De Reis Van Prins Scipio Borghese Naar De Hemelsche Bergen De A
Chapter 4
24 Juli. Wij gaan op verkenning uit naar den Inghiltsjik-gletscher om een plaats te zoeken, waarlangs we de paarden kunnen overbrengen. Als ons dat gelukt, zullen we zoo hoog mogelijk zien te geraken, om ons hoofdkwartier te kunnen betrekken vlak bij den voet van den Khan Tengri. Hij ligt ongetwijfeld aan het eind van dat reusachtige ijsveld, dat de nomaden den "tchiou mouz" (grooten gletscher) noemen. De oppervlakte ervan is zeer oneffen, 't is een aaneenschakeling van meren en stroomen, dalen en heuveltjes, bezaaid met steenen, die, al naar de richting waarin zij zijn afgegleden, en de meerdere of mindere hardheid van den gletscher, liggen opgehoopt in strepen, die in verschillende richting loopen, en afwisselend zijn van kleur. Van boven af gezien gelijkt de gletscher op het schild van een reptiel.
Wij behoeven niet lang te twijfelen aan de volslagen onmogelijkheid om onze paarden hierheen te brengen, wegens het gebrek aan gras en de onbegaanbaarheid van den bodem. Om dien Inghiltsjik-gletscher te kunnen volgen tot aan zijn oorsprong, en op die plek eenige weken te vertoeven, zouden we moeten beschikken over een flinken troep sterke lastdragers, met doelmatig schoeisel, en aan deze eischen voldeden noch de lieden, die wij hadden medegenomen, noch zij, die wij in de naburige dalen hadden aangetroffen. Want de inwoners zijn onvoldoende gekleed, en kunnen bovendien volstrekt geen vrachten op den rug dragen. Wij moesten er dus in berusten, en op een ander punt den Khan Tengri zien te naderen. We wilden het nu beproeven langs den pas Mouj-art, op chineesch grondgebied.
Bij het opbreken waren wij niet weinig verbaasd, toen wij onzen djighite zagen aankomen met een ouden Kirghies, die zich zoo diep voor ons neerboog, alsof hij ons een gunst kwam afsmeeken. Het was niemand minder dan het hoofd, of chirtaï van het Kaënde-dal, die ons zijn diensten kwam aanbieden. Toen wij den vorigen avond op den gletscher rondzwierven, was de djighite plotseling zonder waarschuwing verdwenen en had in 24 uren 150 werst afgelegd, om den man op te zoeken, dien hij nu medebracht. Onze vriend Abbas liet zijn potten en pannen in den steek, om met de grootste deftigheid zijn plichten als tolk en ceremoniemeester te vervullen. Altoos onverstoorbaar kalm, gedroeg hij zich ook bij deze gelegenheid met voorbeeldigen tact, en behandelde onzen gast als een ouden bekende. Hij had het anders op de Kirghizen volstrekt niet begrepen en koesterde de diepste minachting voor hen. Hij ging zelfs zoo ver, hen en hun vrouwen te verklaren voor "vuile honden, die alles zouden eten, tot krengen toe".
Die chirtaï scheen nu ook niet bepaald een voornaam personage. Op een paar beleefde phrases na, die Abbas ons op zijn manier in 't Fransch overbracht, scheen hij zich niet anders te kunnen uitdrukken dan door buigingen en salamaleks, die hij onophoudelijk ten beste gaf, met gesloten oogen en de handen op de borst gedrukt. Toen we pas op weg waren, kwamen ons twee mannen te paard tegemoet rijden, die zich bij onze karavaan voegden. 't Waren onderdanen van onzen autocraat in miniatuur, door hem uitgezonden, om ons hun hulp aan te bieden.
Al was hun hoofd niet precies op de hoogte van de vormen der wellevendheid, hij wist zeer goed, wat de plicht der gastvrijheid gebood. Die twee lieden bewezen ons uitstekende diensten bij het oversteken van de rivier, die op sommige punten bijna 200 meter breed was. Wij bereikten de overzijde aan den ingang van het Attiaïlo-dal, de eenige toegang tot de vallei van Kaënde, die ten Zuiden van het Inghiltsjik-dal is gelegen.
Het gebergte, dat de beide dalen scheidt, is uit een geologisch oogpunt beschouwd, de kern van de Khan Tengri-groep. Het vertoont een eigenaardig karakter, zoowel door zijn uiterlijk voorkomen als door den aard van het rotsgesteente. De hoekige omtrekken en de waaiervormige ligging der granietlagen verraden den plutonischen oorsprong van zijn vorming. Wat ons als een zonderling verschijnsel trof, was het feit, dat de berg plotseling afbreekt, en schuin doorsneden wordt in de richting van het Z.W. naar het N.O. door de bergengte van Attiaïlo. Uit de verte zou men dit niet hebben verwacht; want de bergketen schijnt onafgebroken door te loopen, en zich als een zware versterking aan te sluiten bij de reuzenmassa van den Kizil-Tao. Maar van dichtbij gezien, zooals wij daartoe gelegenheid hadden bij onzen doortocht door het Attiaïlo-dal, bemerkte men, dat dit aanhangsel een geheel verschillenden oorsprong en bouw verraadt. Twee of drie wersten verder splitst zich het dal in tweeën. Links opent zich een geweldige kloof, die den hoogen bergwand volgt, en als 't ware afscheidt. Wij blijven rechts houden. Een paar uur later komt er een regenbui, die ons noodzaakt, stil te houden aan den voet van hooge rotsen, wier toppen met ijs zijn bedekt. Af en toe vallen steenen uit de hoogte rondom ons neer; maar aan zulke kleine bezwaren zijn wij nu reeds gewend, en wij letten er niet eens meer op. Met den rand van onzen hoed over de oogen neergeslagen, den kraag tot over de ooren opgetrokken, en een plaid om de schouders, vertrekken wij uit ons bivouak op een hoogte van 3000 M., en weten nog niet recht waar we heden avond zullen slapen.
Langzaam, terwijl de wind ons den regen in 't gezicht zweept, beklimmen wij de eene helling van losse steenen na de andere, en vervolgen onzen weg, om moraines heen, welker gletschers in ijzige mistwolken zijn gehuld. Op het hoogste punt van den pas klaart de lucht op, en wij zien, dat we langs de oevers van een meer rijden, dat te midden van bloemrijke weiden gelegen is. In onze onverschillige en gedrukte stemming brengt dit liefelijk landschap, door een wazigen nevel gezien, een oogenblikkelijke omkeering teweeg. Onze stompe zwaarmoedigheid maakt plaats voor opgewektheid, en bijna met vreugde begroeten wij dat zonnige groene plekje, dat ons aan een Alpenlandschap doet denken, en als een herinnering is aan ons schoon vaderland. Maar die liefelijke indrukken zijn niet van blijvenden aard. Na deze oase volgt plotseling, zonder overgang, een akelige nauwe kloof, die op een tunnel gelijkt. De lucht betrekt weer, en het begint opnieuw hard te regenen. De rivier is bovenmatig gezwollen. Toch moeten wij den stroom herhaalde malen oversteken en langs den oever rijden, voortdurend bedreigd door de vallende steenen, die met angstwekkende snelheid van de hooge hellingen komen neerstorten. Om ongelukken te voorkomen, moeten we soms gevaarlijk hard rijden op den glibberigen natten oever, waar we bijna niet staande kunnen blijven van de gladheid. Op eens houdt de djighite stil, en wenkt ons, zijn voorbeeld te volgen. Hij roept ons toe, dat we ons vlak bij een vreeselijken afgrond bevinden en dat het onverantwoordelijk onvoorzichtig zou zijn, onzen weg te vervolgen. Wij zien elkaar verschrikt en verwonderd aan. Wat zullen we doen? Waarom heeft hij ons niet eerder gewaarschuwd? Moeten wij dan op deze plek ons kamp opslaan? De bodem, waarop wij staan, is los puin, dat door de rivier wordt medegevoerd, en naast ons bruist het water, dat groote rotsblokken voortstuwt, die, als zij een versperring vormden, ons en ons kamp zouden kunnen doen medesleuren. Maar bij de gedachte, dat ons niet anders overblijft, dan op onze schreden terug te keeren, zinkt ons de moed in de schoenen, en wij schikken ons gelaten in ons lot.
Dien avond wandelden we niet langs de tenten, zooals anders, om een gezellig praatje te houden, en we gebruikten niet kalm het middagmaal op den tchiamkerr, die voor den ingang onzer tent werd uitgespreid. Nadat we ons goed hadden vergewist, dat de tenten stevig waren vastgemaakt, en geen vocht doorlieten, kropen we in onze slaapzakken en wachtten, tot de god van den slaap zich over ons zou ontfermen. Gedurende den nacht werden we onophoudelijk gekweld door afschuwelijke droomen, en telkens sprongen we verschrikt op, in de meening, dat ons laatste uur geslagen was. De regen, die met steeds meer geweld op het dak der tenten kletterde, deed ons denken aan den toestand der rivier, die dus ook steeds bleef wassen, en waarin wij het doffe tegen elkander botsen hoorden van de steenen, die het woest geweld van den stroom losrukte van den oever. Als de paarden, die onrustig buiten heen en weer liepen, langs de tenten streken of struikelden over de gespannen koorden en palen, beving ons soms werkelijk de angst, dat onze schuilplaats geen voldoende beschutting zou blijven verleenen. Tegen den morgen echter klaarde de lucht op, en in den warmen zonneschijn begon onze doorweekte bagage spoedig te drogen. De afgrond, waarvan onze djighite den avond te voren sprak, was een geweldig diepe kloof, die de berghelling doorsneed en ons den weg versperde.
Wij moesten eerst langs den rand dier kloof hoogerop klimmen, en zóó, uiterst voorzichtig, op den vochtigen grond, een omweg maken, eer wij de overzijde der kloof weer hadden bereikt. Bij het afscheid van die bergengte van Attiaïlo bootsten wij onwillekeurig Dante's gebaar van afgrijzen na, bij het verlaten der hel. Op een betrekkelijk veilige plek aangekomen, zagen wij bijna met ontzetting terug naar die duistere kloof, vol sombere schoonheid, waarin de stroom als razend worstelt tegen de nauwe kerkerwanden, die hem omsluiten, om somtijds geheel te verdwijnen in onzichtbare, onderaardsche kolken. De steile wanden der kloof, die wij zijn omgetrokken, vertoonen hun kale rotslagen van mica en kwarts, hier en daar afgebroken, waar verzakkingen hebben plaats gehad en de overblijfselen van verschillende lagen een bontgekleurde mengeling vormen. Aan de andere zijde heeft de harde rotswand meer zijn oorspronkelijken bouw bewaard; het zijn loodrechte muren, trapsgewijs opklimmend, en op den top bekroond door alleenstaande rotsblokken, die den indruk geven van middeleeuwsche burchten, zoo plomp en zwaar. De roestkleur der rotsen, waarover loodrechte blauwachtige strepen loopen, verkleurd door het afloopen van het water, en de vele holten en spleten gaven aan die kalksteenrotsen een schilderachtig vervallen voorkomen.
Na nog een eindweegs te hebben afgelegd, dalen wij af in het Kaënde-dal, waar de chirtaï ons opwachtte, met twee van zijn onderhoorigen. Hij bracht ons een zak met koumiss, dien hij ons zeer welwillend aanbood. Daarop plaatste hij zich aan het hoofd van den stoet, om ons den weg te wijzen door het warnet van kanalen, die tusschen de steenen van den thalweg kronkelen, en bracht ons zoo, na eenige onderdompelingen, op een met gras begroeide hoogte aan de grens van een dennenbosch. Hier verzocht hij ons, of wij ons naar zijn aoul wilden begeven, die, ongeveer een halve dagreis van ons verwijderd, meer stroomopwaarts lag. Maar daar wij zeer verlangend waren, om het doel van onzen zwerftocht te bereiken, bedankten wij voor zijn vriendelijk aanbod en beloofden hem, zoo mogelijk, later aan zijn beleefde uitnoodiging te zullen voldoen. Om den bergwand te kunnen beklimmen, die de vallei van Kaënde aan de zuidzijde afsluit, moeten wij nog ongeveer drie uren door het dal trekken, waarna wij door weelderige grasvelden den Oustchiar-pas bereiken, te ongeveer twee uur des middags. Daar wachten ons twee onbekende Kirghizen, met het gewone huldeblijk, de traditioneele koumiss. Hun aanwezigheid op die plek doet ons niet weinig verbaasd staan. Hoe wisten die menschen dat wij in aantocht waren, terwijl zij aan de tegenovergestelde zijde van het dal wonen? Wij kunnen het raadsel niet oplossen. Begeleid door deze eerewacht, kwamen wij een uur later aan hun aoul, die aan de rivier was gelegen, in een kromming van het dal.
Al de mannen kwamen ons onmiddellijk te gemoet, terwijl de kinderen verschrikt wegliepen, en de vrouwen ons angstig bespiedden door de reten der yourtes. Geen van allen begreep, wat dit bezoek van vreemdelingen in hun land moest beteekenen. Het kostte den djighite en Abbas vrij veel moeite, om hun het doel onzer reis uit te leggen, en hen te overtuigen, dat wij niet het geringste kwaad in den zin hadden.
Den geheelen middag werd ons kamp druk bezocht door het mannelijk element van de kolonie, en al spoedig werden wij met broederlijke hartelijkheid behandeld. De Kirghizen hebben een opmerkelijke eigenschap; als zij eenmaal weten, dat men hun geen kwaad zal doen, worden zij verregaand opdringend en onbescheiden.
De koumiss vloeide in stroomen, en Abbas onthaalde hen, bij wijze van contra-beleefdheid, rijkelijk op thee, die vooraf in een grooten ketel werd klaargemaakt. Des avonds deden wij een wandelingetje langs de tenten, tot schrik van de vrouwen, die zich verscholen toen zij ons zagen aankomen. Maar de mannen, die ons vergezelden, haalden hun echtgenooten voor den dag, en lieten ze op een rij staan, zoodat wij ze bedaard konden opnemen, 't geen zij zich goedschiks lieten welgevallen. Hare kleeding was wel schilderachtig; maar overigens waren zij niet bijzonder aantrekkelijk van uiterlijk, en men moest ze goed aankijken, om ze te onderscheiden van de mannen, zoo lomp en forsch waren zij gebouwd, en zulke ruwe, afstootende gezichten hadden zij. Een der Kirghizen noodigde ons uit, zijn yourte binnen te treden. Twee vrouwen verstopten zich daarbinnen achter een gordijn, dat de man op ons verzoek wegschoof. De eene was bezig, een kleintje van een paar maanden in te bakeren in een lamsvacht. Daarop gaf ze hem een zuigflesch, vervaardigd uit een hollen ossenhoren, met een perkamenten blaas bij wijze van speen. De andere borduurde een muts voor haar man. Ze had de stof over een houten ring gespannen, dien ze tusschen de knieën vasthield, en ze reeg een wollen draad door het weefsel, met een beensplinter, die als naald diende. De teekening was niet symmetrisch; maar de levendige, frissche kleuren waren met smaak gerangschikt, en het borduurwerk maakte een zeer fraaien indruk.
Intusschen kwam het vee naar kooi. 't Was een merkwaardig schouwspel, die menigte kudden, die daar van de bergen kwamen afdalen, en door de herders werden opeengedrongen in de nauwe ruimte, waar men ze gedurende den nacht houdt opgesloten. De geheele aoul was in rep en roer bij de aankomst der kudden. Alle vrouwen kwamen uit de hutten te voorschijn, elk haar eigen vee zoekend, en trachtend, het te roepen en bij elkaar te houden. Er is een lang touw op den grond gespannen, waaraan schapen, geiten, koeien en paarden in afzonderlijke groepen worden bevestigd. De grootere kinderen helpen hun moeders bij dat werk. Maar de mannen voeren niets uit; zij vergenoegen zich met toekijken en, waar zij het noodig achten, de vrouwen duchtig onderhanden te nemen, als zij zich vergissen.
Kleine, dikke kleuters van twee of drie jaar, met bruine gezichten en stevige armpjes en beentjes, zoo leelijk "als Kirghizen", kleine monstertjes van dikte en gezondheid, springen in die drukte rond, rollen tusschen het vee over den grond, en willen het voorbeeld der ouderen volgen.
29 Juli. Daar een onzer paarden kreupel ging, ruilden wij dit, bij ons vertrek uit den aoul van Oustchiar, voor een paar roebels tegen een ander paard van de nomaden. De geheele stam kwam bij dien koop te pas, en wie weet hoe lang het zou hebben geduurd, als wij Abbas niet bevolen hadden, korte metten te maken met al die praatjesmakers.
Om tien uur bereiken wij den Artchiar pas, den bergwand tusschen de dalen van Oustchiar en Artchiar. Van af het hoogste punt heeft men een mooi gezicht op den Oustchiar-top, die achter den aoul oprijst, in een pantser van ijs gehuld, en bedekt met sneeuw. Aan de andere zijde van den pas rijzen vier of vijf bergreeksen op, die elkander in verschillende richtingen kruisen, en wij weten nog volstrekt niet, waarheen de uitgang aan onzen voet ons leiden zal. Wij volgen de nauwe kloof, die na een paar uren ons voert tot een plek, waar de rivier plotseling verdwijnt in een afgrond, waarvan de rotswanden tot elkaar schijnen te naderen, om ons den weg te versperren. Maar een soort van pad slingert door losse steenbrokken langs de helling omhoog, langs een reeks scherpe, vooruitstekende rotspunten. Wij zijn omgeven door een chaos van gevallen rotsblokken, van duizelingwekkende hoogten in onpeilbare diepten neergestort. 't Is alsof we in een nauwe schroef zijn geklemd, en nooit meer een uitweg zullen vinden.
Toch stappen de paarden geduldig voort, wringen zich met katachtige lenigheid rondom de belemmeringen, die ons den weg versperren, stappen over losse steenen heen, wijken uit voor spleten, springen over kloven, treden voorzichtig langs den rand eener klip, en zoo duurt dat voort, nu reeds meer dan twee uren lang. Ons stevig vastklemmend aan onzen zadelknop, laten wij ons maar op goed geluk voortdragen. Onze vaardigheid in het paardrijden is ons hier van geen het minste nut; het zou ons slecht bekomen, als wij onze kennis van de hoogere rijkunst hier in toepassing wilden brengen, want de geringste mispas zou ons met paard en al in de diepte doen storten.
Nu en dan kijken wij eens, op een hoog punt gekomen, of de geheele karavaan nog aanwezig is. Als de laatste verhevenheid is beklommen, dalen wij af langs diepe gleuven, tusschen wallen van kleiaarde, naar beneden in het dal, dat zich hier in twee takken splitst. De plantengroei heeft het vroegere alpenkarakter verloren, en wordt hier in de hoogste mate grillig en wonderlijk. Stekelige, lederachtige grassoorten, met veelkleurige bloemen, groeien op den rossig gelen grond; boschjes van dicht struikgewas, waaruit een walgelijke reuk opstijgt, tamarinde, knoflook, thym en een menigte onbekende planten groeien hier in vreemde kronkelingen en bochten, als verwrongen in stuiptrekkingen van pijn, en ademen een lucht van bederf uit, die u de keel toesnoert. Midden in de rivier staat een eenzame wilg, verwrongen en verminkt door het geweld van den vloed. Die reeks van afgronden en die zonderlinge plantengroei doen u vol verbazing beseffen, dat gij door een geheimzinnig oord trekt, waar elk voorwerp u treft door zijn bizarre afwijking van allen regel.
De eenige weg, waarlangs wij verder kunnen trekken, is het bed van de rivier, slechts weinige meters breed, en waarin het water zich met geweld een weg zoekt te banen tusschen opgestapelde steenblokken en twee hooge rotswanden, die zich aan beide zijden ten hemel verheffen. Die sombere gevangenismuur, waarop zich plekken roodachtig mos vertoonen, die gelijken op bloedvlekken; die gapende wonde in het gebergte boezemt ons schrik en ontzetting in. Maar wij denken aan de lange rust dier rotsen, die al zoovele eeuwen den voorbijtrekkenden reiziger hebben bedreigd, en wij betreden zonder vrees den ingang dier hel, om in het halfduister der kloof door te dringen.
Een eindweegs verder, bij een scherpe bocht, schuimt de rivier met kracht tegen den rotswand omhoog, en snijdt ons den pas af. Wij moeten het water in, en ons al spartelend op het droge redden. Dat gevaarlijke spelletje herhaalt zich nog eenige malen, tot groote ontevredenheid van Zurbriggen, die niets gesteld is op die gedwongen zwemoefeningen. Om de handen vrij te houden, heeft hij zijn onafscheidelijke pijp zelfs in den zak gestoken.
De bergengte van Artchiar mondt uit in het dal van Koékab, waarheen wij thans onze schreden richtten. Wij hielden stil op een landtong, die zich tusschen de beide rivieren uitstrekt. Deze dijk, door aanslibbing ontstaan, gaf ons werkelijk een gevoel van verademing, na de strakke steilheid van die kale berggevaarten. Des avonds ontstaken wij groote vuren, om de wilde dieren te verjagen, die, volgens de Kirghizen, hier zeer talrijk waren.
Ons plan was, om op chineesch grondgebied over te gaan, en den Khan Tengri te naderen door het dal van Mouj-art, den loop volgend van den Koékab-Sou, die ons, zooals wij dachten, naar den Ak-Sou zou voeren. Maar wij beraamden dit plan, zonder juiste kennis te bezitten omtrent het terrein, waarop wij ons wilden begeven. Toen wij het dal van Koékab genaderd waren, zagen wij dadelijk, dat het onmogelijk was, onzen weg in die richting voort te zetten. Een kloof van bijna duizend meter diepte, en op den bodem daarvan een bruisende stroom, die in razende vaart voortjoeg, en waaruit wolken van damp omhoog sloegen, dat was de eenige weg, waarlangs wij op deze wijze ons doel konden bereiken. Er viel niet aan te denken, dit plan was onuitvoerbaar.
Meer stroomopwaarts schijnen de zijden van het dal toegankelijker, en op een niet al te steile plek trachten wij omhoog te klimmen. Als wij echter een tijdlang den voet van den berg hebben gevolgd, en de rivier hebben doorwaad, zien wij ons ongelukkigerwijze genoodzaakt, tegen den stroom op te zwemmen. Het water is hier 3 à 4 meter diep. De paarden worden onmiddellijk machteloos teruggedreven door het geweld van den stroom.
En als daarna de weg dan nog maar vrij was! Maar waar onze blik ook rust, nergens is een uitweg te zien. Wij weten niet recht, wat wij nu moeten beginnen. Zoover te zijn gekomen, om ons thans door de rotsen den weg te zien versperd! Het was wel teleurstellend. Maar wat zouden wij doen? Te voet onzen weg voortzetten ging niet aan. Wij moesten, goed- of kwaadschiks, op onze schreden terugkeeren.
Intusschen kampeerden wij maar op de plek, waar wij nu waren aangekomen, want wij hadden geen moed meer, om weer telkens tegen wil en dank een bad te nemen. Wij sloegen de handen aan 't werk om steenen weg te dragen, terwijl de paarden gingen knabbelen aan de struiken op den oever.
We willen het dal van Koékab echter niet verlaten, zonder het ten minste goed te hebben opgenomen. Den volgenden morgen beklimmen wij den bergrug achter ons. 't Is een lange en moeilijke tocht, waarop wij meerdere kudden zien van schapen met groote horens, die de geleerden ovis argalis noemen. Om vier uur zijn wij ter hoogte van 3850 M. geklommen. Wij zijn nog niet op het hoogste punt; maar het wordt laat, en wij mogen niet vergeten, dat de terugtocht ons nog wacht. Van ons standpunt zien wij slechts de groote lijnen der hoofdketens, die op het dal uitkomen. In 't Oosten en Zuiden rijzen toppen op van 5000 en 6000 M. hoog, bedekt met gletschers en eeuwige sneeuw. Aan het uiterste eind van den Kok-Chaal-Tao onderscheiden wij in een wijde insnijding een nevelige vlakte; waarschijnlijk de woestijn van Taclamakan. De zon begint te dalen. Twee duizend meter beneden ons zien wij duidelijk onze metgezellen en de dieren die zich bewegen bij de tenten van het kamp. De weg erheen schijnt ons als 't ware aangewezen, langs een helling van losse steenen, die eindigt in een nauwen doorgang. Met een paar sprongen zijn wij zoover. Maar nu begint het eerst.
We moeten van het eene rotsblok op het andere springen, over glibberige steenen glijden, met kleine stapjes langs smalle richels loopen, acrobatische toeren verrichten, en ten slotte komt de zwaarlijvige Zurbriggen ons op de schouders tuimelen. Als we eindelijk gelooven, dat nu het ergste toch geleden is, staan we--n.b. aan den ingang der bergkloof van Artchiar. Dat is toch wel heel erg! Wij hebben begrijpelijkerwijze geen lust, om den nacht in die gevangenis door te brengen en er longontsteking op te doen. Wij trachten de zaak zoo gelaten mogelijk onder de oogen te zien, en besluiten, hoe 't ook moge afloopen, in elk geval ons kamp weer te bereiken. Maar het kost moeite. Met ons drieën aan één touw gebonden, met de voeten voorzichtig in 't water plassend en met de handen, of ons houweel op den tast den weg zoekend, komen wij te middernacht in ons kamp aan. Onze schoenen zaten vol kiezel, onze zakken vol water, en wij waren door en door nat. Maar een goed vuur, een bord warme soep, en een verkwikkende nachtrust deden ons spoedig al de onaangenaamheden vergeten, die wij op dien ongelukkigen tocht hadden uitgestaan.
IV.
Op den top van de Oustchiar-spits.--De aoul van Kaënde.--Het gezicht op den Khan-Tengri.--De Kaënde-gletscher.--Ingesneeuwd.--Wij denken over terugkeeren.--In het Irtach-dal.--Bij den Kaltchè.--De kookkunst der Kirghizen.--Einde van onze topographische verrichtingen.--Een Kirghizen-begrafenis.