De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen
Part 2
Maar het gevolg van die innerlike organisatie en de uiterlike beperking van de adel is nog bovendien dit--een andere zijde van de ontwikkeling--dat een groot deel van de krijgshaftige teugelloosheid van de wereld der baronnen onschadelik gemaakt moet worden, omdat die in de nieuwe maatschappij geen plaats kunnen vinden, niet in de nieuwe vormen »in-getemd" kunnen worden. Er zijn jongere zonen, die, al naarmate het eerstgeboorte recht bij de leenssuccessie toegepast wordt, zich van hun erfdeel beroofd zien en die daardoor tot een afhankelik hofleven bij de oudere broeder gedwongen worden; er zijn burchtheren, wier »chateau-fort" door de leenheer tegen den grond gegooid is of die arm geworden zijn omdat het volkje aan de voet van de burcht een charter had weten te verkrijgen en weigerden belastingen te betalen en de verplichte arbeid uit te voeren; bovendien nog al die onrustige elementen die zich niet in een meer geordende maatschappij vinden kunnen. Uit deze adel zonder land die niets heeft om voor eigen rekening om te vechten, worden de »chevaliers errants" gerekruteerd, die ridders die rondtrokken en hun armen en hun zwaard verhuurden als soldeniers--soldaten--aan de een of andere vorst, of die op avontuur uittrokken en zo dikwels genoeg in hun verval als struikrovers eindigden of zich bij de benden van Navarrezen, Brabanders en andere »routiers" aansloten die het Frankrijk van de 12de eeuw onveilig maakten. Een surrogaat voor de vroegere »guerres privées" werden ook voor velen de toernooien, die--oorspronkelik de oudste soort wapenoefeningen--in deze tijden meer en meer tot een feest werden, waarmede de vorsten in vredestijd de onrustige, oorlogszuchtige ridders bezighielden. Lang trachtte de geestelikheid die te verhinderen, maar ze bleken een zeer doelmatige veiligheidsklep voor de maatschappelike orde te zijn en de afstammelingen van de altijd kibbelende baronnen vonden er behagen in, de gehele zomer door, van 't ene toernooi bij de vorstelike hoven naar het andere te trekken. En 's winters vond men weer een ander surrogaat voor het vrije leven van strijd in het voordragen van heldendichten, wat nu in de mode kwam. Want het was nu eerst dat het grootste deel van de heldengedichten geredigeerd werd waarin wij de ideale zijde van de geest der baronnen uitgedrukt zagen en dat zij algemeen op de burchten gelezen werden; het »vertel, vertel!" dat men in de 12de eeuw over heel Frankrijk horen kon, is niet anders dan een uitdrukking er voor dat zekere krachten die in de werkelikheid geen vrij spel meer hebben, nu dit plezier op 't gebied van de fantasie moeten zien over te brengen. Maar ten slotte vond de maatschappij nog een veiligheidsklep in de krijgstochten en emigraties die gedurende de hele 11de en 12de eeuw de Franse adel aderlaten en daardoor een grote hoeveelheid van gistende stoffen verwijderen. Onder aanvoering, zeer natuurlik, van de Noormannen--de laatst er bij gekomenen van de Germaanse soldatenvolkeren--staken de mannen van Anjou, Bourgondië en Vlaanderen over naar Engeland onder Willem de Veroveraar en schiepen het machtige Engels-Normandiese rijk; andere Noormannen hadden zich kort daarvoor in Zuid-Italië vastgezet en daar te Napels en op Sicilië een Frans rijk gegrondvest; op het Pyrenése schiereiland steunden Franse baronnen Aragon tegen de Arabieren en een Bourgondise hertogszoon richtte een koninkrijk in Portugal op. En nu kwam Paus Urbanus en sprak te Clermont de verstandige woorden tot de adel: »Het land dat gij bewoont is te klein voor uw aantal, het heeft geen levensmiddelen genoeg om U allen te voeden. Daarom verscheurt gij elkander en eet gijlieden elkaar op. Sluit liever vrede en volgt mij op mijn kruistocht." Met entoesiasme greep de Franse adel deze oplossing aan en een hele eeuw lang werd het Oosten nu de plaats waar het instinkt van de vagebond en de grootspreker, waar eergierigheid en lust tot avonturen uiting en bevrediging konden vinden, alle gevoelens waarvoor er geen plaats was in het Frankrijk dat zich nu vormde.
De ridder is het type van den adel in de 12de en 13de eeuw, gelijk de baron het was in de 11de eeuw; waren toen de verspreid liggende kleine kastelen de centra van het adelsleven, nu worden het de grote grafelike en hertogelike hoven en die roepen tot ridderspel op en kruistocht, waar de adel alom aan mededoet. In de 12de en 13de eeuw is »Ridder" de aanduiding van de kleine adel, die slechts weinig grond bezit, zo al iets, maar die in dienst staat bij de grote seigneurs of die dan eens hier dan eens daar verblijf houden en die in bizondere mate de krijgsdienst en hofdienst tot hun levenstaak gemaakt hebben. De grote baronnen die hun goederen besturen moeten, hebben dikwels noch lust om zich op toernooien en in oorlogen in de wapenen te oefenen, noch om aan de hoven te dienen, dikwels laten zij zich dan ook helemaal niet tot ridder slaan. Aan de andere kant vindt men vele edellieden die te arm zijn om zich de dure wapenrusting aan te schaffen of het strijdros en de wapenen waar een ridder van voorzien moet zijn; die blijven geheel hun leven »equyers". Maar er zijn jongere zonen van goede familie of kinderen uit de verarmde adel die aan het hof van een vorst aangenomen worden en daar opgevoed; daar worden ze dan in de wapenhandel geoefend en leren er allerlei hofdiensten; wanneer ze òf de heer die ze dienen òf hun familie er toe kunnen brengen hun een wapenrusting of een paard ten geschenke te geven, dan worden ze bij het bereiken van de mannelijke leeftijd »adoubé", met het zwaard omgord, en ontvangen ze de »colée", de ridderslag met verschillende ceremonieën, en dan moeten ze voortaan hun »chevalerie" hoog houden, door zich zelf te voorzien, of zich door anderen te laten voorzien van ridderwapens en paard en door zich vlijtig in de wapenen te blijven oefenen. De ridders zijn daarom, niettegenstaande het feit dat zij dikwels onvermogend zijn, tot zekere hoogte een adel in de adel, zij zijn het die bij de hoven een opvoeding hebben gehad, het meest met hun stand overeenkomende en die door hun wapenen de oude eer van het vroegere werken van de adel ophouden. Het is een zeer individuele adel, niet erfelik en niet geërfd, maar door de enkeling verkregen, door zijn persoonlike verdienste en door zijn gehele wijze van leven opgehouden, bovendien ook een zeer ideële adel, noch aan grondbezit, noch aan bepaalde leenstoestanden gebonden, maar door de traditionele woorden tot de jonge ridder: »Sois preux!" aan het adelike krijgsmansideaal gewijd, dat zich langzamerhand gevormd had. En het is deze élite-adel, zeer individueel en ideël die in de 12de en 13de eeuw de drager wordt van de adelkultuur...
Op het baronnenleven en de baronnenpoëzie volgt een ridderlike hofkultuur en een ridderlike, avontuurlike poëzie...
II.
KRISTELIKE GEVOELSKULTUUR.
»Zalig zijn de zachtmoedigen... zalig zijn de barmhartigen... zalig zijn de vreedzamen... hebt uwe vijanden lief; zegent ze die u vervloeken." Kan men zich een groter tegenstelling denken met de krijgsmoraal die de baronnen in hun geweten gegrift vonden, dan zulke woorden die de huiskapelaans en biechtvaders overal de baronnen en hunne volgelingen lieten horen? »Zalig zijn die treuren... het is lichter dat een kamel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke inga in het koninkrijk Gods... Gij lieden moet den boze niet wederstaan... zoo iemand achter mij wil komen, die verloochene zich zelven en neme zijn kruis op en volge mij!" Wat zal deze monnikenleer niet vreemd die Seigneurs met hun heersersmoraal in de oren geklonken hebben! En toch was die kristelike levensopvatting door vele eeuwen heen offisieel aangenomen en het in alle lagen der maatschappij bekende geloof geweest, van kindsbeen af was elke baronnenzoon in zijn kristendom opgevoed geworden; met de stille stem van de biechtstoel had dat tot het geweten gesproken, op de hoogtijden der kerk was het door de priesters verkondigd en nu, in de 11de eeuw stond een machtige Europese kerk in de dienst van dat geloof en een talrijk leger van geesteliken streden in scholen, bij de kommuniegang en bij het ziekbed voor de zaak van Kristus.
Zekere kanten en vormen van het Kristendom waren altijd verenigbaar geweest met de levensopvatting der baronnen. Reeds van de tijd der Roomse keizers en de frankiese koningen af, had de kerk zich veelal aan de zijde van de Groten en de Heersers geschaard en getracht ze er van boven af voor te winnen de lagere volksklassen te kerstenen. »Geef Caesar wat Caesar's is... zo onderwerpt u dan Gode", heet het in de schrift en de kerk zalfde de koning, verklaarde zijn persoon heilig en onschendbaar en steunde de vorsten tegen hun onderdanen. Evenals de kerk zich zelf monarchisties organiseerde onder de paus, tracht die overal een daarmee overeenkomende hierarchiese indeling van de maatschappij in te voeren en te steunen. Gelijk de heerscharen der engelen in negen rangklassen ingedeeld waren, van de seraphine tot de laagste gewone »boodschappers", of gelijk de goddelike openbaring zich in de geschiedenis trapsgewijze voltrok door zeven wereldtijdperken heen,--zo was ook de sosiale standenindeling een goddelike instelling.
De natuurlike deugden van de adel kwamen bovendien dikwels vrijwel overeen met die welke het Kristendom inprentte. Hoe dikwijls vond de kerk niet bij de besten der edellieden een drang om de zwakken te beschutten, een mildheid tegenover de armen en een trotse hoogmoedigheid tegenover de overwonnenen die men zonder aarzeling tot kristelike deugden zou kunnen stempelen? En het gevoel dat de baronnen als »mensen" tegenover hun leenheer stonden--hoe gemakkelik liet zich dat niet verklaren tot trouw jegens den Hemelheer? Reeds de oud Angelsaksiese en Nedersaksiese dichters zongen van Kristus als de volksleider, de zegevorst die met zijn twaalf getrouwe »mannen", of »Recken", om trok, totdat een van hen tot verrader werd en zijn Meester in de handen van de vijand overleverde. En nu in de 11de eeuw, houdt de stervende Roeland zijn God de handschoen voor, gelijk een vazal zijn handschoen uit doet wanneer hij in de tegenwoordigheid van zijn leenheer komt. Menig bejaard ridder ging in zijn oude dagen in een klooster--gelijk van vele helden uit de gedichten verteld wordt--en diende trouw zijn hemelse heer, wanneer hij niet langer de macht had om zijn aardse heer te dienen. »Toen ik de eer had", zeide zulk een oude edelman in 't klooster, die ootmoedig 't werk van een kaarsdrager op zich genomen had, »ridder te zijn in de wereld en graaf, droeg ik gewillig de fakkel van een sterfelik koning; zou ik dan nu niet des te gewilliger een kaars dragen voor de hemelse keizer die ik nu dien?"
Het Kristendom zelf werd gekleurd door de aristokratie, eerst van het Romeinse keizerdom en daarna van de feodale maatschappij. Op de kristelike ootmoed en de drang om te knielen en te aanbidden, was het algemene servilisme niet zonder invloed. Wanneer men de brieven der geesteliken aan hun superieuren leest, of aan vorsten, of de grafschriften over hen, dan ziet men pas goed, hoe de kruipende beleefdheidsvormen van het Roomse keizerdom in het ootmoedige ceremonieel der monniken en de onderdanige politiek der kerk overgegaan zijn; terwijl de briefschrijver de geadresseerde overstroomt met titels als »Uwe Voortreffelikheid", »Uwe Grootmoedigheid" en »Uwe Genade": kruipt hij zelf in elkaar als »mea parvitas" en »mea humilitas". En wanneer men de geestelike kronieken leest, ziet men overal de gebogen nek van de monnik, die 't liefst zijn eigen mening onder stoelen en banken steekt, of in elk geval slechts vage en voorzichtige woorden over de machtigen op aarde uiten durft en van de panegyriën der antieke rhetoren over hun keizer en Maecenas, heeft hij een hoogdravende en opgemaakte stijl van zijn lofzanger geërfd, die 't eerst in de officiële »Vitae" der heiligen aangewend werden, maar langzamerhand op de wereldlike grote Hansen en mondaine onderwerpen overgebracht werd. Met plompe hovelingen-vleierij en in een opgeschroefde, bombastiese stijl vertelt hij van »de god-gewijde en om zijn vroomheid zo prijzenswaardige Jarl Adgar en zijn voortreffelike zonen" of »Philip, 's konings zoon, dewelke een liefelike bloem der jeugd is, die door de edele eenvoud van zijn aangezicht en de schoonheid van zijn lichaam waardig geschenen zou zijn over de gehele wereld te gebieden", en in de gezwollen stijl van de heiligenlevens, met voortdurende paralellen uit de bijbelse geschiedenis, wordt de nietswaardige Lodewijk de Vrome verheerlijkt, of de moord op de »goede" graaf Karel geschilderd en bij de dood van een der meest wereldlike en intrigante koninginnen, getuigt de kerk dat zij over de gehele wereld straalde door de glans van haar koninklike geboorte, zij smukte de adel van haar geslacht door haar eervol leven, verrijkte die door haar reine zeden, versierde die door de bloemen harer deugden en overtrof bijna alle andere wereldse vorstinnen, door de roem harer onvergelijkelike rechtvaardigheid. Door de idealiserende verheerliking der voornámen en hun leven konden zulke kronieken heel dikwels de onmiddellike voorgangers zijn van de heldendichten der baronnen en van de Ridderromans; evenals de kerk in het wereldlike leven medehielp om het gebouw der feodale hiërarchie te bevestigen, door er de stopverf der kristelike onderdanigheid bij te doen.
De verhouding van de kerk tot het krijgswezen was niet onverzoenliker dan tot de adel. Natuurlik moest het Kristendom in theorie zowel als in praktijk met afgrijzen voor het bloedvergieten terugdeinzen. Maar een zeker militair element drong toch reeds vroeg in het Kristendom door. De Schrift zelf schildert reeds de Kristelike loopbaan als de _strijd_ voor het Geloof. In de 2de en 3de eeuwen spreekt men van de _strijdende_ Kerk, de _strijders_ van Kristus; de doop wordt vergeleken met de eed die de soldaat op het vaandel aflegt en de martelaren die hun geloof met hun bloed bezegeld hebben, heten: »militum Christi cohors candida". Spoedig zag de kerk ook al in dat de gewapende macht een noodzaak was en trachtte de machtigen voor zich te winnen door hun de zege te beloven; Constantijn de Grote, zowel als de Frankenkoning Chlodewig, moeten beloofd hebben het Kristelike geloof aan te nemen indien Kristus hun wapenen de zege wilde verlenen. En van nu af was dat de gewone toestand: de soldaten zochten de hulp van Kristus en de kerk in de slag en de kerk trachtte de arm der soldaten voor haar bescherming te winnen. Constantijn zette het monogram van Kristus in zijn banier en een der kruisnagels in zijn helm, een ander in zijn leidsels. Karel de Grote had een zwaard dat hem door een engel uit de hemel gebracht was en zijn lans was dezelfde die eens in het lichaam van Kristus gestoken was. De ridders lieten relikwieën in de handvatsels van hun zwaarden zetten en deden hun wapens en de uitrusting met wijwater besprenkelen. Daar staat tegenover dat de kerk onder haar heiligen de Cappadociese ridder Joris had die de draak doodde en de prinses redde--de oude draken-doder der heldensagen die tot ridder geslagen is--en dezelfde H. Joris werd nu de heilige der soldaten.
Van betekenis werd het ook dat de kerk langzamerhand iets bij de ceremonieën van de ridderslag te zeggen kreeg. Reeds van het begin der 11de eeuw vindt men een kerkelik ceremonieel voor de »zegening van de Ridder", maar in elk geval werd het op het einde van de eeuw gewoonte dat de geestelikheid de wapenen van de jonge Ridder zegende, zelfs dienaren hem die aangordden en zo kwam natuurlik de ridderschap de plichten mede te brengen, ook in de kristelike deugden vooraan te staan en het zwaard te wijden »ter bescherming van de kerk, der weduwen en wezen en alle dienaren Gods." De gehele drang van het ridderwezen tot daden, om alle krachten boven het gewone en het gemiddelde in te spannen, om door zijn verdiensten roem en eer te verwerven--was dat niet hetzelfde streven dat alle kluizenaars en monnik-asceten der kerk bezielde? Hoe gemakkelik zou dat niet door de kerk van de wereldlike in de geestelike sfeer overgebracht kunnen worden? Niet weinig eergierige ridders zetten, wanneer een priester hen tot 't hart gesproken had, er al hunne zinnen op tot een soort adel van de Maatschappij van Kristus te worden en onder hen uit te blinken die 't hoogst op de ladder der volmaaktheid gestegen waren. Daar had men b.v. zulk een figuur als de gravenzoon Etienne d'Auvergne (11de eeuw) die op een mooie dag van heel zijn erfenis afstand deed, en alles opgaf, alleen zijn zegelring aan de vinger behield--het teken van zijn adelike geboorte--en naar een woeste bergkloof in de buurt van Limoges trok waar hij zich plechtig aan God en een asceties kluizenaarsleven wijdde.
Al deze aanrakingspunten hadden de baronnen met de kerk. En de meesten der bisschoppen en abten van de 11de en 12de eeuw die ook zelf door de goederen der kerk tot de feodale wereld hoorden, zelf leenheren en vazallen waren, leefden in vrede en vriendschap met de baronnen. Het was een aristokraties en zeer wereldlik Kristendom dat zij representeerden. Suger, de abt van St. Denis, de aanzienlikste der prelaten uit die tijd, leefde geheel en al gelijk een feodaal Seigneur; in zijn klooster weerklonken de gangen van de gespoorde ridderlaarzen, in de kapittelzaal onderhandelden advokaten over de geldzaken van het rijke klooster, Suger gaf schitterende feesten en jachtpartijen voor de vazallen van 't klooster en als de koning uittrok om zijn baronnen te tuchtigen, volgde de abt hem in volle wapenrusting, onze eigen Absolon gelijk, de stichter van Kopenhagen, die Aartsbisschop van Lund was, maar tegelijk de ziel van de krijgstochten tegen de Wenden. Over het klooster van Cluny schrijft de H. Bernardus dat »spaarzaamheid wordt daar als gierigheid beschouwd", soberheid als boersheid, stilzwijgendheid als zwaarmoedigheid; teugelloosheid werd daarentegen als liberaliteit beschouwd, verkwisting als vrijgevigheid, de praatjes der leeglopers heten goede manieren, gelach en grapjes zijn vrolikheid.
Maar toch,--nooit kon het geheel verborgen blijven, dat de levensbeschouwing en de moraliteit van het Kristendom in de grond van die van de baronnen verschilden. En van 't eigen ogenblik af dat de Frankiese krijgers de doop ontvangen hadden, had het Kristendom in steeds toenemende mate als een religie van liefde en zelfverlochening getracht, de verstokte harten der baronnen te vermurwen en hun stijve nekken te buigen.
Aan de ene kant dus als de verkondiging van de liefde. De kerk trachtte tegenstanders tot elkaar te brengen en op de kerkelike feestdagen gelijk op zekere weekdagen, een Godsvrede uit te schrijven en die deed altijd alles wat in haar macht stond om krijgsgevangenen los te kopen. Tegenover het woeste optreden van echtgenoten en broeders, trachtte die voor de vrouw op te komen, zij beschermde kinderen tegen het egoïsme der ouders--eeuw in, eeuw uit vocht zij tegen kindermoord, tegen het uitbesteden en de verkoop van kinderen; zij trachtte slaven en dienstbaren te beschutten tegen de hardheid en ruwheid hunner meesters; voor misdadigers die vol berouw de bescherming der kerk zochten, poogde zij genade te verkrijgen. Bij de hebzuchtige baronnen bedelde zij geld voor »Gods armen" en voor de bouw van hospitalen. Reeds midden in het donkere tijdperk der Merovingiërs vond men ze overal als de apostels van vrede en milddadigheid--een bisschop als de H. Germanus: een oude levensbeschrijving vertelde hoe hij aalmoezen bij de banketten der groten verzamelde en wanneer hij dan genoeg bijeen had om een slaaf los te kopen, dan verdwenen de rimpels van zijn voorhoofd, dan straalde zijn gezicht, dan liep hij met lichter schreden,--zijn spreken werd opgewekter, zodat men zou menen dat hij door een ander los te kopen, zich zelf bevrijd had van het »juk der slavernij";--of een abt als de H. Wandrégisilus: de oude »vita" vertelt hoe hij eens op een dag toen hij naar 't slot van Koning Dagobert moest, vlak voor de poort een arme man zag wiens wagen omgevallen was; de aanzienliken gingen de poort uit en in, niemand dacht er aan om de arme kerel te helpen, velen gaven hem zelfs een schop of vertrapten hem. Maar de abt stapte terstond van zijn paard en leende zelf de helpende hand om de wagen weer op te krijgen. Een anekdote als deze brengt ons in al haar eenvoud en geloofwaardigheid duidelik voor 't oog, hoe de kristelike geest in zijn meest gewone, meest humane vorm tegenover de gevoelloosheid der barbaren optrad.
En nu, in de 11de en 12de eeuw, is dit ontluikend gevoel van liefde van het Kristendom aangegroeid tot een dwepende sentimentaliteit die als een warme golf over de harde, woeste wereld der baronnen heenspoelt. Literair werkt die richting door vertalingen in de volkstaal en door veel van de meest gevoelvolle poëzie van 't Kristendom in de gedichten te geven, episoden uit de bijbel, van de oude poëtiese verhalen uit het evangelie en van de overal welig opschietende Grieks-Latijnse legenden. Wat werden de hoorders niet geroerd in burcht zowel als hut bij de voordracht door kristelike zangers van de geschiedenis van Josef--de uitvoerige schildering van de boze broeders en de hevige smart van de vader, 's jongelings moeilikheden in Egypte, zijn herstel, de ontmoeting met zijn broeders en ten slotte de tedere hereniging van vader en zoon. Wat een allerliefste, treffende kleine idyllen wisten de evangeliese verhalen niet te ontvouwen van de jeugd van Kristus en Maria: het verdriet van Joachim en Anna over hun kinderloos huwelik, hun vreugd toen zij eindelik Maria kregen--het opgroeien van 't meisje in de tempel en dan de keuze van de oude Josef tot haar echtgenoot,--alle omstandigheden bij de ontvangenis en de geboorte van Kristus--zijn spelen met de andere knapen: de zonnestralen waar hij op treedt, en de vogels van klei die hij 't leven geeft door in zijn handen te klappen. Vervolgens al die hartverscheurende schilderingen van Jezus' dood en lijden, de moeder die met het dode lichaam in haar armen klagend rondloopt, zij kust hem op zijn ogen, wangen en neus, omhelst hem met »al het zoete harer liefde", baadt zijn lichaam in tranen en smeekt haar »filium dulcissimum" om een levensteken te geven. En eindelik al die schone, sentimentele legenden,--over kluizenaars uit wier hand de leeuwen der wildernis vruchten eten of die zij te hulp komen,... over de H. Martinus die de helft van zijn mantel aan de bedelaar geeft, of over Christophorus, ongemeen groot van gestalte, die het kind Jezus op zijn schouders draagt... over de H. Margarethe, wier reinheidsstralen haar in de gevangenis tegen de draken van de Duivel beschermen en op wier schouders de hemelse witte duif nederfladdert. In al dergelijke kristelike poëzie hoort men tonen die in de muziek der ridderromantiek terug te vinden zijn.