De Reis Van Prins Scipio Borghese Naar De Hemelsche Bergen De A
Chapter 3
Onze karavaan trekt gestadig verder, langzaam en zwijgend als een begrafenisstoet. De hitte is ondragelijk geworden en het landschap blijft kleurloos en eentonig. Wij steken beken over, klimmen tegen oevers op, trekken hellingen langs, dringen tusschen rotswanden door, om weer naar de bedding eener rivier af te dalen, en zoo gaat dat steeds verder. Nu en dan schrikken wij op door den schreeuw van een marmot.
We loopen in de richting, waar het geluid weerklinkt; Zurbriggen stijgt af, legt zijn geweer aan, en wacht geduldig tot het beestje zich zal vertoonen, een schot valt, en het arme slachtoffer wordt bij de overige zegeteekenen gevoegd, die den zadel van onzen gids sieren. Ik kijk, daar ik niets beters te doen heb, naar onze schapen, die door den Kirghizen-jongen worden voortgedreven. Men wordt verbazend plat en nuchter op zulk een reis. Dikwijls is 't onze eenige troost, te weten, dat er altoos ten minste nog iets te eten valt. Maar op gastronomische genietingen behoeft men zich niet voor te bereiden. De edele kookkunst wordt hier veronachtzaamd. Door dat voortdurende te paard zitten, de snelle stofwisseling en de opwekkende berglucht krijgt men een verslindenden honger, en als 't etensuur aanbreekt, zijn wij maar al te blij, dat we mogen aanvallen op wat Abbas ons voorzet. Als we maar iets te eten krijgen, en vooral genoeg, dan is het goed. De hoeveelheid is het eenige, waarop het aankomt. De arme kleine lammetjes met de zonderlinge geschoren vetbulten op hun achterlijf, hadden haast geen tijd, om een enkel grassprietje af te rukken; de onverbiddelijke herdersjongen liet hun daartoe geen gelegenheid. Ze moesten onophoudelijk op een drafje blijven loopen, om de paarden te kunnen bijhouden. Als ze een beek moesten overzwemmen, hieven ze een hartverscheurend, jammerlijk geblaat aan, want ze hadden verbazend veel tegen op dat water, al konden ze uitstekend zwemmen. Dikwijls echter was de rivier diep en de stroom sterk en dan leek het wel, of allen met elkaar zouden verdrinken; zoo ver werden ze soms medegesleurd. Als ze dan ook 's avonds in ons kamp eindelijk met rust werden gelaten, vielen de arme beesten neer van vermoeidheid, te uitgeput, om het weinigje voedsel te zoeken, waaraan zij behoefte hadden.
De twee ossen zagen er bespottelijk uit, met een houten ring door hun neus, hun hoekige schoften, en hun lading boomstammen, die aan het eene einde op een soort ruw zadel waren bevestigd, en met het andere uiteinde los over den grond sleepten. Als ze tegen een helling opklommen, was het soms een angstig gezicht, en bij het oversteken van een rivier wisten ze zich nu en dan geen raad, en bleven maar midden in het water pal staan, tot wanhoop van hun drijvers, die hen met geen mogelijkheid tot voortgaan konden bewegen. 's Avonds kampeerden wij, bij gebrek aan gunstiger gelegenheid, in de buurt van een moeras. Het water daaruit, waarvan wij dronken bij het middagmaal, bezorgde ons krampen, waardoor we den geheelen nacht wakker lagen.
Al spoedig nadat we ons weer op weg begaven, kwamen wij voorbij de vallei van Berkout, waarvan de pas in het Kizil-Tao-dal uitmondt. De bergrug, die dit dal van de Saridjass-vallei scheidt, is een reusachtige moraine, bedekt met weiden, waartusschen enkele rotsgroepen zijn verspreid, die de treurige eentonigheid van het landschap eenigszins verlevendigen. Iets later zien wij een troep ovispoli, aan de overzijde der rivier, die rustig aan het grazen zijn. Deze dieren zijn zoo groot als kalveren, maar steviger gebouwd, met een dikke, ruigblonde vacht, en hebben een paar groote, spiraalvormig gewonden horens aan weerszijden van den kop. De Kirghizen noemen ze: Kaudja. Deze wilde schapen komen veel voor op de hoogvlakten van het Pamir- en Tien-sjangebergte. Zij worden niet aangetroffen op steile hellingen, want zij zouden met hun wijd uitstaande horens zich daar stooten aan de rotswanden. In den herfst leveren de mannetjes verwoede gevechten. Meestal stoot een van de beide tegenstanders den schedel te pletter, en zijn lijk wordt spoedig de prooi van roofvogels en wilde dieren. Hun horens blijven liggen, en worden soms verzameld door de nomaden, die ze neerleggen op rotsen, welke door hun grillige vormen hunne opmerkzaamheid hebben getrokken.
Op het plateau van Saridjass weiden duizenden kudden paarden, die in de hoogst gelegen dalen zijn verspreid. De streek is daarvoor bijzonder gunstig; de grond is er tamelijk vlak, en al is het gras niet zeer welig, er is toch genoeg om die honderdduizenden dieren te voeden. Het opzicht over al die kudden is aan een betrekkelijk gering aantal bewakers toevertrouwd. Zij hebben dan ook niet veel te doen; niet anders dan de dieren gedurende den dag in het oog te houden en ze 's avonds rondom hun tenten te verzamelen. Maar overigens hebben die arme herders geen aangenaam leven. Zij slapen onder een overhangende rots, of onder een stuk vilt waarvan ze een soort tent maken; zelden in een yourte, en zij gebruiken geen ander voedsel dan koumiss.
Al die paarden zijn het eigendom van Kozakken uit Semiretchie en Dzoungarie. Tweemaal in het jaar komen zij de beste uitzoeken, en brengen een aantal paarden naar de jaarmarkten van Kouldja, Aksou, of Kasjgar, waar zij ze verkoopen, voor 15 à 30 gulden het stuk. De grond, waarover wij loopen, vertoont een menigte rechte, evenwijdige voren, alsof er een ploeg over was gegaan. Dat hebben de paarden gedaan, die evenals kameelen, gaarne naast elkaar loopen, en zoodoende zooveel regelmatige wegen vormen, als de beschikbare ruimte maar toelaat.
De rivier is uit het gezicht verdwenen, en nu schijnt het alsof het geheele dal een groote weide is. Maar dit komt, omdat de rivier hier door een kloof stroomt, met steile hellingen. Later komt zij weer te voorschijn en verspreidt zich in verschillende richtingen. Het plateau is echter nu ten einde, en wij bevinden ons weldra in de hoogere bergstreek. De lucht is scherp geworden, wij voelen de nabijheid der gletschers. En waarlijk, aan onze rechterzijde rijst plotseling de wand van het dal hoog op, en boven de uitgetande toppen verrijzen de gletschers, hoog uitstekend boven de moraines aan hun voet. Tegen den avond zijn wij genaderd tot den ingang van het dal van Kasjkateur, dat zich opent aan de rechterzijde van de Saridjass-vallei, en langs twee passen toegang geeft tot de dalen van Kokdjat en Kapkak, in het stroomgebied van den Ili.
19 Juli. De Khan Tengri, de vorst der Hemelen, zooals de Mongolen hem in hunne schilderachtige taal noemen, is de hoogste top van het Hemelsche gebergte.
Die verheven naam is volstrekt niet misplaatst, als men de ligging van den berg in aanmerking neemt, en laat zich bovendien verklaren door zijn buitengewone hoogte, die volgens sommige reizigers meer dan 7200 Meter bedraagt.
Bijna alle barbaarsche volken, die in aanhoudende aanraking zijn met de woeste natuur, zijn geneigd onbezielde voorwerpen te verheerlijken en beteekenisvolle namen te geven aan al wat door buitengewone eigenschappen treft of hun begrip te boven gaat. Wat Midden-Azië betreft, mag men gerust zeggen, dat al de namen van steden, rivieren, meren en bergen de uitdrukking zijn van een of andere gewaarwording, die hun gezicht bij den bewoner dier streken heeft opgewekt, toen hij ze voor het eerst aanschouwde. Het ware te wenschen, dat de onderzoekers dezen regel zooveel mogelijk trachtten te volgen, en niet door het geven van geleerde namen, buiten eenig verband met de plek die zij heeten aan te duiden, de veel oorspronkelijker benamingen verdrongen, uit de ongekunstelde indrukken der bewoners ontstaan.
De juiste plek, waar de Khan Tengri ligt, is nooit nauwkeurig aangegeven. De aardrijkskundigen hebben hem overal heengezet, behalve op de plek, waar hij zich werkelijk bevindt. Zelfs de enkele reizigers, die hem hebben aanschouwd, stemmen in hun opgaven niet overeen; ongetwijfeld omdat zij hem slechts op een afstand zagen, van uit een der dalen, die zich uitstrekken aan zijn voet.
Terwijl hij zichtbaar is van de vlakte van Tekès, twee honderd wersten verder noordwaarts gelegen, en eveneens van af den weg van Kasjgar naar Koutcha, bedekken hem overal elders de berggevaarten, waartusschen hij zich verheft. Op eenige van de kaarten, die wij onder de oogen kregen, scheen de Khan Tengri een op zich zelf staande bergtop, ten Noorden van het stadje Baï, op den weg naar Ak-Sou. Afgaande op de inlichtingen, die ons in Prjevalsk waren verstrekt, en volgens de aanwijzingen der russische kaart, die wij raadpleegden, moesten wij nu vlak bij den top zijn, daar wij ongeveer twintig werst verwijderd waren van het eindpunt van het Saridjass-dal; dus op de plek zelve, waar de berg heette te liggen. Wij brandden van verlangen om hem van naderbij te beschouwen, en verbeidden reeds vol ongeduld het oogenblik, waarop wij onze opwachting konden maken bij dien geheimzinnigen vorst, die al maandenlang onze gedachten had vervuld.
Wij besloten dus om een der toppen te bestijgen in het dal van Kasjkateur, die hoog genoeg zou zijn, om er een uitgestrekt vergezicht te genieten. Om tien uur kwamen wij aan op den Kasjkateur-pas, den gewonen weg der nomaden, die zich bezighouden met de paardenteelt op het Saridjass-plateau. Uit den pas komt men door het dal van Kokdjart in de dorpen Tald-Boulak, Dgilkarkara en Kheghen.
Ten Zuiden van den pas verhief zich een witte pyramide van ijs, met uitstekende rotspunten. Daarheen richtten wij onze schreden en na twee uren bereikten wij zonder moeite den top, die gevormd werd door een kap van sneeuw, en van waar men een wijd uitzicht had over de vallei van Kapkak. Toen wij onze sneeuwbrillen afzetten, om beter te zien, moesten wij eerst de oogen sluiten voor het verblindende licht. Nog nooit hadden wij ons te midden van zulk een glinsterende witheid, zulk een verblindende tinteling van sneeuw en ijs bevonden. Waar onze blik ook doordrong of rusten bleef, overal ontmoette hij een chaotische mengeling van toppen, koepels, scherpe randen, naalden van ijs en golvende, met sneeuw bedekte bergruggen, die elkaar in alle richtingen schenen te kruisen. Dikwijls heeft men het gezicht van zulke uitgestrekte reeksen sneeuwtoppen vergeleken bij een zee, waarvan de golven als door een tooverslag waren versteend. In de Alpen is deze vergelijking juist, want daar zijn de vormen der bergen werkelijk een vrij getrouwe nabootsing van de golven der zee. Maar hier heerschte zulk een geweldige verwarring, zulk een volkomen gebrek aan regelmaat, dat de vergelijking in geenen deele opging. Eer deed deze bevrozen zee denken aan een oceaan, die door vreeselijke aardschokken tot in zijn diepste diepten wordt beroerd, en waarvan de golven door razende winden ten hemel worden gezweept. De rotsen, die op de hoogste toppen hun grillige vormen afteekenden, vertoonden kleurspelingen als van venetiaansch glas, en zonderlinge schaduw-effecten, die hen als het ware deden ineensmelten met de sneeuwlaag, die hen omgaf.
De hooge top van den Khan Tengri verhief zich boven dien kring van reuzen, die als het ware een legermacht schenen te vormen, welke hem tegen de nadering van oningewijden beschermde. Hij was omtrent veertig wersten verwijderd van de plek, waar wij ons thans bevonden.
Wij begrepen nu zeer goed, dat onze kaart ons gefopt had, en dat wij deze in het vervolg niet meer konden vertrouwen. Wij waren op een verkeerden weg geraakt, en zouden, de vallei van Saridjass volgende, den Khan Tengri nooit hebben bereikt. Wij moesten omkeeren, en hem van een andere zijde pogen te naderen. Wij gaven den top, dien wij thans hadden bestegen, den naam van Kasjkateur-Tao. Deze was 4250 M. hoog. Een uur later waren wij weer in den pas, waar de arme Khirgies, die in den ijzigen wind de wacht hield bij onze paarden, ongeduldig op en neer liep. Toen wij weer naar het kamp terugkeerden, vonden wij op een hoogte van 3000 M. een geweldig hertengewei. Het was rossig verbrand en verbleekt, en zeker reeds zeer lang aan de invloeden van hitte en koude blootgesteld geweest.
20 Juli. Op de Saridjass-Tao volgt het dal van Inghiltsjik, dat waarschijnlijk aan den voet van den Khan-Tengri begint. Maar de bergrug, die de beide dalen scheidt, is zeer hoog en bedekt met eeuwige sneeuw. Voor ervaren bergbestijgers was dit geen bezwaar, en met een gids als Zurbriggen lossen zich alle moeilijkheden als vanzelve op.
Maar wij waren niet alleen, en moesten ook al de bagage vervoeren; want aan de andere zijde zonden wij niets vinden, dat ons tot voedsel of beschutting kon dienen. Onze paarden hadden geen last van duizeligheid, en hun vaardigheid in het klimmen deed ons verwachten, dat zij zich ook in moeilijke omstandigheden wel erdoor zouden weten te slaan; maar wij moesten een overgang zoeken, en dit was niet gemakkelijk, ten eerste door onze onbekendheid met het terrein, en ten tweede, wijl wij uit ongeduld weinig geneigd waren tot voorzichtig wikken en wegen van elken stap. De djighite verzekerde echter, dat hij er misschien nog wel iets op zou vinden, als hij nauwkeurig de bewakers der kudden paarden ondervroeg.
Van de plek waar wij thans waren, zouden wij ons doel niet bereiken. Wij moesten eerst een pas zien te vinden, die geen al te groote moeilijkheden voor de paarden opleverde.
Intusschen lag, toen wij wakker werden, de sneeuw twintig centimeter dik op onze tenten; wij gingen dus eerst laat op weg. De overtocht over de Saridjass-Sou was nog al gevaarlijk; maar wij kwamen toch, ondanks eenige onderdompelingen, behouden aan den anderen oever. Daar ontdekten wij, tot onzen schrik, dat de grond niet vlak was, zooals wij hadden verwacht; maar heuvelachtig, vol plassen, en doorsneden door beken, die in spleten en gleuven van den bodem verdwenen. De grond was moraine-achtig, dus zeer poreus, en de streek verbazend eentonig. Men zou er zeer licht hebben kunnen verdwalen en wij verloren elkander dan ook nooit uit het gezicht, maar bleven allen vlak achter elkander rijden.
Des avonds kampeerden wij in het dal Adeurteur, waar een der gletschers naar Mouchktoff is genoemd, een russisch officier, die het eerst het plateau van Saridjass ontdekte. Den volgenden morgen wachtte ons dezelfde verrassing als den dag te voren. Weer lag de sneeuw dik op onze tenten. Al heel vroeg deed een oorverdoovend gehinnik en hoefgetrappel ons opschrikken. 't Was een stortvloed van paarden, die door een hevigen sneeuwstorm van de hoogere toppen naar beneden werden gedreven.
Tegen den middag zetten wij onzen weg voort; altijd langs dezelfde helling, die nu steiler wordt en meer en meer bergachtig. Wij zien verschillende waterplassen, waar troepen wilde eenden nestelen. Piotra, onze jonge russische kolonist, wil er eenige vangen; hij trekt zijn kleeren uit, gaat onder water, en grijpt de dieren bij de pooten, als zij, zonder zijn tegenwoordigheid te bespeuren, rustig voorbijzwemmen. Intusschen heeft de djighite inlichtingen ingewonnen bij de herders, en hij heeft vernomen, dat er een weg bestaat, waarlangs wij den berg kunnen bereiken. 't Is de pas van Tuz. Wij verhaasten onze schreden, en komen tegen den avond aan den ingang van het dal van dien naam.
III.
In den pas van Tuz.--Ontmoeting met antilopen.--Het dal van Inghiltsjik.--De tchiou-mouz.--Nog een Kirghizenhoofdman.--De bergengte van Attiaïlo.--De aoul van Oustchiar.--De rotsen versperren ons den uitgang.
De pas van Tuz is een der meest gewichtige punten van onzen tocht door het Hemelsche gebergte; maar het dal, dat aan dien pas voorafgaat, konden wij uit de vallei van den Saridjass-sou niet dadelijk bereiken, het bleef verborgen achter een moraine die, als een soort van dijk, de beide rivieren scheidt, welke een tijdlang bijna evenwijdig aan elkaar loopen, eer ze zich vereenigen.
Toen we den 22sten ons kamp opbraken, werden we geplaagd door zwermen muskieten, die het ons bijzonder lastig maakten. Al sloegen wij nog zoo driftig met onze karwatsen om ons heen, om ze van ons af te houden, zij weten onze gevoelige plekjes wel te vinden, en steken alleronaangenaamst.
Tegen tien uur zien we een groep van drie arkars, een antilopensoort, die op gemzen gelijkt, rustig aan 't grazen tegen een begroeide helling. Zij schijnen volstrekt niet verbaasd over onze verschijning, en in plaats van bij onze nadering op de vlucht te gaan, blijven zij kalm voortgrazen, en lichten af en toe den kop op, om ons aan te kijken. Ze zijn zoo groot als kleine gemzen, met kort, geelbruin haar, dat bijna niet afsteekt bij de kleur van den bodem, en kleine rechte horens, een weinig schuin naar buiten staande. 't Is de antilope argalis, die veel voorkomt in het gebergte van Tiensjan.
Het dal van Tuz splitst zich in drie afdeelingen, waarvan wij diegene kiezen, die het meest naar rechts is gelegen; de beide overige zijn onbegaanbaar. Langs iets, dat in de verte op een pad gelijkt, komen wij al spoedig aan de eerste hellingen van losse steenbrokken, aan den voet van een geweldigen bergmuur vol diepe rotskloven. Wel zien we van hier een soort van weg, die langs den steilen bergwand omhoog slingert en die, waar de voorbijtrekkende karavanen de steenen hebben verplaatst en verschoven, witachtig afsteekt bij den roestkleurigen bodem. Maar een pad is dit eigenlijk slechts in naam; want wij komen met de grootste moeite voorwaarts; de steenen glijden ons onophoudelijk onder de voeten weg. Zurbriggen, die een eindweegs vooruit is, staat ons als een ruiterstandbeeld op de hoogte af te wachten.
Als we hem genaderd zijn, schudt hij bedenkelijk het hoofd met den rossen baard, en kauwt op de uitgegane pijp in zijn mondhoek. Dat voorspelt niet veel goeds.
"Hoe komen we daarlangs?" vraagt hij, terwijl hij rondziet naar het amphitheater van rotsen en ijs, dat zich op een afstand van een paar honderd meters voor ons uitstrekt. Wij roepen den djighite. Deze wijst op een donkere streep, die midden over den gletscher loopt. "Vot doroga", (dat is de weg) zegt hij tegen ons in 't russisch. "Djol djâman" (heel slecht) voegt hij er in zijn eigen dialect bij. Dicht bij ons vangt een klein meer het water der drie gletschers op, die, hoewel niet bijzonder hoog, bijna geheel kaal zijn, en bedenkelijk steil. Maar onze jager is, met twee paarden aan den teugel, reeds begonnen de moraine vóór ons te beklimmen. Wij volgen hem, zonder eigenlijk goed te bedenken wat we beginnen. Met een moed, dien men haast doldriftig zou kunnen noemen, sleepen wij de dieren naar den top van de rotsen, waar ze bijna geen ruimte hebben om te staan, en de grond glibberig is van het gletscherwater.
Zurbriggen waagt zich, zijn paard bij den teugel houdend, onversaagd op de ijshelling. Eerst klimt hij in een rechte lijn omhoog; maar een steilte, die voor hem oprijst, noodzaakt hem, schuins rechts te houden. Wij volgen zijn voorbeeld, steeds zoekend naar spleten en kanten, om onzen voet neer te zetten, en ruwe plekken, waar we even staande kunnen blijven. We hebben geen houweel bij ons, en moeten ons dus met de handen vastklemmen, om niet te vallen. Maar op de plek aangekomen, waar wij in de schuinte moeten gaan klimmen, beginnen wij in te zien, dat het nu toch te gevaarlijk wordt. De paarden zouden hier allicht door de zwaarte van hun last omvergetrokken worden, en neerstorten op de puntige rotsen daar beneden. Zurbriggen, die op wonderbaarlijke wijze een veilig punt heeft weten te bereiken, roept ons uit alle macht toe, dat we niet verder mogen gaan; zijn eigen paard was bijna uitgegleden, en beeft nog van angst. Op eens tuimelt een der vrachtpaarden als een steen naar beneden, waar de andere helft van onze karavaan nog staat te wachten. Abbas geeft een kreet van pijn; hij is door een trap van het gevallen paard aan zijn been gekwetst.
Het zou al te dwaas zijn, onder deze omstandigheden ons plan te willen doorzetten. Wij besloten dus, te kampeeren bij het meer en gedurende het verdere verloop van den dag een beteren weg te zoeken. Wij lieten nu onze paarden alleen staan, en volgden onzen gids naar den top van den pas, dien wij vrij spoedig bereikten. Wij waren hier op een hoogte van 3450 M. Aan onze voeten strekte zich het Inghiltsjik-dal uit, over een lengte van honderd werst, ten Zuiden begrensd door een duizelingwekkenden bergwand, meer dan 6000 M. hoog. Maar wij hadden haast, en het kwam er thans meer op aan, een veiligen overgang te vinden, dan te genieten van dat prachtig schouwspel. Rechts van den pas daalde een gletscher af, waarvan de helling volstrekt niet steil was, en langs dien weg besloten wij verder te trekken.
Toen wij in het kamp terug kwamen, vonden wij daar twee zieken, Abbas en Piotra. De laatste rolde over den grond, met hevige krampen in den buik, en Abbas klaagde over zijn been.
Wij wreven hen in met een antiseptisch middel en gaven den jongen Rus iets verzachtends. Het blinde vertrouwen van die eenvoudige lieden op onze macht en onze kennis hielpen haast evenveel als de geneesmiddelen zelf. Later kregen wij nog gelegenheid, bij de Kirghizen voor dokter te spelen. Hoewel deze zeer gehard zijn, speelt bij hun ongesteldheden de verbeelding een groote rol. Een kleinigheid is dan ook voldoende om hen te genezen, en zij stellen dus in de wetenschap der beschaafde lieden onbegrensd vertrouwen.
Den volgenden morgen kwamen wij na drie uren aan den tweeden pas van Tuz. Er zijn werkelijk twee passen van dien naam, die beide door de nomaden worden overgetrokken, al naar gelang van hun meerdere of mindere begaanbaarheid. Wij hadden dus het voorbeeld der Kirghizen gevolgd. Om van het hoogste punt van den pas weer af te dalen in de vallei, doet men als 't ware een sprong van 2000 meter in de diepte. Er is geen gebaande weg, en men kan zich maar niet op goed geluk naar beneden laten glijden. Den weg moet men zelf maar zoeken. Toen ik de streek, waar gras groeide, weer had bereikt, waren de vier pooten van mijn paard bloedig gewond, en het arme dier scheen alles behalve behagen te scheppen in die halsbrekende klimpartij.
Tegen drie uur hadden wij den voet van den berg bereikt. Het landschap bleef steeds eentonig; hoewel het thans werd verlevendigd door struikgewas, dat aan den oever der rivier groeide. Enkele cruciferen met saffraankleurige bloemen, distels, en gele anemomen bloeien tusschen de struiken in den schralen bodem. Hier en daar ontspringt onverwacht een beek uit het dorre rotsgesteente, en besproeit kleine grasvelden, die ons werkelijk als een oasis voorkomen in deze steenwoestenij. Op een kleine verhooging langs den oever zien wij iets, dat onze aandacht trekt.
Het is een Kirghizengraf, gebouwd uit gekruiste boomstammen, waarop een pyramide van steenen is opgericht. Kort daarop komen wij aan een aoul, die door de nomaden is verlaten. Hier hebben zij verblijf gehouden in het koude jaargetijde, want deze zijde van den berg, dien wij nu juist zijn overgeklommen, schijnt dan aan de zonnestralen te zijn blootgesteld, zoodat de sneeuw er spoedig smelt en de bodem met gras bedekt is. Rondom een groot granietblok ziet men duidelijk de kringen, die de keregas hebben achtergelaten; dat zijn de houten afsluitingen, die als 't ware het geraamte der yourtes vormen. In het midden liggen nog de drie zwart geschroeide steenen, die als haard hebben gediend. Het gras groeit hoog en dicht, waar het vee den grond bemest heeft. Maar wij willen toch liever niet kampeeren op deze plek, en achten het beter, beschutting te zoeken achter een verhevenheid van den bodem, om den killen luchtstroom te ontwijken, die ons tegenwaait van den gletscher, uit welks tallooze spleten en gleuven stroomen modderig water neerstorten. Vlak tegenover ons begroet ons de geweldige, in wolken gehulde Kizil-Tao met donderende sneeuwlawinen, die ons echter volstrekt geen angst aanjagen, daar zij ons hier niet kunnen bereiken. Niet ver van ons blinkt een kleine waterval tusschen struikgewas.
De Kirghizen verzamelen hier dikwijls hun kudden, daar de plek als 't ware een natuurlijke besloten ruimte vormt.