De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen
Part 16
IJverig protesteren die middeleeuwse baronnen- en riddergedichten er tegen dat Alexander een onecht kind zou zijn, een spruit van een heksenmeester--»gelijk enkele troubadours beweerd hebben"--; neen! zo iets moge waar zijn van een Merlijn of de boze graven van Anjou, maar Alexander was voorzeker van echte koninklike stam! En een echte »fils de baron" is de knaap dan ook van zijn wieg af. Zijn ene oog is blauw als dat van de draak, zijn andere zwart als dat van de griffioen, de borst van een min is hem niet genoeg,--de vrouw van een ridder moet hem met een gouden lepel voeden,--en hij vliegt op als men hem aanraakt; als hij opgroeit, wil hij alleen edele ridders om zich heen hebben en verwaardigt zich niet een schildknaap of mindere aan te kijken. In latere versies is het nog meer het welopgevoede kind van een edelman dat op de voorgrond geschoven wordt: de knaap is »gentile" en glimlacht vriendelik tegen een ieder die hem aanspreekt. Zijn opvoeding is die van een middeleeuws vorstenzoon. Hij wordt in de wapenen geoefend, in de rechtspleging volgens alle vormen van het leenrecht, in goede manieren en gedrag. Dertig gravenzonen die op de zelfde dag als de prins geboren zijn, worden met hem opgevoed en blijven zijn lijfwacht vormen--men vergelijke het boek der Macchabaeën I, 7. Met grote animo en zeer levendig wordt verteld hoe hij Bucephalus inrijdt en temt,--het paard heet met de nodige fantasie een kruising tussen een oliefant en een drommedaris. Tot grote schrik van iedereen rijdt de prins het getemde dier de slotstrap op, de zaal in, dwars over alle tafels en banken, dan stijgt hij er af, geeft het paard aan een stalknecht over en vraagt zijn vader hem tot ridder te slaan--hem zelf zo wel als zijn volgelingen. Uitvoerig worden de middeleeuwse ceremonieën bij deze handeling geschilderd. Eerst moeten de jonge mannen baden; als men heel natuurlik water binnen wil brengen, verklaart Alexander »mannelik" dat zij alleen maar in de zee willen baden. Terwijl de jonge mannen in het water rondspartelen, laat de koningin de nieuwe kleeren naar 't strand brengen--die speelden toen de zelfde rol als nu bij de aanneming,--en tegelijk daarmee zendt de koning de paarden en wapenen daarheen. Toen had gij--barst de zanger uit--die massa's van hermelijnen pelsen eens moeten zien, van zijden stoffen, van marterbont, gezadelde paarden en wapenrustingen. De koningin is zelf gekomen om naar de badenden te kijken,--zij heeft een baldakijn boven het hoofd om zich tegen de warmte te beschutten--en naderhand geven de kamerdienaars Alexander's volgelingen hun klederen aan, maar de koningin zelf trekt die haar zoon aan. Eerst een hemd zonder naad en uit één stuk, (als de rok van Kristus),--uit Engeland was dat over Friesland aan koning Philippus gezonden--die beschermd tegen wonden en hete wellust,--gelijk ascetiese haren hemden en de »helm" waar sommigen mede geboren heten. Daaroverheen krijgt hij een zijden kleed dat vervaardigd is door feeën in een bos bij Babylon en dat hem door een tovenaar gebracht is; wanneer men dat aanheeft, voelt men noch warmte noch kou. Daarna legt zijn moeder hem een hermelijnen mantel over de schouders met een rand van pantervel; als men die aan heeft, krijgt men nooit wit haar. En zo nog andere kledingstukken met allerlei wonderbare eigenschappen. Nadat zij gekleed zijn, slaat koning Philippus al die jonge lieden tot ridders en geeft hun wapenen. Het zwaard van Alexander is door een fee van koningin Penthesilea gebracht, zijn harnas is van Arabies goud, de helm is van Cornwall--in zijn tijd heeft koning Arthur die opgehad; het schild is door koning Salomo gezonden,--dat is nog van Samson geweest. Nu gaan de nieuwe ridders onder het oog van de dames ridderoefeningen houden; die zitten de schone jonge prins te bewonderen en zeggen tegen elkaar: »Als hij en ik bij elkaar lagen, zou ik hem niets kunnen weigeren." Eindelik roepen de herauten hen aan tafel en de ridders laten zich dat niet twee keer zeggen; Alexander komt vlak tegenover zijn moeder te zitten die niet laten kan hem aan te zitten kijken.
De scène met de Olympiese spelen waar de antieke berichten nu van vertellen, kunnen de Middeleeuwen niet begrijpen, Alexander's glimlachende zelfbeheersching bij de bespotting door een vreemde vorst, kunnen ze ook niet bewonderen. In plaats daarvan komt dan ook een oorlog die met een scène uit een echte »Chauson de geste" begint. Boodschappers van een vreemde koning komen de zaal binnen, waar Koning Philip hof houdt, en eisen overmoedig de betaling van een schatting. Terwijl men radeloos in de zaal zit te kijken, springt Alexander op, weigert brutaalweg de schatting te betalen en zendt de mannen terug met een uitdaging. Gelijk in de Franse heldendichten gaat hij op tafel staan om mannen aan te werven en, »gelijk een edele ridder" laat hij, door het gehele rijk, het geld van woekeraars en allen die zich verrijkt hebben opeisen, om daarmede de ridders te kunnen wapenen; op raad van Aristoteles omringt hij zich verder, op 't voorbeeld van Karel de Grote, met 12 pairs. Geheel en al in de trant van de oude heldengedichten worden nu de oorlog en de slagen geschilderd: ze rijden er op Arabiese paarden, de banier waait boven het leger, de werpspiesen vallen dicht als de Mei-regen, »daar had gij menig schild in stukken kunnen zien, en menige gebarsten helm en rusting." In een tweegevecht velt ten slotte Alexander de vreemde koning. Later hoort hij vertellen van de rijke stad Athene, die zo goed door haar »baronnen" bewaakt wordt, dat die onneembaar geacht wordt; terstond besluit de eergierige prins naar die stad op te trekken. Maar het bericht dat zijn vader op nieuw in 't huwelik wil treden, roept hem ijlings naar huis. Het komt tot een hevige scène in de grote zaal waar de bruiloft gevierd wordt, maar als Koning Philip, verbitterd, zijn zoon een zwaard in de zijde wil stoten, struikelt hij en wordt gewond, waarop Alexander hem in zijn armen opneemt, hem op een bed legt, en hem door zijn verwijten en door hem zacht toe te spreken er toe brengt zich met Alexander's moeder te verzoenen. Er is hier iets veel brutalers en tegelijkertijd iets veel sentimentelers dan bij de corresponderende scène in de antieke bronnen.
Kort daarna sterft koning Philippus en nu trekt Alexander als koning op zijn grote veroveringen en ontdekkingsreis uit. Hierover hadden de Oosters-antieke berichten al veel te vertellen. Ten eerste over Alexander's snuggerheid en slimheid. Hoe kalm en geestig wijst hij de overmoedige spottende brieven van de koning der Barbaren en diens gaven niet terug; hoe hij vermomd de stad van de Persiese koning binnendringt om daar te verspieden en zich zelfs bij hem aan tafel weet in te dringen, maar hoe hij zich door die schitterende pracht volstrekt niet laat verblinden,--kalm steekt hij de gouden beker, die hem voorgehouden wordt, bij zich, met de woorden, dat zulks de gewoonte is bij Alexander van Macedonië. Dan over zijn grootmoedigheid en zijn beminnelikheid. Hij behandelt de moeder en de echtgenote van de koning van Perzië zeer goed en neemt Roxana, de dochter tot vrouw. Vreedzaam bezoekt hij het land der Amazonen en die betalen hem schatting. Na Porus, de koning der Indiërs overwonnen en geveld te hebben, voert hij in alle vormen een briefwisseling met diens schoondochter Candace, die hem geschenken doet toekomen en in 't geheim zelfs zijn portret laat schilderen. Alexander komt er later toe haar hulp te verlenen tegen de vijand, en daar hij de dood van Porus op zijn geweten heeft, durft hij zich niet anders dan vermomd naar diens rijk op reis begeven, waar hij zo de residentie van de koningin bezoekt; maar zij herkent hem door zijn portret, doch verraadt hem niet aan haar hovelingen en ontvangt hem vriendelik. Overal is Alexander de dappere krijgsman, maar nog meer de verstandige, slimme veldheer en nog 't allermeest de geestige, galante, edelmoedige vorst.
Maar ook is hij de personificatie van de onverzadigbare drang naar onderzoek en de onverschrokken lust naar avonturen. Wat de ouden in hun wildste fantasie voor vreemds hadden wensen te zien, is in de tochten van Alexander verpersoonlikt. Dieper en dieper dringt het leger Azië binnen en de wonderen worden steeds groter. Daar zijn allerlei merkwaardige mensen en dieren; b.v. de ichthyofagi, een bron waarin men dode vissen dompelt waarop ze weer levend worden, eilanden in de zee die plotseling duiken en zo enorme vissen blijken te zijn, sprekende bomen op de zon en de maan. Op een berg, door een muur van saphir omgeven, komen Alexander en zijn mannen in een prachtige tempel, waar allerlei vreemde dingen te zien zijn: een karbonkel verlicht de ruimte, een vogel uit een gouden kooi roept hun waarschuwende woorden tegen, op een vergulden ligbank rust een in zijde gekleed persoon met een gesluierd gezicht. Niettegenstaande de waarschuwingen wil Alexander de vogel en de karbonkel grijpen, maar nu begint de man op de rustbank zich te bewegen, en terwijl Alexander steeds nog kalm zijn verschrikte volgelingen uitnodigt plaats te nemen en te gaan eten en drinken, barst er nu op eens een verschrikkelik onweer los en hoort men een hels lawaai van fluiten en pauken en cymbalen,--de gehele berg begint te roken en ijlings vluchten allen. Alexander daalt zelf in een glazen klok op de bodem van de zee neer om de diepte na te sporen en hij laat een vernuftig mechanisme maken waardoor hij zich met behulp van gebonden griffioenen in de lucht op kan heffen om de hoogte te onderzoeken.
Dit was nu alles natuurlik net iets voor de Middeleeuwen. Maar reeds aan het einde van de oudheid was een asceties-religieuze opvatting op de voorgrond gekomen, voor welke die gehele geschiedenis van Alexander niets anders was dan één groot voorbeeld van menselike onverzadigbaarheid, ijdele eergierigheid en verwaande nieuwsgierigheid. Met de gymnosophisten van Indië, boedhistiese filosofen, behandelt Alexander diepzinnige vraagstukken als de kwestie welke van de twee er eerder was: de nacht of de dag, en of er meer levenden zijn dan doden of omgekeerd. Voor hen die in Maja en in het Nirwana geloofden, is Alexander slechts de wereldse ijdelheid en begeerte die tot niets leiden. En deze opvatting gaat ook op de middeleeuwse geestelikheid over. Evenals Caesar in talrijke middeleeuwse verzen van zijn graf uit spreekt en er de mensheid aan herinnert dat hij zich nu met een klein plekje aarde moet vergenoegen en een steen, hij, voor wie de gehele wereld in zijn leven niet groot genoeg was, zo vlocht de monniksgeest episoden in de Alexander-gedichten in, die aan de parabelen van de Talmud en het Oosten waren ontleend en die als »memento mori" waarschuwende woorden tot de veroveraar der wereld moesten spreken. Wanneer hij van zijn expeditie naar de bodem van de zee terugkomt, is hij in ernstige overpeinzingen verzonken. Ook daar, bij de vissen, heeft hij gezien dat de groten de kleinen opeten, en ook daar zitten begeerlikheid en hebzucht aan het roer en zijn de wortel van alle kwaad. Een andermaal hoort hij een boer van een bron vertellen die wijsheid verleent, maar hij die begerig is, moet er niet van drinken, want voor zo iemand wordt die een vergift dat krankzinnig maakt. Alexander beveelt de boer terstond hem naar die bron te brengen. Op weg daarheen komen zij voorbij een landgoed, waarover de boer vertelt dat de verkoper, een arme edelman en de koper, een burger, in edelmoedigheid met elkaar schijnen te wedijveren, daar geen van tweeën zich een schat van 100 ton gouds wil toeëigenen, die men daarop begraven heeft gevonden. »Die man is gewoon gek, die burger," roept Alexander uit, »in zijn plaats zou ik er geen dukaat van terug gegeven hebben." Waarop de boer zegt dat hij Alexander dan niet durft raden uit die bron te drinken en werkelik vloeit er dan ook, als ze naderbij komen, bloed uit in plaats van water.--Ergens anders lezen zij dat het leger van Alexander bij een enorm gesloten kasteel komt, niets meer of minder dan het aardse paradijs. Een paar van zijn mannen kloppen aan en eisen uit naam van Alexander het betalen van een schatting. Nadat zij lang zijn blijven kloppen, wordt er een klein luikje open gedaan en geeft een oud man hun daardoor een steen, waarin een mensenoog gegrift staat. Een oude Jood verklaart daarop aan Alexander dat die steen zo zwaar is dat al het goud der wereld er niet tegen opweegt; maar wanneer men slechts het oog met een weinig slijk bedekt, wordt de steen heel licht. Dat is een simbool van het menselik oog dat door al het goud der wereld niet verzadigd wordt, maar welks begerigheid pas niet meer opgewekt wordt, wanneer het onder de aarde ligt. De eerste van die parabels is uit het Arabies, de tweede uit de Talmud.
Ofschoon, de ridderlike opvatting laat zich aan Oosterse wijsheid weinig gelegen liggen. Die houdt zich aan Alexander als hij uitroept: »ons erf is, onder het hemelblauw, de hele aard, wat mij zo pijnlik treft en mij zo zeer bezwaart, is dat de wereld werd gebouwd op al te eng een rots,--God schiep te klein de aard voor mannentrots." Of aan het schone antwoord dat de Macedoniese koning de gymnosofisten geeft, wanneer die hem vragen waarom hij zo heen en weer trekt, ofschoon hij toch gelijk alle andere mensen sterven moet: »Dat wordt slechts door de hoogste voorzienigheid bestuurd, en wij zijn haar dienaren, die uit moeten voeren wat die beveelt; de zee komt niet in beweging tenzij de wind er over heen strijkt. Ik zou gaarne willen rusten, maar Hij die mijn geest bestuurt, laat dat mij niet toe,"--het antwoord van een heldengeest op de bezwaren van de burgerlikheid, die Tegnèr zo prachtig beschreven heeft in zijn gedicht over »Alexander aan de Hydaspes". En door zijn gehele optreden protesteert Alexander ook tegen de geestelike beschuldigingen van onverzadelike hebzucht. Porus biedt Alexander schatten als hij, Porus, zijn rijk terug krijgt; in de antieke bronnen neemt Alexander het goud aan, maar in de Franse ridderroman geeft hij Porus zijn rijk voor niets terug. »Een begerig man kan nooit een rijk veroveren, hij zal integendeel kwijt raken wat hij heeft. Indien mijne volkeren mij lief hebben, is het vanwege mijn vrijgevigheid. Ik geef allen wat zij hebben willen." Alexander is alleen daarom onverzadelik in het nemen, omdat het geven een passie voor hem is geworden. Hij wordt het voorbeeld in de middeleeuwen, van ridderlike, vorstelike »largesse". Reeds toen hij 11 jaar oud was bedolf hij de groten des rijks zo zeer onder zijn geschenken, dat ze zijn vader kwamen waarschuwen: »Indien hij Heer was over de gehele wereld, zou hij die binnen 14 dagen weg geven." Waar hij ook komt, overal deelt hij uit, rechts en links, dikwels geeft hij zo ook het land dat hij veroverd heeft terug. Aan een jongleur die zijn eigen liederen op de fluit akkompagneert, geeft hij een gehele stad ten geschenke,--een antiek motief waaraan een geheel nieuwe wending gegeven is; een andere keer schenkt hij een ridder die een kleinigheid vraagt, een geheel land, en wanneer de ander, geheel en al in de war, zegt dat hij liever geld en kleeren wil hebben, voegt Alexander hem verachtelik toe: »Ik ken u niet, en het hart in uw lijf niet,--maar zo zijn nu de geschenken welke de koning van Macedonië geeft"; (vgl. Seneca: De Beneficiis, II, 16). Eens komt een Aziaties »baron" klagen dat hij door zijn leenheer verongelijkt is; dadelik trekt Alexander daarheen, hoewel zijn weg daar niet langs liep en verschaft hem recht; een andere keer, als hij een stad veroverd heeft, laat hij zich bewegen,--hij is immers de »bloem der hoofsheid"--door de tranen van de schone gevangen hertogsdochter, als hij merkt hoe haar blik voortdurend op een der mannelike gevangenen blijft rusten, ondervraagt hij ze beiden en wanneer hij hoort dat zij elkaar trouw liefhebben, schenkt hij hun de vrijheid en geeft een feest bij hun huwelik.
Want gelanterie tegen de vrouwen hoort meer dan iets anders tot zijn ridderlike vorstendeugden. Het erotiese element neemt hoe langer hoe groter plaats in. In de episode met Candace die Alexander's portret laat maken en die door hem incognito bezocht wordt, was in de antieke versie dat element in 't geheel niet aanwezig, daar vond men niets dan galanterie en grootmoedigheid van twee vijanden tegenover elkaar. Maar in de middeleeuwse roman is zij op Alexander verliefd geworden door de roem die er van hem uitstraalde en als hij haar bezoekt, biedt zij hem zelf onverholen dadelik haar liefde aan, die hij dan ook volop te genieten krijgt. Met veel détails schilderen die romans dan ook het bezoek in het land der Amazonen. Allerliefst is hoe de koningin het leger van Alexander twee maagden tegemoet zendt, Flore en Beauté, met geschenken en beloften van hulde. Koket gekleed--de tedere huid is door het open kleed te zien--trekken ze op weg en zingen onder het rijden een lied van de schone jongeling die zijn eigen schaduw in het water zag en van verlangen daarnaar verteerde; zij komen twee van Alexander's baronnen tegen en vragen die met hen mede naar 't kamp te willen gaan. Onder veel plichtplegingen leiden de ridders hun paarden bij de teugels, eerst stribbelen de jonge meisjes een beetje tegen, maar zij laten zich toch al heel gauw een kusje ontstelen, en wanneer zij hun boodschap bij Alexander verricht hebben--hij komplimenteert o. a. hun koningin over de verstandige zet om zulke schone gezanten af te vaardigen--vragen de ridders verlof aan Alexander, met de twee jonkvrouwen te mogen trouwen, die daar meer dan bereid toe zijn. Later komt de koningin der Amazonen zelf op bezoek, en Alexander ontvangt haar met veel praal; zij en haar vrouwen voeren allerlei gymnastiese spelen uit en zij werpt haar overkleed af om haar lichaam onder het spel beter te laten uitkomen.
De drang naar avonturen en de lust naar ontdekkingen brengen Alexander meer en meer oostwaarts en hoe verder hij daarheen doordringt, des te merkwaardiger dingen krijgt hij te zien. Wat over die tocht van Alexander het nodige licht werpt en het een nieuwe glans bijzet, is het verlangen als in de tijden der kruistochten naar het Oosten. Talrijke merkwaardigheden die de kruisvaarders bij de Saracenen gezien hebben of waar ze over hebben horen spreken, worden nu gebruikt om aan de beschrijving van Alexander's tochten lokale kleur bij te zetten. Bijvoorbeeld de grote prachtig versierde tenten die de Saracenen gebruikten en die nog in onze dagen tot de luxe-voorwerpen van het Oosten behoren; de kruisvaarders hadden er meer dan een zo veroverd en Europese vorsten kregen die wel van Oosterse prinsen ten geschenke. Of fraaie grafmonumenten, kostbaar van buiten zo wel als van binnen versierd, met eeuwig brandende lampen, die door magneten vrij in de grafkamer blijven zweven en dergelijke dingen meer,--dit kan iets geweest zijn wat de kruisvaarders zich nog van antieke en Oosterse grafmonumenten herinnerden of--een echo van de vele verhalen die over het graf van de profeet in Mekka liepen. Tenslotte allerlei mechaniese kunstwerken, die in het keizerlik paleis te Byzantium of in de paleizen der Saracenen-vorsten zulk een indruk op de reizigers gemaakt hadden. Kronieken en sagen vloeien over van de gedetailleerde beschrijvingen daarvan. Reeds Haroen al Rashid moet Karel de Grote automatiese speelwerken gezonden hebben; in het paleis der Kalifen te Bagdad was een gouden boom te zien met zingende metalen vogels; om die boom heen voerden automatiese ruiters toernooien op, en van die zelfde kracht was het kunst en vliegwerk aan het hof van Byzantium, zo als dat in gedichten en kronieken beschreven staat. En dit alles komt ook overal in de Alexander-romans voor. Beschrijvingen van fantastiese natuurmerkwaardigheden, waar men op de kruistochten kennis mede had gemaakt, werden ook in de verhalen die daarover al in de oude bronnen te vinden waren, ingevlochten. Evenals de kruisvaarders, werd het leger van Alexander, wanneer het zich des avonds om de vuren bij een bron in de woestijn had nedergeslagen, plotseling gealarmeerd door het bericht dat alle dieren der woestijn daar hun dorst kwamen lessen, en in grote scharen kwamen ze dan aanzetten, witte leeuwen, schorpioenen en andere. Of wel hoort het leger plotseling in de duisternis tot zijn grote schrik als een tromgeroffel boven hen--dat zijn de vleugelslagen van grote scharen gieren of andere roofvogels. Ook aan de Keltiese sagen hebben de Alexander-romans blijkbaar fantastiese trekken ontleend. Wij worden altans sterk aan de Bretonse romans herinnerd, wanneer het leger over »le tertre avantureux" trekt, waar de dapperen lafaards worden, en de laffen moedig, of door een betoverd dal waar niemand zijn weg door en uit kan vinden, totdat ze eindelik na allerlei toverkunsten, door een duivel geholpen worden, die Alexander onder een steen vandaan haalt, waar hij gevangen zit.
Maar het verst naar het Oosten zijn de schoonste wonderen te vinden--daar ginds aan de uiterste rand van de aarde, waar men van de bergen van Indië uit de zee-ring kan zien die de aarde omgeeft. Hier vindt men de zonne- en maan-bomen die Alexander zijn spoedige dood voorspellen. Hier is de »fontein der verjonging",--»fontaine de Jouvence",--die waarover de Priester Johannes ook spreekt in zijn brief aan de Griekse keizer; dat is een zij-rivier van een der stromen in het Paradijs. Alexander en zijn mannen baden zich daar in en krijgen dan hun jeugd terug. Hier, in 't Oosten, zijn ook de merkwaardigste bossen te vinden, van welker gekruide lucht de mensen leven en waarin de mandragora en andere wonderplanten groeien. Daaruit klinkt Alexander en zijn mannen zulk een wonderbaarlik schoon gezang tegemoet, dat zij al hun smart en bekommernis vergeten, »alles wat hun van kindsbeen af voor kwaads overkomen is" en zij ontdekken daar in 't bos de aanvalligste meisjes die daar lachend onder de bomen spelen. Dat zijn bosnymfen die in 't voorjaar uit de knoppen van de bomen ontstaan, doch alleen maar onder de schaduw der bomen kunnen leven,--zeker wel een Oosterse sage. Het leger slaat zich in dat bos neer en de soldaten van Alexander kiezen elk zulk een nymf uit die zij zich tot vrouw nemen en zo leven zij in vreugde en genot. Maar als dan het najaar komt en de bloemen verwelken en de bladeren vallen,--dan verteren ook,--smartelijk als het is om aan te zien--de lieve kleine wezentjes en sterven ze. Verdrietig trekken de soldaten verder.
Als een ideaal van vorstelike grootmoedigheid en drang naar ridderlike avonturen bleef die figuur van Alexander voor de gehele fantasie der Middeleeuwen leven en zijn leven werd steeds weer in rijmkronieken, romans en volksboeken beschreven. En van de tijd der kruistochten over Marco Polo tot Columbus toe, is het Indië uit de Alexander-literatuur dat de schrijvers voorzweeft als het aardse paradijs en het doelwit van aller reisverlangens; nog nà de ontdekking van Amerika zocht men in Florida naar de »fontaine de Jouvence".
XII.
ROMANTIES-KLASSIEKE LITERATUUR.