De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen

Part 13

Chapter 133,570 wordsPublic domain

Gelijk de liefde van de Kristen voor God er een is van beneden naar boven, vol van vrees en beven, vol van onderwerping en ootmoedige aanbidding, zo is het ook met die van de troubadour tot zijn Dame. Even verschillend van de antieke liefde van Hero en Leander of Daphnis en Chloë of van de Germaanse opvatting als van die van Sigurd en Brynhilde--twee geliefden die als gelijken tegenover elkaar staan,--dwingt de liefde in de minne-poëzie der troubadours de man op zijn knieën, de vrouw dienende en haar aanbiddend,--tegenover de trots afwijzende of genadig nederbuigende vrouw, presies gelijk de Kerk de krijgsman, de baron, op de knieën dwong voor de gekruisigde zoon van de timmerman en de Moedermaagd. Evenals de Kristen, gelijk wij in het tweede hoofdstuk zagen, bevend en schuldbewust, met gebogen hoofd voor God staat en slechts hij die vreze voelt gered kan worden, zo zingt de troubadour: »hij die geen vreze voelt, heeft niet uit heel zijn harte lief" en vertelt hoe hij angstig en bevend in de tegenwoordigheid staat van zijn aangebedene en hoe hij de blik niet op waagt te heffen of zijn liefde uit te stamelen. Het is de minnaar een genot zich klein te voelen: tegen over de geliefde is hij als een kind, wiens grootste verdriet is van de moeder weggenomen te worden, een kind dat de roede vreest; »ik moet voor haar staan en op mijn vreugde wachten, gelijk de kleine vogeltjes op de dag wachten," zegt een Duits minnezanger. Het is hem, als de kristen, een genot zich te vernederen. »Met gevouwen handen, met een touw om de hals en met een bevangen hart bid ik U om genade, o goede, genadige Vrouwe! en bid ik God van wie alles komt, om barmhartigheid in uw ziel te storten." »Gij kunt mij verkopen of wegschenken of mij doden,--ik ben helemaal uw eigendom." Evenzo noemen de heiligen der Kerk zich »de slaven Christi" en als die het water drinken waarin zij de melaatsen gebaad hebben, is dit een uiting van dezelfde perversiteit die zich in een zachte vorm vertoont waar een Duits minnezanger de kom leeg drinkt waarin de aangebedene haar handen gewassen heeft. Maar waar de vrouw der Middeleeuwen lief heeft, komt diezelfde drang tot zelfvernedering te voorschijn. Heloïse schrijft aan Abélard: »Ofschoon de naam van echtgenote heilig heet en meer bindend, is het mij toch altijd zaliger uw geliefde genoemd te worden, of als gij niet boos wordt, uw boel of uw bijzit, zodat mij als ik mij zo voor u verootmoedig, ook groter tederheid van u ten deel zal vallen... Mij zou het dierbaarder zijn en een groter eer uw deern genoemd te worden dan de Keizerin van Augustus." Een en ander hieruit is misschien genomen uit de brief van Briseis aan Achilles in de Heroides van Ovidius, maar het gevoel is echt middeleeuws overspannen. In de middeleeuwen kende men de schone gelijkheid tussen de twee mensen niet; lief te hebben is knielen en aanbidden. »Meesteres! ik vouw mijne handen en aanbid u," barst Bernard de Ventadour uit.

Wat de liefde der troubadours vooral op verschillende wijzen gekleurd heeft, is de sterk zich ontwikkelende Mariaverering, evenals die omgekeerd ook onder de invloed der troubadours staat. Gelijk Maria in de hymnen, wordt in hun minneliederen de Vrouw verheerlikt als de bron van alle schoonheid en goedheid, als de Kamer der Vreugde, het Schrijn der Eer, de Welriekende Bloem en wat dies meer zij. Ook het schoonheidsideaal heeft trekken aan de Mariabeelden ontleend.

Van de Minnaar, gelijk van de Kristen, wordt strijd geëist, zelfverlochening en lijden, voordat hij gehoor verdient te krijgen op zijn smeken. Reeds Ovidius wilde het genot kruiden door tegenspoed en beproevingen. Voor de ridder was het bovendien altijd aanlokkend, hoe groter gevaar, hoe meer moeilikheden waren er met de liefde verbonden; een ridder--heet het--moet vóór alles »paresse" ontgaan en strijd en beproevingen zoeken. Nu wordt er in de kristelike geest verkondigd dat de minnaar gelouterd moet worden en dat lijden de liefde dieper doet worden. Het is uit het boek van Job of uit het »boek der wijsheid" van Salomo, dat de troubadours het beeld hebben van het goud dat in het vuur gelouterd wordt. Zij voelen zich als de martelaars der liefde, genieten van hun ontbering en hun tegenspoeden en rekenen zich dit als een verdienste aan; met Bernard de Ventadour zeggen ze: »Weinig heeft hij lief die zich niet aan zwaarmoedigheid overgeeft. De schone tranen der liefde zijn meer waard dan haar glimlach. Mijn wee is mij een zoete pijn." Dit is het zuivere ascetiese sentimentalisme.

Gelijk de Kristen eindelik zich op de beproeving verheugt, daar zijn verdienste in vindt, weet dat die een pant is voor een latere beloning, zo ook de liefhebbende minnaar. Door zijn liefdesmart verdient de minnaar de dank van »Merce",--de genade. Als de Madonna moet zijn Dame zich ten slotte in barmhartigheid tot hem nederbuigen.

IX.

GEESTELIKE ROMANS.

Terwijl de Ridderlyriek zich zo aan de hoven van Zuid-Frankrijk ontwikkelde, ontstond de Ridderroman langzamerhand uit de sosiale en geestelike tijdsomstandigheden. Zijn voorganger is een Latijnse vertellings-literatuur die in de wereld der geesteliken opbloeit en ontstaat uit de kristelike sentimentaliteit en uit de overdreven avontuurlike fantasie van de tijd.

In de kloosters leefden toch de geestelik het meest op de voorgrond tredende mensen van hun tijd,--met de beste vorming en de grootste leeslust, mensen met alle tijd tot hun beschikking, van de morgengodsdienst tot de middag, tussen vesper en de kompleten en met genoeg volharding in zich om grote uitgebreide folianten te schrijven. Geheel de lange, stille dag werd er in de scriptoria en de cellen het ene gele blad na het andere omgeslagen en kraste de ganzeveder over het perkament. Op de boekenplanken in de leeszaal stonden de Heilige Schrift, de kerkvaders en de legenden naast kronieken van Franse en Duitse monniken, elk met _hun_ historie en met alles wat de wijze klerken van Rome nagelaten hadden,--ja! zelfs kon men er vertalingen van Griekse romans vinden of van de Oosterse wijsheid der ongelovige Muzelmannen. Zij die Latijn lazen en schreven, hadden toegang tot al de schatten van het menselik weten, en bronnen van onder elkaar wijd verschillende wereldstreken en tijden--Keltiese Arthur-legenden en Griekse liefdesgeschiedenisjes, Oosterse anekdoten en Frankiese heldendichten--vloden nu in de tijd der kruistochten samen in de Latijnse folianten der monniken tot een algemene Europese literatuur. Zo kreeg de leeshonger en de dorst naar het fantastiese in het saaie kloosterleven een bonte massa stof om op te teren. Ook langs mondelinge weg kwam menige echo uit de buitenwereld naar binnen en werd trouw en dankbaar opgetekend. Kloosterbroeders, teruggekeerd van de tochten waarop zij uitgezonden waren, werden nieuwsgierig over alles uitgevraagd, ook pelgrims kwamen terug van hun reizen, propvol van indrukken en verhalen, menige ridder zocht op zijn oude dag een toevlucht in het klooster en had dan veel van zijn avonturen te vertellen, toen hij nog in 't volle leven verkeerde, verscheidene kloosters waren ook eigelik niets anders dan een soort herberg waar voortdurend de hoge heren met hun gevolg aan kwamen zetten. Aan de andere kant gaat ook de geestelikheid de wereld meer en meer in, om die door macht zo wel als door een sentimenteel-dwepend opruien te kunnen beheersen. Onder dit alles zien wij de kronieken en legenden der monniken levendiger worden en meer door menselike gevoelens bewogen, maar door de fantasie gekleurd, meer roman-achtig en ze komen er nu zelfs toe hele profane Latijnse romans te schrijven.

In plaats van vervelende droge annalen, die met even weinig geest als gevoel, jaar na jaar de gebeurtenissen aanstippen--zonder samenhang, zonder détails, zonder enige aandoening--groot en klein door elkander, alles wat de annalist maar ter ore komt,--beginnen in veel dier kronieken personen op de voorgrond te treden, gebeurtenissen worden in dramatiese scènes weergegeven en tot geschiedenissen aaneengeregen en de kroniekschrijver tracht deelneming te wekken, de spanning gaande te houden en aandoening te weeg te brengen; hij kleurt en idealiseert de geschiedenis, romantiseert, en sentimentaliseert die. In de schildering door een geestelike uit Mainz van het leven van Hendrik IV, zien wij b.v. de scène op de Rijksdag van Mainz waar de zoon des keizers met gehuicheld berouw zich voor de voeten van zijn vader werpt. De vader die zijn zoon's woorden en tranen maar al te graag geloofde, viel hem om zijn hals, weende en kuste hem en was even blijde als die andere vader in het Evangelie dat zijn zoon die gestorven was, weer opstond en zo de verlorene weer terug gevonden was. In 't kort, hij vergaf hem en schonk hem al zijn straf kwijt en zijn zoon met zachte vaderlike vermaningen terecht te wijzen scheen hem een voldoende straf voor zijn misdaad, want gelijk de blijspeldichter zegt: »een kleine boetedoening is den vader voldoende voor de grote misdaad van zijn zoon." Op die wijze ziet men die historiese scène geheel en al in het licht van de terugkeer van de verloren zoon en van de scène bij Terentius waar de oude vader zijn ongehoorzame zoon vergeeft; in het licht van kristelike sentimentaliteit en antiek humanisme wordt de scène er als één uit een roman. Even romanesk is de kroniek van de Normandische monnik Ordericus Vitalis over de Normandiese vorsten. Het is overal de gewone menselike kant en de anekdotiese scènes die hij het liefst op de voorgrond zet; met bewondering schetst hij de statige Normandiese groten met hun prachtige feesten en schildert hij de familietwist tusschen Willem de Veroveraar en zijn zoon met de bijbelse kleuren van David en Absalon. Volkomen als een historiese roman vormt zich eindelik grotendeels de »Historie der Britten" van de Engelse klerk Geoffrey van Monmouth. (c. 1135) Op het voorbeeld van de Romeinse geschiedschrijvers, dicht de fantasie-rijke Brit uit Wales er op los: brieven en redevoeringen en alles zet hij in een retoriese stijl en hij schildert koninklike bruilofts- en kroningsfeesten, kerkelike ceremoniën en vrouwen met een huid, witter dan ivoor en pasgevallen sneeuw. Koning Uther wordt bij een banket op de gemalin van een zijner leenmannen verliefd en verteert van liefde, totdat Merlijn, de fantastiese tovenaar hem aan haar sponde brengt in de gedaante van haar gemaal--evenals Mercurius Jupiter bij de echtgenote van Amfitruo bracht. Koning Lear staat zijn rijk aan zijn dochters af en krijgt bitter hun ondankbaarheid te voelen. Een moeder verzoent twee twistende broeders--gelijk Iokaste tracht Eteocles en Polynices bij elkaar te brengen. Koning Arthur vervolgt een reus die de jonge Helena geschaakt heeft en het samentreffen met die reus herinnert in allerlei opzichten aan de strijd van Hercules met Cacus, de zoon van Vulcanus. De 11000 schone Britse vrouwen die schipbreuk lijden en in de handen van een wilde roverbende vallen, zijn ongetwijfeld verwant aan de H. Ursula en de 11000 Britse maagden die volgens de legende te Keulen de marteldood stierven. Zo spookt ook in de fantasie van deze vindingrijke Keltiese monnik die gehele massa stof rond waar de overlevering en de bonte boekenschat in de kloosterbiblioteken van Wales hem mede hebben gevuld.

Maar die romantiese kronieken--die van onze Deense Saxo is een van de prachtigste exemplaren van het soort--zouden niet achter de kloostermuren blijven. De ridderhoven smachtten gewoon naar amusante verhalen. Dat Geoffrey van Monmouth zijn »Historia Regum Britanniae" schreef, is waarschijnlik aan de uitnodiging daartoe te danken door de aartsdiaken van Oxford, van een Engelse prinses, en kort daarna begonnen ook verscheidene Normandiese geesteliken--gelijk er zo vele aan de hoven leefden als sekretaris of gouverneur bij jonge kinderen--het Latijn van Galfridus in Franse berijmde verzen over te zetten, naar het schijnt op verzoek van vorstelike Engelse dames. En gelijk een van die bewerkers, Mester Wace, verklaart, kon men nu op die manier op alle ridderkastelen die kronieken bij feestelike gelegenheden voorlezen, als eens een afwisseling voor die eeuwige heldengedichten. Zulke rijmkronieken,--Wace zowel als Gaimar, de andere bewerker van Geoffrey, hadden ook oude Latijnse kronieken in Franse verzen vertaald--missen de deftige retoriese stijl van de voorgangers, beschrijven de kampstrijden en feesten der Ridderwereld met trekken en kleuren daaraan ontleend in nog groter détail en--iets waar Gaimar uitdrukkelik opmerkzaam op maakt--vergeten niet 's konings privaatleven en zijn liefdegeschiedenissen breedvoerig uit te meten.

Vroeger dan deze rijmkronieken valt de Duitse »Keizerkroniek", in Duitse verzen ongeveer 1135 waarschijnlik door een klerk aan het hof van Hertog Hendrik de Trotse te Regensburg geschreven. Die is geheel en al van uit een geestelik standpunt en voor een geestelik publiek opgesteld, maar overal zijn er romantiese episodes en kleine novellen ingevlochten--met de stof van de Romeinse geschiedschrijvers, van Duitse heldensagen, legenden en Oosterse vertellingen. Daar hebben wij b.v. de geschiedenis van Tarquinius en Lucretia geheel als een ridderhistorie: Vorst Collatinus leeft in een gelukkige echt met Lucretia maar rijdt toch dikwels in 't geheim naar Viterbo waar men toernooien houdt en vele hoofse dames wonen. De dames van Viterbo volgen de spelen van de muren af en de Romeinse ridders trachten zich zo goed mogelik voor te doen; in de pauses gaan ze met de schonen een praatje maken die het gesprek snedig en gevat blijken te kunnen voeren. Een van hen vraagt een ridder of hij liever de volgende nacht bij de schoonste vrouw zou willen doorbrengen of de volgende dag met de dapperste ridder vechten, en de ridder weet, zeer voorzichtig en galant zijn antwoord zo in te richten dat hij noch laf lijkt, noch onverschillig voor vrouwengunst. Of wij krijgen de geschiedenis van Crescentia, half legende, half een Grieks-Oosterse vertelling, naar het schijnt. Het is over een onschuldig belasterde Keizerin die verstoten is en een zwervend leven leidt vol avonturen, steeds door het noodlot vervolgd, maar die door bijstand uit de hemel per slot van rekening weer in eer en aanzien hersteld wordt. De stichtelike legendentoon doet ons zien dat wij ons in een geestelike atmosfeer bevinden, maar allerlei amusante détails tonen dat de klerk hier bij de speelman in de leer is gegaan.

In hun honger naar vertellingsstof versmaadden de klerken ook niet de nationale heldendichten ter hand te nemen en die tot kronieken te latiniseren of tot een stukje Virgiliaanse epiek. Er kwamen op die manier hoogst merkwaardige produkten tot stand. In het klooster te St. Gallen zat er reeds in de 10de eeuw een jong geestelike die als Latijnse stijloefening een der schoonste Duitse heldendichten--dat van Walther en Hildegunde--tot een Latijns epos in hexameters omwerkte met zinswendingen en vergelijkingen in de trant van Virgilius, zowel als geestelik-vrome uitbarstingen in de wild-barbaarse, heroiese poëzie van het gedicht ingeweven. Op dezelfde manier had in diezelfde eeuw een Franse monnik de heldendichten uit de cyclus van Karel de Grote tot een Latijns gedicht in een hoogdravende, duistere retoriese stijl omgewerkt. In de zogenaamde kroniek van Turpijn (begin van de 12de eeuw) zijn verschillende »chansons de geste" tot een poëties gestemd Latijns stuk proza omgewerkt; meer dan bij schilderingen van strijd en fiere helden, blijft het verhaal stilstaan bij de Majesteit van Keizer Karel en zijn hof te Aken of bij allerlei hemelse mirakelen en aardse wonderen en in 't algemeen is de toon kristelik-sentimenteel en religieus-fanaties. Een vermakelike metamorfose heeft het Rolandslied ondergaan, dat door een zekere priester Konraad aan het hof van de Beierse hertog Hendrik de Trotse in het Latijn is vertaald en daarna weer in Duitse verzen werd omgezet. Nergens kan men zo goed als hier het verschil in geest en toon bestuderen tussen nationaal heldendicht en geestelike rijmkroniek: de geleidelik en breed vloeiende vertellingsstijl van de laatste die niets overslaat, niets op de voorgrond schuift; de uitvoerige beschrijvingen der kostumes en ceremoniën, de lange redeneringen, steeds weer de mirakelen, het verlangen der Paladijnen naar het hemelrijk en de martelaarskroon--alles zo geheel anders dan wat in de sfeer van de »Chanson de Roland" thuis hoort.

Zelfs waagden ze het enkele gedeelten uit de bijbel tot romantiese, roerende en onderhoudende vertellingen om te werken, eerst in Latijnse verzen, tot stichting der geesteliken zelf, later in de volkstaal om het publiek van de kermissen zowel als van de kastelen tot de lezing van vrome lektuur te brengen, in plaats van een geschiedenis als Tristan en Isolde of van het Chanson de Roland. Een Engels geestelike vertelt, in de 12de eeuw, hoe de speellieden de hoorders tot tranen toe bewogen, door van de ongelukken te vertellen die de edele held Artus of Gauvain vervolgden, maar hij vindt dat men bij het voordragen van Christi lijdensgeschiedenis veel meer tranen zou moeten storten. Daarom prijst Ordericus Vitalis ook een geestelike die in de kapel van een Engelse graaf aangesteld was, en die dikwels baronnen en pages om zich heen verzamelde en ze »een grote massa voorbeelden vertoonde van lieden uit het oude testament zowel als uit de moderne Kristen-sagen, die de heilige strijd aangebonden hadden", en op die manier schilderde hij o. a. heerlik de gevechten die Demetrius en George, Theodorus en Sebastiaan, Mauritius de hoofdman over honderd en het Thebaiese legioen zowel als de voorname hoofdman Eustachius hadden te bestaan om zich als »bloedgetuigen de hemelkroon waardig te maken". Men bracht de daden der Machabaeën zowel als de schipbreuk van Jonas in rijm, schilderde de kamp van Salomo met een draak die alle bronnen van Jerusalem leeg dronk, en zijn schitterend hof met al zijn pracht en ceremonieën. Vooral werden de liefdesgeschiedenissen in detail geschilderd. Een Frans bisschop verhaalt in Latijnse verzen hoe de dochter van Jakob geschandvlekt werd, een ander hoe Amnon zijn zuster verkrachtte; een Duitse berijming van de bijbelse geschiedenis treedt in allerlei bizonderheden over de liefdesgeschiedenis van Jakob en Rachel, Sichem en Dina en vertelt gezellig, op de manier der »Brautwerbungen" in de Duitse heldengedichten, hoe het Eleazer ging toen hij naar Nahors toog om voor Isaak een vrouw te zoeken.

Al die aandoenlike kleine idyllen uit het leven van Maria en de kindsheid van Jesus, waar de apocryfe evangeliën van wisten te vertellen, werden in Franse en Duitse gedichten behandeld. In sentimentele verzen werd ook de Passie geschilderd. Op Goede Vrijdag, wanneer de menigte in de kerk zich voor het omsluierde kruis op het altaar verdrong, kon het gebeuren dat de priester naar voren trad en een berijmde versie van de Lijdensgeschiedenis reciteerde, en dat hij begon, net als de trouvères: »Hoort mij nu allen rustig aan, en laat de mond niet langer gaan--hoort wat ik zeg van Kristi dood..." Verder werden alle sentimentele legenden van de genaderijke mirakelen der Madonna allerliefst tot kleine berijmde schetsjes bewerkt. Een Latijnse verzameling van zulke legenden vond de Normandiese monnik Adgar in de biblioteek van de St. Paulskerk te Londen en hij begon ze in naieve Franse verzen na te vertellen--van het Jodenjongetje dat de Hemelkoningin uit het vuur redt, van de kankerlijder, een monnik, die zij van haar borst laat drinken, van de zondaars die zij uit de klauwen redt van de wereldlike rechtvaardigheid, zowel als van de duivel. En zo zijn er anderen die de Heiligen-legenden van hun bloemrijke, gezwollen stijl ontdoen en die wonderbaarlike en roerende geschiedenissen in een gewone, lichtbevattelike stijl de leken aanbieden.

Juist in de 11de eeuw stroomden er van Oost en West de meest fantastiese en sentimentele legenden Europa binnen. Van het Westen--uit de oude kristelike kerk der Kelten in Ierland en Engeland--haalden de Noormannen, na de verovering van Engeland, verschillende legenden die doortrokken waren van het avontuurlik-fantastiese van een zeevaarders-natie en met een aan dat ras eigene romantiese, onstoffelike mystiek. St. Patrick, St. Columbanus, de Heilige Brigitta--of hoe al die Keltiese heiligen heten--zijn als door een atmosfeer van mystiek omgeven; zij hebben visioenen en horen stemmen, de natuur spreekt tot hen, profeties kijken ze de toekomst in, een tijdlang worden zij zelfs in het Hiernamaals overgebracht en weten dan, bij hun terugkomst, de merkwaardigste dingen te vertellen, over de vurige helmond--en de zwarte vogels die klagend in het vuur rondfladderen, over de brug, scherp als een mes, die over de afgrond voert, over het verblindende licht en het zoete gezang dat de bezoeker uit Gods eigen huis te gemoet stroomde. Herinneringen aan de openbaring van Johannes hebben zich klaarblijkelik in deze visioenen met heidens-Keltiese myten vermengd. Of de legenden vertellen van de avontuurlike zeereis van de Ierse heilige Brandanus naar de woonplaatsen der zaligen en der verdoemden,--legenden die samengesmolten schijnen uit herinneringen aan oude Keltiese zeevaarders en Indies-Oosterse reisverhalen.

Uit het kristelike Syrië en Aegypte kwamen er omstreeks het jaar 1000, waarschijnlik over Byzantium en Zuid-Italië, een hele massa legenden, ontstaan uit de vurige en grenzenloze verbeeldingskracht van het Oosten: verhalen van de gruwelikste misdaden en de meest geraffineerde boetedoeningen, van daemonen en toverij, van de merkwaardigste ondervindingen, de smartelikste beproevingen, de wonderbaarlikste zelfopofferingen--van Theophilus die een verbond met de duivel aangaat en de zwarte kunst leert; van St. Gregorius die--evenals Oedipus in de oudheid--zonder het te weten met zijn moeder trouwt en die na het hevigste berouw het tot Paus brengt; van kuise schone jonkvrouwen die in hun onschuld en vroomheid de wapenen vinden om de draken des duivels te overwinnen, van het jonge meisje dat haar bloed geeft om de zieke koningszoon te genezen, over de zelfvernedering van berouwhebbende zondaressen; van de heidense prins Joasaph die, van alle nood en ellende in de wereld afgesloten, in een kasteel opgroeit, vol van alle heerlikheden, maar die toch door het een of ander toeval een begrip krijgt van wat ziekte, armoede en dood betekent en die daardoor zo in zijn binnenste geschokt wordt dat hij vlucht en bij een kluizenaar, Barlaam terecht komt die hem tot het Kristendom bekeert.