De Reis Van Prins Scipio Borghese Naar De Hemelsche Bergen De A

Chapter 6

Chapter 63,829 wordsPublic domain

Als wij de uiterste grens van het dal hebben bereikt, zien wij ons den weg versperd door den Saridjass-Sou, die met bruisend geweld zijn wateren tusschen de steile oevers voortstuwt. Vóór ons ligt de ingang van het Irtach-dal; maar wij weten niet hoe we het zullen bereiken, want we kunnen dien onstuimigen stroom onmogelijk doorwaden. Er zit niet anders op, dan weer terug te keeren, tot we een plek vinden, waar we kunnen oversteken.

We volgen een pad langs den linker oever, en na veel moeite slagen wij erin, den overkant te bereiken.

Het Keou-eou-leou-dal, dat wij thans eerst moeten doortrekken, vertoont geen bijzondere eigenaardigheid, en de eentonigheid van onzen weg wordt hier door niets verbroken. Aan het eind van deze vallei gaan de Kirghizen, die ons van af den Oustchiar-pas hebben vergezeld, huns weegs, om den weg te volgen, die over den pas van Karakol rechtuit naar Prjevalsk gaat. Het beklimmen van den Keou-eou-leou-pas, die 4160 M. hoog is, gaat slechts langzaam; de kameelen hebben last van de ijlere lucht, en moeten telkens blijven staan, om adem te scheppen. Als we den volgenden dag naar het laag gelegen dal van Irtach afdalen, wordt het ondragelijk warm. De grond is geel, de berghellingen rood, en de lucht fel blauw. 't Is, alsof we door de ambas van Midden-Afrika trekken. Nu en dan echter schemeren verre gletschers door de openingen in het gebergte, aan weerszijden der vallei. Plotseling maakt deze een kromming naar het Oosten en wordt thans aan de zuidzijde begrensd door een zonderlingen muur van basaltrotsen, welker onafgebroken gelijkvormigheid bijna iets onnatuurlijks heeft.

Nog altijd dalen wij, voorovergebukt op onze paarden gezeten, met pijn in de oogen en geschroeide huid door de hitte en de felle weerkaatsing van het zonlicht. Als we na een rit van 12 uren nog geen nomaden ontmoeten, houden we stil, om te kampeeren, ondanks het koppig verzet der Kirghizen, die volstrekt nog dien avond den kaltchè willen opzoeken. Doch deze is reeds gewaarschuwd en komt ons een bezoek brengen. Hij weet wie wij zijn, en wat we van hem verlangen. Het vereischte aantal paarden en kameelen zal hij ons dan ook verschaffen. Maar hij is wat teruggetrokken en op een afstand, en schijnt zich niet te verheugen over onze komst, zooals onze vriend, de chirtaï.

De prins en ik gaan den volgenden dag zijn bezoek beantwoorden. Hij ontvangt ons in een weelderig ingerichte yourte, blijkbaar ter eere van deze feestelijke gelegenheid rijk versierd. We gaan op een tapijt van dierenvellen zitten, neergehurkt op de wijze der Kirghizen. Langs de wanden hangen echte tapijten uit Kasjgar, en draperieën van bontgekleurde stof.

De kaltchè stelt ons aan zijn vrouwen voor, die een buiging maken en daarna in een halven kring bij elkaar kruipen, vlak tegenover ons. Op den grond wordt een servet gelegd, waarop bedienden schotels met dampende vleeschgerechten neerzetten, benevens melk, thee, suiker en borsaks. Het is wel jammer, dat wij pas in ons kamp hebben gegeten. Ondanks onze verontschuldigingen dringt ons de kaltchè een stuk schapenrib op, dat hij ons met de vingers toesteekt.

Hij kiest de allervetste stukken uit, en wij kunnen ze, met den besten wil, niet door de keel krijgen. De kaltchè bemerkt wel, dat het ons moeite kost, en geeft bevel, andere spijzen voor ons gereed te maken. Wij zien ongelukkig, hoe dat in zijn werk gaat, en het gezicht alleen is al voldoende, om ons vooruit allen eetlust te benemen. Het recept is als volgt: Men raspt vleesch in bouillon, kneedt het ferm met beide handen, en strooit er vóór het opdienen wat zout en kruiden over.

Wij drinken echter, om hem genoegen te doen, gaarne een paar koppen thee en melk. Vóór deze ons worden aangeboden, vischt een der Kirghizen er met een strootje de verschillende ongerechtigheden uit, die er in zwemmen, en als wij ze hebben leeggedronken, likken de vrouwen smakelijk de koppen uit, en zorgen, dat er geen droppeltje overblijft. Deze staaltjes geven een goed denkbeeld van de argelooze ongedwongenheid, die er heerscht in de zeden en gebruiken der Kirghizen.

Daarna doen we nog een uitstapje in de drie dalen, die te samen den naam Outchkoul, de drie meren, dragen. Feitelijk treffen we slechts één meer aan, in de eerste vallei, dat daarom den naam Bach-koul draagt. Het is een bij uitstek geschikte plek voor een winterverblijf.

29 Aug. Om onze topographische werkzaamheden te besluiten, klimmen Zurbriggen en ik op den top, die ten Zuiden van ons kamp gelegen is. 't Is het hoogste punt van den Ichigart-Tao, die de dalen van Irtach en Djannart scheidt. Wij vermijden de steenachtige hellingen, en klimmen langs den noordelijken bergrug omhoog, waar steile kalksteenrotsen het ons verbazend lastig maken. Wij dachten dat de weg volstrekt niet moeilijk zou zijn, en hebben zelfs geen touw meegenomen, zoodat we weer toeren verrichten, die geen acrobaat ons verbeteren zou. En langs de andere helling hadden we den berg desnoods te paard kunnen bestijgen! Hier loopen we levensgevaar, spannen ons in tot het uiterste, en scheuren onze nagels bijna stuk, terwijl we op ons doode gemak ons doel hadden bereikt, als we een anderen weg hadden gekozen. Maar onze moeite wordt ruim beloond door het prachtige uitzicht, dat wij genieten op den top van den Karahoum, die 4150 M. hoog is.

Vooral het geheimzinnige Djannart-plateau wordt onderworpen aan een nauwkeurig onderzoek.

Ik geloof niet, dat men ergens elders zulke zonderlinge, verrassende en onverklaarbare tegenstellingen zal ontmoeten als in het Hemelsche Gebergte. Dat is ons reeds meermalen opgevallen. De natuur schijnt hier te hebben gehoorzaamd aan wetten, wier oorsprong buitengewoon moeilijk is na te gaan. Hoe zijn die zonderlinge bergen ontstaan, en welke ontzaglijke veranderingen moeten zij hebben ondergaan, om zoo ten eenenmale af te wijken van de voorstellingen, die wij ons vormen omtrent de gevolgen eener vulkanische uitbarsting?

Het aan anderen overlatend, deze raadselen op te lossen, zullen wij ons vergenoegen met een beschrijving te geven van die wijde kom, die het eigenlijke Djannart-dal vormt. Ongeveer 150 wersten lang en 100 breed, strekt het zich uit als een geweldige arena, in het midden bijna vlak, en omgeven door trapsgewijs opstijgende, hooge bergmuren. In het Zuiden verbergen de besneeuwde toppen van den Kok-Chaal-Tao de grens tusschen het russische en chineesche grondgebied. In dien bergwand onderscheiden wij het Djannart-dal, waarnaar de geheele kom genoemd is, het dal van Kaïtche, en dat van Bichirtik, en eindelijk het Ichtik-dal, dat zich aansluit bij het plateau van Karagan. Daarop volgt het dal van Akchirak, dat begint bij den pas van dien naam, die tevens het eene uiteinde vormt van de keten, waarop wij ons bevinden. Van dit hooge punt zien wij met genoegen naar de ons reeds welbekende toppen, dien van Oustchiar, den Kaënde Tao, den Khan Tengri, den Kizil-Tao, en de groepen van Terekty en Keou-eou-leou, waaruit een met sneeuw bedekte spits oprijst, die ons aan den Cervin herinnert.

In het Westen rijzen de koepelvormige sneeuwgevaarten op, die den gletscher van Pretovsk bekronen, waarop men vermoedt dat de Syr-Daria ontspringt.

Als wij ons kamp opbreken, heeft er juist een Kirghizenbegrafenis plaats. Eenige dagen geleden hebben herders een lijk in de rivier gevonden. De kaltchè, die het niet herkende, heeft het bericht laten verspreiden, en het is doorgedrongen tot Prjevalsk, waar de ouders van den overledene wonen. Intusschen heeft men het lijk, met touwen gebonden, en met steenen bezwaard, in het water gelegd. Dat stelsel van bevriezen is bij de nomaden in zwang.

Als de ouders van den doode zijn aangekomen, wordt het lijk op een ruwe baar naar de plek vervoerd, waar het zal begraven worden. De plechtigheid is niet indrukwekkend. De kaltchè vraagt aan de ouders, of zij in den doode hun zoon herkend hebben, en als zij die vraag bevestigend hebben beantwoord, laat hij de aanwezigen met luider stem herhalen, dat...., zoon van...., door een ongeluk om het leven is gekomen. Daarop wordt het lijk in een vilten omhulsel gewikkeld, met touwen vastgebonden, en in den kuil neergelaten. De aanwezigen gaan in optocht rond het graf, en werpen er bij elken stap een handvol aarde in, tot de kuil gevuld is. Daarna wordt er een hoop steenen op gestapeld. Het is een weinig tijdroovende, eenvoudige, en niet kostbare begrafenisplechtigheid.

Toen wij des avonds in het hooger gelegen gedeelte van het Irtach-dal kampeerden, vernamen wij, waarom het dezen naam draagt. In het dal bevindt zich een steen, die op een paardenzadel gelijkt. Op een afstand van honderd mijlen in den omtrek is die steen bekend, en al de nomaden, die er voorbijtrekken, gaan erheen, om er dierenschedels neer te leggen. De steen staat op een groot rotsblok, waaromheen de horens van allerlei dieren liggen opgehoopt.

V.

De terugreis.--Het Irtach-dal.--Bij het douane-station.--Aankomst te Prjevalsk.--Wij gaan uiteen.

Het Irtach-dal, dat bijna honderd wersten lang is, vertoont den vorm van een wijden Z. Het bovenste dwarsstreepje grenst aan de Terskeï-ala-Tao, die de vlakte afsluit, waarin het meer Issik-Koul is gelegen. Aan het eind van die dwarsstreep, waar het haakje ombuigt, ligt de Djoukoutchiak-pas, de gewone weg der nomaden, die zich naar Prjevalsk begeven.

Dit zou ook onze terugweg zijn. Tegenover den pas, aan de zuidzijde, strekt zich een kring van weiden uit, waartusschen gletschers afdalen, welker stroomen een groote vlakte besproeien en verloopen in eene menigte kleine poelen en plassen. Deze pas, 3850 M. hoog, is zeer gevaarlijk voor de paarden; de hellingen zijn dan ook bezaaid met rottende lijken of met geraamten, die door de gieren zijn afgeknaagd, welke voor ons uitvliegen op onzen weg. Eerst moet men zich een weg banen tusschen steenen, en dan een ijshelling beklimmen, waarna men den rand der moraines volgt, tot aan de eerste grasvlakten. Langzamerhand geraken wij uit het hooggebergte in een boschrijke streek. De noordelijke helling van den Terskeï-ala-Tao is bedekt met wouden, waarin zich zoovele dieren ophouden, dat men geen stap kan doen, zonder ze naar alle zijden te doen wegvluchten onder de struiken, waaruit zwermen vogels opvliegen.

Dit dal sluit zich aan bij de Zououka-vallei, waardoor de karavanen trekken, die geregeld vrachtgoederen vervoeren tusschen Viernyi en Kasjgar. Dat vervoer is uitsluitend in handen van een stam der Sarten, en de post gaat over van vader op zoon. Onderweg vinden zij dikwijls nog gelegenheid, om onder de nomaden hun slag te slaan, en kostbare pelterijen in te ruilen tegen katoentjes en snuisterijen uit Rusland. De lieden, die aan deze tochten deelnemen, slijten hun geheele leven in de Hemelsche Bergen, in alle jaargetijden. Hun familie trekt mede, de vrouwen wijdbeens op balen katoen of rollen linnen gezeten, de kinderen veilig geborgen in houten kooien, die aan beide zijden van den zadel zijn bevestigd. Bij het douanenstation van Zoukoua, aan het begin der vallei, zien wij hoe de goederen gevisiteerd worden. Ze zijn in schilderachtige verwarring op het gras uitgespreid, en schapen en honden wandelen er overheen. De beambten zien op hun gemak na, of er ook contrabande onder schuilt, en laten geen enkel pakket ongeopend de revue passeeren. Ze laten zelfs de vrouwen zich ontkleeden, om te zien, of zij ook verboden waar onder hare kleeren verborgen hebben.

Natuurlijk hebben zij altoos gelijk, en noch het heftig verzet der vrouwen, noch de scheldwoorden der mannen brengen hen van hun stuk. Soms worden er stokslagen uitgedeeld, als het eenvoudigste middel om de zaak in 't reine te brengen. De vrouwen zijn voor zulke reizigsters bijzonder fraai gekleed. Ze dragen zilveren sieraden om den hals, en aan hare ooren hangen kettingen, die tot op de schouders bengelen, en telkens verward raken in de knoopen van haar lijfje.

Na Zououka wordt het dal zeer breed; de beide zijden nemen zichtbaar in hoogte af, en worden langgestrekte heuvels, die aan steenen muren doen denken. Werkelijk geven die lage, roode rotswanden, waardoor diepe, horizontale groeven en kleine, loodrechte insnijdingen loopen, den indruk van twee geweldige gemetselde dijken, die een denkbeeldigen stroom moeten insluiten. De bodem vertoont overal die zelfde roode kleur, zoodat de rivier, als er regen valt, een bloedstroom gelijkt, die uit een of ander reuzen-abattoir is losgebroken. Terwijl wij steeds lager dalen, en het gebergte achter ons laten, zien wij vaag, als in een droom, een witte wolk oprijzen aan den horizon, als een windveer in de lucht. Het is de Koungheï-ala-Tao, aan de overzijde van het meer Issik-koul, waarvan de zachtblauwe waterspiegel zich voor ons uitbreidt, in het trillende, gulden waas, dat uit den grond schijnt op te stijgen.

De vallei van Issik-koul is overal waar men het oog laat rusten, even bekoorlijk. De wisselende tinten van het landschap zijn zoo ijl en doorzichtig, en de lijnen van elk tafereel zoo wazig en onbestemd, dat men zich vol verrukking overgeeft aan de indrukken, gewekt door het aanschouwen van grootschheid, die met bevalligheid gepaard gaat.

Weldra komen wij te Slifkina, een kozakkendorp, op de grens tusschen de beschaafde wereld en het Hemelsche Gebergte gelegen. 't Is het laatste russische dorp in de streek ten Zuiden en Westen van het meer Issik-koul. Men kan zich niet voorstellen, hoe blijde wij zijn, eindelijk eens weer menschelijke wezens te zien, die geen Kirghizen zijn, en woningen, die er anders uitzien dan de yourtes. 't Is werkelijk, alsof we in een groote stad zijn aangekomen. De verwarde haren en scharlaken kleeding der kozakken doen ons oog bepaald aangenaam aan, en het welgedane voorkomen der roodwangige russische vrouwen maakt thans op ons een geheel anderen indruk dan vroeger. Wij vinden ze nu bijna mooi. Met de matigheid, die wij zoo lang hebben moeten betrachten, is het nu ook gedaan. We halen onze schade in, en doen ons te goed aan pivo en heerlijke goudgele appelen, terwijl we des avonds een stevig maal eer aan doen van eieren, kip, aardappels, rijst en vruchten. Slifkina of Kizil-sou, zooals de Kirghizen het noemen, ligt dertig wersten ten Westen van Prjevalsk. Niet meer over gletschers, door steenen, noch langs afgronden voert ons pad; wij rijden rustig over een breeden, witten weg, die als een lint door groene velden slingert. Geen sprake meer van bezorgdheid over de meer of mindere doorwaadbaarheid der rivieren, nu de hoeven onzer paarden vroolijk over de stevige bruggen trappelen, die de oevers verbinden van elken stroom.

En toch, ondanks die rust en die veiligheid, komt die kalme, vlakke streek ons na de eerste twintig werst eentonig voor, en wij verbeelden ons, dat het rijden hier ons veel meer vermoeit dan onze tochten door de bergen. En dan die zon,--en dat stof!...

Kort daarna kwamen wij behouden te Prjevalsk. Om een al te plotselingen overgang te vermijden, sliepen wij niet in het posthuis; maar kampeerden buiten, in een boomgaard.

Twee dagen later, den 4den September, gingen wij ieder onzes weegs. Zurbriggen en Abbas keerden terug naar Tasjkent; terwijl de prins en ik onze reis voortzetten naar Siberië.

VI.

De Kirghizen.--Oorsprong van het ras.--Kozakken en Kirghizen.--Verdeeling der Bourouts.--Kleederdracht.--De yourte.--Zeden en gebruiken.--Huwelijk.--Besluit.

De wetenschap heeft haar laatste woord nog niet gesproken omtrent de samengestelde stammen, die slechts een karig levensonderhoud vinden in die gedeelten van Midden-Azië, welke wij thans hadden bezocht. Meerdere reizigers meenen die lastige vraag bevredigend te hebben opgelost. Waar het onderzoek van den geleerde zich grondt op de geschiedenis, en zekere bewijzen bestaan voor den samenhang van bepaalde gebeurtenissen, kan men licht een stelsel opbouwen, een redeneering volgen, die niet al te veel van de waarheid afwijkt.

Maar niet alle volken hebben achter zich, wat men een geschiedenis noemt; niet allen bezitten bewijzen van hun ouderdom of gedenkteekenen, die ons hun verleden weder voor den geest roepen. Door bergen of woestijnen afgesloten, zonder ooit den invloed der beschaving te hebben ondergaan of deze met opzet ontwijkend, uit vrees hun vrijheid te verliezen, zijn zulke volken gebleven in den primitieven staat, waarin zij zich bevonden van den beginne. Met de dieren en als de dieren levend, hebben zij nooit behoefte gevoeld, in dien toestand verandering te brengen. Tot die volken behooren ook de Kirghizen. Zij zijn nagenoeg dezelfden als voor 2000 jaar. En in al die eeuwen hebben zij niets verricht, dat den geleerde opheldering zou kunnen verschaffen omtrent hunne afstamming of de wisselvalligheden van hun bestaan. Nog steeds verdiept men zich in gissingen omtrent den oorsprong van hun naam. In het Turksch schijnt het woord: "landbewoners" te beteekenen; terwijl het in de taal der nomaden vertaald kan worden door: "veertig meisjes" (Karr-Keuz). Wij zouden eer vermoeden, dat in de chineesche taal de juiste oplossing van dit raadsel is te vinden. Sedert de 10de eeuw van onze jaartelling wordt in chineesche boeken gesproken van een volk, dat den Tiensjan-Nan-Sou bewoont, het zuidelijk deel van het Hemelsche gebergte. Later, tegen het eind der 13e eeuw, spreekt de beroemde zendeling Hiouen Tsang, de eerste man, die het aziatische vasteland bereisde, van de Ki-zi-li-tsé, die hij op zijn tochten had leeren kennen. Hij zegt, dat hij Kirghizen ontmoet heeft in het dal van Dzoungarie. Deze streek zou, volgens hem, hun aangenomen vaderland zijn geweest; oorspronkelijk bewoonden zij het oostelijk deel van het Altaï-gebergte. Onophoudelijk bedreigd door de Mongolen in het Zuiden en de Tartaren in het Noorden, waren zij gedwongen eerst naar het Tabargataï-gebergte te verhuizen en daarna, eenige eeuwen later, naar de Hemelsche bergen. De naam Ki-zi-li-tsé zou later veranderd zijn in Kirr-ki-tsé, toen het volk van dien naam zich tot het Mohammedaansche geloof had bekeerd.

De heer Ujfalvy de Mezö-Kovesd heeft bij zijn onderzoekingen in Turkestan rassenverwantschap meenen te ontdekken tusschen de bewoners der steppen en die van het gebergte. Volgens hem, en andere reizigers, zou er geen onderscheid bestaan tusschen de Kara-Kirghizen en de Kirghizen-Kazakken, de nomaden uit de vlakte.

Al leiden deze volken echter hetzelfde leven, en al kleeden zij zich nagenoeg op dezelfde wijze, hun taal is niettemin zeer verschillend. En bovendien koesteren zij jegens elkander zulk een hevigen haat, dat het bijna niet mogelijk is aan stamverwantschap tusschen die beide volken te gelooven.

Uit anthropologisch oogpunt beschouwd, vertoonen de beide typen ook opvallende punten van verschil. Hun lichaamsbouw, de vorm van hun hoofd, hun gelaatstint, de soort en kleur van hun haar, dat alles is geheel verschillend. Het is dus wel wat voorbarig, te beweren, dat de Kazakken niet anders dan Kirghizen zijn. Om dit te kunnen vaststellen, moest men overtuigende bewijsgronden kunnen aanvoeren, verzameld na een langdurig verblijf in die streek.

Ons zijn alleen bekend de Kirghizen, of Bourouts, een volk, dat uitsluitend in de dalen van den Tiensjan woont; van Pamir tot Dzoungarie; van het meer Issik-koul tot Ak-sou. Het is onmogelijk, hun aantal ook maar bij benadering vast te stellen. Men hoort het getal 400 zoowel als 500 000 noemen; maar er zullen er nog wel tweemaal zooveel zijn in de werkelijkheid. Als men aan een der hoofden vraagt, hoeveel lieden in zijn aoul wonen, kan hij het niet zeggen; wel weet hij precies, hoeveel schapen en paarden zijn volkje bezit. Men kan de Kirghizen ook moeilijk rangschikken in verschillende groepen. Hun land is niet eens geheel en al bekend, en er zijn dus stellig stammen, die nooit met vreemdelingen in aanraking zijn geweest.

De berichten der nomaden zelf dienaangaande zijn volstrekt niet te vertrouwen. Tot nu toe verdeelt men de Kirghizen in twee groote groepen, de linker- en de rechtergroep. De eerste, _sol_ genaamd, omvat het bekken van den Naryn, den hoogen Oxus en de Kok-Chaal-daria.

Die groep wordt onderscheiden in 4 stammen: Koutchi, Sorou, Moundouz en Kitaïs. De laatste benaming dragen zij, die chineesch grondgebied bewonen.

De rechter groep, _on_ genaamd, houdt zich op in het bekken van het meer Issik-koul, en de dalen rondom de Khan-Tengri-groep. Zij wordt verdeeld in zeven stammen: Bogon, Sary-Baghichtch, Son-Baghichtch, Soulton, Echerik, Sagaz en Bassindz.

Het russische gouvernement volgt een andere indeeling, op het voorbeeld der aoulbewoners, die hun buren in de andere valleien eenvoudig noemen naar de plaatsen, waar ze gewoonlijk kampeeren. Zoo noemen zij de lieden, die in de omstreken huizen van het Tourghent-dal, Tourghensky, en blijven ook verder aan dien regel getrouw.

Het spreekt van zelf, dat de russische regeering het aantal harer onderdanen in deze streken volstrekt niet kent. De meesten ontsnappen dan ook aan de, overigens niet hooge, belasting van anderhalven roebel per yourte of familie. Die schatting is de eenige band, welke hen aan Rusland bindt; want ze zijn volstrekt niet veranderd sedert de verovering van Turkestan, en nog even vrij en onafhankelijk als voorheen.

De Kirghizen zijn in den regel goed gebouwd en zeer sterk. Ze hebben een dikken neus, een stompen gelaatshoek, uitstekende jukbeenderen, en zwarte, kleine, schuinstaande oogen, evenals de Chineezen. De baardgroei is zeer gering. Hun haar is sluik en zwart; blonde personen ziet men zeer zelden. Dikwijls treft men onder hen zuiver mongoolsche typen aan. De mannen zijn goed geproportionneerd en niet terugstootend.

Het voorkomen der vrouwen heeft weinig aantrekkelijks. De jonge meisjes hebben vrij geregelde gelaatstrekken; maar, al zijn ze niet mager, hare vormen zijn hoekig en schraal. Ze hebben echter mooie zwarte oogen en prachtige tanden. Haar costuum draagt er echter niet toe bij, hare bekoorlijkheid te verhoogen.

De kleederdracht der Kirghizen is uiterst eenvoudig. Over een bont katoenen hemd, met bespottelijk lange mouwen, en een wijde, lange linnen broek, met een gordel om het middel vastgemaakt, dragen zoowel vrouwen als mannen een soort overkleed van cretonne, met wol of watten gevoerd, dat op de borst met houten knoopen wordt gesloten, en om het middel wordt vastgehouden door eene lange sjerp, die van voren geknoopt wordt. De mouwen van dit kleedingstuk reiken niet eens tot aan den elleboog; maar die van het hemd vallen over de hand, en worden telkens door een snelle beweging van den pols weer opgeschoven. Dat gebaar maken de Kirghizen nu al eeuwen lang.

Deze primitieve kleedij wordt binnenshuis gedragen, en ook des zomers, als zij buiten zijn. Hooge, tot de knie reikende laarzen, met hielen van minstens 10 cM. hoog, en een smerig kapje op hun kaalgeschoren kruin voltooien hun costuum. In den winter en op hun reizen trachten de Kirghizen zich tegen de koude te beschermen door hun wijden tschiapann, een grooten, gevoerden overjas, waarin ze geheel verdwijnen. Soms dragen ze, bij strenge koude, twee, drie of meer van die omhulsels over elkaar. Daarbij bedekken ze dan hun hoofd met een ronden, wit vilten hoed met een zwarten rand, van voren neer, van achteren opgeslagen. Dat hoofddeksel is van chineeschen oorsprong, en daar niet ieder zich zulk een hoed kan verschaffen, dragen zij in de plaats daarvan ook wel een muts van ruw vilt, met lamsvel gevoerd.

Dat staat niet leelijk, en past goed bij hun overig costuum. Zulke mutsen kunnen in de bergen over de ooren getrokken worden, en als het regent, wordt de lamsvacht naar buiten gekeerd. De vrouwen gaan precies zoo gekleed als de mannen; alleen in kleinigheden is eenig verschil op te merken. Hare laarzen zijn sierlijker, met zijde geboord, of met randjes van gekleurd leer versierd, en de hielen en teenen zijn met koper beslagen. Haar broeken zijn wijder en langer, en hare tschiapanns zijn vervaardigd van fijnere en bontgekleurde stoffen; soms wel van zijde uit Bokhara of Kasjgar.