De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen

Part 15

Chapter 153,546 wordsPublic domain

En een hele literatuur van kronieken en reisverhalen schiet uit die kruistochten op; de tijd voelt zich zelf merkwaardig en de wereld groot en interessant. De verhalen die de deelnemers aan de eerste kruistocht zelf na hebben gelaten, maken nu nog een vrij betrouwbare, nuchtere indruk. Wij hebben een dagboek van een gewone verstandige kapelaan uit Noord-Frankrijk, op de tocht zelf geschreven, en een verslag van een kwezelachtige, dwepende Provençaalse monnik; wij hebben ook een heldendicht, of berijmde kroniek, »Het lied van Antiochia" dat reisverhalen reproduceert en verloren liederen van een zanger die op de kruistocht geweest is en die over het algemeen zijn avonturen schildert met hetzelfde nuchtere gevoel voor de werkelikheid en de zelfde strijdlustige wereldlikheid die men in de oude »chansons de geste" aan kan treffen. Maar in de latere berichten uit de tweede en derde hand overtreft de legendariese fantasie alles en de geest die de kruistochten zelf eerst langzamerhand kweekte, laat op zijn beurt weer zijn eigen licht en kleurenschakering op de kruistocht zelf terug vallen. In de geestelike kronieken--bijvoorbeeld in die rommelkamer voor allerlei overleveringen die Willem van Tyrus in zijn werk bij elkaar bracht--wordt het geheel tot een mirakel; God zelf voert de hele kruistocht aan en midden in de handeling staat de legaat van de Paus als de plaatsvervanger van Kristus; en terwijl de monniksfantasie de meest fantastiese leugens over de wereld der Mahomedanen op elkaar stapelt, schildert hij de kruisvaarders allemaal als even heilig-vroom en eendrachtig in de liefde. In het bizonder wordt Godfried, koning van Jerusalem, helemaal door de geestelike overlevering in bezit genomen en wordt hij tot het type van wat zij een echt kristelik ridder noemen. Zijn afstamming is in wonderen gehuld--hij stamt van de mystiese zwaanridder af, de kiem van de Lohengrin-figuur,--dromen voorspiegelen zijn toekomstige koningswaardigheid en zijn ganse jeugd wijdt hem voor zijn missie. »In wapenrusting als in hertogsdos was hij een heilige monnik."

En feitelik werd de Frankiese leenstaat die daar ginds in het heilige land ingericht werd tot een soort geestelik koninkrijk en een kristelike ridderstaat,--het beloofde land niet alleen voor het ridderwezen, waar alles op oorlog en op oorlog alleen aangewezen was, en waarde feodale maatschappij zich in een zuiverder en meer aristocratiese vorm ontwikkelde, dan ergens elders in Europa, maar ook voor de Klerus zelf, waar de gehele geest ìn en ìn kristelik was. Hier had eerst het echte huwelik plaats van de ridderwereld met de geestelikheid--door de oprichting van de geestelike ridderorden, de zwarte Johannieters, de hospitaal-broeders, wier hoofdzetel mysties ontoegankelijk boven op een berg in Syrië lag--een machtig gebouwencomplex, »welks reusachtige pilaren en torens bestemd schijnen om het hemelgewelf te schragen"--of nog meer de aristokratiese tempelheren in hun witte kleêren met het rode kruis, de beschermers der pelgrims, wier residentie de »Tempel van Salomo" zelf was. Deze geestelik gewijde ridders die in kuisheid leefden, in een eeuwige strijd voor de Kerk en voor de zwakken en de vrouwen, werden de ideale helden der bewegingen voor de kruistochten.

Maar op de meer wereldlike gemene man werkten de kruistochten juist in volkomen tegenovergestelde richting. Bij elke mislukte kruistocht komt de terugslag in de vorm van een plotselinge en sterke val in de godsdienstige temperatuur. Het bleek telkens weer dat het gloeiendste geloof, de kerkelike inwijding, de wonderen Gods en de hulp van de hemel de keten van de natuurlike oorzaken toch niet konden breken en het onmogelike mogelik maken; het waren andere, natuurlike wetten die de zegepraal of de nederlaag bestemden. De scepsis der teleurstelling tegenover het bovennatuurlike breidt zich in vele kringen uit--bij de troubadours zijn wij die reeds tegengekomen--en tegelijkertijd neemt de belangstelling toe voor die grote nieuwe werkelikheid die zich voor de blik geopend had. De werkelike avontuurlike wonderen nemen alle attentie in beslag, in plaats van het hiernamaals. Menigeen trekt nog als pelgrim uit, maar schrijft bij zijn terugkomst reisverhalen, kronieken, natuurhistoriese werken, of dicht romantiese vertellingen. En de kennismaking met de Saracenen en hun hogere beschaving, gaf een hevige slag aan alle vooroordelen die de geestelikheid zo fanaties bij de Kristenen had trachten wortel te doen schieten. Die afgodendienaars waren, met hun geloof in één onzichtbare God, veel zuiverder Monotheisten en stonden veel verder van de afgoderij, dan de kristenen met hun heiligen- en relikwieën-cultus. En die trouweloze bloedhonden bleken niet alleen veel eleganter en ridderliker te zijn dan de kristen-baronnen, maar in hun praktiese mensenliefde--die de hospitalen en herbergen duidelik genoeg deden uitkomen--, in hun grotere verdraagzaamheid, hun rechtvaardigheidsgevoel en hun vorstelike grootmoedigheid, kwam een Nureddin of Saladin al heel gauw voor vele kristen-ridders meer of minder bewust, als een schitterend voorbeeld ter nabootsing te staan. Ginds in die Frankiese Staten van Palaestina en Konstantinopel had er een vermenging plaats, een »commercium et connubium" tussen kristenen en ongelovigen of Grieken, die op Europa terugsloeg en in vele adelskringen en onder de kooplieden vormde zich onbewust een zuiver humane moraal van menselikheid, ridderlikheid en eer, die uit de voogdijschap der kerk weggleed. Meer als iemand anders, werden de strijders der kerk, de tempelheren zelf, zo als bekend is door die >skepsis< en het humanitarisme aangegrepen die daar in het kristelike Oosten in de lucht lagen. En thuis komt een emancipatie van de kerk duidelik te voorschijn in de nieuwe ridderpoëzie, waarin het weldra even goed mode wordt om tegen de vrome huichelarij en de zwartrokken te velde te trekken als om de »edele Saracenen" en »le courtois Saladin" te prijzen.

Voorlopig zijn het nu de oude »chansons de geste" en in Duitsland de oude nationale heldensagen die daardoor gemoderniseerd en aktueel gemaakt worden, doordat er allerlei kruistocht-motieven ingevlochten worden. Reeds vóór de eigelike kruistocht hadden de pelgrimstochten en de verbindingen met Byzantium het vermakelik avontuurlike epos in de wereld gebracht dat »Karel de Grote's reis naar Jerusalem" heet. Daarin trekt Keizer Karel met zijn Paladijnen op reis om te zien of Keizer Hugo van Konstantinopel werkelik een machtiger en prachtiger vorst is dan hij zelf. Eerst komen zij te Jerusalem waar men hen voor Jesus en zijn twaalf apostelen houdt; God doet wonderen voor hen en de patriarch schenkt Karel heilige relikwieën; daarop trekken ze naar het Griekse keizerhof, waar de Franken de hovelingen door hun optreden imponeren en nog meer wanneer ze werkelik trachten uit te voeren wat ze voor de grap en in dronkenschap hebben gepocht dat ze doen konden,--en het eindigt dáármede dat Karel en zijn helden in glans en glorie naar huis trekken, nu hun superioriteit zo duidelik gebleken is. Nu in de 12de eeuw wordt een avontuurlike tocht naar de even avontuurlike landen der ongelovigen een geliefkoosd en het meest aktuele tema voor de heldendichten. Zo wordt Karel de Grote b.v. als jonge koningszoon door zijn onechte broeders op zij gezet en vlucht naar de koning der Saracenen te Toledo, door wie hij tot ridder geslagen wordt, waar hij heldendaden uitvoert en Galienne, koningsdochter en tovenares, op hem verliefd wordt. Huon van Bordeaux wordt door de Franse koning op een gevaarlike reis naar Babylon gestuurd: daar moet hij het kasteel van de »Amiraal" binnendringen, voor diens ogen een zijner mannen neervellen, diens dochter drie kussen geven en verder de baard van de admiraal afknippen en die met drie van zijn kiezen naar het Franse hof brengen,--wat hij alles weet uit te voeren met de hulp van de Wonderhoorn van de kleine Alfenkoning, Oberon, zowel als van de heidense koningsdochter met wie hij, na vele beproevingen doorstaan te hebben, naar huis trekt. Even amusant en romanties vertellen een hele reeks Duitse speelmans-gedichten, die in de 12de eeuw aan het Beierse hof werden voorgedragen, van de tochten naar het Oosten van de Duitse vorsten: Koning Rother die de dochter van Keizer Constantinus schaakt--door een list wordt zij hem ontroofd, maar hij krijgt haar terug; Koning Orendel die van Trier naar Jerusalem zeilt om de koningin daar het hof te maken en die na een lange Odyssee en hevige gevechten met de heidenen, ten slotte met de hulp van hemelse mirakelen zijn tocht gelukkig ten einde brengt; Hertog Ernst die naar het land der Kraanvogelmensen komt en dat der dwergen, naar de Leverzee en de Magneetberg; de kruisvaarder Graaf Rudolf, die met de andere Franken twist krijgt en dan naar de Saracenen overloopt en die onder allerlei zware beproevingen in aandoenlike trouw door een Saraceense begeleid wordt die hem liefheeft en zich ten slotte laat dopen om dan met hem te trouwen. Deze laatste vertelling is uit het Frans en heeft duidelik een gelijktijdige historiese gebeurtenis ten grondslag, maar anders zijn vele van deze gedichten oude Germaanse sagen over een gevaarlike tocht van een held om een vrouw te zoeken, alleen gemoderniseerd door ze in de atmosfeer der kruistochten over te planten.

Zo ontstaan er in de tijden der kruistochten allerlei liederen en geschiedenissen in alle talen van een echtgenoot die lang buitenslands geweest is en reeds voor dood wordt versleten, maar die dan juist terug komt de dag waarop zijn vrouw met een ander bruiloft houdt. Dit patetiese motief is blijkbaar een weerspiegeling van een werkelike gebeurtenis; maar meer dan eens zal het ook het oude motief zijn van iemand die uit het dodenrijk terugkeert, dat nu een werkelikheidskleed aangetrokken heeft en in de atmosfeer der kruistochten gelokaliseerd is. Daar hoort b.v. het Anglo-Franse heldengedicht van Horn en Rimel bij, de Engelse roman van »Koning Horn", de Duitse sagen en gedichten van »der edle Möringer" en het Deense volkslied van Hendrik van Brunswijk. Ook het omgekeerde motief heeft zich dikwels genoeg gedurende de kruistochten voorgedaan: de echtgenoot die in het Oosten een Saraceense gehuwd heeft b.v. uit dankbaarheid dat zij hem uit de gevangenschap verlost heeft, en die haar nu naar zijn burcht brengt, waar de vrouw--in elk geval in de geschiedenis van Baron v. Gleichen en zijn twee vrouwen--er grootmoedig in toestemt haar man met haar te delen.--

Dit is nu de direkte werking van die romantiek, maar de ridderromantiek wortelt ook dieper in de tijden der kruistochten. Een der deelnemers vertelt hoe het leger der kruisvaarders door Syrië trok: Fransen, Vlamingen, Beieren, mannen uit Bretanje en Provence, Engelsen, Schotten, Italianen, Spanjaarden en Grieken. »Als een Brit of een Duitser zich tot mij wendde, verstond ik hem niet en kon ik hem niet antwoorden. Ons verdeelde de verscheidenheid van de talen, maar de liefde tot God en onze naasten schiep weer broederschap tussen ons." En zo is de gehele tijd der kruistochten zulk een elkaar ontmoeten der volkeren, en der verschillende kulturen. In het Anglo-Normandiese rijk dat Willem de Veroveraar en zijn opvolgers aan beide zijden van het Kanaal geschapen hadden, komen Fransen en Angelsaksen en Britten samen en leren elkaars kultuur kennen. Noord- en Zuid-Frankrijk ontdekken en verrijken elkander in dat opzicht. Byzantium en het gehele Oosten van de landen van de Islam openen zich voor goed voor West-Europa. En juist dan is het ook dat de geesteliken ijverig de bijbel en de legendenschat tot volkspoëzie omwerken, terwijl bovendien de nieuwe scholen en de kruistochten de klassieke literatuur voor meer dan één ontsluiten. Al die bonte stof die de tijd van alle kanten in zich opneemt, wordt met de stevigste appetijt opgenomen en ingezogen. Wij lezen van een Vlaams graaf, wiens grote genot was zich te omgeven met mensen »die hem sprookjes en sagen vertelden en verhalen uit de oude tijd deden. Als zijn vertrouwde vriend naar wien hij graag luisterde, had hij een oude ridder bij zich, Robert de Coutances, die hem vermaakte door wat hij over de Romeinse Keizers wist te vertellen en over Karel de Grote, over Roland en Olivier en Arthur, de Koning van Brittanië; verder Philip van Montjardin, die hem van de verovering van Jeruzalem vertelde en de belegering van Antiochië en de gebeurtenissen in het Oosten, en zijn neef Gautier de Cluse, die Engelse geschiedenissen kende, die van Gormund en Isembart en van Tristan en Isolde en van Merlijn en van Marcolf." En in de dichterlike fantasie dier tijden voeren al die bonte voorstellingen een grote heksensabbat op. Zo men de romantiese geestestoestand--in tegenstelling met de klassiek-harmoniese--beschrijven kan als een, waarin de rijkdom der stof en zijn menigvuldigheid de eenheid der ziel in tweeën splijt, dan is de mentaliteit van de 12de eeuw meer romanties dan die van alle andere tijden. De gehele nieuwe stof en de nieuwe gevoelstonen, die uit de meest verschillende tijden en kulturen zich daar over uit storten, smelten in gelukkige ogenblikken werkelik samen--het antieke en het kristelike, het Oosterse en het Keltiese--tot nieuwe levende fantasie-gewrochten, nieuwe, vreemde, gemengde gevoelens, maar nog meer worden er zo slechts disparate elementen overal vandaan tot barokke alliages samengesmolten of schilderachtig-bont naast elkaar geplaatst. Hector gebruikt het schild van Samson en heeft de helm van Arthur op, zijn zwaard is gesmeed door Wieland en gehard door »Heer Vulcanus". Moet iemand geprezen worden, dan is hij altijd sterk gelijk een Samson, schoon gelijk Absalon, wijs als Salomo, mild als Alexander, prachtig als koning Arthur, en een tovenaar als Virgilius of Merlijn. Tydeus--een van de »Zeven voor Thebe"--is waardiger de kroon te dragen dan Nebukadnezar, en de oude Otto, de raadgever van de Thebanenkoning, is een neef van Plato.

En verder: zo, in tegenstelling met de helder de zaken beschouwende, rustige, kalme klassieke geestesrichting, de romantiese geestestoestand beschreven kan worden als een toestand van innerlike onrust en spanning: een opgeschrikte, opgehitste fantasie, een sterk gespannen, golvend gevoel van verwachting, twijfel, ontbering, verlangen, dan is het bewustzijn van de tijd der kruistochten romantieser dan dat van enige andere tijd. Voor de rondtrekkende troubadour en de ridder op een kruistocht, voor de leeslustige geestelike of voor de Vlaamse graaf, waar wij juist van hoorden, moest de wereld zich in wijde, vage horizonten aftekenen, in schemerend, onzeker half-licht,--verwondering wekkende en verwachting, verlangen en wensen, voorgevoelens en dromen. Alles wat vreemd was, stond als in een afstand-mist maar ook afstand-glans, men trachtte er bij te komen, maar kwam er maar half bij, poogde het te vatten en vatte toch maar de helft. Een geestelike probeert zich tot de hogere beschavings-sfeer van Virgilius en diens personen op te heffen, wil fijn zijn en waardig en klassiek, maar wordt slechts pedant, geaffekteerd en gekunsteld, en plotseling, in een onbewaakt ogenblik, waar de dichter natuurlik is en zich zelf, verraadt hij opeens op de vermakelikste manier het naïeve en ruwe kultuurstandpunt van zich zelf en zijn publiek. Een ander haalt Keltiese sagen en mythen voor den dag of roept de antieke goden en godinnen op; maar Diana is een jagende vorstin, Echo een koningsdochter, Argus een honderd-ogige reus, aan wie een koning de taak op draagt een koe te bewaken, terwijl een ander die zeer op de hoogte is van de muziek graag de koe zou willen hebben... en evenzo wordt het Keltiese land des doods, waar de koningin door de Doodsgod heen gevoerd is, slechts als een naburig rijk opgevat, welks koning haar geschaakt heeft. Maar toch--dat naburig rijk heet »het land waar men nooit uit weer keert" en een zekere mist of glans van iets bovennatuurliks, ligt er voor de dichter over Keltiese zowel als antieke mythen; hij voelt dat er iets anders achter en onder steekt, dat alle gebeurtenissen en personen en namen een dubbele betekenis hebben, een wijder perspektief, waar ze op uitkijken--wat de toehoorders dikwels ook tegenover onze heldenliederen gevoeld hebben als die van Sivard en Brynhilde, en van Ribolt en Guldborg.

Dat tweeledige en dat perspektief--die afstand welke slechts het verlangen opwekt en de barokke disharmonie tussen stof en behandeling, voorbeeld en navolging--geheel die menigvuldigheid van voorstellingen en tonen... dit alles is het juist wat uitgedrukt wordt door het woord: Romantiek.--

XI.

DE ALEXANDER-ROMANS.

Heel natuurlik werden de figuur en de geschiedenis van Alexander de Grote het eerste dat tot ridderromans omgewerkt werd. De geesteliken hadden reeds lang Latijnse ridderromans gekend en nu begon de wereld der kruistochten om verschillende redenen voor de avontuurlike tochten van Alexander belangstelling te voelen en die te begrijpen.

Van de oudheid af had die belangstelling al bestaan--de ene generatie na de andere had die bewonderd en zich er over verbaasd en hadden die romans de verbeeldingskracht voedsel en vleugels gegeven. Bij de geschiedschrijvers der oudheid--Plutarchus, Arrianus, Diodorus, Justinus, Curtius--treedt ons, zo al niet de historiese Alexander tegemoet, (wie weet hoe _die_ er uitgezien heeft?), dan toch het volkomen ontwikkelde schitterende beeld van de grote held: de lieveling der goden, met alle eigenschappen om de mensen voor zich te winnen en te beheersen--schoon, dapper, welsprekend, beminnelik; opgevoed door niemand meer of minder dan Aristoteles, de grootste wijsgeer van heel Griekenland,--flink om zichzelf te beheersen, met een blik op de mensen en de regeerkunst; en ten slotte gedreven door jeugdige drang tot handelen, en een onverzadigbare eergierigheid. Als een echte leerling van de mannen van Odysseus, offert Alexander te Memphis aan Apis en laat zich in de Ammons tempel als de zoon van een God begroeten; als een Grieks filosoof gooit hij voor de ogen van de van dorst versmachtende soldaten de beker met water in het zand der woestijn ledig, en drinkt hij de medicijnbeker uit terwijl hij zijn vriend Philippus de brief overhandigde die de zaak aangaf. Maar: Alexander's missie in de historie was juist om aan het eigelike antieke een einde te maken; in de Griekse rijken smolten het Oosten, Aegypte en Griekenland tot een gemengde kultuur samen; en daarin is het dat het slechts in zo geringe mate antieke beeld van het leven en de figuur van Alexander zich gevormd heeft, dat tot de Middeleeuwen kwam en met zulk een entoesiasme werd ontvangen. Te Alexandrië ontstond ongeveer 200 jaar n. C., half op de geschiedenis, half op Oosterse sagen gebaseerd, de zogenaamde pseudo-Callisthenes, een levensbeschrijving van Alexander, aan Callisthenes toegeschreven, die, met enige zogenaamde brieven van Alexander aan zijn moeder en Aristoteles, het uitgangspunt werd--grotendeels door een Latijns uittreksel van Julius Valerius--voor een rijke middeleeuwse Alexander-literatuur, eerst in 't Latijn, toen in het Provençaals, toen in 't Frans en Duits en daarna in vele Europese talen.

In het beeld dat de middeleeuwen op die wijze ontvingen, waren trekken van een fijne, nobele kultuur, vermengd met de laatste half Oosterse sterk-fantastiese producten der oudheid. Voor de Aegyptiese schrijver van de biografie van Callisthenes is Alexander niet een zoon van koning Philippus maar van Nektanebus, een Aegypties tovenaar, die de laatste uit het geslacht was van de oude koningen en halfgoden. In de gedaante van de God Ammon is Nektanebus bij de Koningin Olympias gekomen en heeft door zijn toverkunst ook koning Philip kunnen doen gelooven dat diens gemalin door een God zwanger is geworden. Allerlei wonderen gebeuren er bij de geboorte van Alexander. Nektanebus wordt een van de opvoeders van de knaap, maar deze doodt hem wanneer hij te weten komt dat het zijn vader was. Verder zijn Zeuxis en vooral ook Aristoteles de leraars van Alexander. Hij wordt in de »zeven liberale kunsten" onderwezen en wint een ieder voor zich, door zijn verstand en zijn beminnelikheid, hij is vooral zo vrijgevig dat zijn ouders en leraars het bedenkelik beginnen te vinden. Na het wilde paard Bucephalus getemd en afgericht te hebben, trekt de jongen met permissie van zijn vader naar de Olympiese spelen. Daar hoont een andere vorst hem en spuugt zelfs naar hem; met kalme zelfbeheersing verdraagt de jongeling eerst de belediging, maar wreekt zich door hem onder de spelen ter aarde te vellen. Als hij thuis komt, hoort hij dat zijn vader Olympias verstoten heeft en op 't punt staat met een ander bruiloft te vieren, Alexander ijlt de feestzaal binnen, geeft zijn vader een bittere en scherpe terechtwijzing en dwingt hem zijn echtgenote weer in haar oude waardigheid te herstellen.

Zo luidt de geschiedenis van Alexander's jeugd. In de middeleeuwen krijgt die een andere kleur en vorm,--met trekken van het baronachtige, het ridderlike en het fantastiese. Nog vrijwel in de antieke atmosfeer bleef de Zuid-Italiaanse priester die ongeveer 1000 jaar n. C. een bewerking van de stof gaf in Latijnse proza: »de Proeliis". In de 11de eeuw was er een geleerd geestelike, Albéric de Briançon, die een Provençaals gedicht schreef met Julius Valerius als bron, maar die nu en dan ook de echte klassieke historici er ter vergelijking bijhaalde: zijn doel is asketies: de geschiedenis van Alexander te schilderen als een groot bewijs voor de waarheid van het woord van de Prediker: »Alles is ijdelheid", maar hij schijnt--slechts een klein fragment is er van over--de oude verhalen toch veelal in de toon der heldenpoëzie gestemd te hebben. Maar geheel in de stijl en het rhytme daarvan wordt Albéric's gedicht in de 12de eeuw overgebracht in een Noord-Franse bewerking uit de grensstreken tussen Noord- en Zuid-Frankrijk. En tegelijk duikt het ook aan de overzijde van de Rijn op, toen een priester Lamprecht uit Keulen of omstreken, het in Duitse verzen weergaf en het tot een hele roman uitwerkte. Bij Lamprecht begint het hoofse element reeds hier en daar de ongeneerde baronnen-poëzie op zijde te dringen. Maar geheel en al in de geest der riddertijd is de bewerking die het gedicht van Lamprecht tegen het einde der eeuw onderging, en nog meer is dit het geval met een grote Noord-Franse Alexanderroman, welks oudste deel van Lambert le Tort is, maar waarvan de laatste versie (ongeveer 1185) wordt toegeschreven aan Alexander van Bernay of van Parijs.--