De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen
Part 19
Het was een heel wat andere vorm waarin de geschiedenis van de verovering van Troje zich hier deed kennen dan bij Homerus. Alle twee de schrijvers doen zich voor als betrouwbare historici die zelf als ooggetuigen de gebeurtenissen hebben bijgewoond, dageliks hun dagboek daarover hebben bijgeschreven--Dares aan de kant der Trojanen, Dictys bij de Grieken--en die nu droog, kort en nauwkeurig, alles mededelen zoals dat een geschiedkundige uit de school van Thucydides en Sallustius past, zonder de partijdige leugens of de poëtiese fabelen van Homerus, en dus ook zonder de godenwereld die hij er zo kinderachtig bij haalt. Benoît de St. More in zijn Roman van Troje, gelooft vast en zeker dat zijn autoriteiten zelf in het Griekse en Trojaanse kamp rond hebben gedoold, maar dat verhindert niet dat hij zelf de droge mededelingen van zijn geschiedschrijvers met alle details aanvult die hij maar te pakken krijgen kan. Hij is uitstekend thuis in de wereld der Franse heldendichten en er lopen hem gedurig formulen en citaten daaruit in de pen; gevechten en verwondingen schildert hij ook met grote kennis van zaken en er ligt over zijn verzen iets van het strijdgenot zelf, de »gaudia certaminis" der heldendichten, wanneer er in de horen geblazen wordt, de wapens in de zon schitteren, de banieren over het strijdgewoel waaien en de zwaarden tegen de helmen dreunen; het is dan ook zeker wel uit zijn hart gesproken wanneer een der helden van de oorlogszuchtige geestelike zegt: dat men nooit naar priesterraad luisteren mag, dat zijn altijd lafaards, die moeten thuis blijven, in de kerk bidden en zich niet met ridders bemoeien. Maar de romanticus die hij is, weet heel goed dat het leven in de Griekse oudheid er anders uitzag dan in Frankrijk ten tijde van Lodewijk de zevende en hij amuseert zich zelf zowel als zijn lezers met alle fraaiigheden op te dissen die hij maar vinden kan. Hij vertelt van lijkverbranding en de spelen die daar bij plaats hadden, »want dezulken lees ik dat men in die dagen arrangeerde wanneer er een held gestorven was." Aan de verhalen over de kruistochten en aan het Oosten ontleent hij--evenals zijn voorgangers--heel wat exotiese kleur, nog meer bovennatuurlike natuurkunde en stukjes naïeve middeleeuwse kosmografie. Alles wat oud is en vreemd en merkwaardig, is voor hem één en hij zwelgt er gewoon in. Wat weet hij al niet te vertellen? Van de stad Troje, waar alles van marmer is en de straten geplaveid waren en gedeeltelik overdekt, zodat men er lopen kon zonder vuil te worden. Over het slot van Priamus dat hij bij zijn beschrijving versiert in de trant van de tempel van Salomo in het Boek der Koningen, of van het zonnepaleis bij Ovidius of het keizerlik paleis te Byzantium; in elke zuil en in elk kapiteel zijn bloemen- en dieren-versieringen gebeeldhouwd (als in de Romaanse kerken), de ramen zijn van kristal en in de kamers vindt men gouden standbeelden. Bizonder merkwaardig is »de Kamer der Schoonheid" die haar licht alleen kreeg van al de edelstenen, waarvan de vloer en de muren, de zuilen en de zoldering samengesteld waren--dezelfde waar ook het nieuwe Jerusalem in de openbaring van Johannes mede was opgebouwd,--en aan de zuilen waren weer beelden aangebracht die gelijk automaten dansten en speelden, bloemen op de grond strooiden en welriekende geuren verspreidden. Dan vertelt onze geestelike verder van al de prachtige en wonderbare kleêrdrachten die de Trojaanse dames aan hadden--al de nieuwe kleurrijke stoffen van de Levant met bonte patronen--en over de kleedij der soldaten, hun wapens en hun prachtige fantastiese schildversieringen, de met edelstenen bezette gouden helmen, hoeden van Indiese vogelveren, de mantel van Hektor uit rood laken van Saragossa, met vergulde leeuwen bedekt, met hermelijn gevoerd en met een rand van zwart sabelbont; de witte zijden paardendekken met vergulde bellen; strijdwagens van ivoor, de wielen van ebbenhout met goud beslagen. Zulke wonderwerken zijn dan natuurlik door tovenaars gemaakt of een geschenk van feeën. Wij horen ook van Centauren die aan het gevecht deelnamen en met pijl en boog schieten,--gelijk men ze onder de figuren van de dierenriem der Romaanse kerkportalen in steen uitgehouwen kan zien. Ten slotte vindt Benoît nog gelegenheid om, naar een fabuleuze wereldbeschrijving van voor de tijd van Karel de Grote, een heel overzicht te leveren over de merkwaardige landen en rivieren en volkeren van het Oosten.
Ook de persoon zijner helden weet hij te beschrijven tot in de kleinste détails. Hier had hij de eigen woorden van Dares om zich aan te houden. Bij Dares en zeker ook wel bij Dictys waren er een hele reeks karakteristieken te vinden van alle personen, hun innerlik zo wel als hun uiterlik,--in de compendia die tot ons gekomen zijn, werken die met de nauwkeurige opgave van alle kentekenen als een soort offisiële pas. Het is waarschijnlik een soort uitvinding der rhetoren, net als de nauwkeurige beschrijvingen die men er plezier in had van kunstwerken te geven,--dergelijke voorstellingen van de optredende personen door een korte opgave van uiterlike en innerlike trekken kennen trouwens ook de IJslandse sagen. Van Grieken zowel als Trojanen worden door onze exacte, realistiese geschiedschrijvers de eigenaardigheden, maar ook de ondeugden opgesomd. Helena heeft een moedervlek, Briseis wordt enigsins ontsierd door haar samengegroeide wenkbrauwen, en er is ook iets niet in orde met Priamus die enigsins vreemd spreekt. Neoptolemos heeft een te dikke buik en grote ronde ogen; die had de rechten bestudeerd en kon verzen maken; de kleine dikke roodharige Aeneas is wel verstandig, maar denkt altijd 't eerst aan zijn eigen voordeel. Paris die anders zo schoon is, loopt toch met een enigsins kromme rug. Zelfs van Hektor kan men bij Dares lezen dat hij scheel is en stottert. En zo moet ook de trouvère wel in alle eerlikheid toegeven dat zijn lievelingsheld »wel iets schoner had kunnen zijn" en dat hij niet alleen iets of wat stotterde maar ook aan beide ogen scheel zag,--»wat hem toch volstrekt niet misstaat" haast hij zich er bij te voegen. En niettegenstaande al die kleine gebreken houdt hij de baronnen van de 12de eeuw toch al die Grieken en Trojanen voor als de typen van »hoofsheid" en ridderlikheid. De trouvère wil juist in zijn gedicht de grotere beschaving der Grieken als een ideaal zijn tijdgenoten voorhouden. Hij doet b.v. uitkomen hoe daar in de oude tijd de gezanten zeker konden zijn dat ze nooit overlast zouden lijden,--iets wat hun in de Franse »chansons de geste" voortdurend overkomt. Hij prijst Achilles in tegenstelling met de baronnen der heldenpoëzij daarvoor, dat hij nooit nà tafel onder een beker wijn zou blijven zitten pochen. Wanneer Achilles en Hektor voor de tweekamp tegenover elkaar komen te staan, beginnen zij eerst alle twee te snoeven en te dreigen--zoals dat in de heldenpoëzie gewoonte was--maar Hektor breekt plotseling af en zegt dat hij zijn mond niet vuil wil maken met dingen waardoor de mens niet beter wordt. Theseus waarschuwt in het gevecht Hektor dat hij zich in de hitte van het gevecht te ver van zijn mannen gewaagd heeft, later krijgt Hektor gelegenheid hem een dergelijke dienst te bewijzen. Maar de trouvère vindt het heel lelik wanneer Hektor eens een gevallen vijand plundert,--iets wat de krijgers in de heldengedichten kalm doen en men ook op het wandtapijt van Bayeux ziet gebeuren.
De Trojanen--aan wier zijde Benoît staat evenals de gehele Middeleeuwen--overtreffen de Grieken in hoofse vormen. Elke avond, wanneer zij de strijd verlaten en hun wapenrustingen uitgetrokken hebben, worden ze tot fijngekultiveerde mensen. Wanneer Hektor thuis komt, gaat hij eerst zijn mannen in hun nachtverblijf opzoeken, en geeft order om de gewonden goed te verzorgen en spreekt hun moed in. Dan pas gaat hij naar zijn kasteel en dan trachten de dames om strijd hem zijn wapenrusting uit te trekken,--nooit zouden zijn schildknapen dat mogen doen. Eens komt hij gewond thuis, het valt hun lastig hem zijn bebloede rok uit te trekken, zijn echtgenote Andromache weent, en hij wordt in een prachtig bed gelegd in de »chambre de beauté", waar een beroemd geneesheer de wonden komt behandelen. Vóór hij in slaap valt, komt zijn oude vader, »de edele, hoofse koning Priamus", angstig naar hem informeren, maar Hektor antwoordt geruststellend. Steeds wordt de oude man grote eerbied bewezen; de kinderen zijn er altijd op uit hem zo min mogelik verdriet te doen en wanneer de koningin der Amazonen, na de dood van Hektor, de stad ter hulpe snelt, is zij vol medelijden met de oude koning, want hij weent groteliks over de zonen die hij verloren heeft. En als een goede, edele vrouw troost zij hem zo goed als ze kan. Gelijk het ook in de raadsvergaderingen heel wat meer parlementair en beschaafd toe gaat dan b.v. in het Rolandslied--Hektor is het met een voorslag niet eens en argumenteert er tegen, maar zegt ten slotte dat hij zich natuurlik niet wil verzetten tegen wat de anderen het beste zouden vinden,--zo is er ook altijd de warmste, schoonste verhouding tussen alle leden der koninklike familie, de schoondochters inkluis. Iedereen kust daar iedereen,--en overal. Angstig volgen de dames overdag de strijd van de muren af, 's avonds komen de vorsten de dames in de »kamer der schoonheid" bezoeken; hier praten ze gezellig met elkaar en de oude koningin maant alle aanwezigen in bewogen woorden aan om »lor cors, lor terre et lor aveir" eensgezind te verdedigen. Tegenover Helena zijn allen louter galanterie; reeds dadelik toen zij naar Troje kwam, was koning Priamus haar tegemoet gereden en had haar paard bij de teugel de stad ingeleid; nooit krijgt zij het minste verwijt te horen, hoogstens kan Hektor eens op een manier, die ons niet heel delikaat lijkt, een grap verkopen over »haar twee echtgenoten", die zij nu samen kan zien vechten.
Hoofse beminnelikheid, een milde zachte humaniteit is het voor Benoît waar men de ware adel aan herkent. Reeds die hiervoor genoemde »signalementen" hadden dit bizonder doen uitkomen, maar de geesteliken gaan hierin veel verder. Achilles was »nimmer zwaarmoedig en korzelig, maar opgewekt, milddadig en royaal",--Patroklus is een innemend, beminnelik ridder, die niets gesteld is op boosheid en verdriet; van de dikke Polidarius heet het daarentegen dat hij zwaarmoedig was en nooit van vrolikheid hield, wat een berisping verdient. Priamus wordt geprezen wegens zijn zachte lieve stem en omdat hij zo veel hield van liederen en geschiedenisjes. Maar vóór allen is Hektor het ideaal van een ridder. Zijn »cortesie" is zo groot dat Grieken zowel als Trojanen in vergelijking met hem »gewone boeren" zijn, nooit gebruikte hij lelike woorden of sprak hij kwaad, altijd toonde hij zelfbeheersing, alleen gaf hij te graag alles weg, en gaf niets om goud of paarden of edelstenen, »alleen zijn edel gemoed hield hij voor zich".
Maar toch,--de natuur gaat boven de leer, en telkens als de trouvère zich eens goed en van nabij in de stof inleeft, vergeet hij dat hij zich in een hogere, meer ideale sfeer moet bewegen en dan haalt hij, evenals de dichter van de roman van Aeneas, alles in de nuchtere naïeve werkelikheid neer waar hij thuis hoorde.
Een van de schoonste scènes van de Ilias is die waar Hektor naar zijn woning gegaan is om voor de strijd van zijn vrouw afscheid te nemen, maar haar met zijn kind en de voedster tegen komt, vol onrust en angst. Zij smeekt hem om thuis te blijven. »Vrouwe, dit alles bekommert mij ook," antwoordt hij, maar het is zijn plicht om ten strijde te trekken... en dan wil hij zijn jongen in de armen nemen, maar die is bang voor 't »golvende, de helmkam dekkende paardhaar" en kruipt weg, zodat vader en moeder elkaar in een gelukkige glimlach over hun kind ontmoeten. Nu neemt Hektor zijn helm af en kust zijn jongen en wiegt hem in zijn armen, bidt voor hem tot de goden en legt hem dan weer aan moeder's borst, door haar tranen heen glimlacht zij en drukt hem tegen zich aan. Dan scheiden ze van elkander, en zij gaat de zware weg naar huis; »zijn vrouw ging talmende huiswaarts, telkens het hoofd weer wendend en hevige tranen vergietend". Van deze hoogte--de meest gevoelvolle innigheid, maar beheerst door natuurlike adel en een zuiver plichtgevoel--was reeds de voorstelling bij Dares diep gezonken. Andromache heeft in haar dromen voorspellingen gekregen en heeft Hektor gebeden thuis te blijven, maar hij verwijt haar die »vrouwelike woorden" en in haar angst zendt zij iemand naar Priamus met de vraag zijn zoon te verbieden die dag ten strijde te trekken. Als Hektor dat hoort bromt hij op zijn vrouw en beveelt haar zijn wapens te halen. Vergeefs tracht Andromache op zijn gemoed te werken door hem de knaap toe te steken, haar klachten doen de mensen er bij komen en nu ijlt zij zelf weg naar Priamus... Bij Benoît eindelik is alle hoogheid uit die scènes verdwenen, die zijn zo brutaal en woest dat de hoofse Hektor niet meer te herkennen is. »Dat verwachtte ik wel dat er geen greintje gezond verstand meer in je is," zegt hij hard tot zijn vrouw, en het scheelde niet veel, zegt de dichter of hij had zijn vrouw geslagen. De oude Hekuba komt er nu bij en tracht de held tot betere gedachten te brengen, maar hij doet niets dan bedreigingen tegen zijn vrouw uiten. Terwijl hij zijn wapenrusting aantrekt, slaat zij zich wanhopend op haar borst, trekt zich de haren uit, werpt zich voor haar man op de knieën, terwijl hij juist zijn kniestukken aangordt, en houdt hem het kind smekend vóór, »dat kleine kind, dat gij uit uw eigen vlees gewekt hebt" en dat nu vaderloos zal worden. Maar Hektor is woedend en wil weg. Schreeuwend ijlt Andromache de stad door naar Priamus; als de oude man haar aangehoord heeft, zucht hij bang en diep, kijkt voor zich heen, tranen biggelen op zijn kin en kleêren; met moeite stijgt hij te paard en rijdt weg. Midden op de straat treft hij zijn zoon, »zwetend van boosheid", met een rood gezicht en opgezwollen ogen, alsof hij geweend had. Nu verbiedt hij hem te gaan strijden, en brommende en scheldende op die gekke vrouwen moet Hektor naar huis terug; niemand durft hem aankijken en hij is er niet toe te brengen zijn wapenrusting af te leggen.
Van het hoge van Homerus en de »Sitte" is hier niets meer over, maar de middeleeuwse dichter heeft alles fris en zelfstandig beleefd. Maar evenals in de roman van Aeneas is het toch vooral in het liefdeleven dat de innerlike wereld, die tot nu toe alleen de theologen hadden nagegaan, zich nu voor de fantasie van de dichter opent. Nog meer dan de »roman d'Enée" zou de roman van Troje een voorbeeld voor de lateren worden door zijn beroemde schilderingen, waarin het vrouwenhart zijn liefdeleven blootlegt.
Het is Medea, de Colchiese koningsdochter, die op de vreemdeling verliefd wordt, welke zij in haar vaders burcht ziet. Tegen de nacht beraamt zij een ontmoeting met Jason. Ongeduldig zit zij in haar kamer te wachten, kijkt steeds weer of de maan nog niet op is en gaat aan de zaal staan luisteren of de mannen zich nog niet gereed maken om naar bed te gaan. »Hebben die nu gezworen dat zij nooit naar bed zullen gaan?--de nacht is weldra half voorbij", klaagt zij. Nu begint zij zich een beetje over zich zelf te schamen, gaat op haar bed zitten, staat weer op, opent het raam en merkt dat de maan al op is. Nu wordt het in de grote zaal ook stil, zij ziet dat de kamerdienaars daar de bedden al opmaken, en tegelijk ziet zij dat Jason zich ook te slapen legt; nu zendt zij haar oude cameriere om hem te halen. Maar de dienstmaagd zegt haar dat zij nu in bed moet gaan liggen, »dat is veel meer zoals het hoort", en doen alsof zij slaapt. Dat doet ze dan ook en speelt een hele komedie wanneer hij komt; gemelik en bedeesd vraagt zij wat hij wil, nu was zij na al dat lawaai in de zaal juist zo heerlik in slaap gevallen. In alle vormen van de troubadour »geeft" Jason »zich aan haar over" als zijn heerseres »en smeekt haar zijn eed van hulde te aanvaarden als haar getrouwe vazal". En wanneer hij haar bij het beeld ener godheid zijn trouw bezworen heeft, brengen ze samen de nacht in liefdegenot door. Dat is een Medea, die van Benoît, welke heel ver afstaat van de kuise en trotse jonge Medea van de Griekse dichter, Apollonius van Rhodus, in wier ziel de hartstocht langzamerhand de overmacht krijgt en zelfs heel wat anders is dan die van Ovidius in wie verstand met hartstocht strijdt. Die van Benoît is misschien nog 't meest verwant aan de Saraceense vrouw uit de gedichten der kruistochten of de dochter van de Wildeman in de oude verhalen: de heidin die woest op de gevangen held verliefd wordt, hem verlost en zo nodig helpt om haar eigen vader te doden.
Fijner en meer gecompliceerd is de liefde in een andere episode geschilderd, die de grootste literair-historiese betekenis gehad heeft. De geschiedenis van Troilus en Briseis geeft in een kort bestek--waarschijnlik niet door Benoît zelf gevonden, maar iets wat hem in een uitgebreider versie van Dares voorlag dan die welke wij nu kennen--een staaltje van alles wat Ovidius geleerd had over de onbestendigheid en de erotiese behaagzucht van de vrouw. Het lag voor de hand Helena zelf als het type van vrouwelike zwakheid en veranderlikheid op te vatten en dat had Ovidius in zijn »Heroiden" dan ook gedaan. De brief waarmede zij op de liefdebetuigingen van Paris antwoordt, die hij haar in de handen heeft weten te spelen, terwijl hij te Sparta als gast vertoeft, is een meesterstuk van koketterie en slimheid en wispelturigheid. Zij begint hem met verwijten te overladen dat hij haar zo beledigt en de gastvrijheid zo misbruikt en wijst verontwaardigd zijn aanzoek af. Maar dan voegt zij er bij dat zij eigelik al lang de taal zijner ogen en zijn zuchten verstaan heeft en dat zij gelezen had wat hij in de wijn geschreven had die er op tafel gemorst was; zij was heus bang geweest dat haar man iets gemerkt zou hebben. Zij geeft toe: hij is schoon... laat er een woordje van los dat hij ook niet de eerste is die om haar gezucht heeft,... spreekt van haar man... van haar reputatie... laat onbewust--of waarschijnlik met opzet--merken hoe verliefd zij zelf is... en zegt ten slotte dat Paris in elk geval veel te haastig in zijn werk gaan wil en oogsten wil terwijl het gras nog groen is; ofschoon... de gelegenheid nu juist schoon is terwijl haar man juist afwezig is... en zegt dat, mocht hij haar nog iets mede te delen hebben, hij verzocht wordt gebruik te maken van twee van haar maagden die zij hem als trouwe en ook betrouwbare helpers noemt.
Maar al ligt nu ook de skepsis van de libertijn Ovidius aan de figuur van Briseis ten grondslag, toch heeft de Oosterse verachting voor de vrouw en de angst der monniken voor haar er ook toe bijgedragen. Het monnikenkristendom dat de vrouwen vijandelik tegenover stond, kreeg er nooit genoeg van de trouweloosheid van de vrouw af te schilderen en om naar de talrijke spreekwoorden en exempelen daarvan in de bijbel te verwijzen, van Eva tot Dalila. En door de Latijnse verzamelingen van vertelsels, zoals de geschiedenis van de Zeven Wijzen, zowel als langs de mondelinge weg werden de Middeleeuwen met een rijke keur van histories voorzien over de sluwheid en de valsheid van de vrouw. Die geschiedenis welke de Middeleeuwen het best kende was het relaas dat men al bij de Latijnse schrijver Petronius vindt onder de titel van »de Weduwe van Ephesus", een weduwe die zich ontroostbaar in het grafmonument van haar man heeft opgesloten, maar zich al een van de eerste nachten aan een soldaat geeft, die op het kerkhof onder een paar galgen de wacht houdt, terwijl zij zelfs medehelpt om het lijk van haar man aan de galg te hangen, in plaats van een dief die heeft weten te ontkomen, om op die manier de soldaat voor straf te vrijwaren.