om een plechtigheid bij te wonen die bij de Trojanen plaats heeft ter ere van Hektor die gedood is; daarbij krijgt hij Polyxena te zien en staat de gehele tijd als aan de plek genageld van verrukking. Als zij weg is, rijdt hij diep in gedachten naar huis. In een lange monoloog klaagt hij dan over zijn hopeloze liefde: er is niemand die de Trojanen zo zeer haten als hem die Hektor de dood had gegeven. Nu zendt hij een paar vertrouwde mannen naar koningin Hekuba en belooft alle mogelike boetedoening voor de dood van Hektor, als hij Polyxena maar de zijne mag worden. De jonge maagd was daar zelf bij tegenwoordig, maar als welopgevoed meisje, hoort zij dat aan zonder een woord mede te spreken. Priamus heeft wel bezwaren, van geboorte en rang vindt hij n.l. Achilles heel wat minder dan een Trojaanse koningsdochter, maar hij geeft toch zijn toestemming, indien Achilles bij de Grieken het beleg op kan doen heffen en zij aftrekken. In die tussentijd geeft Achilles thuis lucht aan zijn gevoelens in klachten over de macht van Amor en op de wijze der troubadours noemt hij zijn aangebedene »verheerlikte geest", »glans der schoonheid" en dergelijke. Nu tracht hij de Grieken te bewegen naar huis te trekken en wanneer hem dat niet gelukt, blijft hij mokkend in zijn tent thuis. Maar ten slotte, wanneer de Grieken al te erg in 't nauw gebracht worden, kan hij toch niet meer achterblijven en werpt zich--hevige verwijten van »Amor" die zich openbaart, en zijn zelfverwijt wegens zijn verraad jegens de schone--toch weer in de strijd. Van haar kant voelt Polyxena zich in stilte ook zeer ongelukkig; van dat huwelik had zij nu al zo lang horen spreken, dat zij nu juist haar zinnen daarop was gaan zetten. Maar nu beraamt Hekuba verraad. Zij laat Achilles weten dat hij Polyxena toch kan krijgen en vraagt hem 's nachts bij een tempel buiten de stad te komen. En even als Amor Leander, de geliefde van Hero van zijn verstand beroofde, zo nu ook Achilles. Romanties wordt de eenzame tocht in de maneschijn van hem en zijn volgelingen beschreven, naar de verlaten, eenzame plaats waar de koningin een hinderlaag heeft aangebracht en waar de held nu zijn dood vindt. Onder groot weeklagen wordt zijn lijk begraven en de Grieken richten een gedenkteken voor hem op, waarop zij Polyxena afbeelden, over hem wenende. Aandoenlik is het ook te lezen hoe later, na de inneming van Troje, de Grieken wreedaardig de maagd op het graf van Achilles offeren. »Laat de dood mij maar nemen," zegt de trotse koningsdochter, »ik verweer er mij niet tegen, hier schenk ik die een jonkvrouw zo schoon als ooit een koningszoon verwierf."
Polyxena en Antigone, Dido en Medea, Ismene en Lavinia, en ten slotte Briseis, het is een hele vrouwengalerij--hooggeboren trots, woest hartstochtelik, zacht onschuldig, koket wisselvallig--welke die romans hun tijdgenoten voor zetten.
XIII.
GRIEKS-OOSTERSE VERTELKUNST.
Zoals wij gezien hebben waren de klassieken al halverwege voor de trouvère der Middeleeuwen geromantiseerd door de Grieks-Oosterse vertelkunst, waardoor alleen hij in de regel de klassieken te zien kreeg,--bijv. door de Egyptiese historie van Alexander of door de romans over Troje uit de periode van het verval der oudheid. De overdreven beschrijvingen, de avontuurlike fantasie, de dialektiese zielsanalyse en het galant-sentimentele erotiese element,--dat waren alles duidelike sporen van dat verval der klassieken en hun Asiatisering. Daaruit was in de Oost-Romeinse wereld een vertelkunst ontstaan, van wier stam de Griekse en Byzantijnse roman en de romantiese Oosterse verhalen, b.v. de 1001 nacht, slechts verschillende vertakkingen zijn, door een en het zelfde sap gevoed. En reeds lang hadden de klerken, gelijk wij gezien hebben, zich Latijnse vertalingen van Griekse romans als »Apollonius van Tyrus" weten te verschaffen, zoals die van de vriendschapsproef of van de goede raad op reis. Nu, ten tijde van de kruistochten, wordt de romanhonger der leken door de Grieks-Oosterse vertellingsliteratuur gestild zowel door Latijnse vertalingen er van, als door mondelinge verhalen. En door haar kunstvorm en haar geest zowel als door haar onderwerpen, zou die al heel spoedig nog vruchtbaarder voor de ridderromans blijken te zijn dan de klassieken dit geweest waren. Veel uit onze moderne roman, de opbouw en de liefde-intriges stammen direkt uit de Aetiopiese verhalen van Heliodorus of de novellenkunst van Bagdad.
Een laat, zeer ingewikkeld literatuur-genre was de Griekse roman, zoals die jaren na Kristus bloeide--»Verhalen uit Babylon",--»Verhalen uit Ephese",--»Aetiopiese Verhalen",--»Leukippe en Chlitophoon",--»Chaereas en Kallirhoe",--de pastorale roman »Daphnis en Chloë", en hoe die ook alle heten. Aan de ene kant een nakomeling van een overrijpe en verouderende kultuur--zonder kracht en frisheid, zonder natuurlikheid en oorspronkelikheid, vroeg rijp vroeg wijs, gekunsteld, verzwakt, maar niet zonder fijnheid in denken en gevoel, en geboren met beschaving en kunst. Maar tegelijkertijd een kind, die roman, van die zekere tijd van barbaarse en chaotiese vernieuwing en kultuurmenging, waarin het kristendom zijn laatste wereldvernieuwende vorm zou krijgen, en zo, doordrongen van kinderlike lust naar avonturen en een ruwe barbaarsheid, maar ook met de dageraad van een nieuwe levensopvatting in zich en een geheel nieuw stel gevoelstonen.
Die romans beschrijven altijd het partikuliere leven; het vaderland, politiek en alle maatschappelike kwesties liggen buiten hun horizont. Met geschiedenis en godsdienst staan ze in geen verband, hebben geen de minste pretensie een beschrijving van werkelike gebeurtenissen te geven, en de goden behandelen ze ook vrij wel niet anders dan als een poëtiese fictie. Wat zulk een roman wil, is de fantasie met een ingewikkelde en spannende handeling en merkwaardige avonturen gaande te houden, medelijden op te wekken voor een hartroerende geschiedenis, soms ook daardoor een wijze levensfilosofie aan de man te brengen en de moraal te helpen opbouwen.
Dikwels begint de roman met een scène tussen twee jongelui die op elkaar verliefd worden. Zij treffen elkaar bijv. bij een feest in de tempel, waar men voor een optocht of dans of voor spelen bijeen gekomen is. Beiden zijn zeer jong, maagdelik, naïef onschuldig,--geen van beiden hebben van de liefde iets willen weten; zij is een der maagden van die tempel, hij jager. Er zit hier een weinig verering der overkultuur in van het naïef-ongekunstelde, en een geraffineerd plezier om de onschuld in de mysteries der liefde in te wijden, maar er is ook een zeker verlangen in die tijd naar een verjongingskuur der reinheid. Beiden, hij en zij, schitteren boven alle andere jongelingen en maagden uit, hun namen zijn »Bloem" en »Gratie", »Anthia", »Chariklea", hij is van voorname familie, zijn klederdracht en zijn wapenrusting worden geschilderd bijna als die van een Middeleeuws ridder, als zulk een ridder blinkt hij uit bij het rijden en de spelen, en ontvangt de lauwerkrans uit de hand van de schoonste maagd. Zij heeft een krans om haar gouden haar en draagt een met goud gestikt purperen gewaad. Amor straft ze nu wegens hun miskenning van zijn macht en steekt bij de eerste blik hun beider harten in lichte laaie. Mysties-platonies heet het bij deze gelegenheid hoe de hele natuur van liefde doordrongen was: de aantrekkingskracht van de magneet is een soort liefde, de rivieren worden er ook door liefde toe gebracht zich in elkaar uit te storten, en wanneer de mannelike palm alleen staat, ver weg van een vrouwelike, droogt die door liefde-verlangen uit! Door het oog vloeit het beeld der schoonheid in de ziel, zodat ziel met ziel verenigd wordt, zelfs als de lichamen gescheiden zijn. De jongelieden voelen die verliefdheid eerst als een soort ziekte; geheel in gepeins verzonken zitten zij bij het feestmaal aan, blozen, verbleken, gaan zelfs ziek naar bed. Heel naïef hebben zij er gewoonlik geen idee van wat hun scheelt, totdat een meer ervaren oudere vriend ze inlicht. Of wel dolen ze in de vrije natuur rond, klagen tot de maan, snijden de naam van de geliefde in de boomschors en trachten de toekomst uit de bloemen te lezen. Zij leven van elkaars blikken of handdrukken; hij drinkt van de zelfde kant van de beker waar zij haar lippen gezet heeft, of kust de fluit waarop zij geblazen heeft. Er loopt ook veel eroties geflikflooi onder door. Hij mag een krekel aanpakken die op haar borst gevallen is, en als hij haar eens op een dag een toverformule hoort murmelen over de arm van haar dienstmaagd die door een bij gestoken is, dan beweert hij in zijn lippen gestoken te zijn, opdat zij dan met haar lippen dicht bij de zijne komen zal.
Het jonge meisje is wel eerst wat bleu, maar heeft toch niet al te veel aanmoediging nodig, zij is het ook dikwels die er wat op weet te vinden, hetzij dat zij haar cameriere er toe weet te krijgen haar te helpen of dat zij degeen die haar bewaakt een slaapmiddel toedient. Met Grieks-zinnelike verfijndheid wordt het genot geschilderd dat de kus geeft,--lang daarna kan de jongeling de kus nog op zijn lippen voelen. Maar dat genot is meer dan eens met filosofiese sentimentaliteit gepaard. De kus is het eerste zoete dat de geliefde te genieten krijgt, want het wordt door het schoonste deel van het lichaam voortgebracht,--de mond is immers het orgaan van de stem, en de stem is de afschaduwing van de ziel; door de aanraking der lippen vliet het genot in de ziel, zo goed als de ziel tot het zoete genot van de kus op wordt getrokken. »Nooit heb ik zulk een zielegenot gesmaakt, en toen pas wist ik dat er geen genot was dat met de liefdekus vergeleken kan worden." En de jongelieden generen zich ook niet alle andere liefdevruchten te plukken.
Of wel vluchten zij met elkaar en trouwen. Of wel voelen de ouders dat »het beter is, teneinde de onterende naam van de zinnelike begeerte te ontgaan, daarboven de wettelike banden van een eerbare vereniging te verkiezen en de ziekte der hartstocht in een huwelik om te zetten." Maar dan komen, na de idylle, de avonturen, de verwikkelingen en de beproevingen. Nu trekken zij op weg,--hetzij ze op de vlucht gaan, of dat een van beiden zijn ouders wil gaan bezoeken, of dat hij of zij bij vreemden opgevoed is, of zelfs, als dat alles niet kan, is er een orakelspreuk volgens welke zij na de bruiloft een reis moeten ondernemen. En op die reis raken ze dan van elkaar af, hetzij door schipbreuk of door een overval van zeerovers. Ook kan het motief zijn dat de jonge vrouw door boze tongen belasterd is en de man haar als ontrouw weg zendt; dan dwaalt zij de wereld om, maar hij komt daarna haar onschuld te weten en gaat ook ronddolen om haar te zoeken. En altijd dwalen ze alle beiden, elk op zijn eigen houtje, in de wereld rond, krijgen beiden de wisselvalligheden van het lot te verduren en zoeken elkaar overal. En op dit weefsel wordt nu verder doorgeborduurd.
Reisverhalen en berichten over vreemde landen en zeeën waren altijd bij het Griekse volk van zeevaarders en handelaren geliefd en in trek geweest. Bij Homerus zowel als bij Herodotus en de Latijnse bewerkingen van Virgilius, vindt men een bezinksel van al de verhalen van matrozen en handelsreizigers, waar het de Grieken nooit verveelde naar te luisteren. Maar nu is de Hellenistiese tijd van de wereld zo veel groter en zo veel bonter geworden dan ooit tevoren, en ook het verlangen om de wereld te leren kennen, zoveel sterker en zoveel gemakkeliker te voldoen. En uit Indië kwam er weer aanvoer van nieuwe zeemansverhalen over tochten naar Ceylon en andere merkwaardige landen,--dezelfde verhalen waaruit de Arabieren later de geschiedenis van Sindbad samen zouden stellen; uit Aegypte en Perzië, uit Scythië en het »uiterste Thule" kwam al meer en meer kennis en stof. Natuurkundigen en geografen kompileerden grote verzamelingen van »Paradoxa", allerlei merkwaardige gebeurtenissen, verhalen van dieren, planten, stenen, natuurfenomenen uit alle landen der wereld en de filosofen droomden temidden van hun Griekse overkultuur van een paradijs onder de gelukkige natuurvolkeren, en voor hun ogen stond het land der Hyperboraeën in 't Noorden, Atlantis in het Westen, of Indië ver in het Oosten als het ideaal van wijsheid en geluk. En van dit alles vindt men ook veel in de Griekse romans terug. Op hun reizen zien de geliefden vreemde klederdrachten en gewoonten, merkwaardige dieren en mensen; de lezer krijgt een beschrijving van de overstroming van de Nijl en van Aegyptiese toverformules, van kunstwerken te Delfi, Perziese hoven, Skytiese tempelfeesten, en veel van de magie en de toverij, waar de tijden zo vol van waren, vindt men in de romans weer. In de scholen der Sofisten en de rhetoren had zich een bloeiende beschrijvingskunst ontwikkeld die zich aan allerlei zeldzame en moeilike onderwerpen oefende, en het zijn de »opstellen" der leerlingen van die rhetorenscholen, die wij als delen van die romans aantreffen.
In die scholen was ook die fantasie en smaak geboren, welke de romanheld zich in allerlei extraordinaire avonturen en zielstoestanden doet storten. Bijvoorbeeld een rhetories beschreven zeestorm, een schipbreuk of een merkwaardige redding, dramatiese overvallen van piraten met daarop volgende gevangenschap en slavernij; plotselinge ontmoetingen, een even plotseling van elkaar afraken, verkledingen en vergissingen en herkenningsscènes. Zoals reeds in de nieuwere Attiese blijspelen wordt de knoop door allerlei romantiese motieven gelegd: kinderen die uitbesteed zijn geweest of geroofd waren geworden en ten slotte aan een moedervlek herkend worden of aan de doek waarin ze gewikkeld waren; mensen die erg op elkaar lijken en verwisseld worden, slavinnen die vrij geborenen blijken te zijn; mensen die als dood beweend worden en dan op eens nog tot de levenden blijken te behoren. En als een weifelen tussen dergelijke motieven wordt de handeling opgebouwd; het ene brengt die vooruit, het andere houdt die tegen. De twee geliefden lopen elkaar als gekken elk in een ander werelddeel te zoeken en schrijven elkaars naam op alle Hermeszuilen aan de weg voor het geval dat de ander daar ook voorbij mocht komen; of zij zijn vlak bij elkaar zonder er iets van te vermoeden, b.v. in hetzelfde huis door éen enkele muur gescheiden, spreken met elkaar zonder dat ze weten wie ze voor zich hebben, of wel de jongeling vindt een vrouwenlijk en meent dat het zijn geliefde is, hij begraaft het en is diep wanhopend, ofschoon zij het helemaal niet is; allerlei boze mensen trachten ze in het ongeluk te storten. Maar tegenover dit alles hebben de geliefden hun trouw te stellen, hun geduld en hun volharden. Maar zij _maken_ hun eigen lot niet als helden die de kracht om te handelen bezitten, zij _ondergaan_ hun lot. Beiden zuchten en wenen, klagen en verlangen in huilerige sentimentaliteit. De held zowel als de heldin vinden hun troost daarin dat ze overal waar zij komen gevoelvolle harten in hun lijden inwijden en in hun gevangenschap ontmoeten ze lotgenoten met wie zij hun tranen mengen, terwijl elk met zijn geschiedenis voor de dag komt en de anderen met de verhalen van zijn eigen ongeluk tracht te overbluffen. Met verfijnd materialisme krijgt men te horen »welk een smachtende schoonheid tranen aan een maagd schenken: het wit en het zwart in het oog vloeit te samen, terwijl het oog als een bron zwelt; het wit glinstert als een narcis, het zwarte gloeit als een viooltje, en de tranen die in het oog samengedrongen worden schijnen te glimlachen." Is de maagd schoon en wordt zij door hem die haar ziet wenen, bemind, dan »kunnen zijn ogen niet laten de hare te volgen, want de schoonheid die in de ogen der geliefde troont, vloeit daaruit in die van de toeschouwer over en trekt de tranenvloed tot zich; de schoonheid glijdt in de ziel van de toeschouwer over, maar de tranen behoudt hij in zijn oog, die wil hij niet afwissen, zijn geliefde moet die kunnen zien." Zelfs in de bruidsnacht liggen de twee gelieven samen te wenen in een soort melankolieke sentimentaliteit. Hij drinkt haar tranen, die hem zoet zijn en hem genezen, en zij legt zijn haar op haar eigen ogen opdat ook zijn haar de »liefdedrank" moge drinken; dan kust zij zijn ogen: »Gij hebt mij veel kwaad gedaan toen gij eerst mijn hart gewond hebt, maar gij hebt mij ook veel goed gedaan, toen gij mijn beeld de weg naar zijn hart weest. Daarom kus ik u; maar nu moet gij hem ook nooit een schonere vrouw laten zien die hem van mij af zou doen keren."
Tot de moeilikheden der twee gelieven hoort ook dat zij overal belaagd worden wegens hun schoonheid en hun beminnelikheid; zij, door tyrannen of rovers of door een lompe herder in wiens hut zij toevlucht gezocht heeft; hij, door vorstinnen in wier handen hij gevangen is geraakt. Maar hun trouw en hun kuisheid zijn in de regel tegen alle verzoeking bestand. Er is iets kristeliks in het gewicht dat in die romans op de kuisheid gelegd wordt. Tegenover al de pogingen der vorstinnen om hem te verleiden, staat hij als een Josef, en zij bewaart haar deugd als een ware heilige, in het bordeel zowel als tegenover alle dreigementen van een tyran: »Laat de martelwerktuigen maar brengen, laat het rad maar komen, hier zijn mijn handen; neem de zweep maar in de hand, hier is mijn rug. Een nieuwe kamp zal voor uwe ogen beginnen: niettegenstaande alle folteringen zal een vrouw alléén in haar strijd zegevieren."