De reis om de wereld in tachtig dagen
Part 9
Zoolang de storm duurde, bleef Passepartout op het dek van de Rangoon. Hij had niet beneden kunnen blijven; hij klom in de mast; hij verbaasde de bemanning door zijne behendigheid en hielp haar met al de vlugheid van een aap. Wel honderd maal richtte hij vragen aan den kapitein, aan de stuurlieden, aan de matrozen, die lachten over zijne teleurstelling. Passepartout wilde volstrekt weten hoe lang de storm zou duren. Men verwees hem naar den barometer, die onophoudelijk bleef stijgen. Of hij hem al schudde, het baatte niets; het schudden zoo min als de scheldwoorden waarmede hij het instrument overlaadde.
Eindelijk bedaarde de storm. De zee werd den 4den November in den loop van den dag kalmer. De wind liep twee streken naar het zuiden om en werd gunstiger. Ook Passepartout's stemming verbeterde nu. Eenige zeilen konden bijgezet worden en de Rangoon hernam hare bewonderenswaardige snelheid.
Maar men kon den verloren tijd niet meer inhalen. Men moest zich wel in zijn lot schikken en eerst den 6den, des morgens ten 5 ure, kreeg men land in het gezicht. In de reis van Phileas Fogg was de aankomst van de boot op den 5den berekend en men had nu den 6den. Men was dus vier en twintig uur ten achter en zou niet naar Yokohama kunnen vertrekken.
Ten zes ure kwam de loods aan boord van de Rangoon en nam plaats bij het roer, ten einde het schip tusschen de ondiepten te sturen tot in de haven van Hong-Kong.
Passepartout had ontzaglijk veel lust om bij dien man inlichtingen te vragen, en van hem te vernemen of de mailboot van Yokohama Hong-Kong verlaten had. Maar hij durfde niet, liever wilde hij nog tot het laatste oogenblik de hoop behouden. Hij had van zijne ongerustheid Fix deelgenoot gemaakt, maar de slimme vos had hem getroost met het vooruitzicht, dat de heer Fogg dan de volgende boot maar nemen moest. Dat antwoord had Passepartout bijna een beroerte bezorgd.
Doch zoo Passepartout zelf het al niet waagde om bij den loods inlichting te vragen, de heer Fogg wendde zich tot dezen, na zijn Bradshaw te hebben geraadpleegd, en vroeg wanneer er een boot van Hong-Kong naar Yokohama vertrok.
"Morgen, zoodra het getij opkomt," antwoordde deze.
"Zoo," zeide Fogg, zonder eenige verwondering te doen blijken.
Passepartout, die daarbij tegenwoordig was, had den loods wel om den hals willen vliegen. Fix daarentegen had hem wel den nek willen omdraaien.
"Hoe heet de stoomboot?" vroeg Fogg.
"De Carnatic," antwoordde de loods.
"Moest die boot gisteren niet reeds vertrokken zijn?"
"Ja, mijnheer, maar een harer ketels moest hersteld worden, en daardoor is haar vertrek tot morgen uitgesteld."
"Zeer verplicht," antwoordde Fogg, die met zijn automatischen gang zich weder naar de kajuit van de Rangoon begaf.
Wat Passepartout aangaat, deze vatte de loods bij de hand en die stevig drukkende, voegde hij hem toe:
"Loods, je bent een goeie kerel!"
De loods wist niet waaraan hij deze vriendschappelijke ontboezeming te danken had. Na zijn fluitje te hebben doen hooren, begaf hij zich op de brug en stuurde de mailboot tusschen de kleine vloot van prauwen, tankassen, visschersvaartuigen en allerlei andere schepen, welke in de haven van Hong-Kong lagen.
Ten éen ure liet de Rangoon haar anker vallen, en ontscheepte zij hare passagiers.
Het toeval, dit moet gezegd worden, was Phileas Fogg zeer gunstig geweest. Zoo de Carnatic niet genoodzaakt geweest ware hare stoomketels te doen herstellen, zou zij reeds den 5den November zijn vertrokken en de reizigers voor Japan hadden acht dagen lang op eene andere moeten wachten. Fogg was wel is waar vier en twintig uren ten achter, doch dit tijdverlies kon op zijne verdere reis geen nadeelige gevolgen hebben.
De stoomboot toch, die tusschen Yokohama en San-Francisco over de Stille Zuidzee dienst doet, correspondeert met de mailboot uit Hong-Kong, en zij kon dus niet vertrekken vóor dat deze aangekomen was. Men was vier en twintig uren ten achter, maar gedurende de twee en twintig dagen, die men op de Stille Zuidzee moest doorbrengen, kon men die gemakkelijk inhalen.
Phileas Fogg was dus, op vier en twintig uren na, en règle met zijn programma, vijf en dertig dagen nadat hij Londen had verlaten.
De Carnatic moest eerst den anderen morgen ten vijf ure vertrekken; Fogg had dus nog zestien uren voor zich, om zijne zaken te regelen; dat is te zeggen, die, welke mevrouw Aouda aangingen. Toen zij aan land kwamen bood hij de jonge vrouw zijn arm en leidde haar naar een draagstoel. Hij verzocht den dragers hem een hotel aan te wijzen, en dezen brachten hem naar het Hotel van de Club. De stoet met den palankijn begaf zich op weg en kwam, gevolgd door Passepartout, behouden aan zijne bestemming.
Een kamer werd Aouda aangewezen en Fogg zorgde dat het haar aan niets ontbrak. Hij zeide haar, dat hij terstond onderzoek zou gaan doen naar haren bloedverwant, aan wiens zorgen hij haar te Hong-Kong zoo overlaten. Hij gaf te gelijker tijd aan Passepartout last, het hotel niet te verlaten, opdat de jonge vrouw daar niet alleen zou zijn.
De gentleman begaf zich regelrecht naar de beurs. Daar zou men ongetwijfeld zulk een achtenswaardig man als Jejeeb kennen, daar deze onder de rijkste kooplieden der stad behoorde.
De makelaar, tot wien hij zich richtte, kende den Parsi inderdaad. Maar sedert twee jaar woonde deze niet meer in China. Toen hij zijn fortuin gemaakt had, was hij naar Europa vertrokken, men meende naar Holland, omdat hij in zijn loopbaan als handelaar veel relatiën met dit land gehad had. Phileas Fogg keerde terstond naar het Hotel van de Club terug. Hij liet aan mevrouw Aouda vragen, of hij een oogenblik bij haar gehoor kon ontvangen en zonder eenige inleiding vertelde hij haar, dat de achtenswaardige Jejeeb niet meer te Hong-Kong woonde, maar naar alle waarschijnlijkheid zich in Holland gevestigd had. Mevrouw Aouda antwoordde hier eerst niet op. Zij streek hare hand over haar voorhoofd, en na zich bedacht te hebben, zeide zij met hare liefelijke stem:
"Wat moet ik nu beginnen, mijnheer Fogg?"
"Wel, dat is heel eenvoudig, mevrouw: mede gaan naar Europa."
"Maar ik kan geen misbruik maken...."
"Gij maakt volstrekt geen misbruik, en uwe tegenwoordigheid hindert in geenen deele aan mijn reis.--Passepartout!"
"Mijnheer," antwoordde Passepartout.
"Ga naar de Carnatic en bestel drie hutten."
Passepartout was recht in zijn schik, dat mevrouw Aouda de reis met hen zou voortzetten, daar deze zeer vriendelijk voor hem was, en verliet dan ook oogenblikkelijk het Hotel van de Club.
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
Waarin Passepartout te veel belang stelt in zijn meester, en wat het gevolg er van was.
Hong-Kong is slechts een eilandje, dat na het verdrag van Nanking van 1842 aan Engeland is afgestaan. Binnen eenige jaren had de takt der Britten om te koloniseeren er een belangrijke stad van gemaakt en er een haven aangelegd, Victoria genaamd. Deze stad ligt aan den mond van de rivier Canton, en is slechts zestig mijlen verwijderd van de portugeesche stad Macao, welke op den anderen oever gebouwd is. Hong-Kong moest noodzakelijk in den handelswedstrijd Macao overwinnen en tegenwoordig gaat het grootste gedeelte van den uit- en invoer van China over de engelsche stad. De dokken, hospitalen, werven, entrepôts en een gothische kathedraal, een gouvernementshuis, mac-adam wegen, alles werkt mede om den bezoeker te doen gelooven, dat eene der beschaafdste steden van de graafschappen Kent of Surrey dwars door de aarde heen zich een weg heeft gebaand en op dit punt van China, nagenoeg bij de tegenvoeters, weder te voorschijn is gekomen.
Met de handen in den zak was Passepartout naar de haven Victoria geslenterd, stilstaande, om de palankijns te zien en de kruiwagens met zeilen, die nog in het hemelsche rijk in gebruik zijn, en al die Chineezen, Japanners en Europeanen, welke zich in de straten der stad verdringen. Nagenoeg hetzelfde als te Bombay en te Calcutta vond hij ook hier. Engelsche steden zijn dan ook over de geheele wereld gezaaid.
Passepartout kwam in de Victoria-haven; hij vond daar een menigte amerikaansche, engelsche, fransche en hollandsche vaartuigen, zoowel oorlogs- als koopvaardijschepen, japansche en chineesche booten, jonken, sempa's, panka's en zelfs booten met bloemen, die drijvende bloemperken in dit water schenen te vormen. Op zijne wandeling merkte Passepartout een aantal inboorlingen op in het geel gekleed, die allen reeds op gevorderden leeftijd waren. Van een chineesch barbier, door wien hij zich liet scheeren, en die tamelijk goed engelsch sprak, vernam hij dat zij allen boven de tachtig jaar oud waren en dat zij op dien leeftijd het recht hadden zich in de keizerlijke kleur, geel, te kleeden. Passepartout vond het zeer dwaas, al wist hij ook niet waarom.
Toen hij geschoren was, begaf hij zich aan boord van de Carnatic en daar vond hij den heer Fix heen en weer wandelende op het dek. Op zich zelf had dit niets vreemds, maar op het gelaat van den inspecteur waren duidelijke sporen van groote teleurstelling merkbaar.
"Geen wonder," dacht Passepartout, "alles loopt ook slecht voor de heeren van de Reform-club; alles loopt ons mee." En hij sprak Fix aan met een vroolijk gelaat als scheen hij het knorrige uitzicht van den inspecteur niet op te merken. Deze nu had maar al te gegronde redenen om de kans te verwenschen, die zich voortdurend tegen hem verklaarde. Het leed geen twijfel of het mandaat volgde hem, maar het kon hem niet bereiken, dan wanneer hij in deze of gene stad halt hield. Hong-Kong was het laatste engelsche grondgebied, dat zij op hun tocht aandeden en Fogg zou hem ontsnappen, indien het hem niet gelukte dezen hier te doen achterblijven.
"Welnu, mijnheer Fix, hebt ge besloten ons naar Yokohama te vergezellen?" vroeg Passepartout.
"Ja," antwoordde Fix met kwalijk verbeten woede.
"Kom aan," riep Passepartout, hartelijke lachende. "Ik wist wel dat gij niet van ons kondt scheiden. Laten wij nu samen maar plaats gaan nemen."
Beiden begaven zich toen naar het plaatsbureel aan wal en bespraken vier hutten. De bureelist deelde hun echter mede dat, daar de herstellingen van de Carnatic waren voltooid, de mailboot dien avond ten acht ure zou vertrekken en niet den anderen morgen, zooals eerst was aangekondigd.
"Zeer goed," zeide Passepartout, "dat zal mijn meester bevallen, ik zal hem dadelijk gaan waarschuwen."
Toen Fix dit hoorde, besloot hij eene uiterste poging te wagen en alles aan Passepartout te zeggen; dit was misschien het eenige middel om Phileas Fogg nog eenige dagen te Hong-Kong te houden.
Het bureel verlatende, stelde Fix zijn reisgezel voor, eenige ververschingen te gaan gebruiken in eene naburige herberg. Passepartout had den tijd en nam de uitnoodiging van Fix aan. De herberg lag aan de kade en zag er uitlokkend uit. Zij traden er binnen. Het was eene groote, net versierde zaal, aan welker uiteinde men een lang rustbed zag met kussens, waarop verscheidene personen lagen te slapen.
Een dertigtal bezoekers waren aan kleine tafeltjes van gevlochten matwerk gezeten. Sommigen dronken engelsch bier, ale of porter, anderen sterken drank, jenever of brandewijn. Bovendien rookten de meesten lange rood-aarden pijpen, die gestopt waren met balletjes opium en oranjebloesem. Van tijd tot tijd zag men een der rookers onder tafel glijden; dan kwamen de knechts, namen hem bij het hoofd en de voeten en legden hem op het rustbed bij de andere slapers neder. Een twintigtal van die dronkaards lagen daar reeds roerloos naast elkander, in de laatste phase van verdooving.
Fix en Passepartout begrepen dat zij eene herberg waren binnengetreden, die gewoonlijk bezocht werd door de ongelukkigen, welke door het opium-schuiven worden bedwelmd, waarvan het handeldrijvende Engeland jaarlijks voor honderd dertig millioen gulden verkoopt. Ongelukkige millioenen, welke geheven worden met behulp van eene der noodlottigste menschelijke hartstochten!
Het chineesche Gouvernement heeft zulk een misbruik door strenge wetten wel zoeken te verhelpen, maar te vergeefs. Het gebruik van opium dat eerst slechts onder het bereik van den aanzienlijken stand was, drong van lieverlede ook door tot de lagere klassen, en nu is er geen einde meer aan de buitensporigheid door deze bedreven. Overal en altijd schuift men in het Hemelsche Rijk opium. Mannen en vrouwen geven zich aan dezen verderfelijken hartstocht over, en wanneer zij eenmaal aan die inademing gewoon zijn, kunnen zij er ook niet meer buiten, of zij lijden aan vreeselijke maagkrampen. Een goed rooker kan acht pijpen daags rooken, maar hij sterft dan ook in vijf jaar.
In zulk eene herberg nu, waarvan er zeer velen in Hong-Kong zijn, waren Fix en Passepartout binnengegaan, met het doel om zich een weinig te verfrisschen. Passepartout had geen geld bij zich, maar hij maakte gaarne van de mildheid van zijn reisgezel gebruik, die hij hem bij gelegenheid hoopte te vergelden.
Men bestelde twee flesschen portwijn, waaraan de Franschman zich te goed deed, terwijl Fix, die matiger was, hem met de grootste aandacht gadesloeg. Men praatte over allerlei zaken, maar vooral over den goeden inval van Fix om ook eene plaats op de Carnatic te bespreken. En toen zij over de stoomboot, welker vertrek eenige uren was vervroegd, uitgepraat en de flesschen ledig waren, besloot Passepartout zijn meester te gaan waarschuwen, dat zij binnen een paar uur vertrekken zou.
Maar Fix hield hem terug.
"Een oogenblik," zeide hij.
"Wat wilt gij, mijnheer Fix?"
"Ik heb nog over ernstige zaken met u te praten."
"Ernstige zaken," herhaalde Passepartout, zijn glas uitdrinkende, waarin nog enkele druppels waren. "Welnu, daar zullen wij morgen wel eens over spreken, ik heb nu geen tijd meer."
"Neen nu," antwoordde Fix, "want het geldt uw meester."
Passepartout keek op dit gezegde Fix scherp in de oogen. Het gelaat van Fix maakte op hem een zonderlingen indruk. Hij ging weder zitten.
"Wat hebt gij mij te zeggen?" vroeg hij.
Fix legde zijne hand op den arm van zijn reisgezel en op fluisterenden toon vroeg hij:
"Gij hebt geraden wie ik ben?"
"Wel zeker," antwoordde Passepartout glimlachend.
"Dan zal ik u alles bekennen."
"Nu ik alles weet, vriendje! Wel nu nog mooier. Maar ga je gang. Eerst echter moet ge mij de opmerking vergunnen, dat die heeren noodelooze onkosten hebben gemaakt!"
"Noodeloos," herhaalde Fix, "ge spreekt er gemakkelijk over. Men kan wel zien, dat gij niet weet welk eene som er mede gemoeid is."
"Wel zeker, weet ik dat. Twintig duizend pond."
"Vijf en vijftig duizend!" sprak Fix, de hand van den Franschman drukkende.
"Wat!" riep Passepartout. "Mijnheer Fogg zou het gewaagd hebben ... vijf en vijftig duizend pond!... Welnu eene reden te meer om geen oogenblik tijd te verliezen," eindigde hij en stond weder op.
"Vijf en vijftig duizend pond!" herhaalde Fix, die Passepartout dwong weder plaats te nemen, na een flesch brandewijn te hebben besteld, "en als ik slaag, krijg ik eene belooning van twee duizend. Wilt gij er vijfhonderd van, onder voorwaarde dat gij mij helpt?"
"U helpen!" riep Passepartout uit, wiens oogen bovennatuurlijk groot werden.
"Ja, mij helpen om dien Fogg eenige dagen te Hong-Kong op te houden."
"Wat?" zeide Passepartout; "wat verlangt gij? Niet genoeg, dat zij mijn meester doen volgen en zijn goede trouw verdenken, zouden die heeren hem nu ook moeielijkheden in den weg willen leggen! Ik schaam mij over hen."
"Maar wat meent ge dan toch?" vroeg Fix.
"Wat ik meen? Dat dit een gemeene streek is. Men had even goed hem kunnen bestelen; het geld uit zijn zak kunnen halen."
"En dat denk ik dan ook te doen."
"Maar dat is een verraderlijke streek!" riep Passepartout uit, die onder den invloed van den brandewijn opgewonden raakte, want Fix had hem blijven inschenken en hij dronk zonder het te weten. "Dat is een verraderlijke, gemeene streek! En dat zijn gentlemen en collega's."
Fix begreep er nu niets meer van.
"Collega's," vervolgde Passepartout; "leden van de Reform-club! Vergeet niet, mijnheer Fix, dat mijn meester een eerlijk man is en wanneer hij eene weddenschap aangaat, wil hij die op loyale wijze winnen."
"Maar wie denkt gij dan dat ik ben?" vroeg Fix, Passepartout strak aanziende.
"Wel een agent van de leden der Reform-club, die in last heeft de reis van mijn meester te controleeren, een zeer vernederende taak. Ik heb dan ook, hoewel ik zeer goed begrepen heb wie gij waart, mij wel gewacht dit aan den heer Fogg mede te deelen.
"Weet hij niets?" vroeg Fix levendig.
"Niets," antwoordde Passepartout, nogmaals zijn glas ledigende.
De inspecteur van politie wreef met zijne hand over zijn voorhoofd. Hij aarzelde verder te gaan. Wat zou hij doen? De dwaling van Passepartout scheen oprecht, maar zij maakte het volvoeren van zijn plan gemakkelijker. Blijkbaar sprak de knecht volkomen ter goeder trouw en was hij geen medeplichtige van zijn meester, wat Fix had kunnen vreezen.
"Welnu," dacht hij, "als hij zijn medeplichtige niet is, zal hij mij helpen."
De detective was nu tot een ander besluit gekomen. Bovendien hij had geen tijd meer om te dralen. Tot elken prijs moest hij Fogg te Hong-Kong houden.
"Hoor," zeide Fix; "luister goed naar hetgeen ik zeggen zal. Ik ben niet degeen waarvoor gij mij houdt, namelijk een agent van de leden der Reform-club."
"Ei!" antwoordde Passepartout, hem spottend aanziende.
"Ik ben inspecteur van politie, belast met eene zending, die mij door het hoofdbestuur van Londen is opgedragen."
"Gij! inspecteur van politie!"
"Ja; als gij nog twijfelt, ziehier mijne aanstelling."
De agent haalde daarop een papier uit zijne portefeuille te voorschijn en liet aan Passepartout zijne aanstelling zien, door het hoofdbestuur te Londen geteekend. Passepartout was geheel onthutst en zag Fix aan zonder een woord te kunnen uiten.
"De weddenschap van dien Fogg," ging Fix voort, "is slechts een voorwendsel, waarvan gij dupe zijt, gij zoowel al de leden van de Reform-club, want hij had er belang bij om zich van uwe onschuldige medeplichtigheid te verzekeren."
"Maar waarom?" riep Passepartout uit.
"Luister. Den 28en September l.l. is er eene som van vijf en vijftig duizend pond aan de engelsche bank ontstolen door een persoon, wiens signalement men heeft kunnen opmaken. Welnu, zie dat signalement; het is trek voor trek dat van Fogg."
"Onmogelijk!" riep Passepartout, met zijn stevige vuist op tafel slaande. "Mijn meester is de eerlijkste man ter wereld."
"Wat weet gij daarvan?" hernam Fix. "Gij kent hem zelfs niet. Gij zijt bij hem in dienst getreden op den dag zelven, dat hij op reis ging en hij is in overijling vertrokken onder een allerbelachelijkst voorwendsel, zonder koffers en met een groote zak bankbiljetten. En ge durft zeggen, dat hij een eerlijk man is."
"Ja! dat is hij," herhaalde de arme knecht werktuigelijk.
"Wilt gij dan als zijne medeplichtige in hechtenis worden genomen?"
Passepartout hield zijn hoofd met beide handen vast. Hij was onherkenbaar. Hij durfde den inspecteur van politie niet aanzien.
Phileas Fogg een dief, hij de redder van Aouda, die edelmoedige man! En toch welk een vermoeden rustte op hem! Passepartout trachtte de verdenking, die ook bij hem oprees, te weren. Hij kon niet gelooven aan de schuld van zijn meester.
"En wat woudt gij nu van mij?" vroeg hij aan den inspecteur, een laatste poging doende om zich te bedwingen.
"Dit," antwoordde Fix. "Ik heb tot hiertoe het spoor van dien Fogg gevolgd, maar ik heb de volmacht om hem in hechtenis te nemen nog niet uit Londen ontvangen. Gij moet mij helpen om hem te Hong-Kong te doen blijven."
"Ik! Ik zou...."
"En dan deel ik met u de premie van twee duizend pond, door de Engelsche bank uitgeloofd."
"Nooit!" antwoordde Passepartout, die wilde opstaan, maar neerzonk en gevoelde dat zijn verstand en zijne krachten beiden hem begeven hadden.
"Mijnheer Fix," stotterde hij, "al was alles waar wat gij mij gezegd hebt, al was mijnheer Fogg de dief, dien gij zoekt, wat ik ontken ... ik ben in zijn dienst ... ik heb gezien, dat hij goed en edelmoedig was ... hem verraden ... neen voor al het goud der aarde ... ik ben van een dorp, waar dat brood niet gebakken wordt...."
"Gij weigert?"
"Ik weiger."
"Laten wij het er dan maar voor houden, dat ik niets gezegd heb en een glas drinken."
Passepartout gevoelde, dat hij hoe langer hoe meer onder den invloed van den drank kwam. Fix, die begreep, dat hij hem volstrekt van zijn meester moest scheiden, wilde hem geheel bedwelmen. Op de tafel lagen een paar pijpen opium. Fix stopte er hem eene in de hand. Passepartout nam ze werktuigelijk aan, stak ze in den mond, deed eenige trekken en viel toen onder den invloed van den verdoovenden geur voorover.
"Eindelijk," zeide Fix, toen hij Passepartout buiten kennis zag; "Fogg zal van het vertrek der Carnatic geen kennis dragen en als hij toch vertrekt, zal het niet zijn door behulp van dien verwenschten Franschman."
Daarop betaalde hij de vertering en ging heen.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Waarin Fix in rechtstreeksche onderhandeling treedt met Phileas Fogg.
Gedurende dit gesprek, waarbij waarschijnlijk Fogg's geheele toekomst op het spel stond, geleidde deze mevrouw Aouda door de straten van de engelsche stad. Toen Aouda zijn aanbod had aangenomen om haar mede naar Europa te nemen, moest hij ook alle benoodigdheden aanschaffen, die zulk een lange reis medebracht. Dat een Engelschman, zooals hij, de reis om de wereld maakt met zijn valies in de hand, kan er nog door; maar eene vrouw kon in zulke omstandigheden dergelijke reis, op die wijze niet ondernemen. Daarom was men wel verplicht allerlei kleederen en voorwerpen, die zij soms onderweg noodig mocht hebben, aan te schaffen. Fogg kweet zich van deze taak, met de kalmte welke hem kenmerkte, trots de verontschuldigingen en tegenwerpingen van de jonge vrouw, die verlegen was met zooveel beleefdheid.
"Het is in het belang van mijn reis, het staat op mijn programma," zeide hij gedurig.
Toen zij hunne inkoopen gedaan hadden, keerden Fogg en Aouda weer naar het hotel terug, waar zij een heerlijk diné vonden. Daarop ging Aouda, die een weinig vermoeid was, naar hare kamer en drukte à l'anglaise de hand van haren ongevoeligen redder.
De achtenswaardige gentleman verdiepte zich den ganschen avond in de Times en de Illustrated Londen News.
Zoo hij de man ware geweest om zich over iets te verwonderen, dan had hij dit wel mogen doen, toen Passepartout bij het naar bed gaan nog niet was komen opdagen. Maar daar hij wist dat de mailboot naar Yokohama eerst den anderen morgen vertrok, dacht hij er niet over. Den volgenden morgen kwam Passepartout op het schellen van Fogg niet te voorschijn.
Wat de gentleman wel dacht, toen hij vernam dat zijn knecht niet thuis was gekomen, zou niemand kunnen zeggen. Fogg nam zijn valies op, liet Aouda waarschuwen en bestelde een palankijn.
Het was toen acht uur, en het getij, waarop het vertrek van de Carnatic gewacht had om de haven te verlaten, kwam ten half tien ure op.
Toen de draagstoel voorkwam, stapten Aouda en Fogg in het gemakkelijke voertuig en lieten hun bagage op een kruiwagen volgen.
Een half uur later kwamen de reizigers op de aanlegplaats, en daar vernamen zij eerst dat de Carnatic reeds den vorigen avond vertrokken was.
Fogg, die er op had gerekend zoowel zijn bediende als de mail-boot te vinden, moest nu beiden missen. Maar zijn gelaat teekende volstrekt geen teleurstelling, en toen Aouda hem angstig aanzag, voegde hij haar toe:
"Dat is een incident, mevrouw, anders niet."
Op dit oogenblik naderde hem een persoon, welke hem nauwkeurig gadesloeg. Het was de inspecteur Fix, die hem groette met de woorden:
"Zijt gij niet evenals ik, mijnheer, een der passagiers van de Rangoon, welke gisteren aangekomen is?"
"Ja, mijnheer," antwoordde Fogg koel, "maar ik heb niet de eer...."
"Vergeef mij, maar ik dacht hier uw knecht te vinden."
"Weet gij waar hij is, mijnheer?" vroeg de jonge vrouw levendig.
"Wat," zeide Fix, zeer verwonderd, "is hij niet bij u?"