De Reis Van Prins Scipio Borghese Naar De Hemelsche Bergen De A
Chapter 2
De kooplieden echter tot wie wij ons richtten, vroegen ons, daar wij vreemdelingen waren, het dubbele van dien prijs. Wij verijdelden hun snoode plannen door een krijgslist, en lieten overal rondstrooien, dat wij ergens anders moeite wilden doen. Om dit gerucht schijnbaar te bevestigen, brachten wij zelfs onze voertuigen in gereedheid. Dat hielp. Van toen af hadden wij de keus uit al de paarden in de stad en de omstreken, die ons beurt voor beurt op de binnenplaats werden vertoond. Wij kozen er twaalf uit, zes om te berijden, en zes voor het dragen van de bagage. Men kan zich moeilijk voorstellen, hoe lastig het is, om de toebereidselen voor zulk een kleine karavaan tot stand te brengen, in een land, waar men zich slechts met behulp van derden verstaanbaar kan maken. Gelukkig dat Abbas zijn uiterste best deed, en ons trouw en eerlijk ter zijde stond, terwijl de heer Kross ons terechthielp in de winkels.
De bazar van Prjevalsk wordt veel bezocht door Kirghizen en door de karavanen, die een druk verkeer onderhouden tusschen Viernyi en Kasjgar, langs de passen van den Djoukoua en den Bebel. Behalve als handelsplaats, is het plaatsje van weinig beteekenis. De omstreken zijn vruchtbaar, rijk aan wei- en bouwland, en er groeien veel vruchtboomen, maar in deze voortbrengselen wordt geen handel gedreven. Uitgevoerd wordt alleen opium, wol en bontwerk. Door den transaziatischen spoorweg zal het dal van Issik-Koul veel winnen; want de alluviale grond is bijzonder vruchtbaar; water is er in overvloed; de dalen wemelen van wild, en in de mijnen liggen schatten verborgen. Daarenboven is de streek zeer gezond; bekoorlijk boven alle beschrijving, en zij kan roemen op een gematigd klimaat. Eer wij de stad verlieten, gingen wij nog bloemen brengen op het graf van den grooten onderzoeker Prjevalsky, voor wien op de plek, waar hij gestorven is, een eenvoudig gedenkteeken is opgericht. Het staat dicht bij het meer, op den top van een klip; eenzaam, aan den rand der steppe. Geen betere plek had kunnen worden gekozen als rustplaats van hem, die de helft van zijn leven wijdde aan zwerftochten in de eenzame streken van Midden-Azië. Een rotspyramide draagt een arend, met uitgespreide vleugels, die in zijn klauwen een russisch kruis vasthoudt en een gebroken ketting, om door dit zinnebeeld aan te toonen, hoe de russische beschaving het blinde fatalisme heeft vernietigd, dat deze onbeschaafde volken in de ketenen der barbaarschheid hield gekluisterd. Ter halver hoogte van het voetstuk prijkt een medaillon, met het borstbeeld van den beroemden geleerde, en een opschrift, dat zijn daden vermeldt. Het graf is door bloemperken omringd, die zorgvuldig worden onderhouden.
Den 11den Juli, om 2 uur 's namiddags, vertrekken wij uit Prjevalsk.
Onze karavaan bestaat uit zeven man en dertien paarden. De Kirghizenhoofdman had ons beloofd, een zijner onderhoorigen te laten meegaan, om ons in de bergen den weg te wijzen; maar er verscheen niemand. Later hoorden wij dat de oude heer nooit werkelijk aan het hoofd van eenen stam had gestaan; maar dat hij bij de Nomaden als een wonder van wijsheid, een tweeden Salomo, bekend stond, die de moeilijkste vragen wist op te lossen. De Kirghizen komen hem dan ook dikwijls raadplegen en leggen gaarne honderden wersten af, om zijn hulp in te roepen.
Ons personeel bestaat uit Abbas, een djighite, een jongen russischen kolonist, Piotra, en een jager, lid van een nomadenstam. Dat zeer uiteenloopend viertal heeft veel moeite om het met elkander te vinden. Abbas is oorspronkelijk een echte Iraniër uit Farsistan, wiens kleedij op zonderlinge wijze herinnert aan de verschillende streken, waar hij heeft verblijf gehouden. Hij is tenger van gestalte, en niet groot, met een gewoon gezicht, een ruigen baard en pikzwart haar, dat in lange krullen over zijn jaskraag golft. Want hij draagt een europeesch kostuum (jasje, broek en vest, met gele bottines), waarover en waaronder hij allerlei losgeplooide perzische omhulsels heeft aangetrokken, die door een gordel met fantasiegesp worden vastgehouden. Aan zijn zijde hangt zijn onafscheidelijke yatagan, en op het hoofd draagt hij een deftige muts van schapevel. Uit de verte ziet hij er krijgshaftig uit, en doet aan een struikroover denken. Het is een beste man, door en door eerlijk, en die door zijn talrijke gaven en voorbeeldigen ijver het ver kan brengen; want hij kan van alles worden, drogman, kok, aanvoerder eener karavaan, en wie weet wat nog meer. De djighite is een soort politieagent in dienst van de russische regeering. Hoewel hij evengoed een Kirghies is als de nomaden, waarover hij gezag heeft, vindt hij zich veel voornamer dan zij, en behandelt hen als uitvaagsel. Het spreekt van zelf, dat bij het innen der belastingen een groot gedeelte in zijn zak verdwijnt, daar de ambtenaar zelf niet al te best op de hoogte is van de statistiek zijner belastingschuldigen. Onze agent had een stuk bij zich, opgesteld in de russische taal en in die der Kirghizen, voorzien van het zegel van den gouverneur, waarin stond, dat hij ons als vrienden moest beschouwen, en ons alles verschaffen wat wij noodig hadden. Dat stuk was als 't ware een talisman, die onze onschendbaarheid waarborgde. Daar wij onder de bescherming van Rusland stonden, zouden de nomaden zich wel wachten, ons ook maar het geringste in den weg te leggen; want de minste tekortkoming tegenover ons zou hun duur te staan zijn gekomen. De djighite draagt als teeken zijner waardigheid een ijzeren plaatje op zijn tschiapann, en is gewapend met een sabel en een revolver. Onze vriend ziet er zeer schrander uit, en behandelt ons uiterst beleefd, al wordt hij niet door ons betaald. Hij krijgt echter een geschenk, als hij zijn plichten trouw nakomt.
Piotra en de jager zijn minder gewichtige personages. De eerste is de zoon van een Kozak, die te Prjevalsk woont; hij fungeert als onze huisknecht. De jager, Kirghies van top tot teen, is de beste leidsman voor een karavaan, dien men kan wenschen; hij past goed op de paarden en zorgt, dat wij geen ongelukken krijgen; maar als we aan een pleisterplaats zijn gekomen, valt hij als een blok in slaap, en wordt vooreerst niet weer wakker.
Na Prjevalsk volgen wij den weg, die door den Santachpas langs de bergketens van Ala-Taou en Koungheï-Ala-Taou voert, en te Viernyi uitkomt. De weg loopt door een vruchtbare, maar weinig bebouwde streek, aan den voet van het Ala-Taou gebergte.
Na een tiental wersten te hebben afgelegd, komen wij in Aksouïskyie, een havelooze Kozakkenkolonie. De geheele bevolking komt naar ons kijken; de mannen, met zware laarzen en roode hemden, die over hun broek hangen, groeten eerbiedig. De forschgebouwde vrouwen, in felgekleurde lompen gehuld, staan met de handen in de zijden in de deur.
Tegen zeven uur houden wij stil aan den zoom van een beek, om te kampeeren. Iets verder staan een twintigtal hutten achter een wilgenrij, dit is Djarghess, een andere Kozakkenkolonie. Onze komst lokt eenige nieuwsgierigen, Kozakken uit het naburig dorp, die op hun gemak bij ons komen zitten. Eene vrouw is zelfs zoo vriendelijk, ons een pot met melk aan te bieden. Wij geven haar stukken suiker, waarvan zij veel schijnt te houden.
Terwijl ons middagmaal wordt bereid, wandelen wij rondom de tenten, en bewonderen den prachtigen zonsondergang.
Stroomafwaarts zien wij het riviertje Djargalan door de blauwe vlakte kronkelen, waarin eenige alleenstaande boomen zich donker afteekenen tegen de gouden avondlucht. Langs de bochten der rivier liggen de yourtes of tenten der nomaden verspreid, in zalige rust, en uit hun koepelvormige daken stijgt stil de rook naar boven. Links, tweehonderd werst van ons verwijderd, steken de Alexander-bergen, zacht lila getint, hun besneeuwde kruinen omhoog. Rechts springt de Ala-Taouketen naar voren, donkerder van kleur, en hier en daar schel verlicht door de ondergaande zon. Het meer ligt verborgen in den dichten nevelsluier, die in de avondkoelte daaruit opstijgt.
Maar Piotra, de Rus, heeft ons middagmaal gereed gemaakt, op een vilten tapijt voor de tent van den prins. Wij gaan in opgewekte stemming zitten of liever liggen, op onzen elleboog steunend, rondom de servet, waarop ons eenvoudig en sober maal gereed staat. Gebraden kip staat ook op het menu; maar deze is helaas onwrikbaar taai. Om 10 uur kruipen wij in onze slaapzakken, 't Is de eerste nacht, dat wij buiten kampeeren. Ons lichaam heeft al vrij wat uitgestaan, onze huid is langzaam aan haast ongevoelig geworden in de tarantass; maar toch hindert het ons als we nu en dan in onzachte aanraking komen met kleine steentjes. Het duurt echter niet lang, of de vermoeidheid doet ons in Morpheus' armen vergetelheid vinden.
II.
Het dal van Tomghent.--Een aoul der Kirghizen.--Wij trekken over den Tomghent-pas.--Bergpaarden.--Een verlaten vallei.--De Kizil-Tao.--De Saridjass.--Kudden paarden.--Het dal van Kasj-Kateur.--Gezicht op den Khan Tengri.
Den 12den Juli zijn wij al om 5 uur op de been; maar wij moeten ontbijten, de paarden losmaken en de bagage verdeelen en opladen, zoodat het reeds zeven uur is geworden, als wij opbreken. Intusschen zijn ons verschillende karavanen voorbijgetrokken; Kirghizen, die naar de Alexanderbergen tijgen, om nieuwe weiden te zoeken. Die lange rijen mannen, vrouwen en kinderen, op paarden, kameelen en ossen gezeten, die duizenden schapen, voortgestuwd als een levende golf, die honderdtallen van paarden, met hun bonte dekkleeden, die troepen aan elkaar gebonden kameelen, in eentonige rijen voortschrijdend onder lasten van allerlei aard;--het aanhoudende geklikklak der hoeven op de steenen van den weg, waartusschendoor het gehinnik weerklinkt der veulens, die hun moeders zoeken, het geblaat der lammeren; de doordringende kreten der kameelen, het fluiten en roepen der herders.... al die gezichten en geluiden smelten samen tot één geheel, een wonderlijk treffend schouwspel, dat een onuitwischbare herinnering achterlaat.
Kort na Djarghess loopt de weg langs een rotsachtige verhevenheid van den bodem en begint langzaam te stijgen langs de linkerhelling van het Djargalan-dal. Meer stroomafwaarts zien wij een geheele stad van yourtes, aan de rivier gelegen, waaruit tallooze kudden wegtrekken, terwijl wij de lieden, die zich om de tenten bewegen, als kleine poppetjes kunnen onderscheiden. Onze weg voert nu naar den ingang van het Tomghent-dal, waarvan de zijden met dichte dennenbosschen zijn bedekt. Wij volgen den linkeroever van den stroom, zeer belemmerd door de stammen en takken, die ons den weg versperren. Toch wordt de weg geregeld begaan door de Kirghizen aan de andere zijde van den berg; maar niemand denkt eraan, die lastige hindernissen uit den weg te ruimen. Wij bewonderen de handigheid, waarmede onze paarden de gevaarlijke plekken weten te vermijden, en mogen hun daarvoor wel dankbaar zijn; want de geringste onvoorzichtigheid of mispas zou voldoende zijn om ons in de rivier te doen storten, die schuimend in de diepte bruist. Langs een primitieve brug van boomstammen, dwars over twee balken geworpen, bereiken wij den anderen oever. Nu volgt de eene steile helling na de andere, en ons pad is bezaaid met losse steenen, die kletterend onder de hoeven der paarden wegglijden. Op een zeker punt schijnen neergestorte rotsblokken ons den weg te zullen versperren; maar als geitjes zoo vlug en behendig, springen de verstandige dieren van den eenen steen op den anderen, en zetten voorzichtig de hoeven in gleuf of spleet, zonder daarbij ooit hun pooten te bezeeren. Het woud wordt thans minder dicht; de vallei opent zich, en in een wijden boog zien wij de groene weiden afdalen naar de rivier. Wij volgen den stroom, en komen aan een Kirghizen-aoul, bestaande uit eenige hutten, langs de rivier verspreid. Al de bewoners komen naar buiten en zien ons angstig aan, blijkbaar doodelijk verschrikt door onze onverwachte verschijning. Het geweer, dat Zurbriggen over den schouder draagt gegespt, schijnt hun alles behalve geruststellend.
Een der mannen, die den djighite herkent, komt vragen, wat wij hier komen doen. Wij houden tegenover hen stil in een glooiing tusschen de heuvels. Terwijl wij onze tenten opslaan, brengen zij ons room, melk en borsaks (beschuiten van gerstenmeel in schapenvet gebakken). In ruil daarvoor geven wij de vrouwen ringen en kammen van aluminium, waarmede ze blijkbaar verrukt zijn. Een jong meisje is erbij, met roode wangen en geregelde trekken. Ze draagt een muts van vossenvel, waaronder een menigte gitzwarte haarvlechtjes uithangen, en onder haar half openhangende tschiapann teekent zich een kloeke, forschgebouwde gestalte af. Onder het heengaan voelt zij zich gedrongen, hare innige blijdschap over het onverwachte geschenk te uiten, door haar kleine broertje zoo hard met de vuist te stompen, dat hij telkens weer in 't gras rolt. Het is maar onschuldige plagerij.
13 Juli. Hoogerop splitst zich het dal. Wij houden links, in westelijke richting. Twee ruiters komen van de hoogte afdalen, en gaan ons tegemoet. Zij wenden zich tot den djighite, die hun zijn gezegeld papier laat zien. Daar zij het niet kunnen ontcijferen, roepen zij een jongen man, die de eenige geletterde van den stam blijkt. Als zij hooren wie wij zijn, gaan zij den boloch, of het hoofd van den stam, van onze komst verwittigen. Bij de eerste hut aangekomen, worden wij omringd door een menigte lieden in lange gewaden, met mutsen van schapenvacht op het hoofd. Vooraan staan de oudsten van den stam, met den boloch, die ons welkom heet in een onbegrijpelijk taaltje, terwijl hij gedurig diepe buigingen maakt, met zijn handen op zijn buik over elkaar geslagen.
Er wordt een tapijt op het gras gelegd, en hij noodigt ons uit om plaats te nemen. Terwijl wij afstappen, houden eenige mannen de teugels van onze paarden vast. Allen gaan in wijde kringen om ons heen zitten; er wordt een zak met koumiss gebracht, en porseleinen kommen. Dit zijn voorwerpen van weelde voor de inboorlingen; ze komen alleen bij feestelijke gelegenheden voor den dag, en worden bewaard in gevoerde doozen, die tchiennegat genoemd worden.
De geheele karavaan doet den koumiss van den boloch eer aan, behalve Zurbriggen en ik. Gehoor gevend aan de herhaalde en vriendelijke uitnoodiging van onzen gastheer, waag ik het, de kom aan mijn lippen te brengen; maar de inhoud verspreidt zulk een ondragelijken stank, dat ik het hoofd moet omdraaien om niet onpasselijk te worden. Men zegt dat de koumiss een mousseerende drank is, zeer verfrisschend en aangenaam van smaak.
Dat mag waar zijn; maar hij wordt toebereid in leeren zakken, die een paar duim dik onder het vuil zitten, en in de melk zelve drijven allerlei bestanddeelen, die ver van smakelijk zijn. Wat het meeste de belangstelling dezer nomaden gaande maakte, waren onze met spijkers beslagen zolen en de karabijn van Zurbriggen. Deze ging van hand tot hand, terwijl onze laarzen bevoeld werden, en zij het zelfs de moeite waard vonden, de spijkers in onze zolen stuk voor stuk te tellen.
Daar het wat laat wordt, vinden wij het geraden, onze reis nu maar voort te zetten. Eenige ruiters bieden aan, ons te vergezellen tot aan den Tomghet-pas. Wij komen nog verschillende yourtes voorbij, waar vrouwen bezig zijn schapenvellen te looien, en repen stof ineen te vlechten. De vellen worden over in den grond gestoken paaltjes gespannen, en bedekt met een mengsel van gestremde melk en kleiaarde, dat om den anderen dag vernieuwd moet worden; daarna kan men ze met een mes afschrapen. Kudden schapen, geiten en kameelen zijn aan beide zijden van het dal verspreid, tot aan de grens waar de sneeuw begint.
De weg wordt nu zeer steil, en de laag van losse steenen en rotsbrokken steeds dieper. Om twaalf uur 's middags hebben we den voet van den pas bereikt. Een kale gletscher, zonder sneeuw, waarover in de schuinte een donkere streep loopt, strekt zich voor ons uit. In gewone omstandigheden d.w.z. als er veel sneeuw ligt, volgt men die donkere lijn, het spoor der voorbijgetrokken karavanen. Maar deze weg is thans onbegaanbaar. De paarden zouden op het gladde ijs niet staande kunnen blijven, en wij zouden onvermijdelijk in de diepte storten. Wij zullen dus maar rechtuit den gletscher beklimmen en niet in een schuine richting.
De afstand tot den top is zoodoende korter, en de paarden zullen hier meer houvast hebben voor hun voet. Terwijl de bagage wordt afgeladen, gaat Zurbriggen treden hakken in het ijs, en ik volg hem op den voet, met mijn paard bij den teugel. Na een vijftig meter te zijn gestegen, bemerk ik dat het dier niet zijn hoeven in de holten zet, maar bij voorkeur iets op zij blijft stappen, waar een laagje vrij hard geworden sneeuw ligt. Zeer ingenomen met mijn schrander ros, dat een geboren bergbeklimmer schijnt, laat ik hem zijn gang gaan, en bereik zonder ongeval den top. Op die wijze kregen wij al onze beesten naar boven. En daarop volgde de bagage. De Kirghizen bewezen ons, ondanks hun onvoldoend schoeisel, uitstekende diensten. Toen alles klaar was, en wij onzen inwendigen mensch een weinig wilden versterken, brak een hagelbui los, die ons in een oogwenk doornat maakte. Wij moesten onze maag hare eischen voorloopig ontzeggen en zoo spoedig mogelijk die hooggelegen plek (3545 M.) verlaten, te meer daar de ijskoude wind gevaarlijk dreigde te worden. Wij daalden langzaam aan de andere zijde naar beneden, en bereikten na eenige buitelingen den weg naar het Kizil-Taodal.
We kampeerden tegen de helling, en de paarden deden zich heerlijk te goed aan het dichte, hooge gras. Er was echter op die bekoorlijke plek geen brandstof te vinden. Waar wij onze blikken ook lieten weiden, geen spoor van struik of boom. De vallei scheen onbewoond, en dus waren wij niet alleen verstoken van brandhout, maar ook van vleesch en melk.
Daar hadden we niet op gerekend, en onze djighite, die toch op de hoogte had moeten zijn van den toestand, had ons niet gewaarschuwd. We liepen met onzen ruimen voorraad proviand nog wel geen gevaar te verhongeren; maar wij wilden dien liever bewaren voor het hooggebergte. Daar wij echter nog in de buurt waren van een Kirghizenstam, en ook het bosch niet ver achter ons lag, besloten wij den volgenden morgen Abbas en den djighite naar den boloch te zenden, om een kudde schapen en een vracht hout te koopen. Intusschen zochten wij gras en droge wortels, waarmede wij niet zonder moeite een vuurtje aanlegden. Het duurde twee uur eer we een kopje thee konden krijgen, en het eten, met veel moeite klaargemaakt, was niet bijzonder lekker; maar dit was een kleinigheid, vergeleken bij de heerlijke gewaarwording, althans iets warms in de maag te krijgen.
14 Juli. Terwijl Abbas en de djighite den terugweg weer aanvaarden, om schapen en hout te halen, gaan wij op verkenning uit in het bovengedeelte der vallei. Een machtig amphitheater van bergtoppen en gletschers strekt zich voor ons uit, waardoor een menigte beken stroomen, die de met gras begroeide golvingen van den grond besproeien.
In het Noorden en het Zuiden openen zich twee passen; de eene, de Karaguer-pas, mondt uit in den oostelijken tak van het Tomghent-dal; de andere, die hooger is gelegen, en meer moeilijkheden oplevert, is de Otrouk-pas, die in den anderen tak van de vallei uitkomt.
Des avonds komen onze vrienden terug met een geheele kudde schapen en geiten, en twee ossen, beladen met boomstammen. De boloch en eenige leden van den stam kwamen zelfs mede. Twee jongelieden bleven bij ons, als drijvers. Nu bestond onze karavaan, menschen en dieren medegerekend, uit drie en zestig koppen.
Het dal Kizil-Tao heeft zijn naam te danken aan de kleur der steenen die daar worden gevonden. Kizil beteekent in de taal der Kirghizen rood, en Tao steen; het is dus het dal der roode steenen. De dalen, toppen en passen van den Tiensjan ontleenen allen hun namen aan de kleuren of vormen van sommige voorwerpen, wier grilligheid de verbeelding der inwoners heeft getroffen. Twee valleien monden in het dal van Kizil-Tao uit, dat grootendeels onbewoond is; rechts die van Otrouk, en links die van Berkout, welke naar het plateau van Saridjass voert. In den bergwand, die het Kizil-Tao-dal scheidt van het dal Keou-eou-leou, opent zich de Torpeu-pas (3066 M.) van waar men een uitgestrekt berglandschap overziet. Deze doorgang, die niet op de russische kaarten is aangegeven, is de meest gebruikelijke weg voor de nomaden, die het dal van Kizil-Tao doortrekken.
Dit dal, tot nog toe bijzonder breed, vernauwt zich plotseling tot een smalle kloof, waar de stroom zich slechts met moeite een doortocht baant. De weg loopt vlak langs de rivier, die hij nu en dan doorsnijdt, om bochten te vermijden. Somtijds moeten wij dan de rivier oversteken op plaatsen, waar de bedding zichtbaar is, om niet door den stroom te worden medegevoerd. Maar wij kunnen niet altijd een doorwaadbare plek vinden, en dan moeten wij maar, zoo goed het gaat, de overzijde zien te bereiken. De schapen worden dan een voor een in het water geworpen, en redden zich, zoo goed zij kunnen. Het was een droevig gezicht, de arme beesten, tegen wil en dank in het water gesmeten, te zien heen en weer slingeren; soms tegen de rotsen gedrukt, of in een diepte zinkend, om toch altijd, na een heldhaftige worsteling, bevend van angst, den tegenoverliggenden oever te bereiken. Als zij er kans toe zagen, klommen zij tegen de steile kanten van den berg op, en dan moest de herder halsbrekende toeren verrichten, om ze weer terug te halen.
Langzaam aan naderen wij het dal van Saridjass, een oord van verschrikking, een verwarde opeenstapeling van rotsblokken, waartusschen een breede stroom zijn troebele wateren voortstuwt. Wij begrijpen niet, waar al dat water een uitweg moet vinden, want aan alle zijden verheft zich een ondoordringbare bergmuur. Zou er misschien ergens een geheimzinnige onderaardsche uitweg zijn? Het is ons niet mogelijk, thans dit raadsel op te lossen. De russische topographen weten er niet meer van dan wij; want op de kaart die wij bij ons hebben, schijnen zij met die rivier geen weg te hebben geweten, en laten haar verdwijnen in het Keou-eou-leou-gebergte.
De weg loopt langs de zijden der steile berghelling, telkens onderbroken door neerstortingen, en daalt dan weer af naar den oever, om weldra weder nieuwe hoogten te bestijgen. In gleuven en spleten schuilt eenig laag struikgewas, en boven langs den rand der klippen steken enkele magere dennen tegen de lucht af. Iets verder zien wij een groot rotsblok midden in de rivier gelegen. Op den top verheft zich een kleine "cairn", een hoop steenen, waarop een paal staat met een paardenschedel. Dat zonderlinge gedenkteeken dient ter herinnering aan eene dramatische gebeurtenis, die hier heeft plaats gegrepen. De schedel behoorde aan het krijgsros van een Kirghizenhoofdman, een torgoï, die omkwam bij het oversteken der rivier, ten tijde van de russische overwinning.
17 Juli. Uit de verte schijnt het dal van Saridjass een onmetelijke vlakte, begrensd door een rand van sneeuwtoppen. Maar van naderbij staat men verwonderd over het zonderlinge voorkomen van die uitgestrektheid, waarvan men zich een geheel ander denkbeeld had gevormd. Behalve de reusachtige afmetingen, is er niets in het landschap dat aan een vlakte herinnert. Het is een aaneengeschakelde rij golvingen, heuvels en uitsteeksels, vol nauwe gangen, kleine dalen en diepten, alles bedekt met schraal gras, waartusschen hier en daar de gele aarde te voorschijn dringt, of waaruit zich rotsblokken verheffen, die een metaalachtigen weerschijn vertoonen, en om wier voet het modderige water schuimt der rivier. Het is onmogelijk om bij een oppervlakkige beschouwing de oorzaak van dat verschijnsel te gissen. Bij elke bocht van den weg staat de reiziger voor raadselen, die de knapste geoloog niet zou weten op te lossen. Het gletschertijdperk moet wel groote omwentelingen hier hebben teweeg gebracht, daar het zulke diepe sporen van heftige beroering heeft achtergelaten.