De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen
Part 1
Produced by Frank van Drogen and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net
+----------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. | | | | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven | | als _cursief_. | | | | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. | | De dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven als | | »aanhalingstekens". De enkele aanhalingstekens zijn als | | >aanhalingstekens< aangegeven. | | | | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | +----------------------------------------------------------------+
DE RIDDERROMANTIEK DER FRANSE EN DUITSE MIDDELEEUWEN
_Schrijver en Vertaler wensen de lezers op te doen merken, dat de in deze bewerking te vinden afwijkingen van het origineel aan gemeen overleg te danken zijn._
KULTUUR-HISTORISCHE BIBLIOTHEEK
VALDEMAR VEDEL
DE RIDDERROMANTIEK DER FRANSE EN DUITSE MIDDELEEUWEN
GEAUTORISEERDE BEWERKING NAAR HET DEENS DOOR
H. LOGEMAN
UTRECHT--H. HONIG--1919
BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN
INLEIDING.
Meer dan eens heeft de vorige eeuw getracht de Ridderromantiek der Middeleeuwen weer tot een kunstmatig leven op te wekken. Eerst de Duitse romantici met hun Heinrich von Offerdingen en Barbarossa, de Genoveva van Tieck en de Tempeliers van Werner; daarna Walter Scott met zijn Ivanhoe en Victor Hugo met zijn Burggraven; gelijk in Denemarken Ingemann met zijn Otto en Jonkvrouw Inge. Nadat toen een paar geslachten zich aan de schildering der werkelikheid en kritiek van de maatschappij hadden overgegeven, ontwaakte de heerlikheid van Koning Arthur en zijn Graal wederom in de dromende ridders van Burne Jones en Rossetti en de smachtende jonkvrouwen van Tennyson. In de toondichten van een Wagner weerklonk opnieuw de horen van de Zwaanridder, het lokkend spel uit de Venusberg en Parsifal's Graal-verlangens. En in de toren-kamer en de burchtgangen van Maeterlinck tastte de kinderachtige Blanchefleur-liefde hulpeloos rond in het afschrikkende donker der Middeleeuwse mystiek. Zeldzaam moderne incarnaties van de Middeleeuwen zijn het allemaal--de edele Sir Galahad en de liefdezieke Lady Elaine, zo goed als de Kristelik-Schopenhauerse Graalheld bij Wagner en de »fin-de-siècle" Pelléas en Mélisande; in 't algemeen staan ze daar nog verder van af dan Ridder von Trautwegen en jonkvrouw Inge van de flinke Ridders en schelmse dames van de oude Meester Chrétien de Troyes of van Wolfram von Eschenbach's kernachtige maar naieve Parsifal.
Maar er was nog wel iets meer in de volksboeken gebleven van de sentimentaliteit en het sprookjeselement dier oude romans--denk aan Vigoleis met 't Gouden wiel, de schoone Magelone of Alexander de Grote--die nog voor een paar generaties menige boerenjongen allerlei grillen in het hoofd zetten en menig boerenmeisje zilte tranen deden storten. Ofschoon ook deze volkslektuur niet veel meer van de geur en de ziel der oude Romantiek bewaard had, dan voor zover de houtsneden en het papier van de cents-prenten aan de oude, sierlike geïllumineerde handschriften herinnerden, of voor zover het tegenwoordig publiek denken deed aan de bloem van de adel in de tijd van Lodewijk de Heilige.
Maar noch deze vergroeide spruiten, noch ginds kunstmatig doen herleven van 't voorheen, is het wat feitelik van onze tegenwoordige kultuur naar de Ridderromantiek terug leidt. De verbinding is dieper en meer vertakt. De moderne Franse roman,--of die nu het moderne Parijs schildert, of zich verdiept in de psychologie van de liefde,--kan met de nodige schakels direkt op de dertiende-eeuwse Franse romans teruggevoerd worden, evenzeer als de stamboom van de moderne Engelse roman, van het spannende, excentriese genre, ons terug brengt tot de ingewikkelde mystieke verhalen van de Arthurcyclus. De gehele moderne liefde-lyriek--Lamartine, Heine, zowel als bij ons in Denemarken Christian Winther--leeft van motieven en zingt in een toon die de troubadours en de minnezangers het eerst ontwikkeld hebben. En afgezien van het puur-literaire, zijn het de gehele moderne vormen der samenleving zowel als veel van de moderne sentimentaliteitskultuur die op de tijden van toernooien terug gaan en op die waarin dames er hun apart hof op na hielden. Onze begrippen over een »gentleman" en een »lady", over ridderlikheid en vrouwelikheid, over liefde en eer, over goede zeden en nette manieren, dat alles heeft zich ontwikkeld uit de idealen die zevenhonderd jaar geleden ontstonden aan de hoven van de landgraven van Thuringen of die van Provence en Champagne.
Wat dus hier onder de naam van Ridderromantiek der Middeleeuwen samengevat is, die Franse en Duitse kultuur der 12de en 13de eeuwen, aristokraties, sosiaal en romanties, betekent daarom de studie in oorsprong en in een hele ontwikkelingsfase van de moderne dichtkunst en zelfs van de moderne maatschappij.
I.
VAN BARON-BURCHT TOT RIDDERHOF.
Ons uitgangspunt zal de anarchie van de adel zijn die in het 11de eeuwse Frankrijk en Duitsland haar toppunt bereikte. Door het eentonige monnikenlatijn van de kronieken heen, komt ons het lawaai en de verwarring tegemoet van het onophoudelik gekrakeel der grote Heren,--door dat van een Raoul Glabers van Cluny, de abt Guibert van Nogent, Ordericus Vitalis in zijn Normandies klooster, zo wel als de Beierse abt Ekkehard of de Sassenbisschop Tietmar. De kroonvazallen heersen zo goed als geheel onafhankelik, elk in zijn eigen landje; in Frankrijk onder de zwakke Capetingers, in Duitsland onder de alles onderste boven werpende strijd der Saksiese keizers met de Pausen. In Frankrijk zijn het hertogen als die van Normandië, Bourgondië, Aquitanië, graven, als die van Vlaanderen, Poitou of Toulouse. In Duitsland de hertogen van Beieren, Zwaben, Saksen, de markgraven van Babensberg in Oostenrijk, de Paltsgraven van Wittelsbach en de landgraven van Thuringen. En onder hen weer een hele massa van kleine burchtheren en gewone baronnen die het met elkaar en met hun leenheren even dikwels aan de stok hebben als de laatsten met de Koningsmacht. Elk voorjaar trekken de Heren met hun volgelingen te velde, om hun buurman een stuk grond te ontnemen; en naar aanleiding van de ene of andere belediging, uit bloedwraak of uit tijdverdrijf, om de boerenhofsteden en de kooplieden langs de openbare weg te plunderen of steden en kloosters te brandschatten. In Anjou raast de zwarte graaf Foulques als een wild beest, in Normandië staan de boeren in hun wanhoop tegen hun onderdrukkers op, maar worden weer ten ondergebracht, met een wreedheid, wier bizonderheden de kronieken koelbloedig uitvoerig vermelden, te Brugge vermoorden de samengezworen baronnen de »goede" graaf Karel midden in de kerk en gebruiken daarna deze laatste als vesting tegen de Koning en de burgers. Bij Guibert kan men lezen hoe de intrigante gravin van Namen, Enguerrand de Coucy en diens bloeddorstige zoon Thomas de Marle, jaren lang de omstreken van Laon in een eeuwige onrust hielden. En over de wijze waarop menig Hendrik van de Welfen en menig Frederik van de Staufen in Frankenland en in Zwaben huis wisten te houden, daar weten de Duitse kronieken genoeg van te verhalen.
Wat zijn ze ruw en plomp, al die »barones" en »milites"; met een robust geweten en een vrolik gemoed slaan ze hun medemensen dood, hebzuchtig als de gieren strijken ze op goederen en vee neer en als dolle stieren op de vrouwen. Even uiterlik als hun verhouding is tot wet en recht, zo is die tot het Kristendom. Steeds is hun weer ingestampt, dat men, om zalig te worden, gedoopt moet worden, de mis moet bijwonen, moet vasten, te communie gaan en dat doen ze dan ook, maar meer laten ze zich door geen enkele kerkelike band in hun vrijheid beperken. Integendeel,--als rebellen staan de baronnen in hun anarchie tegenover de Kerk, gelijk ze het recht trotseren en de maatschappij. Het is niet alleen wetteloosheid die er heerst, maar een gewilde teugelloosheid, de baronnen zijn niet alleen zonder moraal, er zit een godvergeten woestheid in hen, die aan het Titaniese herinnert uit de tijd der Italiaanse renaissance. Een hunner heeft er plezier in zijn biechtvader op Goede Vrijdag op een kolossaal banket te nodigen en hem zijn dikke buik te wijzen, »vol van de eere Gods"; een ander houdt er een hele harem, d. w. z. bordeel op na, voor het uiterlik een nonnenklooster. De ene vrouw na de andere laat men lopen, rooft die van zijn buurman en dwingt de kerk om zowel de scheiding met de ene, als het huwelik met de volgende te wettigen. Een baron laat zijn gevangenen bij de geslachtsdelen ophangen of bij de duimen en hangt er zware stenen aan, om het gewicht te vermeerderen. Een ander die het met zijn leenheer te kwaad heeft gehad en hem eindelik in zijn macht heeft gekregen, werpt hem in de gevangenis, maar laat hem 's winters in een nat hemd voor een open venster in de gevangentoren plaatsen, totdat het hemd door de ijzige wind bevriest. Een Normandies ridder en zijn vrouw laten een onneembare toren bouwen en wanneer die gereed is, laat de burchtvrouwe de bouwer doden, om zeker te zijn dat hij voor de buren niet ook zulk een toren zet. Niet lang daarna jaagt zij haar man ook weg, zij wenst alleen te zijn; hij ziet echter kans weer binnen te komen en dan laat hij haar om 't leven brengen.
Over deze en dergelijke dingen kan de kroniekschrijver een »ach" en »wee" laten horen en er de vloek der kerk over inroepen. Maar toch, in al die bandeloosheid schuilen krachten, waarvan de ogen der geestelikheid alleen de slechte kant gezien hebben. De ideale kant, de idealen zelf en de aspiraties welke in hun beste ogenblikken die anarchie van de adel bezield heeft, die ontrolt zich voor ons in de nationale heldendichten, die op de grondslag van oude sages en overleveringen door 't vlees en 't bloed van de adel geschapen zijn. In Frankrijk hebben wij die nog vrij zuiver in het »Chanson de Roland" en nog een paar anderen van de oudere »Chansons de geste", in Duitsland is die in het Nibelungenlied en »Goedroen" overstreken met een laagje ridderromantiek dat er eerst afgeschrapt moet worden. Maar door het woeste en het ruwe in deze gedichten, schijnt een noblesse en een krijgsgeest van hoge menselike waarde.
Neem b.v. de wanhopige heldenstrijd van Roland en zijn wapengenoten bij Ronceval tegen de scharen der Saracenen of Ogier li Danois die geheel alleen zijn burcht tegen het leger van Karel de Grote verdedigt. Of wel de geschiedenis van Siegfried die Brynhilde wil trouwen, en het bloedbad der Nibelungen in Huneland op de tochten der Vikingen en de hevige zeeslagen in »Goedroen". Dat zijn beelden van een machtig spel van het noodlot waar het om leven en dood gaat, krachtige majeur tonen en hartverscheurend tragies. Verheerliking van de man en het mannelike, verheerliking van kamp en strijd. Die heldendichten verkondigen ook de moraal van een elementaire oorlogseer, ze bezingen wat Roland en Olivier samenbindt, en Hagen en Volker en schilderen het opperhoofd en zijn getrouwen, Karel de Grote en zijn twaalf pairs, Didrik van Bern met zijn twaalf »Recken". Het grote ideale beeld van de krijgskoning en zijn adel is Karel de Grote op zijn »faldestueil" in de koningshal te Aken, in de Raad met zijn baronnen of op de morgen van de slag aan het hoofd van zijn leger.
Maar dit hoort eigelik bij de oudere lagen der Heldendichten, de inspiratie uit het meer oorspronkelike stadium in de maatschappij van de _clans_. Gedurende het uitéénvallen van het oude soldatenkoningschap en de anarchie der baronnen, ging de belangstelling der heldendichten over op de Vazallen en de Baronnen en schilderen zij nu de krijgsadel in zijn geweldige worsteling met de onbekwame en despotiese vorsten--het rebelliese zich zelf op de voorgrond zetten van de Franse Heemskinderen of de Duitse Hertog Ernst--en de veten der baronnen onder elkaar, dezelfden waarvan de kronieken _hun_ beeld gaven. Maar Begon, de »oorlogsdemon" en Raoul de Cambray uit de chansons de geste of Hagen en Krimhilde van het Nibelungenlied, die hebben ook een soort Idealiteit; wat laten die zich niet met geniale kracht op hun »baronscap" of hun »Reckenthum" voorstaan als adelmensen die ver boven monnikskappen en kramers en de verachtelike menigte verheven zijn, zij, Heer over hun eigen wil en aan geen andere wet gehoorzamende van mensen nòch van God, dan die welke zij zich zelf voorschrijven.
Dat is, gezien in de dubbele spiegel van kroniek en heldendicht, de adelsanarchie in Frankrijk en Duitsland. Maar er voltrekt zich in de 11de en 12de eeuw--voorlopig handelen wij hier voornamelik over Frankrijk--een ontwikkeling die in het een zoowel als in het andere genre al in de kiem te vinden is en die ten slotte verder voert dan baronnen-werkelikheid en baronnen-idealen.
Uit die anarchie rijst weer een maatschappelike orde op. De kastelen die de baronnen overal in het land gebouwd hebben ter bescherming van hun eigenmachtig optreden, zijn feitelik de cellen voor een nieuwe maatschappij geworden. Achter de muren en grachten wordt er op die burchten een leven van tot zekere hoogte veilige voorspoed geleid; de familie en het gezin worden door het samenleven als één, vooral de eenzame winteravonden, wanneer het met de oorlog en de jacht gedaan is; in de gedichten zien wij de baron bij de haard zitten met zijn echtgenote, haar innig kussen en zich verheugen over het spelen van een paar flinke jongens, of wel hij zit in de hal met zijn mannen en hoort een zanger de heldendichten voordragen. Als er niets anders te doen is, houdt men wapenoefeningen of men speelt met de teerling of er wordt gedanst. Ook begint men het huis te verfraaien; de balken worden fraai uitgesneden en met ornamenten versierd, ook de muren worden geschilderd of bekleed met geborduurde behangsels. Er komt gezelligheid en gevoel in het leven der baronnen, een zekere schoonheid en een drang naar geestelik verkeer.
Aan de voet van de burcht ontstaat een kleine maatschappij, die zich onder de bescherming van de burchtheer stelt, opdat hij op zijn beurt hen beschutte tegen de andere baronnen en de struikrovers zal laten ophangen. En hoe volkomen willekeurig de baron zich ook tegen zijn boeren en dienstmannen moge gedragen, toch komt er een zeker gevoel bij hem op van zijn plichten als beschermheer en ontstaat er een landsvaderlike verhouding van hem tot zijn »serfs". De burchtvrouwe begeeft zich naar 't dorpje en zorgt voor de zieken en de armen en wanneer de heer weduwnaar mocht worden zonder kinderen, dan komen de kleine burgers en vragen hem om toch vooral weer te trouwen opdat zij na zijn dood niet zonder heer zullen achterblijven.
Ondertussen zijn ook de kleinere burchtheren door de desorganisatie van het leenstelsel steeds afhankeliker van de vorsten geworden en langzamerhand bouwt zich dat trapsgewijze op: Seigneur, Vicomte, Graaf en Hertog; meer en meer beginnen geschreven kontrakten en een gedétailleerd gewoonterecht de onderlinge rechten en plichten tot in de kleinste kleinigheden te regelen. Stukken welke uit die tijd stammen, tonen heel duidelik hoe hoog ontwikkeld het feodale geweten is en zelfs in woeste heldendichten vertoont de kleine vazal dikwels onkreukbare trouw jegens zijn leenheer, maar hij zegt hem zijn manschap ook zonder gewetenswroegingen op, wanneer de leenheer _zijn_ plichten niet nakomt. Onder deze omstandigheden ontwikkelen graafschappen en hertogdommen zich meer en meer tot werkelike rijken, onder vaste vorstendynastiën, en de kleine vorsten verbieden »les guerres privées", trekken rond en breken de »chateaux forts" af, stellen baljuws aan en richten rechtbanken op; meer en meer van de eigendommen der baronnen komen in hun eigen handen, terwijl zij de baronnen om zich heen verzamelen bij hun hof, waar ze de hoge plaatsen innemen en deel uitmaken van de raadgevende vergaderingen. Op die wijze verzamelt de Vlaamse adel zich aan de grafelike hoven van Ardres, St. Pol, Boulogne of aan het hof van den leenheer te Atrecht of Brugge, de adel van Champagne aan het hof te Troyes, in Provence, te Brienne of Bar; de adel van Languedoc aan de hoven te Toulouse, Narbonne en Beziers. In plaats van de treurige, armoedige burchten overal in 't land verspreid, waar een zeer beperkte kring een vrij eentonig leven geleid had in tamelik primitieve toestanden, en om zo te zeggen, onder voortdurende dreigementen van vijandig-gezinde buren, daar komen nu die vorstenhoven op als de middelpunten van de adel en met een sosiaal leven onder veel gunstiger en vreedzamer omstandigheden.
In 't algemeen kan men zeggen, dat de adel zijn levenswijze en zijn wijze van denken aristokratiseert, terwijl die zich aldus om de vorsten heen organiseert. Het is dan ook in deze tijd dat de standen zich meer van elkaar gaan onderscheiden. Door de strijd om de investituur, de invoering van het celibaat en de ontwikkeling der monniksorden, neemt de geestelikheid een geheel aparte plaats naast de burgermaatschappij en de staatsorganisatie in, en wordt onder de leiding der pausen tot een Europese, internationale grootmacht. Ondertussen verzamelen de handwerkers zich in hun gilden en gemeenten, kooplieden werken zich op tot rijkdom en verkrijgen privileges en de grote steden beginnen in het Noorden zowel als het Zuiden van Frankrijk, door hun uitdagende houding, ekonomiese zowel als politiese vrijheid te verwerven. Zowel de geestelikheid als de burgerij stellen door allerlei machtsmiddelen paal en perk aan het vrije optreden van de adel en de kloosters scheppen zich een eigen opbouwende, stichtelike literatuur, evenals de burgerlike geest zich weldra zelfstandig uit in een humoristiese vertellingtrant en didaktiese dichtkunst. Maar daarentegen verschanst de adel zich des te exclusiever tegenover de klerken en de kramers achter zijn macht en zijn privileges en leeft zijn eigen afgesloten leven in een maatschappij, die door heel haar wijze van zijn zich als een hogere stand en een soldatenkaste wil doen gelden en zich weldra ook een heel wat karakteristieker _adellike_ dichtkunst vormt dan de nationale heldendichten geweest waren.
Maar het waren niet alleen die andere standen die de adel in 't gedrang zouden brengen. Van het jaar 1100 af blijft het daarvóór zo diep gezonken koningschap langzaam maar voortdurend in macht toenemen. Van Lodewijk de Dikke tot Lodewijk de Heilige groeien de koninklike domeinen stukje voor stukje aan: van Ile de France breidt het land in direkt koninklik bezit zich langzamerhand over het grootste gedeelte van Noord-Frankrijk en grote stukken van het land zuidelik van de Loire uit, en waar Lodewijk de zesde in 't jaar 1100 nog in eindeloze veten lag met de kleine rebelliese burchtheren bij de Seine, kan Philip Auguste in 1214 de verenigde legers verslaan die de Engelse koning, de Duitse keizer, de graaf van Vlaanderen en andere rebelliese leenmannen tegen hem aan hadden gevoerd. De geestelikheid staat met de machtige abt Suger de St. Dénis en later bisschop Guillaume van Parijs steeds aan de kant van het koningschap en de staatsautoriteit, en aan de Universiteit werden de docenten van het Romeinse recht de beste steunpilaren van de kroon; als koninklike baljuws en drossaten, werden ze uitgezonden om, ten koste van het feodale lokale bestuur, de rijksadministratie en wetgeving meer en meer te centraliseren.