De reis om de wereld in tachtig dagen
Part 6
Al verder en verder klonk het gezang. Nog eenige kreten hoorde men in de verte en eindelijk volgde op al dit gedruisch eene doodelijke stilte.
Phileas Fogg had gehoord wat Francis Cromarty gezegd had, en zoodra de optocht voorbij was, vroeg hij:
"Wat is een sutty?"
"Een sutty," antwoordde de generaal, "is een menschenoffer, maar een vrijwillig offer. De vrouw, die gij daareven gezien hebt, zal morgen bij de eerste schemering verbrand worden."
"Dat canaille!" riep Passepartout, die een kreet van verontwaardiging niet kon onderdrukken.
"En dat lijk?" vroeg Fogg.
"Is het lijk van een onafhankelijken prins, haar gemaal," antwoordde de gids, "een rajah van Bundelkund."
"Wat zegt gij!" sprak Phileas Fogg, zonder dat zijn stem de minste aandoeningen verried. "Vindt men deze barbaarsche gewoonten nog in Indië, en hebben de Engelschen die niet kunnen uitroeien?"
"In het grootste gedeelte van Indië hebben deze offers geen plaats meer. Maar wij oefenen volstrekt geen invloed uit op die onbeschaafde streken, en vooral niet op het grondgebied van Bundelkund. Het geheele noordelijke gedeelte der Vindhias is het bestendig tooneel van moord en plundering."
"Die rampzalige," zuchtte Passepartont, "levend verbrand!"
"Ja," hernam de generaal, "verbrand, en zoo dit niet gebeurde, kunt gij u niet begrijpen in welken ongelukkigen toestand zij door hare bloedverwanten zou worden gebracht. Men zou haar de haren afscheren en zij zou nauwelijks eenige rijstkorrels tot voedsel bekomen; men zou haar verstooten, zij zou als een onrein schepsel beschouwd worden, en in een hoek als een schurftigen hond moeten sterven. Het vooruitzicht op zulk een ellendig bestaan brengt dan ook meer deze ongelukkige tot zulk een opoffering dan de liefde of een dweepzieke godsdienst. Somtijds echter wordt zulk een offer inderdaad uit eigen beweging gebracht, en de krachtigste tusschenkomst van het Gouvernement wordt dan vereischt om het te verhinderen. Eenige jaren geleden, toen ik nog te Bombay woonde, vroeg een jonge weduwe de toestemming aan het Gouvernement om zich tegelijk met het lijk van haar echtgenoot te mogen laten verbranden. Zooals gij wel kunt nagaan, weigerde de Gouverneur die toestemming. Toen verliet de weduwe de stad, verborg zich bij een onafhankelijken rajah en volvoerde op deze wijze haar plan."
Onder het verhaal van den generaal schudde de gids het hoofd en toen deze geëindigd had, zeide hij:
"Het offer dat morgen plaats zal hebben wordt niet vrijwillig gebracht."
"Hoe weet ge dat?" vroeg sir Francis.
"Dat weet ieder in Bundelkund," antwoordde de gids.
"Maar deze ongelukkige bood toch volstrekt geen weerstand," merkte sir Francis op.
"Dat komt omdat men haar bedwelmd heeft met damp van hennep en opium.
"En waar brengt men haar?" vroeg Cromarty verder.
"Naar den afgodstempel van Pijllaji, ongeveer 3 mijlen van hier; daar blijft zij van nacht het uur des offers verbeiden."
"En dit offer heeft plaats?"
"Morgen, met het aanbreken van den dag."
Na dit antwoord haalde de gids den olifant weder uit het boschje en wierp zich op den hals van het dier. Maar op het oogenblik toen hij het door een eigenaardig fluiten wilde aansporen om voort te gaan, hield Fogg hem tegen, en zeide tot sir Francis Cromarty:
"Als wij deze vrouw eens gingen redden?"
"Die vrouw redden, mijnheer Fogg," riep de generaal uit.
"Ik ben nog twaalf uur voor. Ik kan ze aan dit doel geven."
"Gij zijt een man met een edel hart!" zeide sir Francis Cromarty.
"Somtijds," antwoordde Phileas Fogg eenvoudig. "Als ik er tijd toe heb."
DERTIENDE HOOFDSTUK.
Waarin Passepartout wederom het bewijs geeft dat de fortuin op de hand is der stoutmoedigen.
Het plan was gewaagd en de volvoering zou met tallooze moeielijkheden gepaard gaan; misschien zou ze wel onmogelijk wezen.
De heer Fogg ging zijn leven wagen, of minstens zijne vrijheid en daardoor ook de kans op het winnen zijner weddenschap. Maar hij aarzelde niet. Bovendien vond hij in sir Francis Cromarty een bondgenoot, die ook voor geen klein gerucht vervaard was. Wat Passepartout betreft, deze was altijd gereed en men kon op hem rekenen. Het plan van zijn meester vervulde hem met hartstochtelijke bewondering. Hij erkende nu onder diens ijskoude bevroren oppervlakte een hart dat warm klopte, een gemoed, dat gevoelde. Hij begon van Phileas Fogg te houden. De vraag was nog slechts hoe de gids er over dacht en welke partij deze kiezen zou. Zoo hij al niet wilde medewerken, moest men zich ten minste van zijne onzijdigheid verzekeren. Maar zou hij niet geneigd zijn de Hindoes te helpen? Sir Francis Cromarty deed hem die vraag onbewimpeld.
"Generaal," antwoordde de gids," "ik ben een Parsi en de vrouw is eene Parsi. Gij kunt over mij beschikken."
"Goed zoo, gids," antwoordde de heer Fogg.
"Maar gij moet het wel weten," zeide de Parsi, "niet alleen wagen wij er ons leven aan, maar ook den marteldood, wanneer wij gevat worden. Denk dus wel na vóór gij begint.
"Wij hebben nagedacht," zeide Fogg. "Het komt me voor, dat wij den nacht moeten afwachten vóór wij iets ondernemen."
"Dat is ook mijn idee," antwoordde de gids.
De brave Hindoe deelde toen eenige bijzonderheden mede omtrent het slachtoffer. Zij was eene indische vrouw, wier schoonheid algemeen beroemd was, en behoorde tot het ras der Parsis. Haar vader was een parsisch koopman te Bombay geweest en in die stad had zij een geheel engelsche opleiding genoten. Naar hare manieren en de mate van hare kennis oordeelende, zou men haar voor eene europeesche hebben gehouden. Aouda, zoo heette zij, was reeds op jeugdigen leeftijd wees geworden en aan den ouden rajah van Bundelkund uitgehuwelijkt. Drie maanden later was zij weduwe. Daar zij wist welk lot haar te wachten stond, was zij gevlucht, maar men had haar achterhaald en de bloedverwanten van den rajah, die belang bij haren dood hadden, hadden besloten dat ook zij zich zou moeten opofferen; ontkomen scheen niet meer mogelijk.
Dit verhaal versterkte bij den heer Fogg en zijne metgezellen het besluit om haar te bevrijden. Men kwam overeen, dat de gids de richting naar de pagode van Pillaji zou inslaan en die zoo dicht mogelijk zou naderen. Een half uur later hield men halt in een dicht bosch, op vijfhonderd schreden van de pagode, welke men niet zien kon; maar het geschreeuw der dweepzieke menigte hoorde men duidelijk.
Toen beraadslaagde men over de middelen om het slachtoffer te genaken. De gids kende de pagode van Pillaji, waarin hij verzekerde, dat de jeugdige vrouw zou worden opgesloten. De vraag was, of men er kon binnendringen door eene van de poorten, terwijl de gansche bende, zwijmeldronken, daaromheen was gelegerd; dan wel of men eene opening in den wand moest maken. Dit kon eerst beslist worden, wanneer men op de plek zelve zou zijn. Maar wat niet twijfelachtig kon wezen, was dat men dien nacht zelven het slachtoffer bevrijden moest, daar zij den anderen morgen ter dood gebracht zou worden. Op dat oogenblik zou geene menschelijke macht meer in staat zijn haar te redden.
Fogg en zijne metgezellen wachtten den nacht af. Zoodra het donker werd, tegen zes uur des avonds, besloten zij tot eene verkenning in den omtrek van de pagode. De laatste kreten der fakirs waren weggestorven. Volgens gewoonte moesten deze Indiërs bedwelmd zijn door den damp van opium en hennep en het was mogelijk tusschen hen door te sluipen tot den tempel.
De Parsi, gevolgd door Phileas Fogg, Francis Cromarty en Passepartout, baande zich een doortocht door het bosch. Na tien minuten onder de takken te zijn doorgekropen, kwamen zij aan den oever eener kleine rivier, en daar zagen zij, bij het licht van de vlammende harstakjes, die op het uiteinde van ijzeren staven gestoken waren, een hoogen stapel hout. Dat was de brandstapel van welriekend sandelhout, doortrokken van geurige oliën. Bovenop lag het gebalsemd lijk van den rajah, hetwelk verbrand moest worden te gelijk met dat zijner weduwe. Op honderd schreden van den brandstapel verhief zich de pagode, wier torentjes boven de kruinen der boomen uitstaken.
"Volg mij," zeide de gids op fluisterenden toon.
Met verdubbelde behoedzaamheid en door zijne metgezellen gevolgd, gleed de gids onhoorbaar door het hooge gras langs den oever. Men hoorde niets dan het ruischen van den wind in het gebladerte. Weldra bleef de Parsi staan op eene opene plek in het bosch, verlicht door eenige brandende dennentakken. Op den grond lagen een aantal slapenden verstrooid, kennelijk in dronkenschap verkeerende. Men zou gezegd hebben, dat het een slagveld was met dooden bedekt. Mannen, vrouwen en kinderen lagen hier op en door elkander, terwijl men op korten afstand nog eenige beschonkenen hoorde ronken.
Op den achtergrond tusschen dicht geboomte zag men onduidelijk de omtrekken van de pagode. Maar tot groote teleurstelling van den gids onderscheidde men de lijfwachten van den rajah, die bij helder flikkerende boomstammen, de ontbloote sabels in de hand, op schildwacht stonden voor den tempel. Men moest dus onderstellen dat de priesters in den tempel eveneens waakten.
De Parsi waagde zich niet verder.
Hij besefte dat het onmogelijk was den ingang van den tempel te naderen en voerde zijne metgezellen in het bosch terug. Phileas Fogg en Cromarty hadden eveneens begrepen, dat van deze zijde niets was te beproeven. Zij hielden stand en overlegden met elkander op fluisterenden toon.
"Laat ons wachten," zeide de generaal, "het is eerst acht ure en het is mogelijk, dat ook de lijfwachten in slaap vallen."
"Dit is inderdaad mogelijk," zeide de Parsi.
Phileas Fogg en de zijnen legden zich dus neder bij een boom en wachtten. De tijd viel hun zeer lang. Nu en dan verliet hen de gids om eens hoogte van de zaken te gaan nemen. Maar de lijfwachten van den rajah bleven waken bij hunne toortsen en door de openingen in de pagode drong een flauw licht naar buiten.
Men wachtte tot middernacht, maar de toestand bleef dezelfde.
Vóór den tempel hield men nog altijd de wacht. Blijkbaar kon men er dus niet op rekenen, dat ook de wachters zouden gaan slapen. Waarschijnlijk hadden zij geen opium mogen schuiven. Men moest dus op een ander middel bedacht zijn en trachten door eene opening in de achterzijde van den tempel daar binnen te dringen. Maar het bleef de vraag of daar de priesters niet even waakzaam zouden zijn als de soldaten er buiten.
Na een laatste overleg, verklaarde de gids zich bereid om op verkenning uit te gaan. Fogg, sir Francis en Passepartout volgden hem. Zij maakten een omweg groot genoeg om onbemerkt de achterzijde van den tempel te bereiken. Tegen half een kwamen zij hier aan zonder iemand ontmoet te hebben. Aan dien kant werd volstrekt geen wacht gehouden, maar er waren daar dan ook deuren noch vensters. De nacht was donker; de maan in haar laatste kwartier en bovendien was zij verborgen achter de zware wolken. De dikke boomen verhoogden nog de duisternis.
Het was echter niet genoeg dat men de achterzijde van den tempel bereikt had; men moest er nog eene opening in maken. Phileas Fogg en de zijnen hadden niets dan hunne zakmessen. Gelukkig bestonden de wanden slechts uit gemetselde steenen en hout, zoodat het niet moeielijk was er een gat in te boren. Als de eerste steen was weggenomen, volgden de andere van zelf. Men toog aan het werk, zoo weinig gedruisch mogelijk makende. De Parsi aan de eene zijde en Passepartout aan de andere lichtten de steenen er uit, zoodat men al spoedig eene spleet had van twee voet breedte. Het werk vorderde reeds goed, toen eensklaps een kreet uit den tempel weerklonk en onmiddellijk door andere kreten wed beantwoord.
Passepartout en de gids staakten hun arbeid. Had men hen ontdekt? Was er alarm gemaakt? De voorzichtigheid gebood hun zich te verwijderen, wat zij dan ook deden tegelijk met Phileas Fogg en sir Francis Cromarty. Zij verborgen zich opnieuw in het dichtst van het bosch, wachtende tot het alarm, wanneer het dit geweest was, zou zijn bedaard, ten einde dan weder hunne taak te hervatten. Maar, helaas! een gedeelte van de lijfwacht trok den tempel om en posteerde zich aan de achterzijde, zoodat ook van dien kant het niet meer mogelijk was de pagode te naderen.
Men kan zich de teleurstelling van de vier moedige mannen denken, aan wie thans elke poging tot redding belet was. Zij konden het slachtoffer niet naderen, hoe zouden zij het dus redden? Sir Francis beet zich de lippen aan bloed. Passepartout was buiten zich zelven van woede en met moeite kon de gids hem in bedwang houden. Fogg alleen bleef kalm en verborg zijne gewaarwordingen.
"Zou ons dus niets anders overblijven dan weder heen te gaan?" vroeg de generaal.
"Er blijft ons niets anders over," erkende de gids.
"Laat ons wachten," zeide Fogg, "ik behoef eerst morgen ten twaalf ure te Allahabad te zijn."
"Maar wat hoopt gij dan nog?" vroeg Francis Cromarty. "Over een paar uur is het dag en...."
"De kans, die ons thans ontsnapt, kan zich op het laatste oogenblik aanbieden."
De generaal trachtte op het gelaat van Phileas Fogg te lezen, wat er in dezen omging. Hij begreep niet waarop die koele Brit thans nog kon hopen. Zou hij misschien op het oogenblik, dat de vrouw op den brandstapel stond, haar met geweld aan hare beulen willen ontrukken? Dat zou krankzinnigheid wezen; maar was de man niet krankzinnig genoeg om het te beproeven? Nochtans stemde Cromarty er in toe, te blijven tot de ontknooping van deze vreeselijke gebeurtenis. De gids wilde echter niet, dat de heeren op de plek zouden blijven waar zij zich nu bevonden en geleidde hen naar eene andere plaats nabij het open gedeelte van het bosch. Daar waren zij onder het zware lommer der boomen en zagen zij de slapende groepen, flauw verlicht door de walmende toortsen.
Passepartout intusschen, op de onderste takken gezeten, peinsde over een plan, dat reeds terstond bij hem was opgerezen en telkens in zijn geest terugkeerde, zoodat hij het niet meer van zich kon zetten. Eerst had hij tot zich zelven gezegd, dat het eene dwaasheid zou zijn; toen vroeg hij zich af, waarom hij het niet zou wagen; het was in ieder geval een kans, misschien wel de eenige, en die wezens waren zoo dom.... Passepartout deelde zijn plan niet mede, maar weldra klauterde hij met de lenigheid van een slang in de onderste takken, welker uiteinden den grond raakten.
De uren verliepen en weldra zag men een lichten gloed in de verte. Het was de dageraad. In de omgeving bleef alles nog donker. Het gewichtige oogenblik was daar. De sluimerende menigte verrees plotseling van den grond. Er kwam leven en beweging in de groepen. De tam-tam werd geslagen en het zingen begon weder. Het uur was gekomen, waarop de ongelukkige sterven moest.
Weldra werden de poorten van den tempel geopend. Een fel licht straalde naar buiten. Fogg en Cromarty zagen het slachtoffer door het volle schijnsel der toortsen bestraald; twee priesters sleepten haar mede. Het scheen hun zelfs toe, dat door een laatste instinct van zelfbehoud, de rampzalige uit hare verdooving ontwaakte en trachtte te vluchten. Het hart van sir Francis dreigde te barsten en zenuwachtig greep hij de hand van Phileas Fogg; hij voelde dat die hand een mes omklemd hield.
Op dit oogenblik zette de stoet zich in beweging. De jeugdige vrouw was weder in een staat van verdooving geraakt, door den damp der hennep teweeggebracht. Zij werd tusschen de fakirs door gedragen, terwijl deze hunne godsdienstige liederen zongen. Phileas Fogg en zijne metgezellen sloten zich bij de laatste gelederen aan en volgden.
Twee minuten daarna kwamen zij aan den oever der rivier en hielden stand op vijftig schreden van den brandstapel, waarop het lijk van den rajah lag. In de schemering zagen zij het roerlooze slachtoffer neergelegd naast het zielloos overschot van haar echtgenoot.
Een der priesters naderde met eene toorts, en bijna onmiddellijk stond de met olie doortrokken houtstapel in volle vlam.
Op dat oogenblik hielden sir Francis Cromarty en de gids Phileas Fogg tegen, die in waanzinnigen moed zich op den brandstapel wilde werpen.
Reeds stootte hij hen van zich af, toen plotseling het tooneel een geheel ander aanzien kreeg. Een kreet van schrik steeg uit aller mond. De gansene menigte wierp zich, in de grootste ontzetting, ter aarde.
De oude rajah was dan niet dood? Men zag hoe hij plotseling overeind rees, zijne gade in de armen nam en als een schim van den brandstapel verdween, te midden van de vlammen en de rookwolken.
De fakirs, de lijfwachten, de priesters, aan vrees en schrik ter prooi, lagen met het gelaat op den grond en durfden niet opzien naar dit wonder. Het roerlooze slachtoffer werd weggedragen door een paar krachtige armen, die haar gewicht niet schenen te gevoelen. De heeren Fogg en Cromarty waren blijven staan. De Parsi had het hoofd gebogen en Passepartout was zeker niet minder verbaasd.
De uit den dood verrezene had de plaats bereikt waar de heeren Fogg en Cromarty zich bevonden en op stroeven toon zeide hij:
"Vooruit!"
Het was Passepartout zelf, die den brandstapel had bestegen te midden van den dikken rook en de vrouw ontrukt had aan een wissen dood.
Een oogenblik later waren alle vier in het bosch verdwenen en de olifant rende in snellen draf voort. Maar een luid geschreeuw en zelfs een kogel, die den hoed van Phileas Fogg doorboorde, getuigden, dat de list ontdekt was. Op den brandstapel lag nog altijd het lijk van den ouden rajah en de priesters, van hunne ontsteltenis bekomen, begrepen dat een onbeschaamde roof was gepleegd. Zij ijlden, gevolgd door de wachters, de vluchtenden na. Men schoot op hen, maar de europeanen reden te snel en in weinige oogenblikken waren zij buiten het bereik der pijlen en kogels.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
Waarin Phileas Fogg het prachtige dal van den Ganges doortrekt, zonder er in het minst aan te denken om dit te bezichtigen.
Men was in de stoutmoedige schaking gelukkig geslaagd. Een uur lang juichte Passepartout nog over het gelukken van het plan. Sir Francis Cromarty had den onverschrokken knecht de hand gedrukt. Zijn meester had tot hem gezegd: "Goed," wat in den mond van dezen gentleman gelijk stond met de vleiendste loftuiting. Passepartout had daarop geantwoord, dat al de eer van de onderneming aan zijn meester toekwam. Voor zich zelf had hij één "dwaze" gedachte gehad, en hij lachte er om als hij naging, dat hij, Passepartout, oud-sergeant bij de pompiers, een oogenblik de weduwnaar was geweest van eene schoone, jonge vrouw, de weduwe van een gebalsemden rajah.
Wat de jeugdige hindoesche aangaat, zij had zich volstrekt geen rekenschap kunnen geven van hetgeen er gebeurd was. In een paar reisdekens gewikkeld, lag zij nu in een der manden neder. De olifant met beleid door den Parsi bestuurd, draafde middelerwijl zoo snel mogelijk door het duistere bosch. Een uur na het verlaten van den afgodstempel van Pillaji rende hij over een onmetelijke vlakte. Ten zeven ure hield men halt. Aouda was nog altoos bewusteloos. De gids liet haar een teug water met brandewijn drinken, maar de staat van bedwelming duurde nog geruimen tijd voort. Sir Francis Cromarty, die de werking der inademing van hennep kende, was volstrekt niet ongerust. Maar zoo al het herstel der jeugdige hindoesche den generaal niet bezorgd maakte, minder gerust was hij omtrent hare toekomst. Hij deelde onbewimpeld aan Phileas Fogg mede, dat zoo mevrouw Aouda in Indië bleef, zij ongetwijfeld weder in de handen harer beulen zou vallen. Deze stonden over het geheele schiereiland met elkander in betrekking, en zeker zouden ze, ondanks de engelsche politie, zich weder van hun slachtoffer weten meester te maken, te Madras even goed als te Bombay of Calcutta. Tot staving van zijne bewering deelde Francis een feit van denzelfden aard mede, dat nog pas geleden had plaats gehad. Volgens hem zou de vrouw niet veilig zijn voor zij Indië had verlaten. Phileas Fogg antwoordde dat hij deze waarschuwing niet vergeten zou en over de zaak zou nadenken.
Ten tien ure verwittigde de gids de heeren, dat zij te Allahabad waren. Daar ving de spoorweg weder aan en van dit station kon men in minder dan een etmaal Calcutta bereiken. Phileas Fogg zou dus tijdig genoeg aankomen voor de mailboot die eerst des anderen daags, 25 October, des middags naar Hong-Kong vertrekt. Men bracht de indische dame in eene kamer van het station en Passepartout werd belast met den aankoop van al hetgeen zij voor haar toilet behoefde. Zijn meester verleende hem onbeperkt crediet.
Passepartout begaf zich aanstonds op weg en doorkruiste de stad. Allahabad, stad van God, is een der heiligste steden van Indië, omdat zij gebouwd is aan de samenvloeiing van de heilige stroomen, de Ganges en de Jumna, naar wier wateren de bewoners van het schiereiland ter bedevaart opgaan. Men weet bovendien, dat, volgens de legenden van de Ramayana, de Ganges zijn oorsprong neemt in den hemel, van waar de goedertierenheid van Brahma hem naar de aarde zendt.
De boodschappen, welke Passepartout te verrichten had, stelden hem in de gelegenheid de stad te zien, welke voorheen beschermd werd door een prachtig fort, dat nu tot staatsgevangenis dient. Thans is er nijverheid noch handel in deze stad, waar voorheen de eene zoowel als de andere bloeide. Passepartout, die te vergeefs een modemagazijn zocht alsof hij in Regent-street was, in de nabijheid van Farmer & Co. vond slechts bij een uitdrager, een ouden inhaligen Europeaan, de voorwerpen, welke hij noodig had, een schotsch rokje, een grooten mantel en een prachtigen pels van bevervel, waarvoor hij niet aarzelde vijf en zeventig pond te betalen. Toen keerde hij met de grootste voldoening naar het station terug.
Mevrouw Aouda kwam langzamerhand tot haar zelve. De invloed waaronder zij door de priesters van Pillaji gebracht was, verdween en haar schoone oogen kregen weer haar indische zachtheid terug.
Als de dichterlijke koning Ucaf Uddarel de bekoorlijkheden van koningin Ahmehnagara bezingt, drukt hij zich aldus uit:
"Hare glanzende haren, in twee regelmatige deelen gescheiden, vormen een lijst om de volmaakt harmonische trekken van hare zachte, blanke wangen, schitterend van reinheid en frischheid. Hare effen zwarte wenkbrauwen hebben den vorm en de kracht van den boog van Kamas, den god der liefde, en onder hare lange zijden oogwimpers om den donkeren appel harer groote doorschijnende oogen, zwemmen als in de heilige muren van den Himalaya, de reinste beelden van het hemelsche licht. Fijn, effen en wit zijn hare tanden, die schitteren tusschen de glimlachende lippen als dauwdroppelen in de half ontloken kelk van de grenaatbloem. Hare kleine ooren met symetrische lijnen, hare roode handjes, hare kleine ronde voeten zijn als de knoppen van den lotus, en prijken met den gloed der schoonste paarlen van Ceylon, der prachtigste diamanten van Golconda. De tengere, buigzame gestalte, die eene hand omsluiten kan, verhoogt den edelen vorm van hare ronde heupen en den rijkdom van haar boezem waar de jeugd in vollen bloei haar hoogste schatten ten toon spreidt, en onder de zijden plooien harer tuniek schijnt zij uit zuiver zilver gedreven door de goddelijke hand van Vivcacarma, den eeuwigen beeldhouwer." Met andere woorden en ontdaan van al deze dichterlijke beelden: Mevrouw Aouda, de weduwe van een rajah uit Bundelkund, was eene schoone vrouw in de volle beteekenis des woords en ook volgens europeesche begrippen. Zij sprak zeer goed engelsch en de gids had niet overdreven toen hij zeide dat deze jonge hindoesche door hare opvoeding geheel veranderd was.
Intusschen stond de trein gereed om het station van Allahabad te verlaten. De Parsi wachtte, Fogg rekende met hem af, en betaalde den overeengekomen prijs zonder hem een stuiver te veel te geven.