De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen

Part 17

Chapter 173,500 wordsPublic domain

Alexander--dat was half middeleeuws, half Oosters-antiek werk. De oudheid zelf was, zoals wij gezien hebben, voor de fantasie der Middeleeuwen nooit geheel dood geweest. De grote massa had van munten en ivoorwerk en andere kleinodiën, van half vergane beelden en reliëfs een wazige voorstelling van Griekse goden en Romeinse keizers en de fantasie der studerende klerken was vervuld van een bonte menigte barokke beelden van de Griekse mythenwereld en Romeinse geschiedenis. Maar vooral stond men toch onder de invloed van de dekadente, vervallen oudheid; er waren half-barbaarse triomfbogen en sarkofagen uit de latere keizertijd over en bovendien had men mythografen en de lexicografen en de florilegia uit de rhetoren-scholen die in 't bizonder bestudeerd werden. De Griekse oudheid--Homerus zowel als de treurspeldichters--lag helemaal buiten hun gezichtseinder; de schrijvers der Latijnse Gouden Eeuw--misschien zelfs Ovidius en Virgilius--werden meest in latere prosa-bewerkingen of uittreksels gelezen en in de nationalistiese interpretaties der grammatici was Uranus tot een koninklike sterrekundige geworden, Medusa tot een Libyse vorstin en Aeolus tot een weerprofeet en uitvinder van de zeilen op de schepen. Reeds lang hadden zich hier en daar geesteliken geamuseerd met een episode uit Ovidius of Virgilius in Latijnse verzen te behandelen, maar van omstreeks het jaar 1100 af brengen de rondtrekkende scholieren en halfgestudeerde speellieden talrijke voorstellingen uit de oudheid in omloop. Aan de hoven zong men of vertelde men van Narcissus en van Orfeus, of de geschiedenis van Dido en Aeneas; dergelijke verhalen worden nu ook overal in de geestelike romans ingevlochten. Enkele van die berijmde vertellingen naar Ovidius zijn in 't Frans en Engels tot ons gekomen; ook nog fragmenten van komplete vertalingen in het Frans en Duits van Ovidius' »Metamorphoses". In de »Gesta Romanorum", een Latijnse verzameling van kleine prozavertellingen, en de vele bewerkingen daarvan in de volkstaal van verschillende landen, vinden we ook nog verschillende motieven van Ovidius en Livius terug.

Het is een geromantiseerde klassieke literatuur--barok ingekleed, grillig en vreemd--soms erg nuchter en zonder enig begrip er van, in huiselike middeleeuwse toestanden omgezet, soms daarentegen door vrome geesteliken tot in een ideale sfeer opgeheven of door de fantasie der speellieden tot het niveau van de gewoonste avontuurtjes teruggebracht.

Eerst zijn er dan hele massa's goden en godinnen. Men raakt de kluts bij al die namen gemakkelik kwijt: Apollo en Apelles, Cybele en Sibylle zijn licht te verwarren; sommigen dachten eigelik, zoals b.v. de kerkvaders, dat zij duivels waren,--zo werd er b.v. gezegd dat Apollo door de Saracenen aangebeden en vereerd werd, even goed als Mahomed en Tervagaunt en al die andere duivelse goden van hen--maar anderen beweerden dat Apollo een speelman geweest was, die ook een uitstekend jager was en de mensen à raison van zoveel de toekomst voorspelde. Tovenaars en boze wezens waren het in elk geval; men moest maar eens bij Meester Ovidius lezen, hoe Jupiter zich in alle gedaanten om kon toveren en wat een hoereerder en Sodomiet hij was. Maar het was toch maar het beste op goede voet met hen te staan, daar wist Paulus van mee te spreken, toen de hele familie uit de Olympus met hun rijke gaven aan kwam zetten,--Apollo met apoteek-zalf, Ceres met een massa zakken koren, Pallas met een hele vracht boeken.

Dan was er al die andere hekserij en duivelskunsten, waar de klerken der oudheid van wisten te vertellen. Waternymfen zoals die ook in Bretagne voorkwamen; zeemeerminnen en sirenen die »een lied zingen dat musica heet, en dat de schippers in 't verderf stort"; de kleine duivel Spin (d. w. z. Sfinks) die alle mensen in de afgrond wierp, welke zijn raadsels niet konden oplossen; de tovenaar Virgilius die even ervaren was in de zwarte kunst als Merlijn bij de Britten, en allerlei snuggere mechanismen op 't Capitool te Rome aanbracht ter bescherming van het Romeinse rijk. Toverij moet er ook geschuild hebben, dacht de trouvère, in die geschiedenis van een vorst die een witte koe bezat die zulke heerlike melk gaf en die hij door een man met honderd ogen liet bewaken, of in het verhaal van de koningsdochter Ariadne, wier vrijers allemaal naar een grote tuin gebracht werden, die zodanig ingericht was dat niemand er weer uit wist te komen, terwijl er nog een lelik beest van een leeuw ook in huis hield. Maar 't alleraardigste in al die klassieke feeënverhalen was dat van koning Orpheus wiens koningin Heurodis naar 't onderaardse feeënrijk van Pluto weggevoerd was. Wanhopend trekt Orpheus weg en leeft als een wildeman alleen in 't bos: alleen zijn harp heeft hij meegenomen en alle wilde dieren komen naar hem luisteren als hij daar op speelt. Dikwels ziet hij daar in de stilte van het bos de Alfenkoning op jacht met zijn gehele gevolg en onder de vrolike dames daaronder ontdekt hij op een zekere dag zijn geroofde vrouw. In zijn speelmanskleedij gaat hij met de stoet mede door een opening in de berg naar het prachtige slot van de Alfenkoning en dààr speelt Orpheus zó schoon voor de koning en het hof dat hij permissie kreeg zijn Heurodis weer naar zijn eigen koninkrijk mede te nemen. (De Engelse Sir Orfeo naar een verloren Frans _lai_.)

Even als nu de ridderverhalen uit zijn eigen tijd tekenden zich voor de trouvère al die mooie aandoenlike liefdesgeschiedenissen af, waar Ovidius van vertelde,--van Prinses Atalante die met haar vrijers een wedloop aanging en hoe een arm ridder die won omdat hij een rozenkrans, een zijden ceintuur en een gouden bal bij zich had gestoken die hij onderweg liet vallen; van Pyramus en Thisbe die niettegenstaande »die huote" (de bewakers) in het groene bos elkaar zouden ontmoeten, maar zo ongelukkig om het leven kwamen, maar vooral de schone geschiedenis van Narcissus: dat was een allerheerlikste jonge man, met haar, zo verguld dat een jonkvrouw het als gouddraad had kunnen gebruiken om mede te borduren, en met een mond die alle vrouwen een »kus mij" scheen toe te roepen, en ogen die reeds menige jonkvrouw gewond moesten hebben. De vorstendochter zit aan het raam in haar vaders slot en wordt door Amor's pijl verwond wanneer hij voorbij komt; slapeloos wentelt zij zich op haar sponde heen en weer, zodat zij haar kamenier moet roepen om 't bed over te maken, de volgende dag gaat zij in 't bos wandelen, en ontmoet daar de ridder en bekent hem stamelend en blozend haar liefde,--alleen om door de hardvochtige jongeling uitgelachen te worden. Maar de straf van de God der liefde blijft niet uit. Als hij, vermoeid van de jacht, zich bij een boom neer heeft gelegd, wordt hij door zijn eigen beeld bekoord en versmacht van ongelukkige liefde; de vorstendochter komt de stervende jongeling nog eens opzoeken,--met gebroken hart vindt men haar later over 's jongelings lijk.

En zo zijn er nog zeer vele geschiedenissen. Maar tot gehele grote romans zwollen de vertellingen op van de drie meest belangrijke gebeurtenissen in de oudheid: de strijd om Thebe, waar Statius in zijn heldendicht van had verteld, de stichting van het Romeinse rijk door Aeneas waar Virgilius van had gezongen en de verovering van Troje waar Dares en Dictys een betrouwbare schildering van gegeven hadden. Deze romans werden in het midden van de 12de eeuw in Frankrijk geschreven, ergens aan de kant van Anjou-Poitou.

* * * * *

De twee epopeeën van Virgilius en Statius werden met ernst en ijverig door de middeleeuwse literair-ontwikkelde geesteliken gelezen. Vooral Virgilius was reeds van de laatste jaren der oudheid het Latijns leesboek bij uitnemendheid voor alle scholen geweest, elke regel van de Aeneis werd literair en uit een grammaties oogpunt verklaard; op het toneel en in natuurschilderingen en geweven behangsels werden Dido en Aeneas roerend afgebeeld en wat de Sofisten begonnen hadden, zetten de middeleeuwse geesteliken voort: het gedicht werd allegories opgevat en geïnterpreteerd. Zo was het vol van alle menselike wijsheid, als een fabel symbolies aangeduid,--beweerde de kerk--en terwijl velen in Virgilius de grote tovenaar en duizendkunstenaar zagen, en zijn boek opsloegen om de voorspellingen er in, verklaarden anderen dat hij Kristen was en verwezen daarvoor naar de bekende vierde Ecloga, waarin de Mantuaan de zege van het kristendom voorspeld had. Zo werd ook Statius tot een kristen gemaakt en de Thebaïde was niet minder beroemd en alom bekend dan de Aeneide.

Maar als de twee Latijnse heldengedichten nu tot onderhoudende romans voor ridders en hun dames omgewerkt worden, zet de schrijver de deftige hexameters en de epiese kunststijl eerst en vooral in een gewone verteltrant en in achtlettergrepige rijmkroniekverzen om, waardoor alles in een meer flegmatiese toon gestemd wordt en tot een heel wat lagere sfeer afdaalt. »Infandum regina, jubes renovare dolorem," wordt tot »Vrouwe zegt hij, al mijn smarte wekt gij weer van harte." »Et hæc meminisse juvabit" heet nu: »Eens zal het u vreugde schenken,--hier weer aan terug te denken,--dan deelt gij dikwels vrolik mee, 't kwaad door U geleên op zee." »Manet alta mente repostum--judicium Paridis spretæque injuria formae," luidt: »Juno, de hemelkoningin,--voor hen met afgunst in den zin, had een gevoel van grote haat, voor elk die kwam uit Troja's staat, sinds Paris 't oordeel had gesproken,--moest zij op Troja's macht gewroken." De machtige kaskaden van 't oude rhythme zijn tot een vulgair kabbelen en babbelen geworden. Zo wordt ook de gehele inkleding van de epiese stijl weggeworpen: de vergelijkingen, de epitheta en de andere rhetoriese figuren. En daarmede gaat ook het gehele mythologiese godenapparaat overboord, dat er ook bij de Romeinse kunstdichters reeds heel losjes bij hing en geheel verdwenen moet zijn in de proza-bewerkingen voor schoolgebruik die de Middeleeuwse dichters waarschijnlik gekend hebben. Wanneer Fama naar koning Euander ijlt met de boodschap van Pallas' dood, wordt dit in de vertaling dat de koning mannen uitzendt om nieuws te horen waar zij mee naar huis moeten komen. In plaats van Iris in Virgilius komen gewone spionnen, zelfs de rol van Venus in de Aeneis wordt eigelik niet veel meer dan die van een goedgezinde fee, en terwijl bij Virgilius Camilla een amazone is, die de kunst van bovennatuurlike sport verstond, wordt zij hier een gewone jonkvrouw uit de ridderwereld die paard rijdt en de wapens weet te hanteren.

In 't algemeen ziet de Middeleeuwse dichter wat hij bij Virgilius en Statius leest, in het licht van zijn eigen tijd en interpreteert hij de woorden naar de betekenis die ze voor zijn eigen tijd hebben,--tekent hij en kleurt hij alles volgens de opvattingen der tijdgenoten. Wanneer hij van Thebe en Carthago leest, ziet hij de tinnen op de muren voor zich, ophaalbruggen en torens op de stadspoorten die elk door een graaf bewaakt worden. De tempels zijn voor hem gelijk Romaanse kerken, de soldaten zijn ridders. Amphiareus wordt in zijn verbeelding tot een aartsbisschop in helm en maliënkolder, gelijk Turpijn in het »Chanson de Roland". Uitdrukkelik wordt hij met Turpijn vergeleken, gelijk Tydeus met Roland, des morgens, wanneer de torenwachter op zijn horen blaast en de nachtegalen in de pijnbomen slaan, komt Tydeus aangereden, kaarsrecht zit hij op zijn paard uit Gascogne, met de lans recht naar boven, met gulden sporen, met zijn zwaard dat Wieland gesmeed en meester Vulcanus geslepen heeft,--precies als Roland voor zijn schare bij Roncevaux. De Sibylle wordt een gerimpelde heks die de kunst van de »necromantie" verstaat. Wanneer Ismene, de zuster van Eteokles haar geliefde verloren heeft, gaat zij in een klooster en haar broeder verleent dat klooster molens en het recht tot visserij in de rivieren die daar voorbij vlieten. Nog meer wordt in de miniaturen der handschriften alles gemoderniseerd. Wanneer de boodschapper bijv. bij Aeneas komt, treft hij die aan het schaken.

In vele opzichten ging het dan ook zeer gemakkelik om de oude heldenfeiten in de sfeer der »chansons de geste" over te brengen,--vooral omdat het Romeinse kunst-epos een naïeve oude sagawereld behandelde die in meer dan één punt op het zelfde beschavings-niveau stond als de Franse heldendichten. Wanneer Oedipus als de moordenaar van Laius diens weduwe nog met bloedige handen tracht te verzoenen door haar te huwen, dan is dat een erg barbarisme voor de zo zeer gekultiveerde dichter uit de Romeinse keizertijd, maar voor het publiek van de Franse heldenpoëzie was het gewoon en natuurlik. Evenzo dat de koning van Argos, de avond zelf van de aankomst der verbannen vreemdelingen, zijn dochters in de zaal doet leiden en ze aan de gasten ten huwelik biedt. Op zulke punten vonden de Franse trouvère en de rhapsode van de oorspronkelike oude Griekse heldensage elkaar weer achter de artistieke behandeling van Statius. Of wanneer Tydeus met de gezanten voor Thebe komt en gewapend de zaal binnenrijdt, waar de koning met zijn mannen zit te eten,--wanneer Tydeus hun daar zijn uitdaging naar 't hoofd slingert, waarop ze elkaar over en weer met bedreigingen overladen, en wanneer hij dan op de terugweg in een hinderlaag valt, maar er zich dapper doorslaat,--dan is dit presies als het de afgezant van Karel de Grote verging in een van de Franse heldendichten.

Maar toch is er genoeg nieuws en merkwaardigs dat de fantasie van de Middeleeuwse dichter boeit. Feitelik leert hij van de antieke kunst de wereld van buiten te schetsen en te schilderen. Terwijl de oude kronieken droog waren en grauw en ook de heldendichten nog het schilderachtige misten, leert nu de roman van Virgilius en Statius de kunst van het beschrijven. Ofschoon,--zelfs nu vinden wij er nog geen uitwerking in détails van gewone dagelikse dingen. Waar Virgilius homeries schildert hoe de mannen van Aeneas vonken uit steen slaan, de sintels in bladen bewaren enz., daar roept de trouvère alleen maar: »zij legden een vuur aan en bereidden een maaltijd." Het elegies-romantiese natuurgevoel van de stadsbewoner kent hij niet. Als Virgilius van de sombere rotsen en schrikaanjagende bossen van de Libyse kust vertelt of hoe de bladeren in 't najaar vallen en de kraanvogels voor 't vertrek bijéén komen, laat de roman dit weg. Maar wel heeft die van Virgilius en Statius geleerd de kleerdrachten en wapenrustingen te beschrijven, een kamp of een storm op zee, offers in de tempel of gymnastiekspelen. En dan tracht de schrijver alle beschrijvingen te overtreffen door de pracht van zijn wapenen en tenten, grafmonumenten of kunst- en vliegwerk,--presies als in de Alexanderroman. Op het kapitool van Karthago worden van die zelfde toverwerken aangebracht die volgens de »Mirabilia urbis Romae" op het kapitool van het oude Rome te vinden waren; Karthago heeft magneten als muren--evenals er volgens de reizen van Sindbad de zeeman, magneet-bergen (volgens de verhalen van een Spaanse jood: glazen muren) om Damascus zijn. Men tracht Virgilius te overtreffen bij het schilderen van de ongure détails van het nederdalen in de hel, waarbij Charon tot een duivel wordt. Allerlei natuur-merkwaardigheden worden er in gevoegd: uit het schuim op de bek van Cerberus groeit een vergift, dat stiefmoeders aan hun stiefkinderen geven. De mannen van Aeneas vangen kleine visjes waar ze rood purper uit halen,--het zwarte purper krijgen ze daarentegen uit een slang die krokodil heet, enz.

Evenals in de Alexanderromans, ontleent men ook trekken aan de kruistochten om een Oosterse lokale kleur te scheppen. Meer dan een episode is uit de kronieken en heldendichten over de kruistochten, naar 't schijnt, overgenomen. Daarin vindt men b.v. zulk een verhaal als van een troep oude grijze soldaten die op het kritiese ogenblik in een gevecht de kruisvaarders ter hulp waren gesneld,--niemand wist waar vandaan,--in de geestelike kronieken is het een hemelse heerschare van in het wit geklede martelaars (»militum Christi cohors candida" is immers de oude naam der martelaars), in het heldengedicht zijn het alleen maar veteranen die hun witte baard over hun kolder hebben laten vallen, zoals in de Chanson de Roland de oude krijgslieden van Karel de Grote doen. Die hulp door oude grijze mannen vinden wij ook weer in de »Zeven tegen Thebe" terug. Evenzo kan men in een episode van diezelfde roman een vertelling uit de kruistocht herkennen van een der emirs van Antiochië, wiens zoon door de Franken gevangen was genomen, maar grootmoedig naar zijn vader terug gezonden wordt met rijke geschenken, waarop deze tot dank de stad verraderlik aan Bohemund overgaf.

Maar het schelst komt het verschil van sfeer tussen het Latijnse epos en de roman van de trouvères uit bij de behandeling van zielstoestanden. Daar staat elegante kultuur tegenover naïeve natuur. Een jongeling die met Ismene, de zuster des konings, verloofd is, wordt stervend uit de slag naar huis gedragen en vraagt om nog slechts ééns, voor 't laatst, zijn bruid te mogen zien. Bij de antieke dichter houdt een gevoel van schaamte om haar liefde en smart op straat te tonen, de jonge vorstelike maagd in haar vertwijfeling terug; haar moeder moet haar dwingen zich naar zijn sponde te begeven en zo lang er mensen tegenwoordig zijn, staat zij stil en kalm bij de stervende; eerst wanneer zij met de dode alleen is, werpt zij zich jammerend op de baar neder en geeft haar gevoelens lucht. In het Franse gedicht is het jonge meisje op het punt van angst te bezwijmen, maar ijlt dan naar de baar van de stervende. Daar valt zij dan als dood om, »koud als ijs en groen als klimop", slechts merken de omstanders op dat er aan haar nek nog een ader is die licht klopt; wanneer zij weer tot zich zelf komt, durft haar moeder haar niet naar het lijk te laten brengen, maar Ismene verklaart dat als zij 't niet te zien krijgt, haar hart van smart zal barsten. Lang daarna blijft ze nog in aandoenlike klachten bij de dode zitten wenen. Dat zijn naïeve, frisse menselike gevoelens tegenover stijve antieke »Sitte".

Maar van de gehele tragiese grootheid in de sage over Thebe, van de misdaden en de lotgevallen van een mensengeslacht die de Romeinse rhetoricus gevoelde en trachtte te bewaren, blijft bij de middeleeuwse geestelike niet veel meer over dan het aandoenlike en het moreel-didaktiese. Hij schrijft--zo vertelt hij--om door een afschuwwekkend voorbeeld te tonen hoe vreselik hij gestraft wordt die »tegen de natuur" handelt, en hoe vreselik de vloek eens vaders werken kan. Maar meest wordt de tragiek toch slechts aandoenlik. De kolossale Tydeus zal b.v. de piep-jonge Aton in de strijd ontmoeten, de verloofde van Ismene. Bij Statius verwaardigt hij zich niet werkelik met de jongen te vechten, maar werpt in 't voorbijgaan honend een speer naar hem, waardoor hij hem dodelik wondt, waarop hij kalm verder loopt, en versmaadt het lijk te plunderen, gelijk een leeuw het bloed van het kleine vee niet lust, maar alleen dat van de stier wil drinken. In de Franse Roman daarentegen waagt Tydeus niet Aton kwaad te doen;--om vele redenen, zegt hij lachend, wil ik niet met je vechten, gij zijt zo schoon en nog zo jong en bijna ongewapend; gij had liever thuis moeten blijven; je geliefde zou er geen plezier in hebben als wij samen vechten gingen. Woedend over die spot, slaat de jonge man er nu op los, zodat Tydeus zich zelf verweren moet, hij wil hem alleen maar even op zijn schild slaan, maar kent zijn eigen kracht niet goed en, dodelik gewond, stort de ander neer. De reus voelt zich daar heel en al ongelukkig over, maar de verslagene erkent dat Tydeus zonder schuld is en wordt nu stervend door de mannen van Tydeus naar Thebe gedragen.

Reeds bij Statius wordt er een zachtere toon aangeslagen,--hij was meer bij Ovidius dan bij Virgilius in de leer geweest--en nu toont de romanschrijver alle mogelike voorliefde voor het aandoenlike, het gracieuse, het galante en het erotiese. In Atys en in Parthenopaeus, de vrijers van Ismene en Antigone, had Statius de ephebus getekend, zeer jeugdig nog, die de rijpe oudheid zo graag zag, en in kunst en poëzie vereerde. De schoonheid van de 15-jarige wordt in de ridderromans in meer details aangegeven: zijn gezicht is witter dan »sneeuw op de takken", met een zachte blos er over heen, de levende, heldere ogen zijn vol vrolikheid, de volle kin zonder baard; zijn haar is omwonden met een groen zijden lint, ook zijn kleêren zijn van zijde. Wanneer de heldengedichten de knaap in strijd schilderden, was dat alleen om te doen zien wat een waaghals hij was en hoe hij vurig en woest de anderen in kracht trachtte te overtreffen. Hier daarentegen worden de lezers er aan herinnerd wat er voor een fijne jonkvrouwelike wang achter de helm en een tenger lichaampje onder de maliënkolder zit, en hoe de knaap onder het gevecht naar zijn geliefde verlangt zo als zij naar hem. Juist gelijk de heldenpoëzij de amazones, de »schildmaagden" bewondert, omdat zij zich werkelik boven hun geslacht hebben weten te verheffen en de mannen gelijk geworden zijn,--zo ook nog de Camilla van Virgilius--terwijl daarentegen de ridderroman de gedachten meer in 't bizonder vestigt op de naakte jonkvrouwelike huid onder de maliënkolder en er de nadruk op legt hoe Camilla niettegenstaande alles vrouw is gebleven, schoon en beminnelik: overdag duldde zij geen vrouw in haar nabijheid, maar 's nachts kwam geen man haar maagdelik vertrek binnen.