De Reis van Prins Scipio Borghese naar de Hemelsche Bergen De Aarde en haar Volken, 1907
Part 5
1 Aug. Wij veroorloofden ons de weelde, van een dag rust te nemen in de omstreken der bergengte van Artchiar, namen lucht- en zonnebaden, en gingen planten zoeken in den omtrek, zoodat wij onze verzameling met eenige zeldzame exemplaren vermeerderden. Des middags zagen wij een troep wolven op de berghelling. Wij zonden hun een paar kogels na, en zij vluchtten huilende weg.
Dien nacht begon het hevig te regenen, en vier en twintig uren achtereen duurde die zondvloed, die stroomen van slijk en steenen van de bergen deed neerstorten, en ons in onze tenten hield opgesloten. De Koékab-Sou, die het water van beide zijden van het dal opvangt, stijgt geweldig door de duizenden stroomen, die van de hoogte neerstorten en alles in hun vaart medesleepen. De berg gelijkt op een reuzenspons, en uit alle openingen spuit het water met verbazende kracht. De beide rivieren veranderen telkens hun loop, en bedreigen zelfs de helling, waar wij onze tenten hebben opgeslagen.
Als wij echter den 3den Augustus buiten komen, is de hemel helder en effen, en de zon schijnt. De berg is tot rust gekomen, en van al het misbaar van den vorigen dag is niets meer te bespeuren, dan nog wat zacht geruisch van beekjes, die langs de oneffenheden in het rotsgesteente vloeien en een aangename koelte verspreiden. Wij kunnen dus zonder gevaar de bergengte van Artchiar weer doortrekken, en ons over den pas terugbegeven, langs denzelfden weg, dien wij vijf dagen te voren hebben afgelegd.
Als we des avonds, na onderweg een herder met zijn kudde te hebben ontmoet, te Oustchiar aankomen, zijn de nomaden zeer verheugd, ons weer te zien. Wij vinden daar een koerier, die door den gouverneur van Prjevalsk ons is nagezonden, met een brief, waaruit wij vernemen dat in China de oorlog is uitgebroken. De boodschapper raadt ons met nadruk af, om ons op dat onveilig grondgebied te begeven, als wij ons niet aan onaangenaamheden willen blootstellen. Den volgenden dag maken wij nader kennis met de Kirghizen, bekijken hun tenten, bezichtigen met belangstelling hun werk (een van hen was bezig een arend af te richten), zien toe, hoe de vrouwen hare huiselijke bezigheden verrichten, en geven haar sieraden van aluminium ten geschenke. Zij zijn ons uiterst dankbaar, lachen ons vriendelijk toe, en zouden zeker graag een praatje met ons maken, als zij maar konden. Ze zijn nu in 't geheel niet bang meer; eer het tegendeel.
Om drie uur 's middags gaan de prins, Zurbriggen en ik, begeleid door een der Kirghizen te paard, een uitstapje doen. We richten onze schreden naar de bevallige Oustchiar-spits. Tegen den avond bivakkeeren we op een hoogte van 3850 M., aan den voet van den allerhoogsten top. Als we weer opbreken, beweert Zurbriggen, dat we nog in ons kamp zullen kunnen ontbijten. Hij heeft er niet op gerekend, dat we, als 't ware, door een nauwen koker van ijs moeten omhoogklimmen, en dat we, steeds gebombardeerd door vallende steenen, vier uur zullen noodig hebben, om een paar honderd meter te stijgen. Het ijs was spiegelglad, en de berijpte rotsen boden ons niet het minste houvast; bijna verloren wij den moed. Maar geduld overwint alles, en met de noodige voorzichtigheid bereiken ook wij ons doel; we komen, langs den zuidelijken bergkam, om ongeveer één uur 's middags aan op den allerhoogsten top van de Oustchiar-spits. Deze wordt eerst gedoopt, en daarna gaan wij onzen inwendigen mensch versterken. 4500 meter is hij hoog, die slanke toren van graniet en ijs. Vóór alles moeten we weten, of we den langgezochten Khan Tengri hier ook kunnen zien. We krijgen hem dadelijk in het oog; want hij rijst op tegen den achtergrond van het Kaënde-dal, als op een voetstuk van gletschers, die naar alle zijden afdalen. De dalen van Kaënde en Koékab strekken zich uit naar het Zuiden en het Westen, met den rug naar elkander toegekeerd.
Maar dat verschiet van golvende bergruggen biedt een woest en verlaten schouwspel aan. Geen enkel plekje groen siert den dorren bodem, uitgedroogd door de zonnehitte. Zonder de sneeuw, die de uitstekende rotspunten omzoomt, zou men het geheele landschap voor een in ruwe klei ontworpen beeldhouwwerk houden.
In het Zuiden schijnen twee hooge toppen, de Ak-Sou-Tao en de Djannart-Tao, als schildwachten opgesteld aan den ingang van twee valleien, de wacht te houden bij de nadering van een denkbeeldigen vijand. Daartusschen vertoont zich een wijde opening, waardoor de wateren een uitweg vinden van den Djannart-Sou, dien wij in de verte als een zilveren lint zien kronkelen door de blauwachtige vlakten van Kasjgarië. Daarboven volgt ons oog de vage golvingen der keten van den Bittama-Tao, die de zuidelijke grens vormt van het plateau van Outch-Tourfan. En nog verder ligt de geheimzinnige Gobi, dien men meer vermoedt dan meent te onderscheiden, aan den verren gezichteinder.
Wij kunnen van af dit hooggelegen punt met een oogopslag de reuzenkom overzien, die het water van honderden gletschers opvangt en omringd is door een kring van 5000 Meter hooge bergreuzen. Wij bespeuren, dat de hoofdader van dit stroomstelsel de Saridjass-Sou is, die, behalve bij de uitmondingen der dalen, verborgen blijft in haar nauwe en diepe bedding, driehonderd wersten lang. Het is een vreemd en indrukwekkend gezicht, dien statigen, melkwitten stroom zich door de bergen te zien kronkelen, om plotseling bij een kromming achter een hoogte te verdwijnen, en verderop weder te voorschijn te treden, als uit de diepste diepten der aarde opwellend.
In het Westen zien wij, vlak tegenover ons, twee dalen; links het Djannart-dal, met de valleien van Kaïtche, Bichirtik en Archiriak, die zich openen in den Kok-Chaal-Tao. Daartusschen zien wij, door de opening van het Ichtik-dal, de golvingen van het plateau van Karagan, waarop de Naryn ontspringt, die later Syr-Daria genoemd wordt. Rechts wendt zich het Irtach-dal, na de eerste dertig werst, plotseling naar het Noorden, achter den Terekty-Tao en den Keou-eou-leou-Tao.
Nog een oogenblik blijven wij de drie toppen bewonderen, welke het dichtst bij de Oustchiar-piek zijn gelegen. De middelste vooral trekt onze aandacht; zijn dreigend voorkomen lokt niet uit tot een beklimming. Wij noemen hem den Kargan-tach (den steenen arend).
In een omzien zijn wij in ons kamp terug. En als wij in onze ruime tent aanliggen om den disch, waarop fijne confituren ons toelachen, en genieten van een geurig kop thee, komt dat verblijf ons waarlijk als een paleis voor. Op het gras te slapen, na een nacht op de steenen en een dag tusschen ijsvelden te hebben doorgebracht, is in deze streken het grootste genot, dat men zich denken kan.
6 Aug. Het gezicht op den Khan Tengri bezielt ons met nieuwe geestdrift. Wij beginnen zelfs te denken, dat het beklimmen van dien top volstrekt niet gevaarlijk zal zijn. We zouden dan moeten kampeeren aan den voet, en wachten op het gunstige oogenblik om den tocht te ondernemen. Maar dan moet het eerst mooi weer worden; anders zal het niet gaan. Vandaag luieren wij maar, evenals de Kirghizen, en rollen als kleine kinderen in het gras. Na langdurige lichamelijke vermoeienis en zenuwachtige spanning is het een genot, in 't gras te liggen en naar de wolken te kijken, terwijl onze spieren zich ontspannen en onze polsslag weer normaal wordt. Het is een echte gezondheidskuur.
Den volgenden morgen vertrekken wij naar den aoul van Kaënde. De Kirghizen vergezellen ons tot aan den Oustchiar-pas. Wij keeren langs denzelfden weg terug, dien we den 28sten Juli zijn gegaan, en trekken dan langs de linkerzijde van het dal, door zachtglooiende weiden en dennenbosschen. Tegen zonsondergang bereiken wij het kamp der nomaden. Deze zijn op een heuveltje vergaderd, en begroeten ons met eindelooze salaams en baïs. De chirtaï geeft ons te kennen, dat hij zelf, zijn familie en zijn stam zich zeer verheugen, ons als gasten te mogen ontvangen. Hij verzoekt ons, eenige dagen te blijven, en wij stemmen gaarne hierin toe.
De aoul van Kaënde telt ongeveer honderdvijftig personen, die verdeeld zijn over een twintigtal tenten.
Daar Abbas ons heeft verteld, dat de dochter van den chirtaï onlangs verloofd is, dringen wij er zeer op aan, haar te mogen zien en photographeeren. Eer zij zich echter aan ons vertoont, maakt zij zich zoo mooi als zij kan en trekt haar fraaiste kleeren aan. Zij is nog zeer jong, en bijzonder groot voor haar leeftijd. Maar al draagt zij een zijden gewaad, al blinken er edelgesteenten aan haar vingers en polsen, en in haar ooren, al draagt zij sierlijk bewerkte laarsjes en al prijkt een bos witte veeren op haar bonten muts, zij is en blijft een leelijk Kirghizen-mormeltje, met gespleten schuine oogjes, uitstekende jukbeenderen en een dikken neus. De jonge dame kan ons maar volstrekt niet bekoren. Zij is verloofd met den kaltchè (hoofd) van het Irtach-dal, een der rijkste mannen in den omtrek.
Maar eer deze zijn bruid in ontvangst neemt, zal hij een groot gedeelte van zijn kudden moeten afstaan. De chirtaï en zijn beide ongetrouwde zoons waren niet zeer bescheiden in hun eischen geweest; op den dag van het huwelijk moet de jonge echtgenoot 40 kameelen, 400 paarden en 5000 schapen aan zijn schoonvader afleveren, en bovendien nog een menigte kleinere geschenken uitdeelen. Zij is lang niet de eerste de beste, dat dertienjarige dochtertje van den Kirghizenhoofdman!
9 Augustus. Een paar uur nadat wij ons op weg hebben begeven, komen wij aan den Kaënde-gletscher, en gedurende de eerste twee of drie wersten volgen wij de moraine, die het meest naar links is gelegen. Daar de weg door de rotsblokken steeds meer ontoegankelijk wordt, besluiten wij hier stil te houden en ons kamp op te slaan in een plooi van het terrein, tusschen twee stroomen die van de hoogste gletschers storten. Wij vinden op deze plek al wat wij noodig hebben, indien wij hier eenigen tijd vertoeven. Er groeien een menigte téogoïroukstruiken, waarlangs een helder beekje stroomt, en de paarden kunnen voldoende voedsel vinden, om hun honger te stillen.
Den volgenden dag klimmen wij tot op een hoogte van 4000 M. boven dit kamp, om de omstreken te verkennen en te zien, of wij de paarden nog iets hooger kunnen brengen. De Kaënde-gletscher ligt zeer nauw besloten tusschen twee hooge rotswanden, en zijn langzaam glooiende oppervlakte vertoont op het eerste gezicht geen bepaalde belemmeringen. Aan weerszijden is hij met die rotsmassa's verbonden door een reeks van nevengletschers, die op de plaats waar zij met den hoofdgletscher samenkomen, een duidelijk afgebakende grenslijn vertoonen, aangegeven door verspreide steenblokken. Een dubbele rij hooge toppen, donkere steenkolossen, of glinsterende pyramiden van ijs, schijnt hem als een eerewacht te begeleiden. Op den achtergrond rijst, hoog verheven, de Khan Tengri op, als een geweldige kristallen koepel, de dom eener reuzenmoskee. Hij heeft niets schrikwekkends, en doet denken aan een oostersch vorst, die met kalmen glimlach en onverstoorbare waardigheid op zijn hovelingen nederziet.
Daar wij zien, dat op de lagere hellingen gras groeit, en de gletscher zelf vrij effen is, durven wij het wagen, onze paarden nog wat hooger op te brengen, en een paar wersten verder ons kamp op te slaan.
Wij laten een gedeelte van de bagage, den mondvoorraad en onze geiten en schapen achter in de hoede van den djighite, en trekken den volgenden morgen den Kaënde-gletscher op. In één dag leggen we niet meer dan 15 K.M. af. Maar met hoeveel moeite en bezwaren, vooral voor onze paarden, gaat die tocht gepaard! De arme dieren zijn totaal uitgeput; hun pooten zijn bloedig ontveld, en een heeft zich zelfs bij een val aan de dij gekwetst, en veel bloed verloren. Des avonds brengen wij ze naar een met gras begroeide plek, die dicht bij ons kamp is gelegen, om daar te wachten, tot wij terugkeeren. We zijn hier op een hoogte van 3296 M. We kampeeren op den gletscher zelf, of liever op de korst van steenen, waarmede hij bedekt is. Abbas is niet al te best in zijn schik. Wij vernemen nu eerst, dat hij nog nooit in zijn leven sneeuw had gezien. Dat laat zich wel hooren; hij komt van de oevers van den Chatt-el-Arab! En steeds met zijn onafscheidelijke muilen aan de voeten.
12 Augustus. Een sneeuwstorm houdt ons den geheelen dag in onze tenten opgesloten. De schapen en geiten blaten den geheelen dag allerjammerlijkst, en om hun razenden honger te stillen, eten zij maar vast ons brandhout op. We bevinden ons te midden van dichte nevelwolken, en onafgebroken stuiven de witte vlokken neer. Als dat zoo aanhoudt, zullen we wel een paar dagen hier moeten blijven, en op rantsoen gesteld worden. Twee dagen later bedaart de storm, het wordt mooi weer, en wij maken van die gelegenheid gebruik om weer een uitstapje op den gletscher te wagen. Drie Kirghizen, met schoenen van paardenvel aan, zullen meegaan als vrachtdragers. Daar we niet weten hoe lang we zullen wegblijven, nemen we zooveel proviand als we kunnen, en twee tenten mee.
In 't begin gaat alles goed. Eerst loopen we over de steenen, waarmee de gletscher is bedekt, en daarna op het ijs zelf; de dunne laag sneeuw hindert niet. Maar die laag wordt gaandeweg dieper en minder hard, en we moeten ons met touwen aan elkaar binden. De gletscher is doorsneden door dwarsspleten, afgronden en draaikolken, en wij moeten de grootste voorzichtigheid in acht nemen. Ondanks de meesterlijke behendigheid, waarmede Zurbriggen de moeilijkheden weet te overwinnen, loopen wij telkens gevaar, zoo de dichte sneeuwlaag bezwijken mocht onder het gewicht van onze zwaarte, in een afgrond te storten; maar gelukkig houdt het touw ons tegen. Op het hoogst gelegen gedeelte komen wij aan een gevaarlijke plek. Al is de steilte der helling hier niet te vergelijken bij de Mer de Glace, de scherpe ijsranden zijn zoo dicht opeengedrongen, en zoo lang, dat ze gelijken op de bladen van een half opengeslagen boek. Om zich daarover voort te bewegen, moet men zoo behendig zijn als een koorddanser, en het ijs is zoo broos, dat het bij den eersten slag van het houweel in stukken stuift. Wij vinden het dus nog maar het beste, langs de sneeuwhelling links van ons op te klimmen, waarop de lawinen van hooger gelegen gletschers neerstorten. Hier hebben we althans vasten grond onder de voeten; maar de zekerheid, dat we elk oogenblik onder een stortvloed van sneeuw en ijs kunnen worden bedolven, jaagt ons voort, tot we eindelijk met een paar sprongen een moraine bereiken, waar we besluiten, zoo goed en zoo kwaad als het gaat, te kampeeren. We graven een opening in den grond, om er den nacht in door te brengen; maar het gat loopt vol water, dat tusschen de steenen doorsijpelt. Zurbriggen neemt de wijk in een rotsspleet. De Kirghizen kunnen niet eten van vermoeidheid, en lijden ondragelijke pijn; want daar zij geen brillen dragen, zijn hun oogen hevig aangedaan door het schitteren van de sneeuw. Wij doen voor hen wat in ons vermogen is, en raden hen aan, zich zoo warm mogelijk in te stoppen onder hun tent.
't Is een treurige nacht. Onder ons de vochtige, scherpe steenen, en boven ons, op het dak van onze tent een 20 cM. dikke laag sneeuw; terwijl het 16 graden vriest; men kan zich voorstellen, dat onder zulke omstandigheden van slapen weinig inkomt. Om vijf uur komt Zurbriggen ons wekken,--bij wijze van spreken dan altoos,--en wij trekken onze stijf bevroren kleeren en laarzen weer aan, na ons van 't hoofd tot de voeten te hebben gewreven, om wat te ontdooien. Dan binden we ons opnieuw aan elkander vast; Zurbriggen vooraan, ik achteraan, en de prins in 't midden. Wij klimmen den pas op, die vlak tegenover ons ligt, om te zien, of van deze zijde de top, dien wij voor den Khan Tengri houden, misschien zal kunnen bestegen worden.
Ons bivouak ligt op een hoogte van 4040 M., en de bewuste top is ruim 6000 M. hoog. Tusschen dien top, en de spits aan onze linkerhand ligt een gletscher, waarin zich enkele spleten vertoonen. De eerste zonnestralen vallen op den rotswand, die zich rechts van den gletscher verheft, en die gekroond wordt door een vooruitspringenden ijsrand, waarvan, als een franje, een rij scherpe ijskegels afhangt, welke, als 't ware, schijnen te wachten op onzen doortocht, om ons te treffen. Maar die haaientanden zijn al te begeerig, en waarschuwen ons door hun geklapper, dat wij op onze hoede moeten zijn voor hun vraatzucht. Nu komen wij aan het punt, waar de spleten beginnen, en waar we, steeds links en rechts, voor- en achterwaarts wijkend, zeker niet meer dan twee of drie meter vorderen in een kwartier. Eindelijk komt er een oogenblik, waarop we boven op een massieve ijsnaald staan, terwijl aan alle zijden rondom ons een afgrond gaapt.
Wel spant zich een soort hangende brug van sneeuw over een wijde en diepe kloof; maar de gids, die met zijn houweel de sterkte heeft beproefd, durft zich er niet op te wagen. Daar wij echter geen anderen uitweg zien uit onze benarde positie, begroeten wij dat gevaarlijke pad als een uitkomst in den nood. Terwijl de gids op handen en voeten voortkruipt, houden wij het touw vast, dat stevig om het handvat van het diep in de sneeuw gestoken houweel gerold is. Eén voor één kruipen we zoo voort, angstvallig elken schok vermijdend, en zonder onze stem te durven verheffen, want de geringste trilling der lucht zou een lawine kunnen doen neerploffen. Maar van af dit punt wordt de gletscher vlak en effen. Binnen weinige minuten bereiken we den voet van den pas, door treden in de harde sneeuw te hakken. De Ak-Moïnok pas--zooals wij hem noemen--is 4560 M. hoog en opent zich in het verst naar het Oosten gelegen uiteind van den bergwand, die de dalen van Inghiltsjik en Kaënde scheidt. Wij zijn de eersten, die hem hebben beklommen en zullen ook wel de laatsten zijn. Deze laatste tocht is werkelijk de gewichtigste van onze geheele onderneming geweest; want nu eerst zijn wij in staat gesteld, de juiste ligging van den Khan Tengri te bepalen.
De top, dien wij op den Oustchiar-piek tegen den achtergrond van het Kaënde-dal zagen oprijzen, was de Khan Tengri niet. Deze is meer naar het Noorden gelegen, twintig wersten verwijderd van den Ak-Moïnok pas.
De Inghiltsjik-gletscher verdeelt zich hoogerop in twee groote takken, gescheiden door een bergmassa, op welker top zich de pyramide van den Khan Tengri verheft.
Deze top staat dus op zich zelf, en hangt volstrekt niet samen met een der talrijke bergketens, die hem omgeven. Toch is het zeker, dat door zijn granietvorming dit bergstelsel een homogeen geheel uitmaakt, en dat de hoofdgroep, uit welks midden de Khan Tengri zich verheft, eveneens de ketens omvat van den Saridjass-Tao, den Inghiltsjik-Tao, den Kaënde-Tao en den Mouj-Art-Tao, om slechts de voornaamste ketens te noemen, die door ons zijn bezocht.
Wij maakten gebruik van de bijzonder gunstige gelegenheid, welke de Ak-Moïnok-pas ons bood, voor het doen van waarnemingen met de instrumenten, die wij hadden medegenomen. Het afdalen ging vrij snel in zijn werk, en een uur later kwamen wij weer aan ons bivouak. Thans scheen het ons niet meer noodig, den Kaënde-top te beklimmen, dien wij voor den Khan Tengri hadden aangezien. Als het weer niet zoo wisselvallig was geweest en onze Kirghizen zich gemakkelijker van het kamp naar ons bivouak en terug hadden kunnen begeven, zouden wij zeker hier nog eenige dagen zijn gebleven. Wij hadden wel gaarne willen weten, hoe de Khan Tengri er van de andere zijde uitzag.
Den volgenden morgen werden de paarden van den gletscher naar ons kamp teruggebracht. Zij konden bijna niet meer loopen, en waren in een deerniswaardigen toestand. Toen ik goed en wel te paard zat, kon het arme dier geen stap voorwaarts doen; 't was alsof zijn pooten van hout waren. Een der Kirghizen was zoo vriendelijk, mij het zijne af te staan. Zoo kwamen wij, al hinkend en strompelend, terug op de plek, waar wij onzen djighite hadden achtergelaten. Hij is op zijn post; maar dat blijkt eigenlijk puur toeval te zijn. Wij weten trouwens wel, dat hij niet al dien tijd op onze bagage heeft gepast. Hij heeft gebruik gemaakt van onze afwezigheid, om de verlaten vrouwen in Kaënde te gaan troosten. Zijn aanwezigheid is trouwens op zich zelf reeds voldoende, om de veiligheid van onze bezittingen te verzekeren.
Twee dagen achtereen kunnen wij onze tenten niet verlaten; want het regent onophoudelijk door, en het geeft niet, of wij ons al eens willen vertreden. De grond is zoo doorweekt, dat wij er tot aan de enkels inzakken, en bovendien bestookt ons de berg met een regen van projectielen. De paarden zakken telkens door hun eigen zwaarte in diepe kuilen, en blijven liefst maar dicht in de buurt.
Ten laatste wordt toch de lucht weer helder, en wij kunnen eindelijk dit onherbergzaam oord vaarwel zeggen. Binnen weinige uren bereiken wij het kamp der nomaden, die zich gedurende onze afwezigheid dieper in het dal hebben begeven. De Kirghizen zijn bijzonder gedienstig, en willen niets liever dan ons behulpzaam zijn. Ik begrijp niet, waarom sommige reizigers zulk een ongunstig oordeel over hen vellen. Dat ze onbeschaafd zijn, is hun schuld niet; maar onder die ruwe schors zijn eigenschappen aanwezig, die men waarlijk wel mag op prijs stellen.
Wij wilden naar Prjevalsk terugkeeren langs een anderen weg dan wij gekomen waren. Als wij ons wat haastten, konden wij ook het Irtach-dal nog gaan bezoeken, en zoodoende onze topographische opnamen tot een bevredigend einde brengen, daar wij dan het geheele stroomgebied van den Djannart-Sou zouden hebben onderzocht.
Onze paarden waren eigenlijk allen onbruikbaar geworden, en daar wij nog meerdere groote rivieren moesten oversteken, zouden de uitgeputte dieren allicht niet in staat zijn, onze bagage behouden over te brengen. Toen de chirtaï dit vernam, bood hij ons zeer welwillend drie kameelen aan, om onze bagage te dragen en rijpaarden voor alle personen, die deel uitmaakten van onze karavaan. Wanneer wij aan den aoul van Irtach kwamen, zouden deze worden vervangen door de paarden van den kaltchè, zijn aanstaanden schoonzoon, aan wien hij onmiddellijk bericht zond van onze komst. Wij waren hem voor die bijzonder welwillende behandeling zeer erkentelijk; beloofden de mannen die ons vergezelden een ruime belooning te schenken, en verzekerden hem, dat wij hem in de gunst van den gouverneur van Prjevalsk zouden aanbevelen. Wij namen daarop afscheid van den aoul en zijn bewoners, met wie wij hartelijke handdrukken wisselden, terwijl de vrouwen zich verdrongen om ons goedendag te zeggen, ons hare zuigelingen toestekend, en om 't hardst roepend: "Koch, Koch!" (vaarwel, vaarwel).
Het dal van Kaënde is wel de zonderlingste vallei, die men zich kan voorstellen. Ongeveer zestig wersten lang, strekt het zich uit in grillige bochten en kronkelingen, nu eens breed, dan weer zich vernauwend, hier begrensd door steile rotswanden, dáár zacht omhoogstijgend langs glooiende hellingen. In geologisch opzicht is het gedeelte, dat volgt op den pas van Oustchiar, het merkwaardigst. Het schijnt, dat in dien pas een plotselinge verzakking van het gebergte heeft plaats gegrepen, en dat de opeengehoopte overblijfselen, door die bergstorting ontstaan, van lieverlede zijn medegevoerd naar het dal. Langs den oever van den stroom verheffen zich grillige klippen, gegroefd en doorknaagd door de werking van het water, die aan romeinsche bouwconstructies doen denken.
Ditmaal voert onze weg ons langs een begraafplaats der Kirghizen. De grond is er zeer oneffen, vol kuilen, grafheuvels van klei, en steenhoopen. De Kirghizen koesteren grooten eerbied voor de nagedachtenis hunner dooden. Als zij langs een kerkhof komen, gaan zij altoos de graven hunner verwanten bezoeken en er voor hen bidden. Als het noodig is, brengen zij dan meteen herstellingen aan. De graven zijn altoos goed onderhouden, en worden nooit verwaarloosd.