De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen

Part 14

Chapter 143,622 wordsPublic domain

»Barlaam en Joasaph" is aan Syriese en Griekse romans ontleend, die het verhaal weer uit Indiese Buddha-legenden hebben. Lang vóór de kruistochten was veel van de rijke vertellings-literatuur van Byzantium en het Oosten naar Europa overgebracht en door geesteliken in het Latijn vertaald. De voornaamste stapelplaats waarover die uitvoer plaats had, was ongetwijfeld Zuid-Italië, dat nog half Grieks was, maar waar eerst de Saracenen zich nestelden, maar later de Duitse keizers hun heerschappij trachtten te bevestigen en waar eindelik de Noormannen in de 11de eeuw een rijk stichtten. Bij de geestelikheid en de adel was er uit de dagen der oudheid nog een niet geringe beschaving blijven bestaan en het voortdurende zich met elkaar mengen der volkeren bracht ook een grote kultuurinvloed op elkaar mede. De Hertogen van Napels zonden in de 10de eeuw de Aartspriester Leo met een missie naar Byzantium en daar verzamelde hij gedurende zijn verblijf alle boeken, en zo bracht hij o. a. een Griekse vertelling over Alexander de Grote mee naar huis, die hij later ten pleziere van de voorname Zuid-Italiaanse kringen, in 't Latijn vertaalde. Via Byzantium werd waarschijnlik ook wel de roman »Van de zeven wijze meesters" bekend--de geschiedenis van een prins wiens stiefmoeder hem eens vergeefs tracht te verleiden en hem daarna bij de koning aanklaagt; nu vertellen zeven wijzen elk op hun beurt een geschiedenis die alle daarop neerkomen hoe gevaarlik een overijlde bestraffing is, terwijl de geslepen koningin verhalen doet met een juist tegenovergestelde tendens. Deze vertellingen gingen met de omlijsting die ze zo op Oosterse wijze samen bond, in verschillende versies heel Europa door; ze vertelden van de verwonderlike scherpzinnigheid der wijzen en de vindingrijke slimmigheid der vrouwen waar het er op aan kwam hun echtgenoten te bedriegen, of wel hoe merkwaardig het noodlot met de mensen speelt. Uit Arabië kwam ietwat later de bekende verzameling van anekdoten en dierfabels die »Kalilah en Dimnah" heet; die werd eerst in het Hebreeuws vertaald en daaruit door een gekerstende Jood, Johannes van Capua, in 't Latijn.--Behalve Zuid-Italië is ook Spanje een brug tussen het Oosten en West-Europa. Daar woonde een andere bekeerde Jood, Petrus Alphonsus, die ongeveer in het jaar 1100 een reeks, grotendeels aan 't Arabies ontleende anekdoten en zedelike vertellingen in één Latijns boek bijeen bracht, dat hij »Disciplina Clericalis" noemde: het handelt over een vader die zijn zoon levensregelen geeft welke hij met talrijke geschiedenissen illustreert.

Uit 't Oosten is hoogstwaarschijnlik ook het motief van de »vriendschapsproef" gekomen; reeds vóór het jaar 1100 was het voor de geesteliken in veel Latijnse versies behandeld geworden, die later van grote betekenis voor de dichtkunst der Middeleeuwen zouden worden. Het zijn geschiedenissen van een sentimenteel elkaar trachten te overtreffen in grootmoedigheid en zelfopoffering, over het ten toon spreiden van grote scherpzinnigheid en een merkwaardig spel van 't lot--allemaal in de Oosterse dichtkunst zeer geliefde motieven. Iemand merkt dat zijn vriend op zijn vrouw verliefd is en staat haar grootmoedig aan hem af. Soms gaat dit zo in zijn werk, dat de echtgenoot niet dan na de stil versmachtende vriend zéér slim op de proef gesteld te hebben, hem zijn geheim ontlokt; hij vat de hand van de zieke terwijl hij alle vrouwen in huis eén voor eén voorbij het bed laat gaan, als zijn vrouw passeert, merkt de man dat zij het is, voor wie de zieke zucht. Later krijgt de vriend gelegenheid zich op zijn beurt op te offeren, de vroegere echtgenoot komt dan b.v. in levensgevaar, hij is van een zekere misdaad beschuldigd en juist zal hij naar het schavot gevoerd worden, wanneer de andere er bij komt en alle schuld op zich neemt. Of wel hij wordt melaats en kan alleen gered worden door een bad in kinderbloed; de ander bedenkt zich geen ogenblik en doodt zijn eigen kinderen om de vriend te redden. In meer dan een tekst lijken de twee zò sterk op elkaar dat de een de ander daardoor uit een gevaarlik avontuurtje redden kan. Die staat n.l. in liefdesbetrekking tot de koningsdochter, maar wordt verraden; nu moet hij door een Godsoordeel zijn onschuld bewijzen; zijn vriend neemt zijn plaats in en natuurlik valt het oordeel nu te zijnen gunste uit. In verband hiermede moet de een ook tegenover de koningsdochter de rol van zijn vriend op zich nemen en omgekeerd deze die van de echtgenoot tegenover zijn vriends vrouw, maar beiden houden zich zo trouw aan hun vriendenplicht dat niemands recht daarbij gekrenkt wordt. Het hartroerende, gevoelvolle in deze motieven hebben de geesteliken reeds in de 11de eeuw in Latijnse verzen, met de nodige retoriek en sentiment ontwikkeld. Helemaal romanties is het dat, wanneer de echtgenoot zijn vrouw aan zijn vriend heeft afgestaan en zij wegtrekken, hij dan zelf aan de oever ze na blijft staan turen, terwijl hij op zijn guitaar tokkelt en ze elegies klagend achterna zingt; hij hoort de echo zijn woorden herhalen en wanneer hij ze uit het oog verliest, slaat hij zijn guitaar in splinters.

Een andere in de geestelike wereld zeer verbreide vertelling was de klassieke roman van Apollonius van Tyrus. Die werd in de 3de eeuw geschreven, waarschijnlik oorspronkelik in het Grieks, maar reeds vroeg in 't Latijn vertaald door iemand die nog heiden was; reeds ten tijde van Karel de Groote heeft men in Franse en Duitse kloosters handschriften van de Latijnse vertelling gehad en in de volgende eeuwen kan men de roman zich in talrijke nieuwe afschriften verder zien verspreiden. In de 10de eeuw vinden wij de stof in Latijnse hexameters bewerkt, later gaat die in de Latijnse verzameling van verhaaltjes, de »Gesta Romanorum" over, en reeds in de 12de eeuw zijn er Provençaalse en Franse bewerkingen geweest. De oude vertelling had allerlei romantiese motieven in zich opgenomen, die in het Oost-Romeinse rijk aan het einde van het klassieke tijdperk verbreid waren: Een koning staat in een onnatuurlike verhouding tot zijn dochter en om de vrijers kwijt te raken, legt hij hun een raadsel voor. De wijze en voorname Apollonius lost het raadsel op. Maar daar dat juist een bekentenis van de bloedschande inhoudt, wordt hij, verre van de hand der prinses te krijgen, meer dan ooit door de koning vervolgd. Hij moet uit Tyrus vluchten, zwerft op de Aegeïsche zee rond, trouwt met een andere koningsdochter, bij wie hij een dochter krijgt. De familie raakt door een storm op zee van elkaar en alle drie hebben de merkwaardigste avonturen te doorstaan. De dochter komt in een bordeel terecht, maar zij weet haar kuisheid en onschuld te bewaren, de echtgenoote wordt priesteres in een tempel, Apollonius zwerft oud en droevig om op zoek naar vrouw en dochter die hij dan ook eindelik vindt en herkent. Al deze in die tijd zeer bekende motieven heeft de oude schrijver samengeweven om ze als grondslag te gebruiken voor uitvoerige schilderingen in de trant der Sophisten en rhetoren: nu eens een storm op zee en een overval door zeerovers, dan eens hoffeesten en godsdienstige ceremoniën; hier horen wij van een jongeling, die van liefde verteert, daar van een meisje dat door tranen of roerende smeekbeden een barbaar vertedert die haar kuisheid belaagt,--vol van lange redeneringen en klachten, vertwijfeling en herkenningsscènes.

Men begrijpt welk een enorme aantrekkingskracht zulk een roman had voor de Middeleeuwse geestelikheid. De afwisselende, avontuurlike gebeurtenissen te land en te water; de verschillende zinnen-prikkelende onderwerpen--bloedschande en bordeelscènes--; de medelijden-verwekkende ellende, roerend verdriet en aandoenlike vreugde; bewonderenswaardige kristelike deugd, door boosheid vervolgd. In stof zowel als in geest was er daarin veel dat verwant was aan de kristelike legenden. En bovendien voerde die roman de lezers in de gehele antieke civilisatie in: de omgang in de kringen van een koningshof zowel als de gehele geestelike habitus van de optredenden, hun manier van zijn en van spreken, wees op een oude hoogstaande kultuur.

Uit die van alle kanten toestromende stof poogden ten slotte de geesteliken zelfstandige romans samen te stellen. Een zeer merkwaardige vertelling in Latijnse hexameters, in de 11de eeuw geschreven door een Beiers geestelike, is ons in fragmenten overgeleverd. »Ruodlieb" verhaalt van een aankomende ridder die de wereld in trekt, en bij een bezoek aan een koning twaalf raadgevingen mede krijgt, en het vervolg van de geschiedenis toont nu hoe nuttig die waren en hoe alles misloopt als ze niet opgevolgd worden. Het idee van die raad die door een hele reeks avonturen zijn goed recht toont, stamt duidelik uit het Oosten, waar die meer dan eens in de literatuur te vinden is; dat is juist een van die echt-Oosterse handige manieren om verschillende geschiedenissen tot één geheel samen te binden en levensregels in te prenten. Ook veel van die enkele raadgevingen en vertellingen die ze illustreren, schijnen van Oosterse oorsprong. Vanwege het exotiese-vreemde heeft de schrijver een gedeelte van de handeling naar het koninkrijk Afrika verlegd en waar hij kan, brengt hij de kennis aan de man die hij uit 't een of ander medies-natuurkundig compendium geput heeft, over merkwaardige dieren of planten. Maar vooral is hij in aanraking gekomen met de ridderwereld en hij weet ook op de een of andere manier iets van het Zuid-Italiaanse of Arabiese of het Byzantijnse hof, want midden in de realistiese schildering van het naieve Beierse adelike leven der 11de eeuw, vinden wij niet weinig trekjes van fijne »hoofse" manieren die duidelik als voorbeeld opgesteld worden voor het publiek, tot hetwelk de schrijver zich richt. Daar worden hoffeesten geschilderd met prachtige klederdrachten en juwelen, de ceremoniële ontvangst der gezanten en banketten. Na de maaltijd gaan de dames en de jonge ridders in de slottuin naar de vogels kijken die de dames eten geven. Dan vraagt een der ridders om een harp en geeft een stuk ten beste, waarna het gezelschap gaat dansen; »gelijk de valk in een kring om de zwaluw heen zweeft, zo draait de ridder om haar heen met wie hij danst, maar als hij dichter bij komt, ontwijkt zij haastig". Een ridder en een dame spelen met de teerling om vingerringen,--feitelik, zegt de dichter, spelen ze om zichzelf, en of ze winnen of verliezen, ze zijn toch allebei even gelukkig. Zij verbergen niet langer voor elkander hoezeer zij liefhebben. Als de moeder van het meisje het maar goed vond, zouden ze nog dezelfde dag trouwen, maar de zeden eisen nu eenmaal dat zij nog wat wachten. Maar de jonkvrouw kan zich nauweliks bedwingen.--Elders komt de schets van een kokette voor die achter haar deugdzame schijn een amourette met een geestelike verbergt; zij meent een ridder in haar netten te kunnen vangen, maar hij stelt haar brutaal te leur en aan de kaak.

Ruodlieb zelf is het ideaal van een jonge man. Zijn dapperheid wordt niet spesiaal op de voorgrond gesteld--ook dit wijst er op hoezeer 't werk door het Oosten en door de geestelikheid geïnspireerd is--maar wel zijn vroomheid, zijn goedheid en zijn beminnelike manieren. Schoon en innig wordt zijn thuis en de verhouding tot zijn moeder geschilderd (zijn vader is dood) en tot de ondergeschikten. Roerend is b.v. het afscheid,--de moeder gaat hem op de verandah na staan kijken, maar tracht haar tranen voor de dienstboden te verbergen, de knechts klimmen op de muur om de vertrekkende nog zo lang mogelik te zien; zwaar om het hart trekt hij zelf weg. Gevoelvol is ook in een reeks details de terugkomst geschilderd: de knecht die in de kerseboom geklommen is om te zien of hij nog niet komt,--de moeder die voor hem uithaalt en hem op de erezetel wil doen plaats nemen, wat hij met de eerbied van een zoon van zich af schuift, en dergelike trekjes meer.

Ruodlieb toont veel meer dan enig ander dokument hoezeer de geestelike Latijnse vertellingsliteratuur de voorbode was der 12de eeuwse ridderromans en die voorbereidde; in de tijd van de Otto's kenden bovendien zo veel Duitse edelen Latijn dat Ruodlieb misschien ook wel als lektuur berekend was voor de wereld der voorname leken.--

X.

DE ROMANTIEK DER KRUISTOCHTEN.

De kruistochten waren het die in de 12de eeuw 't meest op de voorgrond traden. De gehele maatschappij en het gehele geestesleven droegen er de stempel van: die stroom van mensen uit alle klassen der samenleving, die een eeuw of anderhalve eeuw lang, uit Europa naar het Oosten trokken, hetzij als een georganiseerd leger, hetzij in grote of kleine scharen van pelgrims. En die kruistochten betekenden een grote verheffing van het zelfbewustzijn dier tijden. Nadat de mensheid eeuwenlang moedeloos door eigen ellende naar de oude goede tijd terug hadden gekeken, voelden zij nu met vreugde dat er iets groots en iets nieuws in hun leven gekomen was, en de wereld in nieuwe banen geleid werd. Zelfs in die tijd, »nu de wereld oud geworden is",--zo laten de kroniekschrijvers van de eerste kruistocht zich uit--zelfs nu is het gebleken dat er dingen gebeuren die »evengoed de moeite van het horen waard zijn als in de oudheid"--die zelfs »veel belangrijker zijn, en de mensheid tot groter eer, dan die zuiver wereldlike oorlogen van vroeger", ja! »sedert de schepping van de wereld en het mysterium van het kruis is er niets gebeurd dat met deze tocht vergeleken kon worden, die een werk Gods was, en niet van de mensen".

Een machtige beweging grijpt alle gemoederen, de gehele maatschappij. Overal breekt men af, alles komt op losse schroeven te staan. Wanneer de burchtheer een verre reis onderneemt, wordt op menig kasteel het land verpand, of het gaat al vast aan de erfgenamen over of wordt aan een voorlopige bestuurder overgedragen, de vazallenband wordt opgeheven, huweliken worden ontbonden en de vrouwen naar het klooster gezonden, of de vrouw die alleen achterblijft vergeet haar man en neemt een ander, zo goed als hij op zijn tochten genoeg los vrouwvolk vindt. Ook bij het volk lopen genoeg dwepers rond die het opstoken; ze trekken weg, in scharen, man, vrouw en kinderen, de dorpen met elkaar, en als sprinkhanen valt het volk in zwermen ergens anders op aan. Alle wegen zijn vol soldaten en pelgrims, allerlei mensen vullen de herbergen die propvol zijn, op schepen en in karavanen pakken ze zich samen, een mengelmoes van de beste en de slechtste elementen der maatschappij met de ergste misdadigers erbij, stromen allemaal naar het Oosten. Het afscheid van huis legt een pathos in vele gemoederen, dat ons nog uit de gevoelvolle liederen te gemoet klinkt waarin Provençaalse, Franse en Duitse ridders hun kastelen en goederen, vrouw en kinderen en al hun ondergeschikten een afscheid toe roepen; hun heimweezuchten van uit het Oosten of van op de zee; de verlangens der achtergebleven vrouwen naar hun »Seigneur". Elke avond luiden de kerkklokken om de thuisgeblevenen tot het gebed op te roepen, voor hen die »over de zee" waren getrokken; »ik zing," zo klaagt de Vrouwe van Fayel, »om mijn ziek gemoed te versterken, opdat ik niet sterve of krankzinnig worde van verdriet, wanneer ik niemand uit het heidense land terug zie keren, waar _hij_ is, die mijn hart doet kloppen, wanneer ik hem maar hoor noemen," en het refrein luidt: »God, wanneer ze roepen: op ten strijd!, help dan de pelgrims, want voor hem ben ik bevreesd; de Saracenen zijn zo wreed." Maar, »op ten strijd! ginds over de zee,--oltrée!" klonk het refrein van de kruistocht-marseillaise die te land en te water de scharen achter zich aantrok. »O, kruis des Heilands, gij zijt onze mast op deze Wereld-zee," zongen de pelgrims. »God de Heer zelf is onze Veerman, de goede werken zijn het touwwerk en het geloof het zeil, de Heilige Geest is de wind die ons op de rechte weg brengt en het Hemelrijk het Tehuis waar wij zullen landen!" Allerlei onuitsprekelike narigheid en ellende staan ze te land en op zee uit. Alle soorten van besmettelike ziekten als pest maken hunne rijen dun, als vliegen sterven zij in hopen van honger, en er lopen vreselike geschiedenissen van pelgrims die het leven er in moesten houden door menschenvlees te eten; op zee maken de zeerovers in hun galejen jacht op ze als gulzige haaien, en voeren velen in slavernij weg; in de woestijnen van Syrië worden ze met aanvallen der Bedouïnen bedreigd en door wilde dieren.--Wie kent de geschiedenis niet van Godfried van Bouillon, hoe die helemaal alleen met een vreselike beer moest vechten, en van Boudewijn die half door bloedzuigers opgegeten werd. Maar alles is vergeten wanneer ze zo gelukkig zijn hun doel te bereiken en ze de Heilige Plaatsen kunnen kussen, waar de voet des Heren getreden heeft, als ze aan het Heilige Graf kunnen bidden en water uit de Jordaan mee naar huis kunnen nemen. En de gehele atmosfeer daarginds is voor de gelovigen in hun verbeelding van mirakelen vervuld. Al de relikwieën die de bedevaartgangers vinden--van de heilige lans van Longinus tot een doorn uit Kristi kroon of een druppel van zijn bloed;--al de hemelse maar ook duivelse openbaringen waarmede de kruistochten gepaard gaan. Plotseling komen b.v. witte ruiters het in 't nauw gebrachte leger der Kristenen ter hulp, of wel bezoekt Satan in de gelijkenis van een slang 's nachts het leger der kruisvaarders.

Hand in hand hiermede gaat de gehele woeste strijdlust die de Europese soldatesca op de Saraceense »honden" botviert, nu er voor hen thuis geen plaats meer is. Met groot genoegen snijden de heren op de kruistochten de gevangene Turken de neus en lippen af en zenden die als trofeeën aan de Griekse keizer en toen Jerusalem ingenomen was, vlood het bloed door alle straten en werden overal in alle kerken de mensen vermoord. En gulzig wierp die roofgierigheid zich over alle rijke landen, »laat ons dapper voor Kristus strijden," roept een deelnemer aan de eerste kruistocht uit, »indien God het wil, worden wij allen rijk." Nu men dom genoeg geweest was zich door de Griekse Keizer voor de gek te laten houden, in plaats van Byzantium te nemen en te plunderen,--waar de zanger der kruistochten zich eigelik hevig over ergert--nu zouden de kamelen der Beduïnen of het huisraad en de kostbaarheden in de marmeren paleizen het des te meer moeten ontgelden. Onder de schitterende Oosterse zon is de kleurenpracht in de natuur zo wel als in de steden verblindend en de gehele atmosfeer van het Oosten verwekelikt en prikkelt alle zinnen tot genot; meer dan één ridder liet zich vangen door de Oosterse schoonheid der Saraceense vrouwen en hun ervaren liefdekunstjes. En al het Oosters-fantastiese waar men tot nu toe in Europa slechts een echo van kende, dat ontvouwde zich nu vlak voor de oogen der kruisvaarders. Hyena's en luipaarden, topazen en smaragden met hun zeldzame toverkracht, de automatiese en mechaniese kunstwerken waarmede de Saracenen hun woningen versierden--dat alles waar zij thuis slechts over gehoord hadden, zagen ze nu met hun eigen ogen. Nog vreemder waren de dingen, waar ze daar ginds over hoorden van de landen nog meer naar het Oosten, maar waar ze zelf niet kwamen--over het mystiese nieuwe rijk van Babylon, waar de Griekse keizer gezanten heen heette gezonden te hebben, over het land van de »Aartspriester Johannes", nog verder Azië in, en over het Aardse Paradijs in Indië met al zijn rijkdom en merkwaardigheden. Een brief die de Griekse keizer van die mystiese »Aartspriester" gekregen moest hebben en die in talrijke afschriften over Europa verspreid werd, vertelde van de wonderen in zijn paleis, over het graf van de Apostel dat in de lucht zweefde en over de »fontein der verjonging". En op de tapijten die de kruisvaarders van Syrië en Byzantium mede naar huis brachten, en die weldra overal in 't Westen de altaren der kerken en de muren der zalen versierden, gloeiden gele olifanten met groene snuiten de toeschouwers van een dieprode grond tegemoet, of pelikanen die hun borst aan 't bloeden pikten om hun jongen te voeden. Van die tapijten gingen draken en griffioenen en gevleugelde leeuwen en alle mystiese fabeldieren van het Oosten weldra op de portalen en de kapitelen der Romaanse kerken over.

Bij hun thuiskomst werden de kruisvaarders en pelgrims niet moe van te vertellen, en de thuisgeblevenen konden nooit genoeg te horen krijgen. Toen graaf Guillaume van Poitou van zijn mislukte tocht thuis gekomen was, trok hij van slot tot slot in Zuid-Frankrijk rond en maakte zich interessant door van zijn gevechten met de dieren van de woestijn te zingen en te vertellen hoe hij in zijn gevangenschap daar ginds de bewondering van alle ongelovigen had opgewekt. Ook graaf Bohemund van Tarente trok zo rond en terwijl hij troepen aanwierf voor een nieuwe expeditie, vertelde hij met de nodige fantasie van zijn heldendaden en zijn avontuur met de dochter van de sultan, die op hem verliefd werd en hem uit zijn gevangenschap bevrijdde. Jarl Ragnvald kwam met zijn mannen, na hun kruistocht, op de Orkney-eilanden en vertelde: eerst van de vrolike dagen te Narbonne waar de gravin Ermengarde de flinke mannen uit het Noorden zo gastvrij ontvangen had; toen, hoe zij aan de kust van Sicilië een enorm groot Saraceense Dromund (oorlogsschip) getroffen hadden, dat door een reus van een neger gekommandeerd werd, en dat zo vol was met goud en zilver, dat, toen het schip verbrandde, er een gloeiende stroom van metaal het water in stroomde; verder over de belegering van Askalon, het plezierige leven dat de kruisvaarders te Byzantium geleid hadden; enz. Over alles werden de teruggekeerden uitgevraagd en alles wat zij vertelden werd met huid en haar verslonden. »Zeg mij nu, meester Trougemunt," heet het in een Duits lied (en Trougemunt betekent de zeer bereisde, die vreemde talen kent), »twee en zeventig landen kent gij; welke vogel heeft geen tong, en welke vogel zoogt er zijn jongen?"... en op alle vragen heeft Trougemunt een antwoord klaar, dat hij telkens met de trotse woorden inleidt: »Die gij daar vraagt, dat is een man, die goed bescheid u geven kan."