De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen

Part 18

Chapter 183,561 wordsPublic domain

Het galant erotiese verknoeit, verwatert de wilde tragiek. Bij Statius ijlt Jokaste, de oude moeder der twee strijdende broeders in de vroege morgenstond, bleek met ongekamd hangende haren--een Erinye om aan te zien--naar het vijandelike kamp, steunend op haar dochters; haar borst is naakt en onder wild weeklagen slaat zij haar armen aan 't bloeden; woest klopt zij op de poort en baant zich niettegenstaande alle tegenstand een weg tot de koningstent waar zij haar klachten en boosheid over haar zoon uitstort. Maar in de roman trekt zij netjes zo als 't hoort met een gezantschap op weg, vergezeld van haar twee schone, fraai uitgedoste dochters; voorname jongelingen leiden de paarden der dames. Evenals Flore en Beauté in de Alexanderromans maken ze onderweg kennis met een paar van de vreemde ridders die ze naar het kamp vergezellen. Een van hen is de jonge vorst Parthenopaeus die »naar de Franse mode" gekleed is. Die wordt terstond op de schone Antigone verliefd, wier lichaam door het eenvoudig blanke purperen gewaad heen te zien komt, en dat bovendien tot aan de gordel toe open staat; heur haar is omwonden met zilverdraad. Onderweg voeren ze een levendige conversatie, zonder onfatsoenlike woorden, maar toch ook niet al te ernstig of deftig, integendeel schertsend en vriendschappelik. Hij vraagt haar dadelik of zij zijn vriendin wil zijn. Trots maar beleefd antwoordt zij dat die liefde wel wat al te spoedig in zijn werk zou gaan; zo iets kan men aan herderinnetjes vragen en aan andere lichte vrouwen, maar zij is maagd en koningsdochter en kan zich niet zo vlug tot zo iets lenen. »Maar daarom zeg ik niet" voegt zij er met haar aangeboren natuurlikheid bij--»en daar durf ik gerust voor uitkomen, dat ik u niet zeer lief kan hebben, indien gij van mijn eigen stand waart, en het uitgemaakt was dat ik uw vrouw zou worden. Want schoon zijt gij voor alle anderen en nooit zag ik zulk een edel heer." Niets van dit alles vindt men bij Statius. Nu vertelt Parthenopaeus dat hij uit een koninklik geslacht is en dan vraagt zij hem er met haar moeder over te willen spreken. Die vindt alles zelf wel goed, maar zij wil toch de zaak eerst thuis met Eteokles overleggen en zo rijden ze verder; zo weinig bekommeren de jongelui zich over de vredesonderhandelingen dat zij wensten dat de tocht naar 't kamp nog lang zou duren. En als dan daarna Jokaste in de tent des konings over de »overeenkomst" onderhandelt, blijven de jonge ridders haar dochters gezelschap houden en maken ze 't hof (doneier) en ze vragen God de onderhandelingen niet al te gauw ten einde te brengen. Ismene, die in een goede leerschool geweest is, doet niets dan disputeren en weet haar tongetje aardig te roeren; zij verdedigt het standpunt van Thebe, terwijl Antigone met 't oog op Parthenopæus steeds aan de kant der Grieken staat. Zo oppervlakkig is het tragiese konflikt in Antigone voorgesteld. Wanneer de onderhandelingen mislukt zijn en de strijd opnieuw ontbrandt, zendt Parthenopæus het paard van een verslagen Thebaan als trofee naar zijn dame--zij en Ismene zitten juist onder de schaduw van een pijnboom naar het gevecht te kijken--en Antigone zendt hem haar groeten terug met een betuiging van haar gevoelens van liefde.--Intussen volgt Ismene met haar ogen de heldendaden van haar geliefde, de Thebaan Aton,--zij herkent hem aan de zijden mouw die hij als haar ridder draagt--en zij raakt door die heldendaden zo zeer in vervoering dat zij zweert hem te zullen belonen: Of ik nu een domheid bega of niet, maar ik geloof toch dat ik bij hem zal slapen.

Ook koning Eteokles had een liefdesavontuur, hij maakt de dochter van een zijner aanvoerders het hof,--en de aard van zijn verhouding tot haar wordt nog aangegeven door het zeer weinig fatsoenlike portret van zijn geliefde dat hij voor de grap op zijn schild heeft laten aanbrengen (ook graaf Willem van Poitou liet zijn vriendin op zijn schild afbeelden; hij wilde haar in de slag dragen die hem zo dikwels in het bed gedragen had). Zij had heel lang de gebeden van haar koning weerstaan, maar eens had haar vader een verraad begaan, en nu stond zijn leven op 't spel en Antigone leidde nu de jonge maagd naar haar broeder. Een pikant-aandoenlike scène,--die, gelijk zo dikwels in de middeleeuwse romans veel naïefs en ruws achter sentimentaliteit verbergt. Wij horen hoe schoon zij in haar verdriet is; van haar haar dat zij zich niet de moeite gegeven heeft op te maken; de kleine zachte mond welks volle lippen als gemaakt zijn om te kussen; haar ogen, glimlachend en vol liefde, die nu bedauwd zijn; haar tranen, schoner dan de glimlach van andere vrouwen; onschuldig ziet zij er uit, haar woorden klinken zacht. De koning kan zich nauweliks inhouden om haar niet vriendelik te gemoet te snellen, maar hij verliest zijn waardigheid niet uit 't oog en wil haar nu geen medelijden tonen die dit nooit voor hem had. Maar Antigone zal haar voorspraak zijn, en zij raadt hun aan elkaar barmhartigheid te tonen en zij slaagt er in de verzoening te weeg te brengen. En van nu af is Salamandre de vriendin des konings, dikwels trekt hij ten strijde om in haar ogen uit te blinken; wanneer ze alleen zijn, beloont zij hem daarvoor.

Maar bij een kamp, werpt Parthenopaeus de koning van zijn paard--doden wil hij hem niet, want hij hoopt immers zijn zwager te worden--maar verraderlik velt een van 's konings trawanten de jonge held, tot grote smart van Eteokles die zelf zijn zuster's hand voor hem bestemd had. Boven in een van de torens zitten juist Antigone en Salamandre bij hun borduurraam naar de strijd te kijken; vergeefs tracht de laatste de wanhopige koningsdochter in te houden.--»Gij zijt van koninklijk geslacht," zegt zij eigenaardig genoeg, »en moet u kunnen beheersen, opdat men u niet lake,"--maar nog geen week later heeft Antigone zich dood geweend.

Dit alles is er bijgevoegd en de elegante figuur van de jeugdige Parthenopaeus ging even als de jonge liefde van Aton en Ismene reeds in de laatste helft van de 12de eeuw in de gemeenschappelike poëtiese schatkamer van de lyriek der troubadours en hun romans over.

Maar in de »Roman van Aeneas" kwamen er twee liefdes-episodes voor waarbij die in de roman van Thebe in 't niet verzonken. De gehele nationale achtergrond waarop in het Romeinse epos de avonturen van Aeneas zich aftekenen en van waar ze verlicht worden, is in de middeleeuwse roman natuurlik verdwenen. De Aeneis toch was een Romeins nationaal gedicht, geschreven ter verheerliking van het Romeinse keizerschap om de stichting van het rijk aan het overoude, eerwaardige Ilium te verbinden en het onder de bescherming der eeuwige machten te plaatsen; dat alle avonturen van Aeneas, van de val van Ilium af tot de opoffering van Dido toe, schakels zijn in de keten van een goddelike wereldorde, die tot het Augustiaanse keizerrijk leiden moet,--dat is de idee die grootheid en waardigheid, ethiek en pathos over alle personen en gebeurtenissen van het gedicht werpt. Maar in de Middeleeuwse roman schrompelden die reuzenafmetingen in tot een heel weinig belangrijk geschiedenisje van een vluchteling, die met enige schepen omdwaalt, gastvrij door een koningin ontvangen wordt, die hem lief heeft, maar die hij trouweloos verlaat, waarop hij grond in Latium verwerft en in de strijd het rijk en de koningsdochter weet te veroveren. Een avontuurlike roman zoals b.v. Apollonius van Tyrus dat geweest was, en zonder dat er sprake is van noodlot of een missie. De enige hoofdepisode is zijn liefdebetrekking tot de koningin van Carthago. De vorstin die evenals Medea in de oude saga een vreemdeling haar liefde schenkt maar door hem verlaten wordt, heeft bij Virgilius een myties-heroiese grootheid over zich en er is iets van een natuurmacht, iets van een noodlot in de liefde van die twee en haar dood. In de Franse roman daarentegen is het niets dan een avontuurtje tussen een man en een vrouw, die hun luimen volgen en zelf hun noodlot bezegelen. Naïef wordt er eerst verhaald hoe Aeneas, vergezeld door Ascanius, op bezoek komt in het slot van Dido; in de roman bepaalt zich de goddelike interventie tot het feit dat Venus het gift van de liefde op de lippen van de knaap uitgegoten heeft, en terwijl onder het bezoek dan eens de gastvrouw, dan eens de vader dat lieve kind kussen, zuigen ze beiden de liefde in. Vooral vlamt die in Dido op en als zij des avonds hare gasten op 't slot naar bed heeft gebracht, »kan zij er zich nauweliks toe brengen weg te gaan". Familiaar en realisties wordt dan haar slapelooze nacht geschilderd. Waar Virgilius zich vergenoegt met te zeggen dat »de liefde-onrust gunt geen slaap haar in de ogen", gaapt hier de heldin, rekt zich uit, zucht, denkt er over na hoe hij was en wat hij zeide; zij zoent het hoofdkussen en omhelst het, terwijl zij zich verbeeldt dat zij hem naakt in haar armen sluit. Met zulke détails schilderde ook de troubadour van Provence de slapeloze nacht van zijn geliefde. Met de dageraad staat ze op en roept haar kamenier niet, maar ijlt terstond naar haar zuster Anna. Bij Virgilius houdt zij dan een lange pathetiese rede tot haar zuster volgens alle regelen van de kunst, over haar liefde tot de vreemdeling, maar ook over de eed die zij haar gestorven echtgenoot gezworen had dat zij eeuwig weduwe zou blijven. Naïef, maar natuurgetrouw heet het in de roman: »Anna, ik geloof dat ik niet langer kan blijven leven, zuster!"--»Wat is er dan gebeurd?"--»Ik ben mijzelf niet meer, ik kan het niet meer verbergen: ik heb lief."--»En wie is het?"--»Dit zal ik je zeggen, het is voorwaar hij..." Maar wanneer zij zijn naam zal noemen, valt zij in zwijm en kan zij pas later voortgaan. Haar zuster antwoordt ook niet in zulk een deftige speech als de Anna van Virgilius, maar tracht haar te doen begrijpen,--prakties en cynies, als later zo dikwels de koppelaarsters in de ridderromans--dat die trouw jegens een afgestorvene nu niet zo heel veel betekent, dat zij van hem toch geen plezier kan hebben of een erfgenaam krijgen; het is een goed waar woord: »laat de doden voor de doden en de levenden voor de levenden zorgen." Er moet toch ook iemand zijn om het land te verdedigen.

Nu geeft de koningin zich geheel en al aan haar passie over en onder het samenzijn met Aeneas groeit die de volgende dagen steeds aan; zij weet niet wat zij doet, vraagt haar gast duizend maal hetzelfde en vertelt hem los en vast, alleen maar om met hem te kunnen praten. Om haar gedachten te verzetten--hier worden de gebeurtenissen weer, als gewoonlik bij de Middeleeuwse dichters, zuiver psychologies gemotiveerd zonder het Virgiliaanse godenapparaat--arrangeert zij een jachtpartij. En gedurende die jacht is het dan dat Aeneas en Dido in een grot een schuilplaats zoeken voor een onweer. »Die dag was het begin van dood en ongeluk; om decorum en haar reputatie geeft zij niet meer, zij vraagt niet om heimelike liefde, zij spreekt van een huwelik en verschoont haar val met deze naam." In die kuise algemene bewoordingen duidt Virgilius aan wat de trouvère zich niet geneert rond uit te zeggen: »Daar zijn die twee nu alleen tesamen, hij doet met haar wat hem lust, veel geweld hoeft hij niet te gebruiken. De koningin weigert hem niets, maar geeft hem zijn wil; lang had zij er zelf naar verlangd." Bij Virgilius waar alles goddelik bestierd is met het oog op de missie van Aeneas, is het eigelik alleen Dido die lief heeft en wanneer Mercurius kort daarna Aeneas beveelt verder te trekken, gehoorzaamt deze zonder aarzelen. Maar hier voelt hij twijfel en gewetenswroeging, voor dat hij zijn besluit nemen kan. En 't duurt niet lang of Dido doorziet zijn plannen. Bij Virgilius raast Dido dan als een furie of een Bacchante in het paleis en de stad rond en giet in lange tirades haar klachten over de verrader uit, haar verwijten, haar woede en haar vloek: zij wenst zijn dood en verzekert dat zij als een zwarte furie om zijn lijkstoet zal fladderen. Anders bij de Franse Dido, zij is in 't kristendom opgevoed en in de wereld der baronnen en spreekt met heel wat meer vrouwelike ingetogenheid en zachtheid, zij smeekt om medelijden, vraagt hem of zij iets misdaan heeft, is bang voor haar baronnen die er al lang boos over waren dat zij zich met de vreemdeling ingelaten heeft, en zegt dat het haar dood zal zijn. Wanneer Aeneas weg zeilt, gaat zij de vrijwillige vlammendood tegemoet op die zelfde kussens waarop zij zijn liefde genoten heeft en kust het bed en zijn feestklederen, ten teken dat zij hem vergeven heeft. Terwijl de vlammen haar schone, blanke, zachte lichaam lekken, is »Aeneas" het enige woord dat zij er nog uit kan krijgen. Haar as wordt in een urn gedaan waarop geschreven staat: »Hier rust Dido die voor haar liefde in den dood ging; nooit was er een betere heiden, als zij alleen maar niet plotseling door liefde was getroffen, maar haar liefde was misdaad." Terwijl Virgilius in Dido's dood alleen maar een grote hartstocht zag in haar schoonheid als natuurmacht, werd die voor de middeleeuwse dichter een voorwerp van aandoening en medelijden, een zedelik afschuwwekkend, maar ook stichtelik voorbeeld.

Later landt Aeneas dan in Latium, waar koning Latinus heel spoedig geneigd blijkt de vreemdeling als zijn schoonzoon en erfgenaam aan te nemen, terwijl de koningin haar dochter Lavinia aan koning Turnus wil geven, die oudere rechten op haar kan laten gelden. De betrekking tussen Aeneas en Lavinia, bij Virgilius vluchtig aangeduid, maar misschien meer uitgewerkt in een niet overgeleverd later Latijns gedicht, wordt in de roman aangegrepen als een welkome aanleiding om daar weer een andere lang uitgesponnen liefdesgeschiedenis aan vast te knopen, waarin het onschuldige verliefdheidje van de jonge koningsdochter een schone tegenstelling vormt met de hete, ervaren passie van de vorstelike weduwe.

Lavinia's moeder wil haar kind liefde voor Turnus doen voelen en tracht haar nu te verklaren wat liefde eigelik voor een eigenaardige koorts is. Maar als 't jonge meisje die beschrijving hoort, is 't enige wat zij daaruit afleidt, dat zij zich die ziekte wel van 't lijf zal weten te houden. Dan verklaart haar moeder verder hoe die ziekte juist zijn geneesmiddel in zich draagt, hoe er vreugde welt uit tranen en uit het bittere, zoet; laat zij maar even naar 't beeld van Amor kijken, die heeft pijlen maar ook een doos met zalf tegen de wonden door de pijlen veroorzaakt. Dit helpt alles niets, het jonge meisje wil haar rust bewaren. Deze hele scène herinnert aan de zoetsappige naïeveteit in »Daphnis en Chloë" of andere latere klassieke liefderomans. Intussen krijgt Lavinia onder een wapenstilstand van uit haar torenkamer Aeneas in het oog in het vijandelik kamp, en op 't zelfde ogenblik wordt zij door een liefdepijl gewond. Zij opent haar kamerdeur om hem beter te kunnen zien en vraagt nu zich zelf af--evenals Chloë--wat er toch eigelik is. Zou dat de ziekte zijn waar moeder onlangs over sprak? Maar waar zou de medicijn dan blijven die Amor, zoals moeder zeide, medebracht? Ik ben bang dat de doos verloren is en de zalf weg! Maar ik moet verbergen wat mij scheelt. Moeder zal woedend zijn dat ik de erfvijand liefheb. En zij blijft zo in zich zelf praten; daar komt het innerlike drama van het gehele zieleleven te voorschijn, waar de klassieken en de geestelike literatuur het oog der middeleeuwse schrijvers voor geopend hebben en die de romans van nu af, in eindeloze spitsvondige dialogen met zich zelf, trachten weer te geven. Een ogenblik denkt zij er werkelik aan zich tussen Turnus en Aeneas te verdelen, maar zij zet die lelike gedachte van zich af: ware liefde gaat slechts van één tot één; men kan tegen velen glimlachen, maar hij die meer dan een wil liefhebben, houdt zich niet aan de voorschriften der liefde. Zij denkt er over een boodschap naar Aeneas te sturen maar durft toch de eerste stap niet doen, hij mag toch niet denken dat zij lichtvaardig is. De gehele dag zit zij te staren in de richting die hij genomen heeft, en 's nachts ligt zij slapeloos te klagen dat Amor zo wreed is een arm, weerloos jong meisje te overvallen. Wanneer de koningin de volgende dag haar dochter zo bleek en afgevallen ziet verschijnen, begrijpt zij heel gauw wat haar scheelt en letter voor letter--in hele korte vragen en antwoorden, bijna als in de Latijnse komedies--weet zij de naam van het »voorwerp" uit Lavinia te halen. Verbitterd dat dit nu juist Aeneas moet zijn, tracht zij Lavinia tot andere gedachten te brengen door de ruwste en verschrikkelikste beschuldigingen tegen hem in te brengen, hoe Aeneas aan de paederastie doet,--ook dit duidt op een laat klassieke bron voor deze episode. Maar het helpt alles niet; wanneer het jonge meisje alleen gebleven is, schrijft zij een brief »tot en latin", waarin zij Aeneas haar liefde bekent en om de zijne vraagt. Zij bindt die brief aan een pijl en weet door een list een boogschutter er toe te krijgen die naar het vijandelike kamp te schieten. Die liefdegroet is wel enigsins onvoorzichtig, maar bereikt toch zijn doel. De pijl valt naast Aeneas neer, die ziet de brief, leest die en kijkt in de richting van de toren waar zij hem kushanden toe staat te werpen. Als in de Noordfranse romances is het jonge meisje het nog dat het initiatief neemt; wij zijn nog niet tot het troubadour-standpunt gekomen. Aeneas neemt de toenadering goed op en staat van nu af dikwels naar de toren te kijken, tegenover zijn mannen doet hij heel naïef, net alsof het de toren zelf is die hij bewondert, maar zij begrijpen er alles van en plagen hem met allerlei toespelingen. Maar het is ook hier altijd de vrouw die 't meest door de liefde geplaagd wordt als in 't geval van Dido; maar _hij_ vindt niet dat het geheel en al met zijn waardigheid strookt om te laten merken dat hij verliefd is en hij laat zich daarom soms een ganse dag niet zien. »Hij die een vrouw wil liefhebben, zo redeneert hij, moet zijn hart niet al te haastig voor haar openen, hij moet zich enigsins op een afstand houden, want als de vrouw weet dat zij de sterkste is, krijgt hij dat spoedig te voelen." Wanhopig begint Lavinia hem reeds van al dat slechte te verdenken dat haar moeder haar voorgelogen heeft en besluit hem van nu af te haten,--»als ik hem tenminste van ganser harte haten kàn"; maar wanneer zij hem tegen de avond voorbij ziet rijden, zelf onder de indruk van wat zijn liefde hem doet ontberen, krijgt zij berouw over haar boosheid. »Ach! het duurt te lang voor hij zijn recht van mij opeist. Zoete vriend, te voet zou ik naar uw tent willen gaan, het zou mij een genot zijn smart voor u te voelen." Het is als 't gevoel voor Abélard voor Héloise die zijn slavin wilde zijn. Zelfs als Aeneas eindelik Turnus, zijn mededinger, geveld heeft en recht heeft op het rijk en de prinses, houdt hij haar nog lang in haar smartelike onzekerheid; uit een soort trots of een soort verfijnde wreedheid wacht hij nog met zijn bezoek bij haar, en zij is verdrietig, daar zij denken moet dat hij haar veracht omdat zij de eerste stap gedaan heeft. Totdat ten slotte de kroningsfeestelikheden en de bruiloft op één dag plaats hebben.

De episoden van Dido en Aeneas zowel als Lavinia en Aeneas bleven een voorbeeld voor talrijke latere ridderromans. Dit was over het algemeen ook met de roman van Aeneas het geval, niet alleen wat betreft de schilderachtige beschrijvingen, maar ook wat de levendige gesprekken aangaat, pikant gepointeerd, toen reeds echt Frans-spiritueel.

Maar ook deze roman werd in de schaduw gesteld door een andere en latere navolger--het enorme werk van Benoît de St. More--de »Roman van Troje", een gedicht uit ± 1160 en dat in vele opzichten onder de invloed van zijn twee voorgangers staat.

* * * * *

Van alle verhalen uit de oudheid was er geen één dat de Middeleeuwen zo bezig hield als dat van Troje. Evenals de Romeinen van de gevluchte Trojanen heetten af te stammen, zo trachtten zowel patriciese geslachten, enkele steden, als verschillende volken--Franken zowel als Britten--hun oorsprong tot Troje op te voeren. Reeds in de 7de eeuw kan men in de kroniek van Fredegarius lezen dat de Franken van Francio, de zoon van koning Priamus afstammen en in de offisiële dokumenten der Franse koningen komt die bewering voortdurend weer voor den dag. In een kroniek van de 9de eeuw beweren de Britten van hun kant ook van Troje te komen door een afstammeling van Aeneas, genaamd Brutus, waar ook de naam Britten dan vandaan zou komen. En er waren ook reeds heel wat Latijnse kronieken en Latijnse gedichten over de val van Troje geschreven, vóór een geestelike zich er nu toe aangordde om een berijmde roman over de beroemdste van alle klassieke verhalen te schrijven.

Zijn bron was niet Homerus, maar twee Latijnse prosawerken, die respektievelik Dares en Dictys als schrijver noemden en die vrij korte uittreksels schijnen te zijn van Griekse of Latijnse werken uit de latere classiciteit.