De reis om de wereld in tachtig dagen

Part 8

Chapter 8 3,864 words Public domain Markdown

Men volgde de kust op korteren afstand, maar de wilde Papoea's, die het eiland bewonen, vertoonden zich niet. Die volksstam staat op het laagste standpunt van beschaving, maar men pleegt onrecht, wanneer men hen onder de menscheneters rangschikt.

Het panorama, dat deze eilanden opleverden, was prachtig. Onmetelijke bosschen van palmboomen, arers, bamboes, muskaatboomen, teaks, djattiboomen, reusachtige slingerplanten en varen, bedekten den voorgrond, terwijl de achtergrond gevormd werd door de bevallige lijnen van het gebergte. Langs de kust wemelde het van oeverzwaluwen, wier nesten eetbaar zijn en een geliefkoosd gerecht uitmaken in het Hemelsche Rijk. Maar dit landschap vol afwisseling, dat de Andamannische Eilanden opleveren, was spoedig voorbij en de Rangoon naderde snel de straat van Malakka, waardoor men in de Chineesche Zee komt.

Wat deed gedurende dezen overtocht de inspecteur Fix, die zoo ongelukkig was medegesleept op de reis om de wereld? Bij het vertrek uit Calcutta had hij zich op de Rangoon kunnen begeven, zonder door Passepartout te worden opgemerkt, en hij hoopte verborgen te blijven totdat de mailboot Hong-Kong zou hebben bereikt.

Het zou hem dan ook inderdaad moeielijk zijn gevallen om de oorzaak te verklaren waarom hij zich aan boord bevond, zonder de achterdocht te wekken van Passepartout, die hem nog te Bombay waande. Maar de omstandigheden brachten mede dat hij de kennis met Foggs bediende vernieuwde.

Al de hoop van den inspecteur van politie was thans op één punt van de wereld gevestigd, op Hong-Kong. Daar moest hij den dief vatten of deze ontsnapte hem voor altijd. Hong-Kong was dan ook het laatste engelsche grondgebied op de geheele reis. Was men dit voorbij, dan zou China, Japan of Amerika een veilig toevluchtsoord voor Fogg opleveren. Wanneer hij te Hong-Kong eindelijk het bevel tot inhechtenisneming vond, dat hem ongetwijfeld nagezonden was, dan zou Fix de heer Fogg arresteeren en hem aan de politie aldaar overleveren. Maar na Hong-Kong was een mandaat tot inhechtenisneming niet meer voldoende. Dan zou er een akte van uitlevering noodig zijn; dit ging met allerlei oponthoud, vertraging en hinderpalen gepaard, waarvan de schurk gebruik zou maken, om ten slotte toch te ontkomen. Mislukte alzoo zijne poging te Hong-Kong, dan was het hoogst moeielijk, zoo niet ondoenlijk om zich van hem meester te maken.

"Alzoo," dacht Fix onophoudelijk bij zich zelven, gedurende de lange uren, die hij in zijn hut doorbracht, "alzoo zal de volmacht te Hong-Kong zijn en dan neem ik mijn man gevangen, of zij zal er niet wezen en dan moet ik hem noodzaken daar te blijven. Mijne pogingen zijn mislukt te Bombay en te Calcutta. Mislukken zij ook te Hong-Kong, dan is mijne reputatie verloren. Ik moet dus slagen, het koste wat het kost. Maar welk middel aan te wenden om, zoo dit mogelijk is, het vertrek van dien verwenschten Fogg te beletten?

Als uiterste middel had Fix besloten alles aan Passepartout te bekennen en hem op de hoogte te stellen van den meester, dien hij diende, maar wiens medeplichtige hij zeker niet was. Als Passepartout volkomen ingelicht was, zou hij zeker vreezen in de zaak betrokken te worden en de wijste partij kiezen. Maar dit was een gewaagd middel, dat slechts in het uiterste geval kon worden beproefd. Een enkel woord van Passepartout aan zijn meester zou onherroepelijk alles bederven.

De inspecteur van politie verkeerde dus in de grootste verlegenheid, maar de tegenwoordigheid van mevrouw Aouda aan boord van de Rangoon, in gezelschap van Phileas Fogg, opende hem een nieuw uitzicht. Wat was die vrouw? Door welken samenloop van omstandigheden was zij de gezellin geworden van Fogg? Blijkbaar moest de ontmoeting tusschen Bombay en Calcutta hebben plaats gehad. Doch in welken hoek van het schiereiland? Was het enkel het toeval dat Fogg en zijne jeugdige reisgezellin te zamen had gebracht? Of had de reis in Indië door den gentleman ondernomen slechts ten doel om deze schoone vrouw op te zoeken? Want schoon was zij. Fix had haar maar al te goed in de gerechtszaal te Calcutta gezien.

Men kan denken hoe nieuwsgierig de inspecteur daarnaar was. Hij vroeg zich af, of er niet een misdadige schaking was gepleegd. Ja! Dat moest wel zoo zijn. Deze gedachte vatte post in zijn hoofd, en hij besefte al het voordeel, dat hij uit dezen toestand kon trekken. Of die jonge vrouw getrouwd was of niet, er was hier eene schaking gepleegd en het was zeer goed mogelijk, dat hij den schaker te Hong-Kong in eene verlegenheid kon wikkelen, waaruit hij zich niet door geld kon losmaken. Maar hij mocht niet wachten tot de Rangoon te Hong-Kong was aangekomen. Fogg had de slechte gewoonte om van de eene boot op andere te springen, en vóór de zaak nog een aanvang had genomen, kon hij reeds ver weg zijn.

Het noodzakelijkste was dus om de engelsche overheid te waarschuwen en op den passagier van de Rangoon de aandacht te vestigen vóór hij nog aan land was. Niets nu was gemakkelijker daar de mailboot te Singapore binnenliep, en Singapore stond in verbinding met de chineesche kust door de telegraaf. Intusschen vóór hij iets ondernam en om zekerder te zijn, besloot Fix Passepartout eerst eens te ondervragen. Hij meende dat het niet moeielijk zou zijn om den bediende aan het praten te krijgen en besloot dus om zich aan hem bekend te maken. Er was niet veel tijd te verliezen. Het was de 30ste October, en den anderen morgen moest de Rangoon te Singapore het anker werpen. Fix dan ging dien dag aan dek, met het plan om Passepartout het eerst en wel met de grootste verbazing aan te spreken. Passepartout liep heen en weer op het voordek, toen de inspecteur naar hem toesnelde, met de woorden:

"Wat, mijnheer? zijt gij op de Rangoon?"

"Mijnheer Fix aan boord!" antwoordde Passepartout zeer verrast, toen hij zijn metgezel van de Mongolia herkende. "Hoe nu? gij verliet mij te Bombay en ik ontmoet u weer op de reis naar Hong-Kong. Maar, zeg eens, maakt gij ook de reis om de wereld?"

"Neen," antwoordde Fix, "ik ben van plan, om ten minste eenige dagen te Hong-Kong te vertoeven."

"Zoo," antwoordde Passepartout, die een oogenblik verbaasd scheen. "Maar hoe komt het dat ik u aan boord nog niet gezien heb sedert wij Calcutta verlaten hebben?"

"Och, ik was een weinig zeeziek.... Ik ben daarom in mijne hut gebleven.... Ik schijn beter tegen de lucht der Indische zee te kunnen dan tegen die van de Golf van Bengalen. Hoe gaat het uw meester, Phileas Fogg?"

"O uitnemend, en altijd even precies als zijn reisboek! Geen dag te laat! Maar mijnheer Fix, gij weet zeker nog niet dat wij nog eene jonge dame bij ons hebben."

"Een jonge dame?" herhaalde de inspecteur, die volstrekt niet scheen te begrijpen wat de andere bedoelde.

Passepartout had hem spoedig op de hoogte van de zaak gebracht. Hij vertelde wat er in den afgodstempel te Bombay voorgevallen was, het aankoopen van den olifant voor twee duizend pond en de geschiedenis met de sutty, de schaking van Aouda, de veroordeeling door de rechtbank te Calcutta en de invrijheidstelling onder borgtocht. Hoewel Fix het laatste gedeelte er van kende, nam hij toch den schijn aan, alsof hij er niets van wist, en Passepartout, aangemoedigd door het aandachtig luisteren van zijn toehoorder, vertelde maar door.

"Maar," vroeg Fix, "is uw meester van plan om deze jonge vrouw mede te nemen naar Europa?"

"Neen, mijnheer Fix, dat niet; hij is slechts van plan om haar naar een harer bloedverwanten, een rijken koopman te Hong-Kong, te brengen."

"Er is niets aan te doen!" prevelde de detective bij zich zelven, zijne teleurstelling trachtende te verbergen. "Een glaasje gin, mijnheer Passepartout?"

"Zeer gaarne, mijnheer Fix. Het is niet meer dan plicht, dat wij op onze ontmoeting op de Rangoon drinken."

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Waarin verschillende zaken ter sprake komen gedurende den overtocht van Singapora naar Hong-Kong.

Na dien dag ontmoetten Passepartout en de detective elkander vaak, maar de inspecteur hield zich op een afstand van zijn reisgezel en moedigde hem volstrekt niet tot spreken aan. Een of tweemaal zag hij Fogg; deze vertoefde het liefst in de groote kajuit van de Ragoon, hetzij hij daar mevrouw Aouda gezelschap hield of dat hij, volgens zijn onveranderlijke gewoonte, whist speelde.

Wat Passepartout betreft, deze overpeinsde ernstig hoe het toch kwam, dat Fix dezelfde reis deed als zijn meester. En waarlijk, men moest er wel eenigszins verbaasd over staan. Deze vriendelijke heer, voor een ieder even beleefd, en dien hij het eerst te Suez ontmoette, die zich ook op de Mongolia had ingescheept, die te Bombay weer aan wal stapte, waar hij zeide te wonen, en dien men nu weer op de Rangoon ontmoette, om naar Hong-Kong te reizen, in één woord, die de reis van Fogg stap voor stap volgde, was wel een onderwerp, de moeite waard om er over na te denken.

Er bestond hier minst genomen een zonderling toeval. Wie kon die Fix toch zijn? Passepartout was op het punt om zijn muilen er om te verwedden--hij had ze nog zuinig bewaard--dat Fix op denzelfden tijd als Fogg Hong-Kong, en waarschijnlijk wel met dezelfde mailboot, zou verlaten.

Passepartout had er een eeuw over kunnen denken, zonder dat hij ooit zou geraden hebben, met welke zending de inspecteur wel belast was. Nooit zou hij kunnen gissen, dat Phileas Fogg vervolgd kon worden als een dief, die een reis om de wereld maakt. Maar, daar de menschelijke natuur meebrengt, dat men aan alles eene uitlegging wil geven, kwam Passepartout eensklaps tot eene verklaring van de bestendige tegenwoordigheid van Fix, en inderdaad zijne uitlegging was zeer aannemelijk.

Volgens hem kon en moest Fix niemand anders zijn dan een agent, door de leden van de Reform-club aangesteld, om Fogg overal na te gaan, ten einde te zien of deze de reis om de wereld nauwkeurig en volgens het overeengekomen reisplan volbracht.

"Dat is zoo; dat kan niet missen!" herhaalde de eerlijke knecht onophoudelijk, trotsch op zijn doorzicht. "Hij is een spion, dien deze heeren ons achterna zenden. Dat is toch onwaardig. Die eerlijke, achtenswaardige Fogg! Hem door een spion te laten bespieden! Dat zal u duur te staan komen, heeren der Reform-club."

Passepartout besloot, hoe blijde hij ook met zijne ontdekking was, er niets van aan zijn meester te zeggen, vreezende dat deze zich gekrenkt zou gevoelen door het wantrouwen van zijn tegenpartij. Maar hij besloot toch Fix eens bij gelegenheid uit te lachen, zonder zelfs iets te laten ontglippen, dat hem compromitteeren kon.

Woensdag den 30sten October, des middags, stoomde de Rangoon de Straat van Malakka binnen, die het schier-eiland van dien naam scheidt van Sumatra. Bergachtige en steile, maar schilderachtig gelegen eilandjes, benamen aan de reizigers het gezicht op het groote eiland. Den anderen morgen, ten tien ure, had de Rangoon reeds een halven dag gewonnen op den door het reglement bepaalden tijd, en liep zij de haven van Singapore binnen, ten einde daar een voorraad steenkolen in te nemen.

Phileas Fogg schreef dit voordeel op zijn lijst van winst, en ditmaal ging hij aan land, vergezeld van Aouda, die haar wensch te kennen had gegeven om eenige uren te rijden.

Fix, wien elke daad van Fogg zeer verdacht voorkwam, volgde hem zonder opgemerkt te worden. Een zekere angst kwelde hem onophoudelijk; hij vreesde dat Fogg, als hij zich op niet-engelsch grondgebied bevond, daar zou willen blijven; dan was de geheele zaak ongetwijfeld voor het oogenblik verloren.

Passepartout lachte reeds bij voorbaat bij de gedachte hoe Fix daarin te werk zou gaan; intusschen bracht hij zijn tijd door om zijn gewone boodschappen te verrichten.

Het eiland Singapore is niet groot en ook niet indrukwekkend van voorkomen. Het heeft geen bergen, althans geen steile. Toch is het in al zijn eenvoud zeer bevallig. Het is een park doorsneden van tallooze wegen. In een fraai rijtuig, bespannen met vurige paarden, die uit Nieuw-Holland waren aangebracht, zaten Aouda en Fogg; zij reden door een dicht palmbosch met prachtig gebladerte, hier en daar afgewisseld door kruidnagelboomen, waarvan de vruchten gevormd zijn door den knop zelven van de half ontloken bloemen. Hier neemt de peperstruik de plaats in van de doornige heggen der europeesche velden; sagoboomen, hooge varenkruiden met prachtige takken, wisselen deze tropische Flora af; muskaatboomen, met hun schitterend gebladerte, vervulden de lucht met een doordringenden geur. In het bosch ontbrak het niet aan vroolijk dartelende apen en in het diepst der bosschen verscholen zich de tijgers. Hem wien het soms mocht verwonderen, dat deze roofdieren op dit betrekkelijk kleine eiland nog niet tot het laatste toe verdreven zijn, zal men antwoorden dat zij van Malakka komen, door de straat over te zwemmen.

Toen Aouda en Fogg een paar uren door dit landschap gereden hadden, keerden zij in de stad terug, die bestaat uit een hoop zware en lage huizen, allen met prachtige tuinen, waarin mangostanen, ananassen en andere van de schoonste vruchten der wereld groeien.

Ten tien ure kwamen zij weer op de mailboot, gevolgd, zonder dat zij het wisten, door den inspecteur, die ook in de kosten van een rijtuig had moeten vervallen.

Passepartout wachtte hen op het dek van de Rangoon. De zorgende knecht had eenige mangoestanen gekocht, een vrucht welke de grootte heeft van een gewonen appel, die van buiten bruin, en van binnen vuurrood is, en wier witte pit, welke tusschen de lippen smelt, voor de ware liefhebbers een onvergelijkelijk genot oplevert. Hij was zeer in zijn schik dat hij deze aan Aouda kon geven, die er hem recht vriendelijk voor bedankte.

Ten elf ure had de Rangoon hare lading steenkolen ingenomen en lichtte het anker. Eenige uren later verloren de reizigers de hooge bergen van Malakka uit het gezicht, welks bosschen de prachtigste tijgers tot een schuilplaats verstrekken.

Singapore is ongeveer dertien honderd mijlen verwijderd van Hong-Kong, een klein eiland op de chineesche kust, dat aan Engeland behoort.

Phileas Fogg moest dien afstand is zes dagen afleggen, ten einde den 6en November te Hong-Kong te zijn om van daar met de boot naar Yokohama, een van de grootste japansche havens, te komen.

De Rangoon was zwaar geladen. Een aantal reizigers hadden zich te Singapore ingescheept: Hindoes, Ceylaneezen, Chineezen, Maleiers, Portugeezen, die voor het grootste gedeelte allen tweede klasse reisden.

Tot nog toe had men vrij goed weder gehad, maar thans kwam er verandering met het laatste kwartier der maan. De zee werd onstuimig. Nu en dan stak de wind hevig op, maar gelukkig woei hij uit het zuidwesten, zoodat de stoomboot nog sneller liep. Toen het weder bedaarder werd, liet de kapitein de zeilen bijzetten. De Rangoon, als een brik getuigd, stoomde dikwijls met haar beide marszeilen en haar fok; zij ging dan ook veel sneller door den stoom en door den wind. Zoodoende naderde men met een korten en soms zeer zwaren golfslag de kust van Annam en Cochinchina.

Maar het was meer de schuld der Rangoon dan wel van de zee, dat bijna alle passagiers zeeziek werden en op die wijze de reis moesten maken. De schepen der Peninsular Company toch, die op de Chineesche zee dienst doen, zijn allen zeer slecht gebouwd. De verhouding tusschen hun diepgang en hun omvang is zeer slecht berekend, en hiervan is het gevolg dat zij weinig weerstand aan de zee bieden en aan slingeren onderhevig zijn.

Men moest nu, uithoofde van het slechte weder groote voorzorgen nemen, en met halve kracht stoomen. Dit tijdverlies scheen Fogg volstrekt niet te verontrusten, maar Passepartout was er zeer over uit zijn humeur. Hij gaf de schuld aan den kapitein, aan den machinist, ja aan de Compagnie, en wenschte een ieder naar de maan, die zich met het transport van reizigers bemoeit. Misschien was het wel de gaskraan, die altijd nog voor zijne rekening in Saville Row brandde, welke hem zulk een haast deed maken om verder te komen.

"Gij hebt dus wel haast om te Hong-Kong te komen?" vroeg de detective hem eens.

"Ja, ik ben er zeer verlangend naar," antwoordde Passepartout.

"Meent gij dat mijnheer Fogg haast heeft de mailboot naar Yokohama te nemen."

"Ja, hij heeft ontzaglijk veel haast."

"Gelooft ge dus nog aan die zonderlinge reis om de wereld?"

"Stellig. En gij, mijnheer Fix?"

"Ik? Neen, ik geloof er niet aan."

"Grappenmaker!" zeide Passepartout, knipoogend.

Dit woord gaf aan den agent veel stof tot nadenken. Het verontrustte hem, zonder te weten waarom. Zou de Franschman hem begrepen hebben? Hij wist het niet. Maar dat hij detective was, dat wist hij zelf toch maar alleen, hoe zou Passepartout dit hebben ontdekt? En toch, toen hij zoo met hem sprak, had Passepartout eene nevengedachte. Op een anderen keer ging de knecht zelfs nog verder; toen kon hij zijn tong niet meer beheerschen.

"Zeg eens, mijnheer Fix," vroeg hij aan zijn reisgezel, "als wij te Hong-Kong zijn, zullen we dan uw aangenaam gezelschap moeten missen?"

"Wel," antwoordde Fix, eenigszins verlegen, "misschien ... maar ik weet nog niet. Misschien...."

"O," zeide Passepartout, "als gij bij ons bleeft, zou het een waar genot voor mij zijn. Een agent van de Peninsular Company blijft niet onderweg steken. Gij gingt eerst maar tot Bombay, en waarlijk nu zijt gij al in China! Amerika is niet ver meer, en van Amerika naar Europa is maar een stapje!"

Fix keek den spreker strak aan, maar deze had het onschuldigste gezicht van de wereld; hij achtte het daarom het best om maar met hem mee te lachen. Passepartout echter, wiens tong nu los was, ging voort en vroeg:

"Dat baantje geeft je zeker veel?"

"Zoo, zoo," antwoordde Fix zonder blikken of blozen. "Er zijn goede en kwade zaken. Maar gij begrijpt wel, dat ik niet voor mijn eigen kosten reis."

"O, ja, dat behoeft gij mij niet meer te zeggen!" riep Passepartout lachend uit.

Toen dit gesprek geëindigd was, keerde Fix naar zijne hut terug om alles nog eens te overpeinzen. De Franschman had zeker alles geraden. Op de eene of andere manier was deze zijne betrekking als detective te weten gekomen. Zou hij zijn meester hebben gewaarschuwd? Was Passepartout Fogg's medeplichtige? Was zijn voornemen ontdekt, en zou hij het dus niet ten uitvoer kunnen brengen. De inspecteur bracht op deze wijze eenige pijnlijke uren door, nu eens geloovende dat alles verloren was, dan weer hopende dat Fogg nog van niets afwist, en ten slotte wist hij niet wat hem te doen stond. Langzamerhand kwam hij weer in zijn normalen toestand, en besloot hij om openhartig alles aan Passepartout te vertellen. Zoo hij geen kans zag om Fogg te Hong-Kong te arresteeren en zoo Fogg zich gereed maakte, thans voor het laatst, om het engelsch grondgebied te verlaten, dan zou hij de geheele zaak aan Passepartout mededeelen. Of de knecht was de medeplichtige van zijn meester, en deze wist alles, in dat geval was zijn zaak geheel verloren; óf de knecht wist niets van den gepleegden diefstal, dan was het zijn belang om den dief aan zijn lot over te laten.

In dien toestand waren de beide mannen tegenover elkander geplaatst, en boven hen stond Fogg in majestueuse onverschilligheid. Hij vervolgde zijn loop om de wereld, zonder zich te bekommeren om de asteroïden, die om hem wentelden. Toch was er in de nabijheid een ster die op het hart van dezen gentleman wel eenige stoornis moest uitoefenen.

Maar neen! De bekoorlijkheden van Aouda schenen, tot groote verwondering van Passepartout, volstrekt geen indruk of Fogg te maken, en de afwijkingen van diens gewonen zielstoestand, zoo zij al bestonden, waren moeielijker te berekenen dan die van Uranus, welke de ontdekking van Neptunus ten gevolge had. Dit verbaasde dag aan dag Passepartout, die in de oogen van de jonge vrouw zulk een gloed van dankbaarheid las. Fogg had ongetwijfeld slechts een hart voor heldhaftige feiten, maar verliefd, neen, dat kon hij niet wezen. Hij scheen er in het geheel niet aan te denken eenige voorzorgen te beramen, zoo de reis soms een anderen keer nemen mocht. Maar Passepartout leefde in voortdurenden angst. Eens toen hij tegen de balustrade van de machinekamer stond te leunen, en naar de ontzaglijke machine keek, werd het schip door een heftige schommeling plotseling op zijde geworpen. De stoom vloog uit alle kleppen.

"Deze kleppen zijn niet genoeg belast!" riep hij uit. "Men gaat niet vooruit!--Kijk dat zijn die Engelschen weer! Als dit een amerikaansch schip was, dan zou men misschien springen, maar in elk geval zouden wij sneller vooruitkomen."

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

Waarin Fogg, Passepartout en Fix elk hun eigen gang gaan.

Gedurende de laatste dagen van den overtocht was het zeer slecht weder. De wind woei hevig uit het noordwesten, wat voor het schip hoogst nadeelig was. De Rangoon, die vrij onvast van gang was, slingerde geweldig, en de passagiers, hadden alle recht, zoo zij wrevelig waren op die lange golven, welke de wind tegen de boorden van de boot opjoeg.

De 3e en 4e November waren stormachtige dagen. Rukwinden joegen de zee huizenhoog op en de Rangoon moest een halven dag lang alle zeilen reven en met een vierde van haar kracht werken, ten einde niet door den golfslag overweldigd te worden. Alle zeilen waren geborgen, maar zelfs het tuig scheen nog te veel en onophoudelijk hoorde men den wind er door heen fluiten. De mailboot vorderde dus, zooals men denken kan, veel langzamer, en men berekende dat, wanneer de wind niet ging liggen, men twintig uren later zou aankomen dan het reglement bepaalde.

Phileas Fogg was getuige van het schouwspel eener onstuimige zee, die rechtstreeks tegen hem scheen te kampen; maar zijne gewone kalmte verliet hem daarom niet. Geen oogenblik fronste hij zijn voorhoofd en nochtans kon eene vertraging van twintig uren zijn geheele reis verijdelen, daar hij dan de stoomboot naar Yokohama misliep. Maar deze man, men zou schier zeggen, zonder zenuwen, voelde ongeduld noch verveling. Het scheen waarlijk of de stormen in zijn programma stonden. Aouda, die meermalen met hem over het onstuimige weder sprak, vond hem als altijd even kalm als vroeger.

Op Fix had de storm een geheel tegenovergestelde uitwerking. Hij vond hem zeer aangenaam. Zijn vreugde zou paal noch perk gekend hebben, zoo de Rangoon uithoofde van het noodweer een haven had moeten binnenloopen. Al dat oponthoud kwam hem goed te stade, want het zou Fogg noodzaken eenige dagen te Hong-Kong te toeven.

Eindelijk dan was de hemel met zijne stormen op zijne hand. Hij zelf was er wel wat ziek van, maar wat deed er dat toe! Hij telde zijn zeeziekte niet; zoo zijn lichaam er al onder leed, zijn geest was vervuld met innige tevredenheid.

Wat Passepartout betreft, men kan begrijpen met welk eene kwalijk verholen woede hij deze beproeving doorstond. Tot hiertoe was alles goed gegaan. De aarde en de zee hadden zijn meester gediend. Stoombooten en spoorwegen hadden hem gehoorzaamd. Wind en storm hadden zich verbonden om zijn reis te bevorderen. Had dan eindelijk het uur der teleurstelling geslagen? Het was of Passepartout zelf de twintig duizend pond uit zijne eigene beurs moest betalen; hij leefde niet meer. De storm maakte hem woedend: die stormvlagen deden zijn toorn zulk eene hoogte bereiken, dat hij de ongehoorzame zee een pak slaag had kunnen geven. Fix hield natuurlijk zijne inwendige tevredenheid zorgvuldig voor hem verborgen en hij deed daar verstandig aan, want als Passepartout die geheime gewaarwording van Fix had vermoed, zou deze het kwaad te verantwoorden hebben gehad.