# De reis om de wereld in tachtig dagen

## Part 4

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-reis-om-de-wereld-in-tachtig-dagen-11318/index.md

Volstrekt niet, of althans in zeer geringe mate. De gentleman dacht wel eens aan zulke mogelijkheden, maar hij bleef altijd de kalme onbeweeglijke man, het onverstoorbare lid der Reform-club, wien geen ongeluk of toeval kon verrassen. Hij scheen niet meer aangedaan dan de chronometer aan boord. Men zag hem zelden op het dek. Hij gaf zich volstrekt geen moeite om de Roode Zee gade te slaan, zoo rijk aan herinneringen, het tooneel van de eerste gebeurtenissen in de geschiedenis der menschheid. Hij ging niet naar boven om de fraaie steden te zien liggen, die gezaaid zijn langs hare oevers, en waarvan de schilderachtige omtrekken zich somtijds tegen den gezichteinder teekenen. Hij droomde zelfs niet van de gevaren van deze arabische golf, waarvan de oude geschiedschrijvers Strabo, Arianus, Arthemidores, Edrisi zooveel akeligheden hebben verhaald en waarop de zeelieden zich nooit waagden zonder door zoenoffers hunne reis te hebben geheiligd.

Wat deed dan toch deze zonderling, die op de Mongolia gevangen zat? Vooreerst gebruikte hij zijn vier dinés daags, zonder dat eenige slingering of schommeling eene zoo goed georganiseerde constitutie in de war kon brengen. En vervolgens whistte hij.

Ja! Hij had partners aangetroffen, die even dol op het spel waren als hij; een ambtenaar der belastingen, die zich weder naar zijn post te Goa begaf, een predikant, den eerwaarden Decimus Smith, die naar Bombay terugkeerde, en een brigade-generaal van het britsche leger, die zijn regiment te Benares opzocht. Deze drie passagiers hadden voor het whisten denzelfden hartstocht als Phileas Fogg, en zij speelden uren lang zonder een woord te spreken.

Wat Passepartout aangaat, die tot nog toe geen last had gehad van zeeziekte, hij was den geheelen dag in zijne hut op de voorplecht, en ook hij at met evenveel lust als zijn meester. Hij zou er het zijne maar van nemen. Goed gevoed, goed gehuisvest, zag hij de wereld en hield zich overtuigd, dat al deze dwaasheden te Bombay wel een einde zouden nemen.

Den dag van het vertrek van Suez, den 29en October, ontmoette hij tot zijne blijdschap den gedienstigen heer, tot wien hij zich op den afrikaanschen bodem gericht had.

"Als ik mij niet vergis, mijnheer," zeide hij, met zijn beminnelijksten glimlach Fix aansprekende, "zijt gij dezelfde heer die zoo vriendelijk waart mij te Suez te helpen."

"Inderdaad," antwoordde de detective, "ik herken u: gij zijt de bediende van dien zonderlingen Engelschman."

"Juist...!"

"Ik heet Fix."

"Mijnheer Fix," zeide Passepartout. "Ik ben verheugd u hier aan boord weer te vinden. Waar gaat gij naar toe?"

"Wel, evenals gij, naar Bombay."

"Des te beter. Hebt gij al meer die reis gemaakt?"

"Verscheidene malen," antwoordde Fix. "Ik ben agent van de Peninsular-Company."

"Dus zijt gij in Indië bekend?"

"Wel zeker...." antwoordde Fix, die niet te ver wilde gaan.

"En daar is alles zeer merkwaardig?"

"Zeer merkwaardig. Moskeën, minaretten, tempels, fakirs, afgodsbeelden, tijgers, slangen, bayadères! Maar het is te hopen dat gij daar lang genoeg blijft om het land te zien."

"Ik hoop het, mijnheer Fix. Gij begrijpt dat het toch niet te vergen is van een man met gezond verstand om zijn leven te slijten met over te springen van een boot in een spoortrein en van een spoortrein in een boot, onder voorwendsel de reis om de wereld te maken in tachtig dagen. Ik twijfel er niet aan of al die gymnastiek zal te Bombay wel eindigen."

"Is mijnheer Fogg welvarend?" vroeg Fix op zijn natuurlijksten toon.

"Zeer welvarend, mijnheer Fix, en ik ook. Ik eet als een wolf, die in langen tijd niets gehad heeft. Het is zeker de zeelucht."

"Uw meester zie ik nooit op het dek."

"Neen, nooit. Hij is niet nieuwsgierig."

"Weet ge wel, mijnheer Passepartout, dat deze beweerde reis om de wereld wel een geheime zending kon verbergen ... bij voorbeeld een diplomatieke missie."

"Op mijn woord, mijnheer Fix, daar weet ik niets van; dat moet ik u eerlijk bekennen, en het is mij ook geen halve kroon waard om het te weten."

Na deze ontmoeting spraken Fix en Passepartout nog dikwijls samen. De inspecteur van politie scheen er prijs op te stellen, om met den bediende van den heer Fogg goede vrienden te worden. Dit kon hem bij voorkomende gelegenheid te pas komen. Hij bood hem dan ook dikwijls in de koffiekamer der Mongolia een glas whisky of pale-ale aan, dat de goede jongen altijd zonder eenigen omslag aannam en dikwijls ook beantwoordde om geen verplichting te maken; hij vond dien Fix een zeer beleefd gentleman.

Onderwijl ging de mailboot snel vooruit. Den 13en had men Mokka in het gezicht, dat in een ring van verwoeste muren scheen te liggen, waarboven eenige groene dadelboomen. In de verte ontdekte men tegen de bergen de uitgestrekte koffievelden. Passepartout was in verrukking toen hij deze beroemde stad zag, en hij vond zelfs dat zij met hare ronde muren en geslechte vesting, die tot oor moest dienen, veel op een reusachtige kop koffie geleek.

Den volgenden nacht passeerde de Mongolia de straat Bab-el-Mandeb, welke arabische naam beteekent: Poort der Tranen, en den anderen morgen, den 14en liep zij te Steamer-Point ten noordwesten van de reede van Aden binnen. Hier moest zij weder brandstof opdoen.

Een ernstige en belangrijke zaak is de zorg voor de steenkolen der mailbooten, op zulke afstanden van de plaats waar zij worden gedolven. Voor de Peninsular-Company is dit eene jaarlijksche uitgave van acht honderd duizend pond sterling, want men heeft op verscheidene punten in die ver verwijderde zeeën depots moeten vestigen en daar kost het hectoliter kolen veertig gulden.

De Mongolia had nog zestien honderd vijftig mijlen af te leggen vòor zij Bombay bereikte en moest vier uur te Steamer-Point blijven, om haar voorraad in te nemen. Maar dit oponthoud kon aan het programma van Fogg volstrekt geen nadeel doen. Dit alles had men berekend. Daarenboven was de Mongolia, in plaats van in den morgen van den 15en October te Aden te komen, reeds den 14en aldaar gearriveerd. Dit was dus een winst van vijftien uren.

Fogg en zijn bediende gingen nu aan land. De gentleman wilde zijn paspoort laten viseeren. Fix volgde hem onopgemerkt. Toen deze formaliteit afgeloopen was, keerde Phileas Fogg weer naar boord terug, om daar zijn geschorst spel te hervatten.

Passepartout slenterde, volgens gewoonte, door de stad, tusschen Somanlis, Banianen, Perzen, Joden, Arabieren en Europeanen, die de 25,000 inwoners van Aden uitmaken. Hij bewonderde de versterkingen, die deze stad tot een Gibraltar der Indische Zee maken, en de prachtige waterleidingen, waaraan de engelsche ingenieurs, twee duizend jaren na die van koning Salomo, arbeidden.

"Zeer-merkwaardig! zeer merkwaardig!" mompelde Passepartout bij zich zelven, toen hij weer aan boord was. "Ik zie dat het zeer nuttig is om te reizen, wanneer men iets nieuws wil zien."

Ten zes ure des avonds stoomde de Mongolia weder voort en was spoedig in de Indische Zee. Er waren haar nog honderd acht en zestig uren toegestaan, om den weg van Aden naar Bombay af te leggen. De Indische Zee was haar ook verder zeer gunstig. De wind bleef noord-west. De zeilen kwamen den stoom te hulp.

Het schip, dat nu zwaarder belast was, slingerde minder. De passagiers kwamen in nieuwe toiletten op het dek. Het zingen en dansen nam weer een aanvang. De reis werd dus onder de gunstigste omstandigheden volbracht. Passepartout was zeer ingenomen met den aangenamen reisgenoot, dien het toeval hem in den persoon van Fix verschaft had.

Zondag 20 October, tegen 12 uur, kreeg men de indische kust in 't gezicht. Twee uur later kwam de loods aan boord der Mongolia. Aan den horizon teekenden zich de bergen schilderachtig tegen den donkeren hemel af. Weldra zag men de palmen, die boven de stad uitstaken. De mailboot stoomde de haven binnen, welke gevormd wordt door de eilanden Salsette, Colaba, Elephanto en Butcher en ten half vijf lag zij voor de kade van Bombay.

Phileas Fogg had dien dag zijn drie en dertigsten robber gespeeld; zijn partner en hij hadden door vernuftige berekening schlem gemaakt.

De Mongolia moest eerst den 22en October te Bombay aankomen. Zij kwam er den 20en, dus had men sedert het vertrek uit Londen twee dagen gewonnen, wat Phileas Fogg niet naliet terstond in zijn register te vermelden.

TIENDE HOOFDSTUK.

Waarin Passepartout maar al te blij is dat hij met het verlies zijner schoenen er af komt.

Iedereen weet dat Indië, deze groote omgekeerde driehoek, wiens basis in het noorden en toppunt in het zuiden gelegen is, een oppervlakte heeft van veertien honderd duizend vierkante mijlen, en een zeer ongelijk verspreide bevolking telt van honderd tachtig millioen inwoners. Het britsche Gouvernement oefent onbepaald gezag uit over een zeker gedeelte van dit onmetelijke land, en heeft te Calcutta een gouverneur-generaal, als ook gouverneurs te Madras, Bombay en Bengalen en een luitenant-gouverneur te Agra.

Maar eigenlijk Engelsch-Indië heeft niet meer dan een oppervlakte van zeven honderd duizend vierkante mijlen, met een bevolking van honderd a honderd tien millioen inwoners. Daaruit blijkt genoegzaam, dat de koningin over een aanzienlijk deel van dit grondgebied niet regeert, en inderdaad, de woeste en geduchte hindoesche rajahs in het binnenland zijn nog geheel onafhankelijk.

Sedert 1576--toen de eerste engelsche kolonie gesticht werd op de plek waar het tegenwoordige Madras ligt--tot het jaar, waarin onder de Cipayers een groote opstand plaats had, was de beroemde Indische Compagnie alvermogend. Zij annexeerde langzamerhand de verschillende provinciën, die zij van de rajahs kocht tegen renten, welke zij niet of bijna niet betaalde; zij stelde haren gouverneur-generaal en alle verdere ambtenaren in burgerlijke of militaire betrekkingen aan; maar nu is zij te niet gegaan, en de engelsche bezittingen in Indië behooren rechtstreeks aan de kroon.

Het karakter des lands, de zeden, de ethnographische indeeling van dit uitgestrekte schiereiland wijzigen zich elken dag. Voorheen reisde men er met verschillende ouderwetsche vervoermiddelen, te paard, te voet, met karren, kruiwagens, draagstoelen, op den rug van bedienden, in koetsen enz. Thans zijn het stoombooten, die met groote snelheid den Indus en den Ganges bevaren, terwijl een spoorweg Indië in zijne geheele breedte doorsnijdt en zich in verschillende takken splitst, zoodat Bombay en Calcutta slechts drie dagen van elkaar verwijderd zijn.

De spoorweg doorsnijdt Indië niet in eene rechte lijn; de afstand hemelsbreed is niet meer dan duizend of elf honderd mijlen en de treinen, die slechts met een matige snelheid rijden, zouden geen drie dagen noodig hebben om het van het eene einde naar het andere einde over te steken; maar deze afstand wordt wel een derde grooter door de bocht over Allahabad, dat in het noorden van het schiereiland is gelegen.

Ziehier in het kort de richting van den Great Indian Peninsular Railway. Wanneer hij het eiland Bombay verlaat, passeert hij Salsette, komt op het vasteland juist tegenover Tannah, doorsnijdt het oostelijk gedeelte van de bergketen Ghâtes, strekt zich vervolgens naar het noorden uit tot aan Burhampore, slingert zich door het nagenoeg onafhankelijke landschap van Bundelkund, buigt zich tot Allahabad en dan naar het oosten, ontmoet daar den Ganges bij Benares, verwijdert er zich een weinig van, om vervolgens weder door het zuid-oosten over Burdivan en de fransche stad Chandernagor te Calcutta te eindigen.

Het was 's namiddags half vijf toen de Mongolia te Bombay aankwam, en de trein naar Calcutta vertrok precies om acht uur.

Mijnheer Fogg nam dus van zijne medespelers afscheid, verliet de mailboot, gaf aan zijn bediende eenige inlichtingen omtrent boodschappen, die deze te doen had, en beval hem zeer uitdrukkelijk aan om vooral vóór acht uur aan het station te wezen; en met zijn gelijkmatigen tred, den slinger van een klok gelijk, begaf hij zich naar het bureel voor de paspoorten.

Te Bombay dacht hij er evenmin aan om iets te gaan zien van de wonderen, noch het stadhuis, noch de prachtige bibliotheek, noch de vesting, noch de dokken, noch de katoenmarkt, noch de winkels, noch de moskeeën, noch de synagogen, noch de armenische kerken, noch den prachtigen afgodstempel van Malabar-hill, versierd met zijne twee veelhoekige torens. Hij bezichtigde ook niet de meesterstukken van ivoor, noch die geheimzinnige onderaardsche begraafplaatsen, welke aan de zuid-oostzijde der reede verborgen zijn, noch de kanherische grotten op het eiland Salsette, bewonderenswaardige overblijfselen der boeddhistische bouwkunde. Niets van dat alles. Toen hij van het bureel der paspoorten terugkwam, begaf Phileas Fogg zich bedaard naar het station en ging daar dineeren. Onder de verschillende gerechten prees de kastelein hem zeer aan een ragout van inheemsche konijnen, die uitstekend moest wezen.

Phileas Fogg bestelde zulk een konijnenragout, proefde dien zeer nauwkeurig, maar ondanks zijne gekruide saus, vond hij hem afschuwelijk.

Hij liet den logementhouder komen.

"Mijnheer," zeide hij, hem strak aanziende, "is dat konijn?"

"Ja, mylord," antwoordde deze zonder blikken of blozen.

"En het heeft niet gemauwd, toen men het doodde?"

"Gemauwd! Maar! mylord! een konijn! Ik bezweer u...."

"Mijnheer de logementhouder," hernam Phileas Fogg koel, "zweer niet, maar herinner u slechts dit: vroeger werden de katten in Indië als heilige dieren beschouwd. Dat was een goede tijd."

"Voor de katten, mylord?"

"En ook voor de reizigers."

Toen Fogg deze opmerking gemaakt had, vervolgde hij rustig zijn diner.

Eenige oogenblikken na den heer Fogg, kwam ook de inspecteur Fix, die eveneens de Mongolia verlaten had, bij den directeur van politie te Bombay. Hij maakte zich als detective bekend, alsmede de zending waarmede hij belast was, en zijn toestand tegenover den vermoedelijken dief. Toen vroeg hij of men een bevel tot inhechtenisneming ontvangen had?

Men had niets ontvangen. Ook kon dat bevel nog niet zijn aangekomen, daar het eerst na Fogg moest zijn afgezonden.

Fix was zeer teleurgesteld. Hij vorderde van den directeur een bevel tot inhechtenisneming van den heer Fogg. De directeur weigerde. De zaak betrof de politie in de hoofdstad en deze alleen kon dus ook het bevel uitvaardigen. Deze vastheid van beginselen, deze strenge inachtneming der wet is zeer verklaarbaar door de engelsche zeden, die, in zake van persoonlijke vrijheid, volstrekt geen willekeur toelaten.

Fix drong er ook niet meer op aan, en begreep dat hij het bevel tot inhechtenisneming moest afwachten. Maar hij besloot toch zijn geheimzinnigen schurk niet uit het oog te verliezen, zoolang deze te Bombay vertoefde. Hij twijfelde er niet aan of Phileas Fogg zou eenige dagen te Bombay blijven,--men weet, dit was ook Passepartout's overtuiging--zoodat het bevel van inhechtenisneming nog altijd vroeg genoeg zou aankomen.

Maar na de laatste bevelen, die zijn meester hem gegeven had, toen hij de Mongolia verliet, begreep Passepartout wel, dat het te Bombay evenzoo zou gaan als te Suez en te Parijs: dat de reis hier niet zou eindigen en zij ten minste nog tot Calcutta zou worden voortgezet en misschien nog wel verder. Hij begon zich dan ook af te vragen of die weddenschap niet ernstig was gemeend en of het noodlot hem niet medesleepte--hem die zoo rustig hoopte te leven--om een reis om de wereld te maken in tachtig dagen.

In afwachting wandelde hij na eenige hemden en sokken gekocht te hebben, de straten van Bombay eens door. Er heerschte groote drukte, en te midden van Europeanen van elken landaard, zag hij Perzen met puntige mutsen, Bunhyas met ronde tulbanden, Armeniërs met lange kleederen, Parsis met zwarte bisschopsmutsen enz. Het was juist het feest, gevierd door de Parsis of Goeboes die rechtstreeks afstamden van de volgelingen van Zoroaster, welke de meest nijvere, beschaafde, ontwikkelde en aan hun landaard getrouwe Hindoes zijn en tot welk ras de rijkste kooplieden onder de inboorlingen van Bombay behoorden. Dien dag vierden zij een soort van godsdienstig carnaval met optochten en allerlei vermakelijkheden, waarbij ook bayadères tegenwoordig waren in rooskleurige tulle gekleed, behangen met goud en zilver, en die op de tonen der viool en van den tam-tam bewonderenswaardig dansten, ofschoon zij geen oogenblik de regelen der welvoegelijkheid overschreden. Het zal wel overbodig zijn te zeggen, dat Passepartout deze merkwaardige plechtigheden beschouwde met wijd opengespalkte oogen en ooren om des te beter te zien en te hooren, en dat zijne houding en zijn gelaat volkomen geleken op die van een kind, dat pas kwam kijken.

Ongelukkig voor hem en voor zijn meester, wiens reis hij dreigde in gevaar te brengen, dreef hem zijne nieuwsgierigheid verder dan hem wel betaamde.

Wel begaf Passepartout, na dit carneval der Parsis nog eenigen tijd te hebben aanschouwd, zich naar het station, maar toen hij het prachtige afgodsbeeld van Malabarhill voorbij ging, rees het noodlottige plan bij hem op, om het inwendige ook eens te bezichtigen. Twee dingen waren hem evenwel geheel onbekend: ten eerste dat de toegang tot sommige hindoesche afgodstempels den christen verboden is, en ten tweede, dat de geloovigen er zelven niet mogen ingaan zonder hunne schoenen aan de deur uit te doen. Men moet hierbij opmerken, dat het engelsche Gouvernement, om politieke redenen, den godsdienst van dit land eerbiedigt en tot in de kleinste bijzonderheden koel doet eerbiedigen, en dat een ieder, die deze regels overtreedt, streng gestraft wordt.

Passepartout, die volstrekt geen kwaad vermoedde en als een onnoozel reiziger het inwendige van Malabar-hill met zijn verblindende brahmaansche versierselen van klatergoud bewonderde, werd plotseling op de geheiligde steenen geworpen. Drie priesters snelden in vreeselijke woede naar hem toe, trokken hem zijne schoenen en kousen uit en begonnen hem duchtig te slaan, waarbij zij onverstaanbare kreten deden hooren.

Maar de vlugge en sterke Franschman was met een sprong weder op de been, en met een stomp en een schop wierp hij twee van zijne tegenstanders op den grond, die erg in hun lange kleederen verward geraakten, waarop hij zoo gauw hij kon den tempel uitliep, zoodat hij al spoedig den anderen Hindoe vooruit was, die hem was nageloopen en het volk op hem aanhitste.

Vijf minuten voor achten, dus slechts eenige minuten voor het vertrek van den trein, kwam Passepartout, blootshoofd, barrevoets, in de verwarring zijn pakje met boodschappen verloren hebbende, aan het station van den Great Indian Peninsular Railway.

Toen Fix aan de aanlegplaats kwam, was hij Fogg gevolgd naar het station. Hij begreep dat de schurk Bombay ging verlaten. Hij had terstond zijn plan gevormd en wel om hem te volgen tot Calcutta en, zoo het noodig was, nog verder. Passepartout zag Fix niet, daar deze zich schuil hield, maar Fix hoorde Passepartout zijn lotgevallen in korte woorden aan zijn meester vertellen.

"Ik hoop dat dit u niet meer gebeuren zal," antwoordde Fogg bedaard, en nam plaats in een der waggons.

De arme knecht volgde met bloote voeten en nog geheel verslagen, zonder een woord te spreken, zijn meester. Fix ging in een anderen waggon, toen eensklaps een gedachte hem weerhield en zijn plan van vertrek wijzigde.

"Neen," zeide hij, "ik blijf: een vergrijp op het engelsch grondgebied.... Ik heb mijn man."

Op dit oogenblik deed de locomotief een schel gefluit hooren en de trein verdween in de duisternis.

ELFDE HOOFDSTUK.

Waarin Phileas Fogg voor een ongeloofelijken prijs eene reisgelegenheid aanschaft.

De trein was op het uur vertrokken, dat door het reglement was bepaald. Hij voerde een zeker aantal reizigers mede, eenige officieren, burgerlijke ambtenaren en kooplieden in opium en indigo, die zich om handelszaken naar het oostelijk gedeelte van het schiereiland begaven.

Passepartout was in denzelfden coupé gezeten als zijn meester. In een anderen hoek zat een derde reiziger. Deze was de brigade-generaal Francis Cromarty, een der whistspelers op de reis van Suez naar Bombay, die zich naar zijne troepen te Benarès begaf.

De heer Francis Cromarty was een lang, blond man van vijftig jaar ongeveer, die zich bijzonder onderscheiden had tijdens den opstand der cipayers en voor een inboorling kon doorgaan. Van zijne vroegste jeugd af had hij in Indië geleefd en slechts zelden had hij zich in het moederland vertoond. Hij was een zeer geleerd man, die volgaarne allerlei merkwaardige bijzonderheden zou hebben medegedeeld omtrent de gewoonten, de geschiedenis en het bestuur van Indië, indien Phileas Fogg de man ware geweest om hem die te vragen. Maar deze vroeg niets. Fogg reisde niet, hij beschreef slechts een omtrek. Hij was een vast lichaam, een kring beschrijvende rondom den aardbol, volgens de wetten der werktuigkunde. Op dit oogenblik berekende hij bij zichzelven hoeveel uren hij sedert zijn vertrek uit Londen had afgelegd en hij zou zich in de handen hebben gewreven, indien het in zijn aard gelegen had zulk eene nuttelooze beweging te maken.

De heer Francis Cromarty had de zonderlingheid van zijn reisgezel zeer goed opgemerkt, al had hij hem slechts kunnen bestudeeren met de whistkaarten in de hand. Hij had dus recht te vragen of er een menschelijk hart klopte onder dit koude omhulsel, of Phileas Fogg een gemoed had, vatbaar voor de schoonheden en voor zedelijke natuur. Voor hem was dit nog twijfelachtig. Van alle zonderlingen, die de generaal ontmoet had, was er geen een te vergelijken met dit voortbrengsel der wiskundige wetenschappen.

Philias Fogg had tegenover den heer Francis Cromarty geen geheim gemaakt van zijne reis om de wereld noch van de voorwaarden, waaronder hij die volbracht. De generaal zag in die weddenschap slechts eene buitensporigheid zonder nut, waaraan vooral ontbrak het "rond gaan goeddoende", dat elk redelijk man moet bezielen. Zooals deze gentleman reisde, ging hij bepaald rond zonder iets te doen, voor zich zelven zoo min als voor anderen.

Een uur nadat hij Bombay had verlaten, had de trein de viaducts gepasseerd, het eiland Salsette doorsneden en volgde hij den weg over het vasteland. Bij het station Callian liet hij rechts den tak liggen die over Kandallah en Pounah naar het zuidoosten van Indië loopt, en bereikte hij het station Pauwell. Daar drong hij het oostelijk Ghates-gebergte met zijne vele ketenen binnen, waarvan de onderste zijden van basalt zijn gevormd en de kruinen met dennenbosschen zijn begroeid.

Van tijd tot tijd wisselden Phileas Fogg en Francis Cromarty een enkel woord. Op dit punt vatte de generaal het gesprek weder op, dat telkens afgebroken was en zeide:

"Vóor eenige jaren, mijnheer Fogg, zoudt gij op deze plek een oponthoud hebben gevonden, dat uwe reis onmogelijk had gemaakt."

"Waarom, mijnheer Francis?"

"Omdat de trein ophield aan den voet van dit gebergte, dat men in een palankijn of op een bergpaard had moeten oversteken tot het station Kandallah op de tegenover liggende helling."

"Dit oponthoud zou volstrekt geen beletsel zijn geweest voor het nakomen van het programma mijner reis," antwoordde Fogg; "ik heb wel degelijk op eenige hinderpalen gerekend."

"Intusschen, mijnheer Fogg," hervatte de generaal, "hebt gij toch gevaar geloopen u eene groote moeielijkheid op den hals te halen door dat avontuur van uw bediende."

Passepartout, die zijne voeten onder zijn reisdeken had verborgen, sliep gerust en dacht er niet aan dat het gesprek hem gold.

"Het engelsch gouvernement," ging sir Francis voort, "is zeer streng, en terecht, voor zulke overtredingen. Het stelt er boven alles prijs op, dat men de zeden en den godsdienst der Hindoes eerbiedigt en als men uw bediende gevangen genomen had...."

"Welnu, als hij gevangen was genomen," antwoordde Fogg, zou hij veroordeeld zijn en zijne straf hebben ondergaan en daarna weder rustig naar Europa zijn teruggekeerd. Ik zie volstrekt niet in, in welk opzicht dit de reis van zijn meester had kunnen vertragen."

