# De reis om de wereld in tachtig dagen

## Part 7

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-reis-om-de-wereld-in-tachtig-dagen-11318/index.md

Dit verwonderde Passepartout een weinig, daar hij wist al wat zijn meester aan den gids te danken had. De Parsi had inderdaad vrijwillig zijn leven voor dat van Aouda opgeofferd, en zoo de hindoes dit later te weten kwamen, zou het hem zeer moeielijk zijn om hunne wraak te ontkomen. Ook bleef de vraag nog over wat men met Kiouni, een zoo duurgekochten olifant zou doen? Maar Phileas Fogg had te dien opzichte reeds een besluit genomen.

"Parsi," zeide hij tot den gids, "gij hebt mij goed en trouw geholpen. Ik heb uwe diensten beloond maar niet uwe toewijding. Wilt gij den olifant hebben? Hij is voor u."

De oogen van den gids glinsterden.

"Dat is een gansch vermogen, dat uwe edelheid mij geeft!" riep hij uit.

"Neem het aan," antwoordde Fogg, "ik blijf toch altijd uw schuldenaar."

"Mij is het wel!" riep Passepartout. "Neem hem, vriend Parsi! Kiouni is een dapper en moedig beest!"

En naar het dier toegaande gaf hij het eenige klontjes suiker, met de woorden:

"Daar Kiouni, pak maar aan."

"De olifant liet eenig gebrom van goedkeuring hooren; toen nam hij Passepartout bij zijn gordel en hem met zijn snuit omvattende, lichtte hij hem tot aan zijn kop op. Passepartout was volstrekt niet verschrikt, liefkoosde het dier eens, dat hem zachtjes weder op den grond plaatste, greep de punt van den snuit van Kiouni met zijn hand en drukte die hartelijk om zijne omhelzing te beantwoorden.

Eenige oogenblikken later waren Phileas Fogg, Sir Francis Cromarty en Passepartout in een gemakkelijken waggon gezeten, waarvan mevrouw Aouda de beste plaats bezette, en spoorden met groote snelheid naar Benares, ongeveer tachtig mijlen van Allahabad verwijderd, welken afstand men in twee uur moest afleggen. Gedurende dezen tocht kwam de jonge vrouw geheel tot haar zelve. De bedwelmende dampen van den hennep waren vervlogen.

Hoe groot was haar verbazing toen zij bemerkte dat zij in een trein zat, in een waggon, omringd van personen in europeesche kleederdracht en die haar allen geheel onbekend waren.

Terstond overlaadden hare reisgezellen haar met allerlei voorkomendheden en kleine diensten en verkwikten haar met eenige druppels likeur. Daarop verhaalde de generaal haar al hetgeen met haar was voorgevallen. Hij prees vooral de toewijding van Phileas Fogg, die niet geaarzeld had zijn leven te wagen om het hare te redden, en zeide, dat zij de ontknooping van het avontuur aan den stouten inval van Passepartout te danken had.

Fogg liet hem dit alles vertellen, zonder een woord te zeggen. Passepartout was zeer verlegen en herhaalde onophoudelijk dat het de moeite niet waard was!

Mevrouw Aouda dankte hare redders met aandoening, meer nog door hare tranen dan door hare woorden. Hare schoone oogen, meer dan haar lippen, waren de tolken harer dankbaarheid. Toen, denkende aan hetgeen voorgevallen was met de sutty, zag zij in hare verbeelding Indië weder vóór zich, waar nog zoovele gevaren haar wachten, en zij werd door eene huivering van schrik bevangen.

Phileas Fog begreep wat er in de ziel van mevrouw Aouda omging, en bood haar, om haar gerust te stellen, op zeer eenvoudigen toon aan, haar naar Hong-Kong te brengen, waar zij kon blijven tot de zaak geheel uit de wereld zou zijn. Mevrouw Aouda nam dit aanbod met dankbaarheid aan. Te Hong-Kong woonde juist een harer bloedverwanten, een Parsi zooals zij, en een van de grootste handelaren van de stad, die geheel engelsch is, ofschoon zij op een uithoek van de chineesche kust is gelegen.

Te half een kwam de trein te Benares aan. De brahmaansche legenden zeggen dat deze stad de plaats van het oude Casi inneemt, dat vroeger in de lucht hing tusschen het zenith en den nadir, evenals het graf van Mahomed. Maar in dezen materiëelen tijd rust Benares, het Athene van Indië, zooals de Oosterschen het noemen, zeer prozaïsch op den grond, en Passepartout kon een oogenblik deze huizen van gebakken steen en kleihutten beschouwen, die het zulk een treurig aanzien schenken, zonder eenige locale kleur er aan te geven.

Hier moest Sir Francis Cromarty blijven. De troepen, waartoe hij behoorde, waren op eenige mijlen noordelijk van deze stad gekampeerd. De generaal nam van Phileas Fogg afscheid, hem in alle opzichten het beste toewenschende met de bede, dat, zoo hij deze reis weer eens ondernam, zij minder zonderling, maar daarentegen voordeeliger mocht wezen. Fogg drukte even de vingers van zijn reisgezel. Het afscheid van mevrouw Aouda ging teederder in zijn werk. Nooit zou zij vergeten wat zij aan sir Francis Cromarty te danken had.

Passepartout werd door den generaal vereerd met een stevigen handdruk. Zeer geroerd, vroeg hij zich af, waar en wanneer hij zich toch eens voor hem zou kunnen opofferen. Toen scheidde men.

Van Benares af volgt de spoorweg het dal van den Ganges. Door de raampjes van den waggon kon men, bij vrij helder weer, het afwisselend landschap van Behar gadeslaan, de begroeide bergen, de velden met maïs en tarwe en gerst bebouwd, de rivieren en meren met groene alligators, de goed onderhouden dorpen en de nog lommerrijke bosschen. Eenige olifanten en een aantal zebu's met hooge bulten baadden zich in de wateren van den heiligen stroom, en niettegenstaande het reeds ver gevorderde jaargetijde en de koude dagen, volbrachten de Hindoes van beide seksen hunne heilige afwasschingen. Deze geloovigen, verklaarde vijanden van het boedhisme, zijn ijverige aanhangers van den brahmaanschen godsdienst, die belichaamd is in drie personen: Vishnoe, den zonnegod, Shiva, de verpersoonlijking der natuurkrachten, en Brahma, den opperheer van priesters en wetgevers. Maar Brahma, Vishnoe en Shiva, met welk oog zullen zij dit geheel britsch geworden Indië beschouwen, wanneer een stoomboot dreunend de wateren van den heiligen Ganges beroert, de meeuwen, welke over hare oppervlakte vliegen, opjagende, en de schildpadden, die langs zijne oevers kruipen, verschrikkende, en even zoo de vromen, die aan weerszijden van zijne oevers verspreid zijn.

Dit geheele panorama ging bliksemsnel voor hen voorbij, en dikwijls verborg een dikke witte rookwolk nog vele bijzonderheden van het landschap. Ter nauwernood konden de reizigers het fort van Chunar bespeuren, ongeveer twintig mijlen ten zuidoosten van Benares gelegen, een oude sterkte der rajahs van Behar; Chazepore met zijn belangrijke fabrieken van rozenwater, de graftombe van lord Cornwallis, die zich op den rechteroever van de Ganges verheft; de versterkte stad Buxar; Patna, een aanzienlijke fabrieks- en handelsstad, waar de grootste markt van opium uit geheel Indië wordt gehouden; Monghir, een geheel europeesche stad, engelsch als Birmingham en Manchester, beroemd om zijne ijzersmelterijen, zijn smidswerken en wapenen, en welks hooge schoorsteenen met hun zwarten rook den hemel van Brahma bezoedelen en aan het land der droomen al zijn poëzie ontnemen. Eindelijk kwam de nacht, en onder het gebrul der vluchtende tijgers en wolven, ging de trein in volle snelheid voort. Men zag niets meer van de wonderen van Bengalen, noch Golconda, noch het vervallen Gora, noch Murshedabad, dat de vroegere hoofdstad was, Burdwan, nog Hougly, noch Chandernagor, dat aan de Franschen behoort, en waarop Passepartout trotsch zou zijn geweest de Fransche vlag te zien wapperen. Te acht ure eindelijk had men Calcutta bereikt. De mailboot voor Hong-Kong lichtte het anker eerst ten twaalf uur. Phileas Fogg had dus nog vier uur voor zich. Volgens zijn reisboek moest hij den 25en October in de hoofdstad van Indië aankomen, drie en twintig dagen na het verlaten van Londen, en hij was er ook op den bepaalden dag. Hij was noch vóór, noch ten achteren. Ongelukkigerwijze waren de twee dagen, welke hij tusschen Londen en Bombay gewonnen had, verloren gegaan, men weet hoe, bij het doortrekken van het indische schiereiland, maar men mag aannemen dat Phileas Fogg daar geen spijt van had.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Waarin de zak met banknoten weder met eenige duizenden ponden sterling vermindert.

De trein had aan het station opgehouden. Passepartout stapte het eerst uit den waggon, en werd door Fogg gevolgd, die zijne jeugdige reisgezellin bij het uitstijgen behulpzaam was. Phileas Fogg was van plan om terstond naar de mailboot voor Hong-Kong te gaan, ten einde mevrouw Aouda daar zoo gemakkelijk mogelijk te installeeren, want hij wilde niet van haar scheiden, zoolang zij vertoefde in een land, dat zoo gevaarlijk voor haar was.

Op het oogenblik dat Fogg het station zou verlaten, naderde hem een agent van politie met de woorden:

"Mijnheer Phileas Fogg?"

"Die ben ik."

"En deze man is uw bediende?" vroeg de agent verder, op Passepartout wijzende.

"Ja."

"Wil mij dan beiden volgen."

Fogg's houding liet niet de minste verbazing blijken. De agent was een vertegenwoordiger van de wet, en voor iederen engelschman is de wet heilig. Passepartout, met zijne fransche gewoonten, wilde er iets tegen inbrengen, maar de agent raakte hem even met zijn stokje aan, en Phileas Fogg wenkte hem dat hij zou gehoorzamen.

"Kan deze jonge dame ons vergezellen?" vroeg Fogg.

"Dat kan zij," antwoordde de agent.

De agent geleidde Fogg, Aouda en Passepartout naar een palkighari, eene soort van rijtuig op vier wielen met twee paarden bespannen, waarin ruimte voor vier personen was. Men reed weg; niemand sprak gedurende den rit, welke twintig minuten duurde.

Het rijtuig reed eerst door de stad der inlanders met hare hooge nauwe straten en hutten, waarin eene cosmopolitische bevolking zoo vuil en haveloos mogelijk wemelde; vervolgens door de europeesche stad, met huizen van gebakken steen, beschaduwd door kokosboomen en omringd door een bosch van masten.

Ondanks den vroegen morgen doorkruisten reeds vele rijtuigen en voorname ruiters de straten.

De palkighari hield stil voor een gebouw met een onaanzienlijk voorkomen, maar dat toch blijkbaar geen particulier huis was. De agent deed hier zijne gevangenen uitstijgen--men kon hun inderdaad dezen naam wel geven--en bracht hen toen naar een kamer met getraliede vensters, terwijl hij hun toevoegde:

"Om half negen zult gij voor den rechter verschijnen."

Daarop verwijderde hij zich en sloot de deur.

"Mooi zoo! Wij zijn gevangen!" riep Passepartout, zich op een stoel werpende. Mevrouw Aouda richtte zich terstond tot Fogg, en zeide met eene stem, waarin zij kwalijk hare aandoening kon verbergen:

"Mijnheer, gij moet mij aan mijn lot overlaten! Ik ben de oorzaak dat ge vervolgd wordt, omdat gij mij hebt willen redden!"

Phileas Fogg zeide slechts dat dit onmogelijk was. Vervolgd te worden wegens die zaak van de sutty was niet denkbaar. Hoe zouden de aanklagers zich kunnen aanmelden! Er had een vergissing plaats! Fogg voegde er bij, dat hij in geen geval de jonge vrouw zou verlaten, en dat hij haar naar Hong-Kong zou brengen.

"Maar de boot vertrekt ten twaalf ure!" merkte Passepartout op.

"Vóór twaalf ure zullen wij aan boord zijn," antwoordde Fogg kalm.

Dit werd op zulk een beslissenden toon gezegd, dat Passepartout niet kon nalaten bij zich zelven te denken:

"Nu dat is dus zeker? Vóór twaalf uur zullen wij aan boord zijn!" Maar toch was hij nog maar half gerustgesteld.

Tegen half negen ging de deur der kamer open. De agent van politie trad weder binnen en bracht zijne gevangenen in een ander vertrek. Dit was de rechtszaal en een tamelijk groot publiek van Europeanen en inboorlingen was reeds tegenwoordig.

Fogg, Aouda en Passepartout zetten zich op een bank tegenover de zetels van den magistraat en den griffier.

De magistraat, de heer Obadiah, kwam terstond daarop binnen, gevolgd door den griffier. Hij was een groot, gezet man. Hij nam een pruik van een spijker aan den wand en zette die op.

"De eerste zaak," begon hij. Maar zijne hand aan zijn hoofd brengende, riep hij terstond:

"Hé! Dat is mijn pruik niet!"

"Inderdaad, het is de mijne," antwoordde de griffier.

"Waarde mijnheer Oysterpuf, hoe kunt gij meenen dat een rechter een goed vonnis zou kunnen vellen met de pruik van den griffier!"

Men verwisselde toen de pruiken. Onder deze voorbereidende maatregelen kookte het bloed van Passepartout, want het scheen hem toe, dat de wijzer der klok ontzaglijk snel ging.

"De eerste zaak," sprak de rechter Obadiah weder.

"Phileas Fogg," zeide de griffier Oysterpuf.

"Present," antwoordde de heer Fogg.

"Passepartout?"

"Present," herhaalde Passepartout.

"In orde," zeide de rechter Obadiah. "Al twee dagen lang wordt op alle treinen, die van Bombay komen, naar u gezocht."

"En waar beschuldigt men ons dan van?" vroeg Passepartout ongeduldig.

"Dat zult gij aanstonds vernemen," antwoordde de rechter.

"Mijnheer," zeide Fogg toen, "ik ben britsch onderdaan, en ik heb recht...."

"Zijn uwe rechten in eenig opzicht gekrenkt?" vroeg Obadiah.

"Volstrekt niet."

"Goed. Laat dan de aanklagers binnen komen."

Op een wenk van den rechter werd eene deur geopend en drie hindoesche priesters werden door den deurwaarder binnen geleid.

"Juist. Net zoo als ik dacht," prevelde Passepartout, "dat zijn de kerels, welke de Indische dame wilden verbranden."

De priesters plaatsten zich vóór den rechter en de griffier las met luider stem eene aanklacht wegens heiligschennis tegen Phileas Fogg en zijn bediende, beschuldigd een gebouw te hebben ontwijd, dat voor de eeredienst van Brahma bestemd was.

"Hebt gij het gehoord?" vroeg de rechter aan Phileas Fogg.

"Ja, mijnheer," antwoordde Fogg, op zijn horloge ziende, "en ik beken."

"O zoo! gij bekent?...."

"Ik beken en verwacht dat deze drie priesters op hunne beurt bekennen zullen, wat zij wilden doen in de pagode van Pillaji."

De priesters keken elkander aan. Zij schenen niets te begrijpen van de woorden van den beschuldigde.

"Ongetwijfeld," riep Passepartout driftig, "in die pagode van Pillaji, waar zij hun slachtoffer wilden verbranden!"

Nieuwe verbazing der priesters, en diepe verbazing van den rechter Obadiah.

"Welk slachtoffer?" vroeg hij. "Wie wilden zij verbranden in het hartje van Bombay?"

"Bombay!" riep Passepartout.

"Zeker. Er is hier geen sprake van de pagode van Pillaji, maar van de pagode van Malabarhill te Bombay."

"En als bewijs zijn hier de schoenen van den heiligschenner," zeide de griffier, terwijl hij een paar schoenen op zijn lessenaar zette.

"Mijne schoenen!" riep Passepartout uit, die in de hoogste mate verbaasd, dezen onwillekeurigen uitroep niet kon weerhouden.

Men kan de ontsteltenis begrijpen, die bij meester en knecht te weeg was gebracht. Het voorval in de pagode van Bombay hadden zij al lang vergeten, en dit was het toch dat hen voor den magistraat van Calcutta bracht.

De agent Fix had terstond al het voordeel begrepen, dat hij uit deze ongelukkige zaak kon trekken. Zijn vertrek twaalf uren uitstellende, had hij zich tot raadsman opgeworpen van de priesters van Malabarhill; hij had hun eene aanzienlijke schadeloosstelling beloofd, daar hij wel wist dat het engelsche gouvernement zulk eene overtreding zeer zwaar strafte; daarop had hij hen met den volgenden trein de heiligschenners nagezonden. Maar, daar deze veel tijd hadden besteed om de jonge weduwe te redden, waren Fix en de hindoes vóór Fogg en zijn bediende te Calcutta aangekomen, en de magistraten waren door telegrammen verzocht, om hen reeds bij het uitstijgen uit den trein in hechtenis te doen nemen. Men kan begrijpen, hoe groot de teleurstelling van Fix was, toen hij vernam dat Phileas Fogg nog niet in de hoofdstad van Indië was aangekomen. Hij moest wel gelooven dat zijn dief den Peninsular spoorweg had verlaten en zich verborgen hield in een van de noordelijke provinciën. Vier en twintig uren lang verkeerde Fix in doodelijken angst en bespiedde hij het station. Groot was zijne vreugde, toen hij dezen zelfden morgen hem uit den waggon zag stappen, in gezelschap bovendien van een jonge vrouw, van wier tegenwoordigheid hij zich geen rekenschap kon geven. Oogenblikkelijk zond hij een agent van politie op hem af, en dit was de oorzaak dat Fogg, Passepartout en de weduwe van den rajah van Bundelkund voor den rechter Obadiah gebracht werden.

Zoo Passepartout minder vervuld ware geweest met zijn eigene zaak, dan zou hij opgemerkt hebben, dat in een hoekje van de gerechtszaal de detective gezeten was, die het geding met een licht te begrijpen belangstelling volgde; want zoowel te Calcutta, als te Bombay en te Suez, had hij het bevel van inhechtenisneming nog niet ontvangen.

Intusschen had Obadiah akte genomen van de bekentenis van Passepartout, die wel alles wat hij bezat had willen geven, om zijne onvoorzichtige woorden terug te nemen.

"Is het feit erkend?" vroeg de rechter.

"Erkend," antwoordde Fogg kalm.

"Overwegende," hernam de rechter, "dat de engelsche wet alle godsdiensten in Indië even nauwgezet wil beschermen en het misdrijf door genoemden Passepartout erkend is en van dezen alzoo bewezen is dat hij den drempel van den afgodstempel van Malabarhill te Bombay met een heiligschennenden voet heeft betreden op den 20en October, wordt meergemelde Passepartout veroordeeld tot vijf dagen gevangenisstraf en een boete van driehonderd pond."

"Drie honderd pond!" riep Passepartout uit, die slechts ooren had voor de boete.

"Stilte!" riep de deurwaarder met krijschende stem.

"En," voegde de rechter Obadiah er bij, "overwegende dat het niet bewezen is, dat de meester niet medeplichtig was aan het misdrijf van den bediende, maar dat in allen gevalle deze aansprakelijk moet worden gesteld voor de daden en bewegingen van een bediende, welke van hem zijn loon ontvangt, wordt aan Phileas Fogg niet veroorloofd te vertrekken en wordt hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht dagen en een boete van honderd vijftig pond. Griffier de volgende zaak!"

Fix had, in zijn hoek gezeten, met een onuitsprekelijk genoegen Phileas Fogg hooren veroordeelen tot acht dagen gevangenisstraf te Calcutta. Dat was langer tijd dan noodig was om het bevel tot in hechtenisneming te ontvangen.

Passepartout was geheel verpletterd. De veroordeeling deed zijn meester diens geheele fortuin verliezen. Een weddenschap van twintig duizend pond verloren, alleen omdat hij als een echte slenteraar dien verwenschten afgodstempel van Malabarhill binnengetreden was!

Phileas Fogg bleef zoo geheel meester over zich zelven alsof hem de veroordeeling volstrekt niet aanging. Ja, hij fronste zelfs zijn wenkbrauwen niet. Maar op het oogenblik dat de griffier een andere zaak zou roepen, richtte hij zich op met de woorden:

"Ik bied borgtocht aan."

"Dat is uw recht," antwoordde de rechter.

Fix dacht dat hij door den grond zou zinken, maar hij herstelde zich weer spoedig, toen hij vernam wat de rechter zeide.

"Overwegende dat Phileas Fogg en zijn bediende vreemdelingen zijn, wordt borgtocht voor ieder gesteld op de aanzienlijke som van duizend pond."

Twee duizend pond moest het Fogg kosten, zoo hij met zijne veroordeeling geen vrede nam.

"Ik betaal," zeide de gentleman, en haalde uit den zak, dien Passepartout droeg, een pak banknoten, dat hij op den lessenaar van den griffier legde.

"Dit geld zal u in staat stellen om de gevangenis te ontloopen," zeide de rechter. "Gij zijt intusschen vrij onder borgtocht."

"Ga mee," zeide Fogg tot zijn knecht.

"Als zij mij ten minste mijne schoenen maar teruggeven! zeide Passepartout woedend.

Men gaf hem zijne schoenen terug.

Een duur paar schoenen! mompelde hij. Elk meer dan duizend pond! En dan komt er nog bij dat zij mij klemmen! Toen volgde hij zeer neerslachtig Fogg, die mevrouw Aouda zijn arm had geboden. Fix hoopte altijd nog dat zijn dief nooit besluiten zou om die twee duizend pond te betalen, maar liever voor acht dagen in de gevangenis zou gaan. Hij volgde Fogg dus op den voet.

Deze, mevrouw Aouda en Passepartout, stegen terstond in een rijtuig. Fix liep het na en zag dat het weldra op de kade stilhield.

Op een halve mijl afstand van de kust lag de Rangoon voor anker; haar vlag was ten teeken van vertrek boven in den mast geheschen. Het sloeg elf uur, Fogg was dus nog een uur vóór. Fix zag hem uit het rijtuig stijgen en in een bootje gaan met mevrouw Aouda en zijn knecht. De detective stampvoette.

"De deugniet!" riep hij, "hij reist toch weg! Twee duizend pond opgeofferd! Hij is zoo verkwistend als een dief. Ik zal hem toch in mijn macht krijgen, al was het ook aan het einde van de wereld; maar als hij zoo voortgaat, zal ik al het geld van den diefstal er bij inschieten."

De inspecteur van politie was geheel ter prooi aan deze gedachten. En waarlijk sedert hij Londen had verlaten, had Phileas Fogg, zoowel aan reiskosten als fooien, den koop van den olifant, de borgtochten en de boeten, reeds meer dan vijfduizend pond besteed en de zooveel percent van de teruggevonden som, welke toegekend wordt aan den detective, verminderde voortdurend.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Waarin Fix het doet voorkomen niets te weten van de zaken, waarover men hem spreekt.

De Rangoon, een der mailbooten van de P. en O. Compagnie, die de Chineesche en Japansche zeeën bevaart, evenaarde de Mongolia in snelheid, maar niet in goede inrichting. Mevrouw Aouda had hier dan ook niet zulk een goede plaats bekomen, als Fogg wel gewenscht had. Maar het was slechts een tocht van elf of twaalf dagen en de jeugdige vrouw was geen lastige reisgezellin.

Gedurende de eerste dagen van dezen overtocht maakte Aouda nadere kennis met Fogg. Bij elke gelegenheid betoonde zij hem de grootste dankbaarheid. De flegmatieke gentleman hoorde haar, althans oogenschijnlijk, met de meeste kalmte aan, zonder dat eenig woord of gebaar de minste aandoening verried. Hij zorgde altijd dat het de jonge vrouw aan niets ontbrak. Op bepaalde uren kwam hij bij haar, zoo niet om tot haar te spreken, dan toch om naar haar te luisteren. Hij nam jegens haar de grootste beleefdheid in acht, maar met het bevallige en werktuigelijke van een automaat, wiens bewegingen geheel voor dit doel waren ingericht. Mevrouw Aouda wist niet wat zij er van denken moest, maar Passepartout had haar eenigszins ingelicht omtrent het zonderlinge karakter van zijn meester. Hij vertelde haar ook welke weddenschap dezen de reis om de wereld deed maken. Mevrouw Aouda had er om geglimlacht, maar in elk geval had zij haar leven aan hem te danken, en haar redder kon in hare achting niet dalen, daar zij hem steeds door de oogen harer dankbaarheid zag.

Mevrouw Aouda bevestigde het verhaal, dat de hindoesche gids van hare treurige geschiedenis gedaan had. Zij behoorde inderdaad tot het ras, dat de eerste plaats inneemt onder de Indische volksstammen.

Vele parsische hoofden hebben groote zaken in Indië in den katoenhandel gedaan. Een van hen, Sir James Jejeebhoy, was door het Engelsche Gouvernement tot den adelstand verheven, en mevrouw Aouda was familie van dezen rijken koopman, die te Bombay woonde. Zij was zelfs een nicht van sir Jejeebhoy, den achtbaren Jejeeb, dien zij te Hong-Kong hoopte aan te treffen. Zou zij bij hem een toevluchtsoord en hulp vinden? Zij was er niet zeker van. Op dezen twijfel antwoordde Fogg, dat zij zich daarover niet ongerust moest maken en dat alles zich wel schikken zou. Dit was altijd zijn laatste woord.

Begreep de jonge vrouw dit raadselachtige woord? Wie zal het zeggen? Altijd vestigde zij op Fogg hare groote oogen, vochtig als de heilige meren van den Himalaya. Maar de onhandelbare Fogg, nog geslotener dan ooit, scheen de man niet om zich in dit meer te werpen.

Het eerste gedeelte van den overtocht met den Rangoon had plaats onder de gunstigste omstandigheden. Het weer was kalm en dit geheele gedeelte van de onmetelijke baai, welke de zeelieden de Golf van Bengalen noemen, was zeer ten voordeele van de snelheid der mailboot.

Weldra was de Rangoon in het gezicht van den grooten Andaman-achtigen berg de Saddle-Peak, welke eene hoogte heeft van tweeduizend vierhonderd voet, en tot signaal strekt voor de schepen.

