De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen
Part 11
Een heel wat vrijer karakter en meer jonkerachtig, heeft de liefdelyriek bij een vorstelik amateur-troubadour als graaf Guillaume de Poitou, hertog van Aquitanië. Elegant en vrolik, beroemd wegens zijn liefdesavonturen en zijn kunst om de mensen te onderhouden, maar ook wegens een zeer lichtzinnige kruistocht, die een heel treurige afloop had,--wat hij later in vrolike liedjes op alle kastelen ging bezingen. Beminnelik geeft hij op van wat hij kan,--hij weet wat dapperheid is, eer, poëzie, weet het onderscheid tussen dwaasheid en verstand, en wanneer men in een gezelschap hem in een liefdetwist vraagt als scheidsrechter op te treden, dan weet hij altijd het juiste oordeel te vellen; zelf verstaat hij de kunst om met de vrouwen allerlei soort spelletjes te doen,--wat hij dan in grove dubbelzinnigheden uitwerkt, terwijl hij God, St. Julianus en zijn opvoeders voor alle goede gaven dankt die hij gekregen heeft.--In een ander gedicht, bijna een kleine novelle van Boccacio, vertelt hij van een even amusant als onfatsoenlik avontuurtje dat hij met twee burgervrouwtjes gehad heeft die hij in de bergen van Auvergne ontmoette.--Met een echte huzarenhumor vraagt hij een vriend hem raad te willen geven: hij bezit twee edele paarden, als hij die nu maar flink kon dresseren, zou niemand beter bereden zijn dan hij; maar hij kan ze niet aan elkander wennen, en nu moet hij kiezen,--natuurlijk meent hij vrouwen. En nu vertelt hij van hun beider eigenschappen, en vraagt of hij Agnes of Arsène moet houden. Nu zijn dergelijke gedichten niet zeer troubadour-achtig. Maar in andere komt de verliefdheid van de ziel meer op de voorgrond, in overeenstemming met de lente en het jong genot, met het schoonheidsgevoel en sympatieke liefdegevoelens: In de zoete dagen van de lente, wanneer de bomen groenen en de vogelen zingen, toen ging het met onze liefde als met de knoppen van de hagedoorn, die in de regenachtige koude nacht nog dicht waren, maar door de zonnestralen openspringen,--evenals in Heine's »Im wunderschönen Monat Mai..." Nog herinner ik mij de morgenstond toen wij een eind maakten aan de twist, en zij mij haar liefde schonk en haar ring; God late mij zo lang leven dat ik mijn handen onder haar kleed moge steken... Ik zal een nieuw lied zingen vóór de wind komt en de regen en de koude. Mijn dame wil mij op de proef stellen, maar hoe meer zij mij tegenwerkt, des te meer krijgt zij mij in haar macht; Gij moet niet denken dat ik dronken ben of gek, maar ik kan zonder mijn lieve dame niet leven. Bij St. Joris! Ik moet sterven als zij mij niet in haar kamer of onder de groene takken kussen wil. Maar welk genot, schone dame, kan het ook voor u zijn mij uw liefde te onthouden? Waarom wilt gij u tot non maken? Wat zou het u baten als ik in het klooster ging? De vreugde der gehele wereld is de onze, indien wij elkaar slechts liefhebben... Indien zijn dame hem nu maar haar liefde wil schenken, belooft hij dat hij diskreet zo wel als galant zal zijn, zeggen en doen wat zij gebiedt, haar in hoge eer houden, haar wijd en zijd prijzen; en dat wil hij wel zeggen dat hij, die liefheeft zich voor menigeen moet weten te buigen, menige goede daad moet verrichten en op moet passen dat hij aan het hof niet »onhoofs" en als een boer spreekt.
Werkt hier nu een frisse natuurlike verliefdheid opvoedend op een ruwe jonker-natuur, omgekeerd breekt soms bij een ander vorstelik zanger als graaf Rambaut van Oranje brutaal de hartstocht van de man door de uiterlike »hoofse" galanterie heen, waar hij dageliks mede speelt. Cynies vertelt die hoe men de vrouwen behandelen moet om zijn wil met hen te krijgen, pochen en vleien, zelfs als het nodig is dreigen, en ze met de vuist in het gezicht slaan; ofschoon hij beweert zelf dom genoeg te zijn om altijd netjes en ridderlik tegen ze op te treden. Of Raimon van Miraval, de altijd verliefde en altijd ongelukkige edelman, die de wereld rondtrok en Loba van Pénautier bezong of Azalais van Lombres of »de Schone Albigenserin" te Castres. Midden in zijn holle, hoffelike frases komt opeens een stukje natuur doorbreken, wanneer hij brutaal een vrouw die hem afgewezen heeft, met beschuldigingen overstroomt dat zij zich voor geld gegeven heeft: »Ga uit, mijn lied, en zeg: hier is een vrouw te koop." Elders vertelt hij waarom hij zich nu in de openbare trouweloosheid van zijn dame schikt; hij rechtvaardigt zich door te zeggen dat hij zich zelf ook vrijheden gepermitteerd heeft--en is zo iets niet beter dan in boosheid van elkaar te gaan?--Zijn eigen vrouw, die hij openlik veronachtzaamd heeft, wil hij echter zulk een »leer om leer" niet toestaan. Zij deed ook aan de dichtkunst en hield er een minnaar op na, maar dat vond manlief niet goed,--tot dat zijn kollega's hem door hun hekeldichten dwongen zich op dat punt wat liberaal te tonen.
Maar de vrolikste en grappigste van alle troubadours was Peire Vidal--een bontwerkerszoon uit Toulouse, die half als hofdichter, half als hofnar, van de ene plaats naar de andere toog, hongerende, zo als hij 't zelf uitdrukt, naar strijd en toernooi gelijk een monnik naar brood, maar vooral verlangende naar avontuurtjes met vrouwen. Met zijn schone stem en zijn vindingrijke geest, heeft hij blijkbaar menige conquête gemaakt en zijn gepoch is dan ook fantasties naief: »Dageliks bereiken mij duizende groeten uit Katalonje en Lombardije en het scheelt niet veel of de Koning sterft van afgunst over mijn geluk bij de vrouwen. Honderden vrouwen ken ik, die mij graag zouden willen hebben, als zij maar konden; ik poch niet, maar de vrouwen kus ik en de ridders sla ik tegen de grond. Stoutmoedig ben ik als Roland, galant als Montdidier; ik weet wat alles bij de kunst der liefde hoort en er leeft geen man die beminneliker is in het vrouwenvertrek dan ik, wreder dan ik onder het wapengekletter. Dikwels komen er boodschappen en groeten--met witte linten, met gouden ringen en alle echtgenoten vrezen mij meer dan vuur of ijzer."--In de regel zullen de vrouwen die dwaze druktemaker wel voor den gek gehouden hebben. Dikwels klaagt hij er over dat zij alleen maar met hem koketteren of hij stelt zich jubelend tevreden met de gedachte dat hij een kus gestolen heeft, of dat de gravin met toestemming van haar gemaal er hem een geschonken heeft. Eens liet een gravin hem wegjagen omdat hij wat al te intiem wou worden, op een andere plaats werd zijn tong doorboord omdat hij zich ten onrechte op de gunst van een hooge dame had laten voorslaan. Naief, maar ook uiterst barok was de vorm van zijn liefde-hulde. Zijn dame, zegt hij, was hem meer waard dan honderd kamelen met goud beladen, zo wel als het hele rijk van de Keizer te Byzantium. Ter ere van een dame te Carcassonne--die hij onder de vrij compromiterende naam van wolvin, lupa, verheerlikte--moet hij zich in een wolfshuid gekleed hebben en het bos zijn gaan bewonen; de jagers hielden klopjacht op hem en brachten hem gewond naar het huis van zijn aangebedene, waar men de nar uitlachte. Ten slotte trok Peire Vidal op een kruistocht mede naar het Oosten en trouwde op Cyprus met een Griekse van wie men hem wijs gemaakt had dat zij een nicht van de Griekse Keizer was--naar aanleiding waarvan hij zich in keizerlike pracht kleedde en aanspraak maakte op de kroon.--
VIII.
MINNEKUNST.
De minnelyriek was die kant van de troubadourspoëzie die de grootste betekenis zou krijgen voor de ontwikkeling der ridder-romantiek en die in andere talen het meest nagevolgd zou worden. En door hun leven, zowel als door hun werken, traden de troubadours als leraars in een kunst der Minne op, gelijk apostels voor een aparte religie. In de eigelike typiese liefde der troubadours zijn verschillende elementen in een merkwaardige mengeling bij elkaar te vinden.
In de eerste plaats was die grotendeels te beschouwen als een soort hofdienst, en hun minneliederen een onderafdeling van de lofzangen die het hun plicht en hun vak was te leveren. Evenals de hofdichter van alle tijden had de troubadour in de eerste plaats er voor te zorgen dat de feestzaal van de lof van de heer des huizes weergalmde en dat zijn roem op de vleugelen van het gezang verbreid werd. En aan de Sirventes die hij ter ere van de graaf dichtte, beantwoordden de Canzonen tot lof van de gravin. Om haar roem bekend te maken--»son los enavantir"--is het dat hij zingt, zoals hij dikwels ronduit verklaart; of wel zegt hij heel naief dat »wanneer ik haar in mijn liederen prijs, doe ik dat niet uit liefde, maar wegens de eer en de verdiensten die ik daardoor hopen mag, gelijk de dichter dat nu eenmaal van een edele dame verwacht." De »beloning" waar hij zijn dame om vraagt is heel dikwels volstrekt dat niet wat wij nu zouden denken, maar een zeer tastbare beloning in de vorm van paarden, wapenen, kleren, of een leen, of een plaats aan het hof. En offisieel hield om zo te zeggen de dame er een troubadour op na, opdat hij haar roem zou kunnen uitbazuinen. »Ik heb behoefte om bemind te worden om daardoor lof en prijs te krijgen," zegt zij volgens de biografie der troubadours tot een dichter, »en ik weet dat gij mij het een zowel als het ander kunt verschaffen en ik ben iemand die de kunst verstaat om te belonen." De »beloning" heeft echter zeker ook meer dan eens een persoonlik karakter gedragen. Wij hebben voorbeelden van gevallen dat een dame een troubadour overhaalt om haar zijn hulde te bewijzen inplaats van aan een andere dame, door hem juist die »beloning" te beloven welke de ander hem niet heeft willen gunnen. Van Raimon de Miraval heet het dat »alle dames om strijd trachtten hem voor zich te winnen, niemand verstond als hij de kunst hun roem te verschaffen; niemand kon gezegd worden »in de mode" te zijn die de Miraval niet als vriend had." Zo kwam de troubadour er niet zelden toe een rol te spelen die men nu al licht met een zeer weinig vleiende naam bestempelen zou. Dezelfde Raimon nodigt in zijn gedichten ter ere van Azalais van Boissazon, gewoon de koning van Aragon en de graaf van Toulouse uit om haar schoonheid te komen bewonderen; de eerste kwam op haar kasteel aan en in de loop van vier en twintig uur, »kwam hij, zag en overwon".
Zelfs zonder zulk een hofdichterschap brengt de vazal heel natuurlik zijn hulde, zijn gevoelens van toewijding en onderdanigheid van de leenheer op diens gemalin over,--waar n.l. de vrouw zelf niet het leen bezit. En het feodale erfrecht heeft juist ingevoerd dat de weduwen en dochters van de baronnen hem op kunnen volgen; vele der Dames die de troubadours bezongen, waren in dat geval: Eleanora bracht heel Zuid-Frankrijk mee ten huwelik en Ermengarde regeerde drie jaar lang over het graafschap Narbonne. Ten tijde der kruistochten bestuurden de vrouwen in elk geval dikwels een leen gedurende de jarenlange afwezigheid der mannen. Menig lied der troubadours tot lof der hoge dames is minder te beschouwen als een minnelied dan wel als de hulde van een onderdaan aan zijn meesteres, feitelik een soort vazallenhulde die zich ook geheel en al in de formules van het leenstelsel beweegt. De dame is de »domna"--domina,--gelijk de leenheer de dominus is, en de hulde van de troubadour heet »domnei", »vrouwendienst". De ridder knielt--als voor de leenheer--en zweert zijn dame trouw, hij wil haar »man", d. w. z. vazal (homme lige) zijn en legt met samengevouwen handen zijn huldigingseed af en zij schenkt hem een kus, juist wat de leenheer doet, en misschien ook wel een ring, wat er ook dikwels bijhoort, wanneer men een vazal met een leen bekleedt. Van nu af »dient" hij haar en heet haar »vriend" (amico) als een tot het huishouden horende vazal, (in het oude Rome: de klient) daartoe heette te horen; _cliënt_ is later ook het Latijnse woord voor vazal. Daarentegen belooft zij zich als de leenheer voor zijn trouw en gehoorzaamheid, »genadig" voor hem te tonen en hem zijn »beloning" niet te onthouden en hij »klaagt haar aan" wanneer hem onrecht geschiedt of zegt haar zijn dienst op gelijk een vazal dat doet. Nog bij Wolfram von Eschenbach noemt de ridder zijn dame »de Burchtheer van zijn hart" (Vogt) en in de Roman de la Rose wordt die leenshuldiging in alle bizonderheden uitgewerkt. Troubadours van lagere afkomst kwamen niet als vrije vazal tegenover de meesteres te staan, maar bleven ook hier in een ondergeschikte positie.
En de keus voor de vrouw des huizes van het troubadourshart was niet moeilik. Een kasteel was een soort garnizoen; de jonge lieden waren er in de grote meerderheid en van vrije vrouwen waren er dikwels niet veel anderen dan zij zelf,--vooral sedert men, gelijk wij zien zullen, begonnen was de jonge meisjes van het gezelschap der mannen af te zonderen--en zo liep zij daar rond als de vrouw van de commandant onder alle de dienstdoende luitenants van haar gemaal, omgonsd door de hulde en de verlangens van gans een jong geslacht. En het huwelik was toen minder dan ooit identies met liefde. Door de familieraad van twee adellike geslachten op touw gezet, was het eigelik niet veel meer dan een zaakje of een politieke manoeuver: goederen die bij elkaar gebracht moesten worden of de macht van een geslacht die versterkt moest worden door zulk een alliance; er werd over de hand van een vrouw beschikt door haar vader of door haar broeder, zonder dat iemand er aan dacht naar haar wensen te vragen. Het normale motief van de man tot het huwelik was voor zijn bezittingen een erfgenaam te krijgen opdat die niet verspreid zouden worden. Een staande uitdrukking in de ridderroman is dan ook deze: »en daar zijn eigendom zo groot was, nam hij een vrouw om bij haar een erfgenaam te verwekken". De Kerk zelf erkende vier gronden om te trouwen: »om kinderen te verwekken, om ontucht te voorkomen, om elkaar met raad en daad te steunen en ten slotte om een verzoening te weeg te brengen, als wanneer de groten op aarde dikwels hun dochters aan hun ergste vijanden uithuweliken om vrede met hen te sluiten. Maar--heet het dan verder--er zijn er die een huwelik sluiten wegens geen een van die redenen, maar alleen om hun wellust bot te vieren, als wanneer een man een meisje opmerkt, dat hij begeert, en hij ziet dat hij haar niet zal kunnen bezitten zonder haar te huwen. Maar zij die alleen de lusten des vleezes willen voldoen, begaan doodszonde en gaan naar de hel." Een huwelik te sluiten uit liefde is een misbruik van het Sakrament, en het is dan ook helemaal niet zoals het hoort wanneer de echtgenoten elkaar al te zeer beminnen; dat is een beschouwing die men steeds weer tegen komt, dat, wanneer man en vrouw meer van elkaar verlangen dan wat er nodig is om de huweliksplicht te vervullen en kinderen te telen, dit tot zonde leidt, zelfs een groter zonde dan liefde buiten het huwelik omdat het een misbruik van het Sakrament is.--Onder die omstandigheden sprak het als van zelf dat de burchtvrouwe de liefde niet zo maar terugwees die haar overal aan het hof van ridder en troubadour tegemoet stroomde, maar dat, al beantwoordde zij die niet geheel, zij er toch behagen in schepte, door die warme liefdegolven en de wierook uit zijn liederen omringd te zijn. Ook haar gemaal zal wel meer dan eens geglimlacht hebben bij de ongevaarlike, schuchtere verliefdheidjes van de ondergeschikten en hij zal het dus wel hebben laten gaan dat zij die gevoelens met een kus of andere kleine gunstbewijzen aanwakkerde,--over het algemeen was een kus of een aanhaling iets dat in 't geheel niet meetelde als men zich maar onthield van meer positieve echtbreuk. En bovendien, als de baron zich per slot van rekening van zijn kant niet ontzag, zekere vrijheden te nemen, dan kon hij zich niet te recht beklagen, wanneer zij het ook niet bij de kleine gunstbewijzen liet blijven.
En nu zou de ervaring uitwijzen--dat was de groote ontdekking der troubadours--dat de »aanbidding" door de jonge ridders van de burchtvrouwe of een voorname getrouwde vrouw, welke op die wijze niet alleen een soort gepaste hofdienst, vazallendienst was, maar ook een meer of minder wederkerige dweperij,--dat die »damesdienst" een allerbelangrijkste invloed had op de zeden en manieren der ridders, ja op geheel hun opvoeding. De Zuid-Franse hoven zouden nu de gehele opvoedende kracht van de vrouw leren kennen. Haar fijne constitutie, haar fijne takt, haar sterke behaagzucht maakten haar maatschappelik verreweg de meerdere van de ruwe man. In de regel was zij ook ontwikkelder dan de man en kon zij lezen en schrijven, spelen, zingen en dichten. En als zulke opvoedsters werkten--elk in hun kring--al de voorname dames die het Zuid-Franse leven dier kringen beheersten; de burchtgravin Ermengarde van Narbonne of Adelasia van Marseille of »la comtessa fina de Provensa"; van hen kon men zeggen, zo als het ergens heet van de Koningin van Koning Arthur: »Gelijk de leermeester het kind onderwijst, zo leert de Koningin alle mensen en voedt ze op... Er is niemand aan het hof die niet iets van mijn Vrouwe geleerd heeft." De jongen leren zich te wassen en andere kleêren aan te doen wanneer zij binnen moeten komen, onhoofse boeren-manieren af te leggen, de dames beleefdheid te tonen, en zich gemakkeliker en gracieuser bij de conversatie te bewegen dan het hun vroeger mogelik was. Om strijd trachtten zij zich bij de toernooien en op de jacht op de voorgrond te stellen, goed voor te snijden en fraai te dansen. Alles ter wille van de dames,--gelijk een sproke het uitvoerig vertelt,--maar met een ander vrij wat natuurliker woord in plaats van »dames". De troubadours maken zich de verkondigers van het evangelium der civiliserende macht van de vrouw. Het refrein van hun minneliederen is: »De dames vermogen de onbeschaafde boeren tot fatsoenlike mensen te maken; menigeen is nu netjes en hoofs die zonder hen tegenover een ieder lomp en ongemanierd zou zijn geweest. Ik zelf ben door de invloed ener vrouw beleefder en bescheidener tegen de goeden geworden, en trotser tegenover de slechten." En de mannen krijgen te horen hoe zij de vrouwen hun eerbied kunnen bewijzen: zij moeten niet te paard zitten en de dames te voet laten gaan, zij moeten ze niet met slijk bespatten; bij de maaltijd moeten ze de lange mouwen der dames ophouden, terwijl zij zich wassen; en het is 't beste om in het gezelschap van dames onder de mantel altijd een broek aan te hebben om door een plotselinge beweging geen aanstoot te wekken. Naieve maar noodzakelike beginselen der kunst om dames te behagen.
Maar in elk geval moet elke jonge ridder zich een bepaalde dame kiezen om te »dienen"--haar kleine diensten te bewijzen, galant kleine geschenken te geven, een, voor wie hij bij de toernooien vecht, op wie hij verliefd moet zijn en die hij in zijn lied moet prijzen. »Hij had een dame nodig om te dienen en trachtte er een te vinden", staat er dan ook in de biografieën der troubadours, en in een Provençaalse roman lezen wij hoe een jongeling nog niemand bemind heeft, maar hij leest en weet dus dat nu de tijd voor hem gekomen is waarop het nodig is dat hij verliefd wordt; daar hij nu zo veel van de Vrouwe van Bourbon heeft horen spreken, kiest hij haar en gaat op reis om kennis met haar te maken. Is dan de dame niet meer vrij, maar reeds te voren van een dienende ridder voorzien, dan wendt zij zich tot een vriendin en vraagt of die de haar zelf aangeboden diensten over wil nemen en dat wordt dan--altans in een der biografiën van de troubadours--vrij gemakkelik onder elkaar gearrangeerd;--de troubadour biedt de andere dame, die nog vrij is, zijn diensten en zijn liefde aan.--
Maar... getrouwd met een ander moet de dame zijn, indien de verhouding aan haar doel zal beantwoorden. Zijn eigen vrouw daarvoor te kiezen of een jong meisje dat men misschien eens tot vrouw zal kiezen, dat komt in het geheel niet te pas; want het huwelik waarin de vrouw maatschappelik en ekonomies van de man afhankelik is en waarbij haar gunst haar plicht als echtgenote betekent--kon, onder die omstandigheden minder dan ooit, tot de vorming van de man bijdragen. En liefst moet de dame ook sosiaal boven de dienende ridder staan; anders is de dienst de ware niet. Voorname, hoge heren deugen daar dan ook volstrekt niet voor, wat een der troubadours de Koning van Aragon in een strijd met tenzonen verklaart; die willen alleen maar hun begeerten stillen en beginnen altijd dadelik met van de dame de hoogste gunst te verlangen, zonder zich tot een lang, ootmoedig dienen te vernederen; en zij houden ook dadelik op zodra hun ogenblikkelike opwelling voorbij is of wanneer ze tegenstand ontmoeten. Maar wanneer de dame vrij tegenover de ridder staat, en boven hem, zonder enige verplichting tegenover hem, integendeel eigelik aan een ander gebonden, zodat elke kleine gunst een teken van genade wordt, een offer van haar kant en wanneer een element van werkelik toegeven van haar kant gevaar medebrengt en tot geheimzinnigheid aanleiding geeft en tot een romanties verbergen (b.v. het gebruik van schuilnamen),--ja, dan heeft zulk een verhouding pas wat het van zulke groote waarde maakt voor de ontwikkeling bij de mannen van alle goede eigenschappen, d. w. z. juist dat wat de troubadours al meer en meer opstellen als de ware ridderlike en hoffelike liefde.