De Reis Van Prins Scipio Borghese Naar De Hemelsche Bergen De A

Chapter 7

Chapter 72,824 wordsPublic domain

Het merkwaardigste onderdeel van de kleederdracht der Kirghizenvrouwen is de witte kap, dien zij op het hoofd dragen, en die haar op nonnen doet gelijken. 't Is een cylindervormig gewonden band van gesteven linnen, wel 30 cM. breed, die om het hoofd sluit, en waarvan de einden los op den rug hangen. Het haar wordt glad achterover gekamd, en zorgvuldig onder die soort van doos verborgen, die tevens als bergplaats dient van kleine voorwerpen voor dagelijksch gebruik. Een bijzonder praktische inrichting, zooals men ziet.

Van achteren wordt het haar in twee of meer vlechten gevlochten, waarvan er eenige op den rug neerhangen, en met een kettinkje of gesp zijn vastgemaakt. Daaraan bengelt weer een bos sleutels, of koperen plaatjes, die tot op de hielen hangen, zoodat ze bij elke beweging een rinkelend geluid maken. Dien tulband of eletchik dragen alleen de getrouwde vrouwen.

De jonge meisjes zijn meer behaagziek. Zij tooien zich met mutsen van vossenvel, waarop een bosje arendsveeren prijkt. Het haar vlechten ze in een menigte dunne vlechtjes, die langs de slapen en op den rug neerhangen, waar ze worden bijeengehouden door een lap stof, met glazen kralen versierd. Als jonge meisjes een man willen veroveren, flonkeren ze van blinkende sieraden en trachten zich zoo rijk mogelijk uit te dossen. Maar later moeten zij dikwijls zwaar voor hare ijdelheid boeten, want ze worden de slavinnen van mannen, die haar geheel in hun macht hebben en gewoonlijk ruw behandelen.

De yourte der Kirghizen is niet zoo ruim als die der Kozakken, of als de kibitka der Turkomanen. Zij is bescheidener van afmeting en minder weelderig ingericht. De Kirghizen moeten dikwijls verhuizen, wegens gebrek aan weidegrond. Bovendien noodzaken hen de strenge en langdurige winters, de afmetingen van hun woonvertrekken tot een minimum te beperken, om ten minste nog zooveel mogelijk warmte te genieten bij het weinigje brandstof, waarover zij kunnen beschikken. De tenten der Kirghizen bestaan uit een geraamte van buigzaam hout, dat met paaltjes in den grond wordt gestoken en met riemen van dierenhuid doorvlochten is. Dat geraamte is ongeveer twee of drie meter hoog, en evenzoo breed. De zoldering wordt gesteund door houten latten, die schuin oploopen naar een opening in het midden, welke als schoorsteen, en tevens als venster dient. Over dit onderstel worden zware lappen vilt geslagen, die met touwen worden omwonden en bevestigd.

Zulk een tent wordt binnen eenige minuten opgeslagen, of weer afgebroken, en kan door twee kameelen worden vervoerd. De inrichting is, zelfs bij rijkere lieden, zeer eenvoudig. De stapels vilt, die als matrassen dienst doen, de houten kisten, zakken, paardetuig en dergelijke benoodigdheden liggen over den grond verspreid, of worden langs de zijden van de tent opgehangen. Midden in de yourte, op drie rechtopstaande steenen, of op een ijzeren voetstuk geplaatst, staat een groote ijzeren pot, de kazan, het eenige gerei, waarvan zich de nomaden bedienen om hun potje te koken. Overigens zijn de werktuigen, die zij gebruiken bij het verrichten van hun dagelijksche bezigheden, noch talrijk, noch gecompliceerd. Behalve den kazan, hebben zij meestal een soort kan van geciseleerd koper, en twee of drie houten nappen; hun vingers moeten vorken en lepels vervangen. Voor het melken gebruiken ze emmers van dierenvel, en in leêren zakken wordt de melk bewaard.

Lucifers zijn bij de Kirghizen niet bekend, ieder draagt een leeren zakje bij zich, met een vuursteen, een stuk ijzer, en een brok zwam. Van dat zakje en een klein stevig dolkmes, aan hun gordel bevestigd, zijn ze onafscheidelijk. Het mes wordt voor de meest verschillende doeleinden gebruikt; om dieren te dooden, vellen af te schrapen, hun hoofd te scheren, hout te snijden, enz. 't Is het eenige scherpe werktuig, dat bij de nomaden in gebruik is.

Al het werk komt neer op de vrouwen. Die hebben den geheelen dag volop te doen. Als 's morgens het vee naar de weide is, maken zij koumiss van de melk van den vorigen dag, looien dierenhuiden, kloppen vilt, vlechten tres, maken kleeren, en als ze er tijd voor kunnen vinden, borduren ze ook nog met wol. 's Avonds halen ze, geholpen door de grootste kinderen, het vee weer binnen, en binden de dieren aan lange touwen vast. Ondanks dien zwaren arbeid, die haar geen oogenblik verpoozing gunt, schijnen de vrouwen der Kirghizen niet ontevreden met haar lot. Ze zijn zeer vroolijk en altijd tot babbelen en lachen geneigd.

De mannen brengen den dag door met op hun vrouwen te passen, en elkaar over en weer verhalen te doen, of te beraadslagen omtrent plannen, die ze in den zin hebben. Het gesprek loopt hoofdzakelijk over paarden. De taal der Kirghizen, overigens vrij arm, is uiterst rijk aan uitdrukkingen, die op paarden betrekking hebben; en elk jaar krijgen de dieren weer een anderen naam. Het paard is voor den Kirghies niet, zooals voor den Arabier, een voorwerp van vereering; zij hebben het niet weten te veredelen of verfijnen; maar het is hun onafscheidelijke metgezel, en zij zouden niet kunnen leven zonder dien trouwen kameraad. In de oudheid stelde men zich voor, dat de Tartaren verblijf hielden in deze onbekende streken, en de verbeelding dacht zich die half wilde wezens als centauren, half mensch, half paard. Aan die voorstelling beantwoordt nog steeds de Kirghies van thans.

Als men hen te paard ziet zitten, schijnen ze als aan den zadel vastgegroeid, en hoewel dit van hout en zeer ongemakkelijk is, leggen zij zonder de minste vermoeienis lange dagreizen af, langs meestal gevaarlijke wegen. Van loopen houden ze echter volstrekt niet; ze worden spoedig moede, en zullen zonder noodzaak geen honderd schreden te voet gaan. Voor 't geval, dat ze zich van hun yourte naar een andere willen begeven, staat altijd een paard aan den ingang der tent gereed. Ze zijn ontzettend lui, en kunnen slapen als marmotten. Men ziet ze nooit langer dan een paar minuten achtereen rechtop staan, en het is ondenkbaar, dat twee Kirghizen in staande houding een gesprek zouden voeren. Als ze elkaar iets te zeggen hebben, gaan ze op de hurken zitten, vatten elkaar bij beide handen, en in die positie bespreken zij alles, wat zij te verhandelen hebben. In die ongemakkelijke houding blijven ze soms een halven dag achtereen zitten.

Nog een andere reden waarom de Kirghizen hun paarden in eere houden, is deze, dat zij uit de melk der paarden den koumiss bereiden. Alle Oosterlingen zijn dol op dien heerlijken drank; maar niemand is er blijkbaar zoo op verlekkerd als de Kirghizen. Zij leven van koumiss en voor koumiss alleen. Wilde men hen van dien drank berooven, dan zou men hen evengoed het genot van frissche lucht kunnen ontzeggen. Als ze zich niet letterlijk eraan hebben te buiten gegaan, zijn ze niet te houden; ze zouden uw karavaan in den steek laten, en de afgelegenste hoeken van het gebergte doorzoeken, om een aoul te vinden waar ze hun verlangen kunnen bevredigen. De zak met koumiss staat altijd voor den voorbijtrekkenden reiziger gereed en wordt hem nimmer geweigerd. De Kirghizen vinden het dan ook volstrekt niet noodig, op hun tochten voedsel mede te nemen; zij weten zeer goed, dat ze erop kunnen rekenen, in de aouls, op hun weg verspreid, voldoende onderhoud te vinden. Behalve koumiss, dien zij den geheelen dag door drinken, gebruiken de Kirghizen slechts één maaltijd per dag. Bij troepen van tien, vijftien, tot twintig personen vereenigen zij zich in de yourte om den kazan, waarin een geheel schaap gekookt wordt. Ieder haalt zijn pitchiak uit de scheede, grijpt een been, en gaat smakelijk aan 't kluiven, terwijl men af en toe het vleeschnat toespreekt. Tot besluit volgt natuurlijk weer koumiss, die eerst, om hem goed te laten schuimen, duchtig wordt geschud. Als ze dan volop gegeten hebben, geven ze met welbehagen toe aan de onvermijdelijke slaapzucht, die het gevolg is van zulk een overvloedig maal. Thee en brood gebruiken alleen rijke lieden. Het laatste wordt in den aoul zelf toebereid uit gerstemeel, waarvan koeken worden gekneed, die zij bakken in schapenvet.

De brandstof der Kirghizen bestaat bijna uitsluitend uit twijgen en wortels van den téo-goïrouk (kameelenstaart), die zoo genoemd wordt, omdat de takken ervan veel op dat aanhangsel gelijken. Het is een soort rhododendron, die in den grond geworteld, en met doornachtige takken, ongeveer een halven meter hoog is. Deze plant groeit tot op een hoogte van 3000 M.; altijd op de noordelijke berghellingen.

Aan de aanwezigheid van die struiken hebben de nomaden het te danken, als zij zich kunnen ophouden in de hooggelegen dalen van den Tiensjan, welke, dicht bij de gletschers gelegen, lang groen blijven, ondanks de zomerhitte.

Wanneer echter op honderd mijlen in den omtrek geen brandhout te vinden is, gebruiken de Kirghizen dierenmest als brandstof. Zulk een vuurtje is niet bevorderlijk voor de frischheid der atmosfeer in de benauwde yourte; maar overgevoelige reukzenuwen hebben de Kirghizen niet.

Als zij niets beters te doen hebben, gaan zij somtijds op de jacht. Ze richten arenden af voor de vangst van vossen en pelsdieren, en dooden grootere dieren, zooals wolven, beren en ovispoli met een flintgeweer, waaraan, op ongeveer een derde van den loop, een beweegbaar steunsel is bevestigd voor het aanleggen. De Kirghies is echter geen geweldig Nimrod, en de tallooze dieren, die zich in de dalen van het Hemelsche gebergte ophouden, hebben van zijn zijde geen groot gevaar te duchten. Hij jaagt alleen om in zijn onderhoud te voorzien, en drijft geen handel in pelterijen.

Men heeft dikwijls willen beweren, dat de Kirghizen woest en onhandelbaar zijn. Wij vonden hen integendeel zeer zachtaardig en onderworpen. Ook daarin verschillen zij van de Kozakken, want deze zijn diefachtig en niet te vertrouwen. De Kirghizen zijn volstrekt niet strijdlustig, zooals de Turkomanen en Afghanen; hun aard is zelfs bijzonder vreesachtig. Dreigt hun geen gevaar, dan zullen zij nooit geweld plegen. Diefstal komt bij hen zeer veel voor. Daarom moeten ze bijzondere zorg dragen voor hun kudden, die 's nachts bij den aoul worden verzameld en door honden bewaakt. De Kirghizen zijn werkelijk buitengewoon goedaardig en naïef. Die eenvoud is zeker wel het gevolg van het leven, dat zij leiden en de afzondering, waarin zij hun dagen slijten. Fatalisten zijn ze allen en in alle omstandigheden. Alles is hun een goed of slecht voorteeken, het vallen van een draad op een witten steen, de kleurspelingen in een vlam, de vormen der wolken, een ontmoeting van bepaalde dieren; of het gezicht van een zekere bloem, alles heeft voor hen beteekenis, en van die toevallige kleinigheden laten zij dikwijls gewichtige besluiten afhangen.

Ze nemen allerlei middelen te baat, om de booze geesten te bezweren. Men kan zich geen denkbeeld vormen van hun kinderachtige bijgeloovigheid. Een grillig gevormde rots, een struik in een kloof geworteld, een vallende meteoorsteen, of een warme bron, 't zijn voor hen louter wonderbare verschijnselen, die zij niet anders dan met uitgespreide armen en vele kniebuigingen durven naderen.

Ze noemen zich Sunitische Mohammedanen; maar zij zijn dit in werkelijkheid niet. Zij verrichten noch de wasschingen, noch de gebeden, die door den Koran worden voorgeschreven, zij hebben geen moskeeën, noch mollahs, en ondernemen nooit bedevaarten naar het graf van den Profeet. Wel hebben ze eenige gebruiken bewaard, die aan den mohammedaanschen godsdienst zijn ontleend; maar dat is slechts een uiterlijke vertooning, die zij ten behoeve van vreemdelingen ten beste geven. Feitelijk hebben zij geen bepaalden godsdienst, behalve enkele herinneringen aan de vele verschillende secten, waarvan het Noorden van Azië eertijds wemelde. Een voorschrift van den Koran volgen zij echter letterlijk op, n.l. dat omtrent de veelwijverij. Als het hem maar eenigszins mogelijk is, huwt de Kirghies twee, drie of meer vrouwen. Het aantal zijner echtgenooten staat in verband met het getal kudden, dat hij bezit; want dat is het ruilmiddel waarmede hij zijn vrouwen koopt. Vergezeld van eenige vrienden en verwanten, trekt hij bergop, bergaf, doorzoekt alle aouls, en geeft zich veel moeite om, desnoods door list, de meisjes, die bijna altijd in de hutten blijven, te zien te krijgen. Als hij een keuze heeft gedaan, worden met de ouders onderhandelingen aangeknoopt over de huwelijksgift. Na maandenlang loven en bieden wordt men het eindelijk eens, en van nu af telt het jonge meisje, om zoo te zeggen, niet meer mede.

Als de koop gesloten is, mag zij gedurende een geheel jaar met geen andere mannen meer spreken dan haar familieleden en moet altijd in de yourte blijven, waar de andere vrouwen urenlang met haar komen babbelen, en haar helpen om haar uitzet gereed te maken.

Het huwelijk wordt voltrokken door het hoofd van den stam. De plechtigheid bestaat voornamelijk in een wisseling van begroetingen tusschen het jonge paar en hun verwanten, waarna alle aanwezigen zich vereenigen tot een reuzenmaaltijd, waarbij de koumiss vloeit in stroomen en ieder zich te goed doet aan borsaks en schapenbout. Daarop biedt de jonge echtgenoot zijn schoonvader de beloofde kudden aan. Deze stelt een nauwkeurig onderzoek in naar den toestand der dieren, en telt ze, om zeker te zijn dat hij niet bedrogen wordt. In ruil daarvoor schenkt hij zijn schoonzoon, als bruidschat zijner dochter, eenige kameelen en paarden, die zoolang zij leeft haar eigendom blijven. De man behoudt en gebruikt ze, zoolang zijn vrouw onder zijn dak vertoeft; maar als hij haar verstoot, moet hij ze teruggeven, tenzij zij een misstap begaan heeft. De Kirghizen nemen niet meerdere vrouwen tegelijk ten huwelijk, zooals de Mohammedanen doen. Zij huwen slechts ééne; maar als deze hun na eenigen tijd niet meer behaagt, nemen zij een jongere vrouw, en zoo gaan zij voort, zoolang hun middelen hun dit veroorloven. De laatste is natuurlijk altijd de gunstelinge van haar echtgenoot; de anderen tellen niet meer mede. De jonggetrouwde zit op haar gemak in de yourte, verwend en vertroeteld door haar man, en de andere vrouwen werken buitenshuis en slapen afzonderlijk.

Eer zij met de Russen in aanraking kwamen, kenden de Kirghizen het gebruik van het geld niet; zij ruilden hun koopwaren in voor vee. Ook thans nog hebben zij van tijdverdeeling geen begrip; zij weten niet hoe oud zij zijn, en zijn evenmin op de hoogte van het begin der mohammedaansche tijdrekening. Het jaar wordt ingedeeld naar de manen, en de maand naar het wassen en afnemen daarvan. Om een bepaalden tijdsduur aan te geven, spreken zij van een dag, een halven of een kwart dag, en zoo berekenen zij ook afstanden. Voor kleinere maten gebruiken zij hun arm, hand of voet.

Hoogst zelden treft men onder de nomaden van den Tiensjan lieden aan, die kunnen lezen en schrijven. De meesten zijn zeer tevreden in hun staat van volslagen onwetendheid, en vertoonen niet de minste neiging om zich te ontworstelen aan den toestand van barbaarsche duisternis, waarin hun geest sedert eeuwen is gehuld. Dit gemis van de eerste beginselen der beschaving heeft hen ook altijd verhinderd, zich tot een geheel volk te vereenigen. Elke stam blijft binnen zijn eigen domein, en vermijdt de nabijheid zijner buren. Zij kampeeren op vaste plaatsen, en elke yourte wordt neergezet op dezelfde plek, waar zij het vorige jaar werd opgeslagen. Slaven der gewoonte zijn de Kirghizen, naar lichaam en ziel. Hun aanhankelijkheidsgevoel is weinig ontwikkeld. Gehechtheid aan personen of zaken kennen zij niet. Voor hun vrouwen koesteren zij geen andere gevoelens, dan die van het dier voor zijn wijfje, en de genegenheid voor hun kroost gaat ook niet zeer diep.

Als zij aan hun bergen gehecht zijn, vloeit dit voort uit gewoonte; en zij zouden dan ook nergens elders het ongebonden, zwervend leven kunnen leiden, waaraan zij behoefte hebben.

Hun kunstzin is nagenoeg niet ontwikkeld, doch zingen doen zij gaarne, zoowel de mannen als de vrouwen. Soms begeleiden zij dat gezang op een soort van gitaar, uit een massief stuk hout vervaardigd, waarover snaren van darmen zijn gespannen.

Een ander muziek-instrument is een fluit, uit een uitgeholden boomtak gesneden, die rauwe en on welluidende klanken voortbrengt. Het is een volk, dat den trap der eerste kindsheid nog niet heeft overschreden. Maar zoolang zij binnen hun bergen blijven opgesloten, door hooge graniet wanden gescheiden van de bewoonde wereld, zullen de Kirghizen ongetwijfeld blijven zooals zij zijn.

Wat de uitkomsten onzer reis naar het Hemelsche gebergte betreft, die uitsluitend met een wetenschappelijk doel werd ondernomen, kunnen wij tevreden zijn. Al ontdekten wij niet anders dan gletschers en stroomen, al zagen wij geen historische bouwvallen, en al liepen wij er geen gevaar, door kannibalen te worden verslonden, voor wie de bekoring ondergaat dezer woeste en maagdelijke natuur, zullen deze sombere, verlaten berggevaarten, deze wijde, schijnbaar onvruchtbare dalen niet langer verlaten en somber schijnen, daar zij hem spreken van het onbekende, zijn weetgierigheid prikkelen, en hem opwekken tot het naspeuren van de vele raadselen, welker oplossing hem nog wacht.

In dien zin opgevat, mogen wij op onzen eentonigen en vermoeienden tocht met voldoening terugzien, daar ons onderzoek ons in staat gesteld heeft een nauwkeurig beeld te ontwerpen van een tot nog toe geheel onbekend gebleven gedeelte onzer aardoppervlakte. En dit eindresultaat, dat der geographische wetenschap ten goede komt, vergoedt ons ruimschoots de vermoeienissen en gevaren van onzen bezwaarlijken tocht.