De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen

Part 10

Chapter 103,962 wordsPublic domain

De lente is de tijd van de vreugde en het sentimentele dwepen. De liederen van Bernart de Ventadour zijn verliefde hymnen aan de lente,--wanneer het vlas op de velden groent, de viooltjes onder de struiken te voorschijn kijken en de beekjes helder over het zand kabbelen, wanneer blad en bloem op alle takken knop zetten en nacht en dag de vogel zijn gezang laat horen. Het zoet gezang van de nachtegaal houdt hem in minnegedachten wakker en als de leeuwerik zijn vleugels 's morgens naar de zonne uitslaat, zodat hij zich geheel vergeet en door al 't zoete dat hij voelt de aarde nader komt, dan is het hem als zou zijn eigen hart van zoet verlangen barsten... Gelijk men niet nalaten kan de tong tegen een holle kies te drukken--zingt Guiraut de Bornelh--zo kan hij ook niet anders dan zijn hart naar de jonge bloemen wenden, wanneer hij de takjes bloeien ziet en de zoete stem der vogels liefdedronken in de struiken hoort. En is in 't eind van Maart de sneeuw gesmolten en de warmte weer teruggekeerd, de weide groen, terwijl de vogels dan weer zingen, dan wordt hij uitgelaten als een wild dier en licht ter been gelijk de ree. De weiden en de heldere beekjes, de hagedoorn en de wilde roos, de leeuwerik en de nachtegaal--dat is de stralende, vriendelike lenteschoonheid die de troubadour liefheeft, en gewoonlik verleggen ze dan ook hun scène's naar die soort tuinen, waar de ridderkastelen nu veelal van omgeven zijn. De dichter siddert als een blad, is blij als een vogel, en hij wordt door de blik van de geliefde verwarmd, gelijk de natuur door de stralen van de zon.

De lente is de bevrijding na de koude donkere winter, wanneer de wegen onbegaanbaar zijn en men in de sombere, kille kamers met stenen vloeren zit te rillen of door de rook verstikt. Nu kunnen de ridder en de troubadour weer de wijde wereld intrekken. Een verlangen naar vrijheid en een drang naar buiten weerklinken in hun liederen. »Het leek hem onaangenaam, lang op één plaats te blijven," heet het over één, en dat geldt van velen. Bij alle weer, onder moeite en gevaren, rijdt hij te paard overal heen--zo als Raimbaut de Vaqueiras het in een gedicht schildert--met de bossen en de wegen als herberg. En onderweg dicht hij: »Ik wil een gedicht maken over niets," begint hij, »het is gedicht terwijl ik te paard zat te slapen," hij voelt zich behekst, weet niet of hij waakt of droomt; zijn hart is op 't punt van verlangen te barsten, maar daar geeft hij geen sikkepitje om; wie zijn geliefde is, weet hij niet, maar toch bemint hij haar zéér, maar toch kent hij er een die schoner is, alleen weet hij maar niet waar hij haar vinden kan... In zulk een stemming van opgeruimde onverschilligheid en vage verliefdheid dwaalt de zanger om van het ene hof naar het ander. Zijn hart verheft zich (zoals het bij de Duitse minnezangers heet) naar het licht, gelijk de valk in zijn vlucht, of de arend zwevend in de lucht, het is hem alsof hij over de wereld vloog en alles bezat, alsof hij gelijk het wilde dier in de grote bossen kon rondspringen. Alles wat er aan vreugde in hem woont, dat ontkiemt, groeit en groent; »zijn hart schiet blad en bloem en houdt zich groen, geheel het jaar."

Fladderen, omhelzen, zingen en liefhebben,--dat is het levensprogramma van de rondtrekkende zangers. Vrij leven en laten leven is het wat zijn lied aanprijst. In de ruwe en sombere wereld der baronnen en monniken brengt hij licht en warmte. Indien hij altijd milddadigheid als hoofddeugd voorop zet, is het zeker dat hij in de eerste plaats voor zich zelf pleit; zijn lied is dikwels niets dan een bedelpartij en afzetterij en de Seigneur die door hem als een Alexander geprezen wil worden--Alexander de Grote is altijd het toonbeeld van mildheid--moet niet spaarzaam zijn met paarden en kleeren voor zijn zangers, en open tafel houden »zonder portier". Maar larguezza--»milte" heet het in het Duits--was werkelik het voornaamste en meest tastbare bewijs, dat de bekrompen ziel van de edelman week was geworden en zich om andere dingen bekommerde. De begerige klauw die altijd gereed stond om te grijpen, moest nu leren zich te openen en te geven. Hier gaat tot zekere hoogte de dichtkunst der troubadours met de kerk in dezelfde richting; ook voor de kerk kwam het er op aan--en niet alleen uit egoïsme--om de geest van hebzucht en eigenbelang uit de harten te verbannen, ze van de aarde en mammon los te maken. »Donar"--te geven, met geld te strooien, te leven en te laten leven--daaruit bestaat voor de troubadour het leven der Ridders; of dat geld aan prachtige kleeren en vrolike feesten gaat of aan weldadigheid, dat is hem hetzelfde. Hij prijst de oorlog omdat die dwingt de hand te openen, de groten noodzaakt niet alleen te nemen maar ook te geven. In een tenzone verdedigt een roofridder er zich mede dat hij niet neemt om schatten op te hopen, maar om voor anderen uit te strooien. De moralisten der kerk herinneren daarentegen aan Cicero's waarschuwingen tegen die soort van mildheid, die neemt wat men geeft en geselt de ridders die uit ijdelheid alles wat zij bezitten weggeven, en gochelaars en jongleurs met mantels en sieraden overstelpen, terwijl de armen buiten het kasteel van kou sterven en de portier ze als vee wegjaagt met een »scheer je weg, slungel, mijn Heer wil naar de zangers luisteren!" Maar de troubadours prijzen daarentegen de ridder die in 1174 bij Beaucaire 30.000 sous het venster uit liet werpen en 30 paarden liet verbranden, alleen om zijn »larguezza" te tonen of Robert Kortbroek die alles aan gochelaars en de een of andere slet weggaf, zodat men hem eens op een morgen zo van alles beroofd vond liggen, dat hij alleen nog maar een hemd aan had en zo niet naar de kerk kon. »Liever ja zeggen, dan neen!"--dat is de formule, waarin de troubadour in 't kort de royaliteit van de ridders samenvat.

In feest en gezelligheid te leven, in een beminnelik, hoofs samenzijn met zijns gelijken--dat was alles een soort sosiaal idealisme dat de dichtkunst der troubadours tegen de ouderwetse baronnen opstelde, die aan niets anders dachten dan vechten met hun buren, hun goederen af te ronden, hun boeren uit te zuigen en zoveel mogelik land en vee te verzamelen. De vaste kastelen--klagen de troubadours--met hun grachten en muren zijn de haardsteden van onrecht en geweld, daar is slechts plaats voor wapengekletter, niet voor feesten en milddadigheid. De ruwe baronnen geven niets om zang of dans of spel, lente en bloemen laten ze koud, als de moestuin maar goed vrucht levert. Overal, van het koninklik hof af, wordt er alleen maar met goederen en vee gehandeld als bij kooplieden. Zelfs een kemphaantje als Bertrand de Born beweert, dat zulke Heren die alleen maar aan jacht denken en hoe ze hun mannen er onder kunnen houden, en nooit aan vrolike feesten,--dat die geen begrip hebben van ridderlikheid en een hof waar geen feesten of dames te vinden zijn is toch maar niets dan--een paar baronnen bij elkaar! »Oorlog en wapenspel--geld uitgeven en de vrouwen het hof maken"--assautz e tornei--donar e domnei--al die dingen horen even goed bij het ridderleven. En door didaktiese poëzie direkt (»ensenhament") zowel als indirekt door alles wat zij verheerliken of veroordelen, maken de troubadours zich tot de vertolkers van hofkultuur en »hoofsheid". Het zijn niet alleen uiterlikheden als nette manieren, waar het op aankomt, maar die kleinigheden bij de dagelikse omgang die wellevendheid heten en beminnelikheid. De zachte blik, gracieuse manieren, de vriendelike groet, een kwik antwoord of een geestigheid, dat zijn de dingen die de troubadours bezingen bij hun seigneur of hun meesteres. En zij houden hun hoorders vóór, dat vriendelike woorden en een beleefd antwoord geen geld kosten en ze vrienden doet maken en dat die gift het beste is, welke gegeven wordt zonder dat men er om vraagt, dat een beleefde leugen honderd maal meer waard is dan een grove waarheid en dat men, evenals de schilders, een fraai kleurtje mag zetten op wat men vertelt, zonder zich al te veel van de waarheid te verwijderen.

* * * * *

Maar de hoogste potentie van die hoofsheid en gezelligheid en het lyries-sentimentele dwepen is voor de troubadours de Min. »Moge ik Gode nooit zo ongevallig worden," zingt Bernart de Ventadour, »dat hij mij laat leven, een last voor allen, wanneer ik niet langer lief zal hebben." Midden in de nacht wordt hij wakker, overweldigd door zijn vreugde, geheel in dweepzieke overpeinzingen verzonken, maar moet op eenmaal beginnen te dichten, ofschoon hij niet weet over wat en wien. Het is hem alsof zijn hart van verlangen smelten zal, zijn ogen worden nat, en nog nat van tranen schrijft hij honderden groeten de wereld in aan de schoonste en de liefelikste. In zulk een jeugdig liefde-verlangen verkeren de troubadours. »Vrouwenjagers" noemen de mannen van de kerk hen. Toen de goede Koning Karel de Grote--zo heet het--over alles heerste, toen deelde hij Provence, dat vol is van wijn, bos en vlietend water, aan speellieden en minstreels uit, die zulk een los leven leidden.

Dan eens hebben zij onderweg een avontuurtje met een herderinnetje en dat wordt dan tot een pastorale, dan weer met een burgervrouw, bij wie zij al hun galanterie ten toon spreiden, maar die--zo als er een in een humoristies gedicht vertelt--daar niets van weten wil; maar heel sterk ontvlamt het gemoed der troubadours door de schoonheden die zij aan de hoven ontmoeten. »Menig oog heb ik gekust en menig oor," zingt er een tot een dame, »alleen omdat zij uw oog en oor geleken." En wanneer een ander door zijn aangebedene afgewezen is, zingt hij dat hij zich nu natuurlik een andere vriendin aan moet schaffen, maar opdat zij niet bij zijn eerste achter mag staan, moet hij bij haar de verschillende eigenschappen terug vinden die hij bij zijn bekenden getroffen heeft en zo vindt de zanger de gelegenheid om aan al die dames een komplimentje te maken: haar frisse kleur en de zachte blik moet zij van u hebben, o schone Sembeline en het is een heel ding dat ik van u niet alles neem, want aan geen enkele goede gave hebt gij gebrek; Vrouwe Elise vraag ik om haar vrolike opgewekte manier van spreken, dan wordt zo waar mijn schone nòch dom nòch stom, de Burggravin van Montausier geve mij haar hals en handen; naar Rochechouart rijd ik om het haar van Vrouwe Agnes, zelfs Isolde had niet zulk prachtig haar; Vrouwe Audiartz zal haar schone figuur en middeltje af moeten staan, enz. enz.

Met een levend schoonheidsgevoel en verfijnde zinnen ontwikkelen de troubadours nu dit schoonheidsideaal van de vrouw dat de gehele volgende Ridderromantiek eigelik niet anders doet dan variëren of uitwerken. Zekere trekken kunnen aan Ovidius ontleend zijn of aan andere antieke kunst, andere aan de Byzantijnse Madonnabeelden, andere duiken misschien reeds bij de oudere Latijnse dichters der middeleeuwen op, maar veel is toch van de troubadours zelf. Het lichtgouden, gekrulde of golvende haar, de fijne, liefst donkere, van elkaar afgescheiden wenkbrauwen, de kleine mond met kristallen of ivoren tandjes, regelmatig en vlak op elkaar,--dat zijn de gewone trekken reeds in de Latijnse gedichten van de 11de eeuw. Maar de troubadours leggen meer de nadruk op de ogen en de blik, op de glimlach en het teint--de schilderachtig-gracieuse en erotiese zieleschoonheid. De kleine, smalle ogen worden meer naar de uitdrukking dan naar de kleur beoordeeld; die moeten stralen als sterren, ze moeten lachend zijn, zacht, vol liefde en lust,--een Latijns dichter van de 12de eeuw spreekt van de ogen als: ridentes, blandientes, innuentes, laquentes, offerentes, expetentes, attrahentes, capientes. De mond heeft »zwellende" lippen die kussen uitlokken (küssenlîch, noemt Wolfram het), die glimlacht zoet, lacht liefelik--mollia spondens risus noemt 't reeds een geestelike dichter van ongeveer 1100. Maar vooral prijst men de kleur der huid,--de stralende glans er van: clara clartatz, wit als het wit van de hagedoorn of het ivoor, of gelijk een wilde roos, wanneer het wit zwak met rood gemengd is. Heel wat barbaarser heet het in de Noord-Franse romans dat het voorhoofd als in hout of steen of ivoor gevormd is, en dat het rood of het wit van de huid afsteekt gelijk vermilioen op het zilver van een wapenschild.

Dan komt de beurt aan de slanke, witte hals,--de huid is zo teder--beweert een Duits dichter--dat, als zij drinkt, men de wijn blozend door haar keelgat kan zien stromen. De kleine stevige borstjes zijn als twee noten,--zo klein dat men ze met de hand gemakkelik omvatten kan, of als kegels gedraaid. De schouders zijn recht en buigzaam als het riet. De lange armen, de mooie blanke handen met de fijne gladde vingers, de nagels als een spiegel zo schitterend. Het middeltje dun, de buik rond, iets of wat vooruitstaand, de heupen breed. In Wolfram's gemaniëreerde taal is Antikonie zo slank als een haas, die op het spit uitgestrekt is; haar mierentaille (wij spreken nog van een wespentaille) wekt de begeerte der mannen op. Gewoonlik wordt echter meer in het algemeen de figuur geprezen als »ben estans" (Duits: wol getan) of »covinens" d. w. z. welgeproportioneerd. Zeer bizonder houdt men van wat slank en fijngebouwd is; »graile" (gracil) en »delgat" (delicat) zijn veel voorkomende termen. De kleeren moeten goed zitten, maar, zo schrijft een troubadour aan zijn dame, uw figuur is zo wel gevormd dat zelfs het slechtste snit nog goed aan u zou staan en al de kleermakers uit Katalonje, van Parijs en Keulen zouden er niets aan te verbeteren hebben. Maar ook verder vertellen de troubadours nog veel er over, hoe levendig, vrolik, lenig, gracieus en behagelik het lichaam van de aangebedene is; daar hebben ze een massa woorden voor: gais, cortes, avinens, plasens, coinde, isneus, die de zinnelike liefde schilderen en die men bij de Duitse minnezangers veel minder sterk aantreft. »Haar ledematen zijn zo zacht", heet het, »als verder alleen konijnen zijn". Het lichaam is zo blank, fris, zacht, glad, als ametyst; het is »amoros"--»minneclich"--»plaisant"--en vraagt omhelsd te worden. Ook haar naar honig riekende adem en de zoete melklucht van de huid worden later veel geroemd.--In poëtiese wendingen wordt de algemene indruk van haar optreden aangegeven. Schoner dan de Maartse zon, of regen in April, en de schaduw in de zomer,--zingt een Provençaals dichter. Als een waslicht is zij tussen vetkaarsen,--heet het in 't Noord-Frans, de glans van haar schoonheid verlichtte het gehele slot met haar klaarte; haar te zien is als te luisteren naar muziek.--In haar tegenwoordigheid--zegt een Duits dichter--vergeet men alles wat het gemoed bezwaart.

Nog meer dan het uiterlik van de vrouw is haar innerlik wezen en haar aantrekkelikheid die door de troubadours verheerlikt wordt. Haar geestige antwoorden en haar schone zang; zij kent de kunst van spreken en zich aangenaam voor te doen--van »plazers far e dir";--zij is aangenaam gezelschap--»d'avinen companha", zij is beminnelik in haar optreden--amorosa en totz son semblans; zelfs bij de besten wekt zij een duizendvoudig behagen. Een hele rij leerdichten wijden de troubadours ook aan de maatschappelike opvoeding der vrouw. Een voorname dame had de adellike Garin le Brun verzocht zulk een leerdicht voor haar te schrijven en zo ontwikkelt de troubadour dan ook in zijn verzen, alle regels voor de echte vrouw van de wereld: Hoe zij altijd schoon linnengoed aan moet hebben, kleine schoenen aan moet trekken, opdat haar voet zelf klein zal schijnen, en hoe zij met kleine stapjes de kerk in moet treden. Hoe zij bij haar thuis ontvangen moet: de verschillende mensen wel is waar naar hun rang en stand behandelen, maar toch tegen een ieder beleefd zijn--hoe zij een gesprek netjes moet kunnen afbreken, als het haar niet bevalt, maar zonder boos te antwoorden--zich aan de omgeving aan te kunnen passen, maar niet al te intiem met vreemden worden. Verder, hoe zij in haar kleeren en manieren die zekere drang om te behagen ten toon mag spreiden die het wezen der koketterie uitmaakt: de rokken netjes opnemen, zodat men het voetje te voorschijn ziet komen, de schouders gracieus, bij het gaan, bewegen, het kleed nauw laten sluiten, zodat dit het lichaam niet als in een zak verbergt, maar dat de lijnen te zien zijn, en als zij een fraaie hals heeft, een uitgesneden kleed moet dragen. Heel naief zijn hieronder die aanwijzingen waar de voorname dame zich aan houden moet, ook overgenomen uit de »Ars Amandi" van de »Klerk" Ovidius en die geschreven waren om de geblaseerde viveurs van Rome weer wat appetit in de dames van de demi-monde te geven.

En rondom deze dames fladderen nu de troubadours met hun erotiese verlangens. Zij kregen rijkelik hun deel in het losse en niet altijd binnen de perken blijvende minne-leven van de Zuid-Franse hoven, waar de oude biografen der troubadours van weten te vertellen en hun Canzonen van zingen, in allerlei soorten en toon der liefde, van de grove gevoelens der jonkers tot een vluchtige koketterie of schuchtere dweperij van een knaap.

Bernart de Ventadour--uit de stand der horigen, opgevoed tot troubadour bij de genadige burchtheer--is de zanger van de bescheiden page-liefde. Hij bezong en prees de gemalin van zijn weldoener, werd door haar voornaamheid verblind, en, zo als het bij zijn leeftijd paste op haar glimlach verliefd, maar schijnt toch ook de gunst van zijn »schoon-te-schouwen" verworven te hebben (onder dat pseudonym verheerlikte hij haar), in elk geval genoeg om het de burggraaf bedenkelik te doen voorkomen, zodat de zanger vertrekken moest... waarna hij de andere hoven afreisde en andere voorname schoonheden aanbad--vooral Koningin Eleonora, aan wier hof in Normandië hij zich een tijd lang ophield,--maar nu en dan zond hij uit de verte liederen naar zijn »Bel Vezer"... totdat hij op zijn oude dag, zo als zo veel van zijn kunstbroeders, troost zocht in een klooster.

Hij weet wel--zingt hij--dat zijn aangebedene Heerseres hem genadig is. Had zij hem niet onlangs nog, toen hij een tijdje op reis ging, gezegd dat zijn zang haar behaagde? Als hij er nu aan denkt, dan schijnt de zoete lucht die hem uit de plaats waar zij woont, tegemoet waait, als een vleugje uit het Paradijs;--moge elke ziel in de Kristenheid zulk een grote vreugde voelen als die nu mijn is!--Als hij haar nu toch maar eens alleen kon treffen, terwijl zij sliep,--of deed alsof zij sliep--dan zou hij pas goed van haar schoonheid kunnen genieten--haar »bel cors ab fresca color" bewonderen en die kus van haar mond stelen, waar hij niet om durft vragen, dan zou hij die mond kussen zo dat men de sporen nog lang zou kunnen zien.

Maar nu--jubelt hij--nu heeft zij mij een kus geschonken, mij met haar mond gewond, zo dat slechts nòg een kus mij kan genezen, evenals--volgens Ovidius--hij die door de lans van Peleus gewond is, slechts door nog een steek er van genezen kan worden. En zo vol is zijn hart van jubel dat hij bijna bezwijmt--midden in de natte wintersneeuw ziet hij bloemen en groene weiden, in zijn groot gevoel van liefdegeluk zou hij midden in de winterwind in zijn hemd kunnen lopen.

Maar--bescheiden en diskreet moet hij zijn, dat weet hij. Als hij alle mensen die hen beiden gadeslaan maar betoveren kon... ze tot kinderen maken, zo dat hij zonder hun ogen te vrezen, zo vertrouwelik met zijn aangebedene om kon gaan als hij maar wenste. Of als zij een geheime taal uitvonden die de anderen niet verstonden? In elk geval kan zij verzekerd zijn dat hij niet kinderachtig-pochend het zalige geheim er uit zal flappen, maar de kunst verstaat om te liegen en zich anders voor te doen dan hij is. En hij zal zich ook met weinig tevreden stellen. Wat zou hij niet gaarne 's nachts als een zwaluw haar kamer binnen zweven! hoe graag zou hij er niet bij zijn wanneer zij zich uitkleedt! demoedig knielende haar schoen uittrekken, indien zij zich verwaardigen zou haar voetje uit te steken.--Zelfs haar gunst met anderen te deelen, moet hij zich laten aanleunen. Hij weet nu eenmaal dat zij anderen liefheeft, soms twijfelt hij wel eens in hoever hij moet doen alsof hij niets merkt, of dat hij haar dienst moet verlaten. Maar het is toch beter met de helft van haar liefde genoegen te nemen, dan niets te krijgen. Als zij toch maar niet zo wispelturig was. Gelijk de tak zich naar de wind buigt, zo is hij bereid al haar bevelen te gehoorzamen. Maar hij voelt dat haar schone ogen en vriendelike blik hem toch voor den gek houden. Gelijk een schip op de golven, wordt hij tussen hoop en vrees geslingerd. Soms tracht hij zich dan ook opeens uit die onbeloonde liefde los te scheuren. De bladeren die in de herfst van de bomen vallen, doen hem op zulk een ogenblik behagelik aan, het komt zo geheel met zijn stemming overeen. Zij die vroeger zo vriendelik tegen hem was, laat hem nu niet meer roepen, »het harte barst van smart,--er blijft niets anders over dan te sterven." Geheel mijn hart, geheel mijn eigen zelf bezat zij. Nu moet ik verwelken, gelijk Narcissus van Ovidius bij de bron, ik wil niets meer met vrouwen te doen hebben, ze nooit meer vertrouwen, ik zal wegtrekken in den vreemde, ik weet zelf niet waarheen.

Hield de burchtvrouwe van Ventadour haar zanger aan het lijntje door hem zo nu en dan eens een kus te geven--meer zal het wel niet geweest zijn--de toewijding van Peire Rogier voor de hoog ontwikkelde Burggravin Ermengarde van Narbonne was met nog minder tevreden. Een jonge knappe kanunnik was hij, maar hij was troubadour geworden en had zich lang aan het hof van Ermengarde opgehouden. Hij vertelde dat hij volkomen tevreden is met haar grappen en haar glimlach, meer komt hem niet toe, nooit heeft hij ook »facta" van zijn meesteres gevraagd, maar alleen haar te aanschouwen, maakt hem rijk en gelukkig. »Zo zal ik beminnen wat ik niet bezit, en ik heb er zo veel eer en plezier van, alsof dat waar was, wat het in werkelikheid niet is." En heel vriendelik en onderdanig leert hij de mensen (naar de Ars Amandi van Ovidius) dat zij nooit aan kwaadsprekerij moeten geloven, en zelfs wanneer zij met hun eigen ogen hun geliefde een fout zien begaan, moeten zij zonder aarzelen niet hun ogen, maar wel haar woord geloven. Een even ootmoedige maar gloeiender onderdanigheid ligt er in de liefde van de burgerlike troubadour Peire Raimon voor een onvermurwbare adellike dame te Toulouse. »Op mijn knieën zal ik tot haar gaan," zingt hij, »en wenend haar genade vragen; als zij mij slechts de eer wou aandoen mij knielend haar welgevormde, gracieuse gestalte te laten beschouwen." Maar dikwels slaat de demoedige platoniese hulde van de arme zanger, waar de gelegenheid zich biedt, in de hartstochtelikste wensen over. De arme klerk Arnaut de Maruelh verklaart wel is waar in zijn liederen dat de vrolike beminnelikheid van de gravin en »de liefelike woorden waarmede zij mijn harte vult" hem genoeg zijn en dat hij zich tevreden stelt met haar in zijn dromen te kussen en te omhelzen, een liefdegenot dat geen echtgenoot hem kan weigeren, maar nu en dan waagt hij het toch zuchtend te wensen dat zij hem een kus moge schenken en »andere beloningen late volgen" en spreekt stoutmoedig de hoop uit dat hij haar eens 's nachts in zijn armen zal mogen sluiten en haar ogen en mond kussen, »zodat honderd kussen er voor ons tot één worden." En andere troubadours wensen haar, in de duidelijkste woorden, »zonder hemd" te omhelzen, beiden onder één deken.