De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen

Part 12

Chapter 123,977 wordsPublic domain

Deze verhouding tussen een ridder of een troubadour en de voorname getrouwde vrouw--een verhouding die over de gehele scala zich bewegen kan van een gezelschapsspelletje of een gewone flirtage tot de diepste hartstocht--moge onze tijd immoreel schijnen,--voor die tijd betekende het een grote zedelike stap vooruit. Waar de mannen vroeger gewoon waren volgens de opwelling van het ogenblik hun begeerte dan op de ene, dan op de andere vrouw te werpen en terstond aan die lusten moesten voldoen, werd de ridder er nu toe gebracht zich aan een enkele vrouw te wijden, haar trouw te zijn en zijn begeerte om zo te zeggen, volgens haar wensen, op rantsoen te zetten. De troubadour stelde zijn ware liefde op in tegenstelling met het woest begeren,--met de »losengiers", waarmee men oorspronkelik blijkbaar alleen de gewetenloze verleiders bedoelde, die niets anders vragen dan een ogenblikkelik tevreden stellen der zinnen (»hoe meer ze doen alsof ze u van ganser harte liefhebben, des te zekerder is het er hun alleen om te doen u te onteren")--en met de brutale echtgenoten--»op wat voor rechten tegenover hun vrouwen durven die zich te laten voorstaan? Laat die zich zelf eens bekijken, met baarden als bokken, vuil als raven, behaard als een beer, leder gelijk en rimpelig als een buffel." Feitelik was de liefde der troubadours een grote schrede in de richting van monogamie; zijn gevoelens--verzekert hij ons--blijven trouw en zij zullen blijven duren; zelfs een ongelukkige liefde wil hij niet verruilen voor een eenvoudig tevreden stellen der zinnen bij een vrouw die hij niet liefheeft. En tegenover hen welke die tedere verhouding profaneren en de naam ener vrouw bezoedelen alleen om met hun »zegepraal" te koop te loopen, prijst de troubadour: »discretie als een erezaak"; daarin ligt feitelik de charme en het romantiese van de verhouding. Daarom zegt men dan ook dat de dame zich nooit met burgerliken af moet geven; wanneer die mensen in de herberg zitten, dan flappen ze er uit wat ze achter hun tanden moesten houden. In tegenstelling met hen die dadelik het hoogste wensen, verklaart de troubadour zich tevreden te stellen met beloften, met een glimlach, met een handdruk (met »een draad van haar handschoen"), hoogstens een kus, en wil hij slechts trapsgewijze en langzaam in de gunst van zijn aangebedene stijgen. En het is juist hieraan--zegt hij--dat men het verschil merkt tussen wat herderinnetjes en lichte vrouwen bieden (garçonnières--femmes folles) en de geciviliseerde liefde waarbij de vrouw met enige eigenwaarde, zelfs indien zij lief heeft, hoogstens eerst na een tijdje en na een soort voorbereiding, zich langzamerhand overgeeft, maar nooit in eens. Waar het per slot van rekening op neerkomt, is de overweging die men in een roman vindt, waar een dame ziet hoe veel moeilikheden een van haar aanbidders te overwinnen heeft, voor hij zijn doel bereikt, waarop zij verklaart dat dit niets erg is, want »had hij zonder moeite zijn doel bereikt, dan zou de vrouw niet zo hoog bij hem aangeschreven staan:--car se sans peine joie avoit,--de dames bon marché seroit."

Dat is juist de kern van de zaak. De nieuwe maatschappelike »Sitte", de nieuwe geslachtsmoraal omgeeft de geslachtseer van de vrouw met meer bolwerken dan de naïeve zeden van vroeger gekend hadden. Haar positie werd hierdoor niet alleen veiliger, maar ook tegelijkertijd minder vrij dan te voren.

In de wereld der baronnen, een maatschappij van en voor mannen, was de vrouw geminacht en onderdrukt geweest. Daar was zij de slavin van de man, die hem bij de maaltijd bediende en bij het toilet, die zijn haar wies, hem bij het bad wreef en afdroogde, zijn vermoeide ledematen masseerde en zelfs als 't nodig was het werk van een staljongen voor hem deed. Gelijk een odaliske bediende zij hem ook met haar liefde en wij hebben gezien, hoe zij het bijna altijd is in de volkspoëzie die de man om liefde vraagt. De man is haar »seigneur"; als hij binnentreedt, staat zij op, zij eet pas nà hem, hij tuchtigt haar met slagen,--in een Franse ballade slaat de Koning de Prinses »zo dikwels met een riem dat heel haar blanke lichaam rood zich kleurt", evenals in een Deens lied uit de Middeleeuwen Lave Stisön zijn vrouw een leidsel met ijzeren punten laat voelen. Aan de andere kant worden de meisjes dikwels als jongens opgevoed, zij leren rijden, jagen, de wapens hanteren en beweegt de vrouw zich vrij en spreekt vrijuit met de man, konventionele begrippen over vrouwelikheid staan hun niet in de weg en naar de Chansons de geste en het Nibelungenlied te oordelen, spreken ze en handelen ze, waar ze macht en vrijheid hebben, vrijwel gelijk de mannen doen.

Maar onder invloed van het Kristendom, dat de vrouwelikheid bij de vrouw op de voorgrond bracht en in navolging van de zeden in Byzantium en het Oosten, vormde zich nu pas, in tegenstelling ook met het idee van het mannelike, het begrip van de vrouwelikheid en daarmede nieuw zaad voor de plaats der vrouw in de maatschappij,--zij krijgt ook meer bescherming aan de ene kant, maar wordt minder vrij aan de andere. Door haar opvoeding wordt zij nu meer op de achtergrond gehouden, zij komt nu minder in aanraking met jonge mannen en haar wordt meer dan vroeger een schoone, fiere terughouding ingeprent. Als jong meisje ziet men haar op de grote kastelen slechts uiterst zelden--Siegfried was meer dan een jaar aan het hof te Worms, voor hij een glimp van de vorstendochter Krimhilde te zien kreeg, om wie hij daarheen getrokken was--; en in elk geval is zij altijd van een duenna vergezeld, en ook als jonge vrouw is zij altijd met een dame van gezelschap en loopt zij op Oosterse wijze in een mantel gehuld en de handen verborgen; en men heeft haar geleerd niet naar de mensen om te zien en de mannen niet vast in de ogen te kijken, nooit met onbekenden te spreken en over 't algemeen trots en kortaf te zijn, »niet uit hoogmoed, maar om de kwaadwilligen op een afstand te houden". Een vrouw die bemind wil worden--zegt een Provençaals leerdicht--moet zich gedragen gelijk een ridder een havik op zijn hand houdt, zo voorzichtig dat hem geen veertje gedeerd wordt. Het voorbeeld van een eerbare vrouw is Maria, zoals die op de Madonnabeelden en in de Marialegenden wordt voorgesteld. Zij liep zo schoon en rechtop--zeggen reeds oude Marialegenden--met het hoofd licht gebogen; nooit keek zij om of groette zij man of vrouw.--Zulk een afzondering en afsluiting van het geslacht wekt altijd de nieuwsgierigheid op, maakt voor beide partijen de aantrekkingskracht der liefde groter en het liefdegevoel fijner en sterker. Tussen de geslachten komt zo het romantiese van het op een afstand-zijn; het verlangen van Siegfried naar de onbekende schone wordt grooter met de moeilijkheden om met haar in aanraking te komen en Krimhilde bloost in het vrouwenvertrek, terwijl zij ieder uithoort over de vreemde ridder, over wie zij aan het hof van haar broeders zo veel heeft horen vertellen. En hoe meer »verhinderingen" de schuchterheid der vrouw, of haar opvoeding, of de maatschappelike begrippen van wat al of niet past, of wat de voorzichtigheid bij het huwelik gebiedt, de begeerte van de man in de weg doen staan,--hoe meer »tussen-stadia" van kleine, geleidelik stijgende gunstbewijzen er komen tussen het opwekken van de begeerte en de bevrediging ervan, des te meer wordt het liefdeleven voor beide partijen gecompliceerder natuurlik, maar ook verfijnder.

* * * * *

De opvatting der troubadours over de liefde, zoals die nu, naar wat wij gezien hebben, uit de gehele atmosfeer aan de Franse hoven was ontstaan, werd nu niet alleen versterkt, maar kreeg ook een geheel nieuwe kleur door de lektuur van het oude leerboek van Ovidius over de »Minnekunst"--de Ars Amandi--een werk dat met de grootste attentie en ijver door de gehele Middeleeuwen gelezen werd als een school voor de fijnste en rijpste Levenskunst der antieke kultuur.

Een aestetiese lekkerbek en libertijn leert in dit gedicht de viveurs en de lichte vrouwen van Rome--meestal getrouwde vrouwen bij de volkomen gedesorganiseerde familieverhoudingen van de tijd--hoe de min tot een kunst gemaakt kan worden, zodat er zo veel mogelik zinnelik en geestelik genot van te halen valt,--hoe die van een eenvoudig ruw paren worden kan tot een hoog zinnengenot zowel als een sympatiek behagen en een prikkeling van de fantasie,--hoe die tot een »roman" kan worden, een spel voor alle zielekrachten. Ongelofelik cynies is in dit opzicht wat Ovidius leert. De mannen vertelt hij hoe altijd het grootste genot daar in steekt om de vrouw van een ander te beminnen,--ongewoon eten smaakt nu eenmaal 't best en de moeielikheden, de risico en het ongepermitteerde maakt het genot des te pikanter,--hoe ze in 't geheim te werk moeten gaan, de dienstmaagd als tussenpersoon moeten gebruiken en moeten leren te vleien, om te kopen en geschenken te geven,--hij kent allerlei foefjes hoe men zich royaal kan voordoen, zonder eigelik veel op te dokken. Door er bleek en mager uit te zien en het hoofd te laten hangen, moet men de schone aan het verstand brengen dat men van verdriet verkwijnt; met sprekende blikken en heimelike brieven moet men haar belegeren--de Liefde is een soort oorlog en men moet vol weten te houden en geen moeite schuwen. Men moet haar luimen volgen, tot alle diensten bereid zijn, haar schoenen uit willen trekken, of een spiegel voor haar ophouden; alle moeite, alle gevaren, alle uitstel moet men als kruiderijen beschouwen die, wanneer het eindelik komt, het genot van het bezit slechts verhogen. En men moet er zich in schikken haar gunst met andere te delen en het oog sluiten voor wat men vlak voor zijn neus ziet gebeuren; alleen kan het zo nu en dan zijn nut hebben zelf eens de schijn van trouweloosheid op zich te laden, om haar ijverzucht op te wekken.

Maar ook de Romeinse vrouw krijgt dergelijke voorschriften van Ovidius te horen: hoe zij de zorgvuldigste bewaking kan ontduiken... hoe zij moet zorgen er knap uit te zien... hoe zij door allerlei kleine koketterietjes de man tot zich moet trekken en daarna door een glimlachje of een knikje of een handdruk het vuurtje moet laten gloeien, maar haar aanbidder toch zo lang mogelik op een afstand moet houden--haar waar op prijs moet stellen en de waarde van haar liefde moet verhogen door zich te laten smeken, hoe zij moeilikheden op moet werpen en de minnaar steeds angst voor haar man moet laten voelen, altijd moet trachten uit te stellen en hoe zij, zelfs als zij zich overgeeft, op het ogenblik zelf dat zij zich laat omhelzen, dit niet moet doen zonder een schijn van weigeren en van tegenspartelen.

En al die geraffineerd-verderfelike opvattingen goten zich in de liefdeleer der troubadours uit,--in de onschuld huns harten namen zij die wijsheid van de oude klerk Ovidius als een boek van wereldlike sermoenen in zich op. Veel van al dat verderfelike werd bijna weer rein en onschuldig toen zij het in hun naïef, rein gemoed opnamen; maar van meet af werd de erotiese troubadour-poëzie en de ridderromantiek toch gemengd met een niet geringe dosis van Ovidiaans Epikurisme en cynisme. Bij alle troubadours, zelfs bij zulk een weinig geleerd man als Guillaume van Poitou, treft men talrijke reminiscenties van Ovidius. De lezer van wat voorafgaat heeft vele trekjes in de liederen der troubadours kunnen herkennen als aan de »Ars Amandi" van Ovidius ontleend: Bernard de Ventadour, zagen wij, wilde op zijn blote knieën de schoen van zijn dame uit mogen trekken, Peire Rogier de misstappen van de zijne niet geloven, al zag hij het met zijn eigen ogen. Terwijl het voor Ovidius nog maar een verleidings-kunstgreepje was om er bleek en uitgeteerd uit te zien, werd het voor de troubadours een kwestie van geloof: de ware minnaar ziet er bleek en slecht uit, en hij die ongelukkig een rode gelaatskleur heeft, maakt allerlei excuses en verklaart dat de gloed die onder de as smeult het sterkst brandt. Van nog groter belang was het dogma dat de liefde geheim gehouden moet worden, niet alleen wegens de echtgenoot, maar ook met het oog op de lasteraars en ook omdat--zo als Salomo leert--»de gesloten wateren zijn zoet en 't verborgen brood is liefelijk." Wij hebben samenspraken--op het voetspoor van Ovidius--tussen de troubadour en de dienstmaagd van de schone en het meisje raadt hem aan, ook als in Ovidius, zich in al haar grillen te schikken. Plichtschuldig passen de troubadours ook nu en dan het keukenmiddeltje van Ovidius toe, om zich trouweloos voor te doen ten einde de schone jaloers te maken; maar daarbij verrekenen zij zich tegenover de hoge dames en ze moeten er hard voor boeten: slechts op het aandringen van andere dames werd Pons da Capdueil weer door de Vrouwe van Mercoeur in genade aangenomen, en van Guillem van Balaun verlangde de vertoornde schone dat hij de diepte van zijn gevoel zou tonen door de nagel van een zijner vingers te snijden en haar die met een passend huldegedicht aan te bieden.--Zulke regelen voor de koketterie vatten de dames vromelik op als een uitdrukking van de fijnste, meest echte vrouwelikheid.

De minnekunst van Ovidius was nog meer geraffineerd en gesubtiliseerd geworden in de erotiese literatuur van de uitloopers der antieken. Bij de Sofisten en in de scholen der rhetoren werden alle kentekenen en de werking der liefde spitsvondig besproken--hoe de echte minnaar zich in die en die situatie gedraagt--aan welke van de twee geliefden de voorkeur te geven is, enz. In de Griekse romans van het einde der oudheid trof men dergelijke subtiele discussies ook weer aan. En door de gehele middeleeuwen heen kunnen wij ze volgen als tema voor de gesprekken in alle geestelike kringen. Nu komen ze weer in de tenzonen der troubadours te voorschijn. Een van hun twistpunten, n.l. welke van haar aanbidders een vrouw het meeste heeft begunstigd: hem die zij een blik heeft toegeworpen, een ander die zij op de voet heeft getrapt of een derde wie zij haar hand heeft gegeven,--is reeds in een Griekse roman gevonden, en de verhandeling van een Latijns rhetor, evenals een passage in het 6de hoofdstuk der Spreuken van Salomo door een foutieve lezing ook een bijdrage heeft geleverd.

Ook voor de psychologie der liefde is er in Ovidius en de antieke poëzie menige bijdrage voor de troubadours te vinden. Heel wat van de beeldspraak die het plotseling ontstaan der liefde en haar merkwaardige macht verklaren moeten, schijnen van het ene land naar het andere getrokken te zijn. Dat die liefde b.v. een vlam is die plotseling oplaait, of dat de blikken der schone als pijlen de ogen van de aanbidders doorboren en zijn hart wonden. »Dit meisje is als een jager--heet het in de Indiese hoflyriek--haar wenkbrauw is de boog die zij spant, haar zijdelingse blik is als de pijl. Mijn hart is de Antilope die zij treft". Volgens de Phaedrus van Plato zijn de Anacreontici, de dichters uit de Alexandrijnse periode en de Griekse romans vol van beelden over de blik die als een pijl door het glas der ogen het hart wondt. En uit die werken gaan ze in de middeleeuwse kerkelike verhandelingen over: »De ogen", lezen wij in zulk een stuk van ongeveer 1100, »zijn de boodschappers van de losbandigheid. De ziel wordt door de ogen gevangen; door hen dringt de liefdepijl het hart binnen"; en in Latijnse gedichten twisten het oog en het hart er om, wie van de twee de schuld is van de zonde der mensen. Of wel: de minnaar en zijn hart worden door de oude dichters voorgesteld als gevangen en aan banden gelegd; Amor heeft hem geschoten of is naar binnen geslopen en heeft zijn hart geroofd en speelt er nu mee als met een bal. Al die beeldspraak vindt men bij de troubadours terug, soms met een licht middeleeuws tintje, als wanneer er eerst een boodschap naar de Harte-burcht gestuurd wordt en vol vertrouwen wordt die nu voor de vijand geopend,--maar nu kunnen ze er die niet meer uit krijgen. Aangezien »Amor" in 't Provençaals vrouwelik is, smolt de God der liefde Amor, bij de troubadours samen met de godin der liefde Venus. In de klassieke literatuur zijn er schilderingen van het slot en de tuin van Venus te vinden (bij Claudianus) en van haar zelf waar zij op een rechtsgeding het liefdepleit beslist en het oordeel uitspreekt (Pervigilium Veneris). En in overeenstemming met deze en dergelijke middeleeuws-teologiese allegoriën schilderden de troubadours het Slot der Liefde, met zijn verschillende poorten en trappen en zalen--alles met een bepaalde allegoriese betekenis--en de Godin der Liefde zelf met een kroon van goud en pijlen van goud en lood. Een hele beeldspraak en mythologie der liefde is op die manier van de oudheid via de troubadours en Petrarca als staande uitdrukkingen in de moderne lyriek der minneliederen overgegaan.

Meer psykologies schilderen de klassieken de liefde als een ziekte. De minnaar mist alle eetlust, wentelt zich slapeloos op zijn legerstede heen en weer; koortsachtig wisselen bleek en rood op zijn wangen af, warm en koud, opgeruimdheid en neerslachtigheid in zijn rusteloos binnenste. Zo schilderen Propertius in zijn Elegiën en Ovidius in zijn Amores, de hartstocht; zo wordt ook in de Griekse romans de verliefdheid van de jongeling aangegeven en die van Dido bij Virgilius. En het ongewone en het onbegrijpelike van het liefdeleven wordt door dichters en rhetoren breed uitgemeten; hoe het beeld van de geliefde in het hart van de minnaar nederdaalt of hoe de beide geliefden elkaar hun hart geschonken hebben en zo elk van de beide de ander letterlik in verre landen met zich mede draagt; hoe de minnaar als de mug is die om de vlam fladdert, ofschoon hij zich voortdurend brandt, of haar schoonheid hem als een magneet steeds tot zich trekt.--Al zulke motieven gaan ook in de troubadours-poëzie over. In een rijmbrief aan zijn geliefde vertelt Arnaut de Marueil in alle bizonderheden hoe hij 's nachts op zijn sponde ligt te woelen, het dek van zich af gooit, op staat maar toch weer gaat liggen... en hoe hij overdag buiten zich zelf rond loopt, de mensen niet groet en niet antwoordt, niet wetend waar hij is of wat hij doen zal. Zo leert de troubadour van de klassieken te trachten zich zelf gade te slaan en te vertellen wat er in zijn ziel omgaat. En de naïeve blik van de Middeleeuwen wordt duizelig en raakt heelemaal in de war als hij die innerlike wereld leert kennen, waar alles zo heel anders toegaat dan in de tastbare buitenwereld. De fantasie der Middeleeuwen, geheel vervuld van de kristelike mysteriën, van de merkwaardige stenen en dieren waar reizigers uit het Oosten of schrijvers van de boeken over de onnatuurlike natuurlike historie over wisten te vertellen, vindt in de liefde een nieuwe wereld van wonderen. En nu tracht men de Alexandrijnse Neoplatonici in uitvoerigheid bij de schildering van de wonderen der Liefde te overtreffen. Gelijk de maagd Maria zwanger werd zonder dat haar jonkvrouwelike schoot geopend was, zo glijdt het beeld van de geliefde dwars door de ongebroken ruiten van het oog in het hart. De koude van haar ijs steekt zijn ziel in brand, gelijk men immers brandend vuur uit het kristal krijgen kan dat uit de koude sneeuw gevormd is. Gelijk de salamander, leeft de minnaar midden in de vlam der liefde, gelijk het goud, wordt hij daarin gelouterd en gelijk de basilisk van vreugde sterft, wanneer die zijn eigen spiegelbeeld ziet, zo is met hem gedaan wanneer hij zich zelf in de spiegel van haar blik verliest. De liefde maakt overmoedig en bang, trots en gedwee, verstandig en dwaas; de minnaar lijdt, maar de pijn is hem zoet; hij is ziek maar hij wil niet gezond worden; gevangen, maar hij wil niet vrij zijn.--

Dit alles stamt in de minneliederen der troubadours uit de antieke kultuur. Maar deze volkomen naturalistiese conceptie van de liefde is toch bij de troubadours doortrokken van een geheel daaraan tegenovergestelde moreel-religieuse opvatting, die met de gehele dwepende gevoelsreligiositeit samenhangt die wij in het Europa van de 11de en 12de eeuw hebben zien opkomen.

Bewust staat de troubadourspoëzie in dezelfde verhouding tegenover de godsdienst als de Sirventes tegenover de Kerk. De zanger zal ons vertellen dat, als hij God maar half zo trouw was als aan zijn Dame, hij zeker van het Paradijs zou zijn. Na haar dood is hij overtuigd dat zij daar tronen zal, door rozen en leliën omgeven en door de Engelen met hymnen begroet, »want dàt weten wij toch: wie de wereld prijst, prijst ook God". Midden in een lied op de kruistochten zal de troubadour erkennen dat hij, wat hèm zelf betreft, geen moed heeft zijn schone dame te verlaten, en een ander, die werkelik zich heeft weten los te rukken, zingt dat God zich wel zeer zal mogen verbazen en hem bizonder dankbaar moet zijn dat hij om Zijnentwil dat besluit heeft kunnen nemen en uitvoeren. En het erotiese leven der ridders stoort zich al bitter weinig aan de kerk en haar moraal. Wanneer de bisschop van Angoulême graaf Guillaume van Poitou een opmerking maakt over zijn uitspattingen, wordt hij vrij cynies op zijn plaats gezet.

Maar per slot van rekening zijn de minneliederen der troubadours diep doordrongen van Kristelikheid. Evenals Ovidius de liefde als een kunst leerde uit te oefenen en daar praktiese regels voor gaf, zo had het Kristendom zich aangewend, alles in het leven aan een morele behandeling te onderwerpen. Voor de ware kristelike opvatting mocht niets natuur zijn en zijn natuurlik leven leiden, alles werd van uit het standpunt beschouwd van deugd of ondeugd, en werd geschoold, gedresseerd volgens de idealen der moraal. Zo werd ook de liefde door de geestelik gevormden onder de troubadours tot een morele plicht gemaakt en een deugd en werd die gevormd en gekleurd in de kristelike geest.

Wel is waar was er ook voor de Kerk een gapende afgrond tussen de kristelike caritas en de amor dei aan de ene kant en de voluptas of libido, de geslachtsliefde, aan de andere. Maar dat er in alle hogere liefde een machtig element zit van die zelfopoffering en van een zich met alle gevoelens geven,--iets dat voor de religie der liefde als het eerste en het hoogste staat wat men in de mens wekken moet, dat kan door geen theologie weggecijferd worden. En overal waar het gevoel in het Kristendom op de voorgrond komt, zoals juist bij de sentimenteel-smachtende richting in de tijd der kruistochten, sprak daar de kristelike »amor" een taal, zeer verwant met die van de troubadours wanneer die het over hùn »amor" hadden. Wanneer men bij een van de kerkvaders zinnen leest als deze: »Niemand kan zalig zijn zonder liefde. Diè mens is het onzaligste die tenminste niet iets bemint, buiten zichzelf. De ware manier van beminnen is liefhebben zonder mate. Hij die liefheeft, voelt geen moeite of heeft die moeite zelfs lief. Hij die liefheeft, niet hij, die niet liefheeft zal beloond worden"--dan kon dit alles even goed uit de liederen der troubadours bijeen gehaald zijn. Bij Bernhard van Clairvaux en de Kloosterschool van de H. Victor bij Parijs en soortgelijke Duitse mystici was de liefde tot de naaste een schrede tot de liefde Gods en deze »Gottesminne" werd in gloeiende kleuren en smachtende tonen geschilderd die dikwels uit de zeer aardse liefdepoëzie van Salomo's Hooglied genomen was. Aan de andere kant verheft de troubadour zijn aardse liefde tot een half-religieuse extase: hij vergeet de gehele wereld in haar zoete blik, hij is dronken, niet van wijn maar van liefde--zo zingt ook een Spaans-Arabiese troubadour--de glimlach van mijn geliefde maakt mij gelukkiger dan als vierhonderd engelen mij toegelachen hadden; als ik het schone lichaam van mijn geliefde zie, geloof ik God zelf te zien en omgekeerd: Wanneer ik in de kerk bid, zie ik U voor mij.