# De reis om de wereld in tachtig dagen

## Part 3

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-reis-om-de-wereld-in-tachtig-dagen-11318/index.md

Die man heette Fix. Hij was een van die detectives of engelsche politie-agenten, welke naar de verschillende havens waren gezonden nadat de diefstal aan de engelsche bank was gepleegd. Aan hem was het opgedragen nauwkeurig toe te zien op al de reizigers, die den weg over Suez namen en te onderzoeken of een van hen ook verdacht mocht zijn. In dat geval moest hij diens spoor volgen, totdat hij in het bezit zou wezen van eene volmacht om hem te arresteeren.

Juist twee dagen geleden had Fix van den directeur der londensche politie het signalement ontvangen van den vermoedelijken dief. Het was dat van den heer, dien men in het betaalkantoor van de engelsche bank had gezien.

De detective, die blijkbaar zeer belust was op de aanzienlijke premie, welke hem was toegezegd ingeval hij mocht slagen, wachtte dus met een licht te verklaren ongeduld de aankomst der Mongolia.

"En gij zegt, mijnheer de consul," vroeg hij wel voor de tiende maal, "dat de boot niet lang meer weg kan blijven?"

"Neen, mijnheer Fix," antwoordde de consul. "Zij was gisteren al lang in het gezicht bij de haven van Port-Saïd en wat zijn honderd zestig kilometers voor zulk een snelloopende boot? Ik verzeker u, dat de Mongolia altijd den prijs van vijf en twintig pond verdiend heeft, dien het Gouvernement heeft gesteld voor elke vier en twintig uren, die zij binnen den bepaalden tijd aankomt."

"Komt deze mailboot rechtstreeks van Brindisi?" vroeg Fix.

"Ja, van Brindisi, waar zij de post naar Indië heeft opgenomen, en dat zij zaterdag ten tien uur verlaten heeft. Heb dus geduld, zij zal zoo dadelijk komen; maar ik begrijp waarlijk niet hoe gij met het signalement, dat ge nu hebt, uw man kunt herkennen, zoo hij al aan boord van de Mongolia is."

"Mijnheer de consul," antwoordde Fix, "die menschen ruikt men meer dan dat men ze wel herkent. Men moet ze ruiken, en de reuk is een bijzonder zintuig, dat het gehoor en het gezicht steunt. Ik heb in mijn leven verscheidene van die heeren ontmoet, en zoo de dief zich aan boord bevindt, maak er dan gerust staat op, dat hij mij ook niet ontglippen zal."

"Ik help het u wenschen, mijnheer Fix, want het is een belangrijke diefstal."

"Een prachtige diefstal," antwoordde de agent opgetogen. "Vijf en vijftig duizend pond! Zulke buitenkansjes hebben wij niet dikwijls! De dieven beteekenen tegenwoordig niet veel! Het ras der Sheppards sterft uit! Men laat zich nu voor eenige shillings oppakken!"

"Mijnheer Fix," antwoordde de consul, "gij praat er zoo zeker over, dat ik van harte wensch dat gij slagen zult; maar ik geloof, dat in de omstandigheden waarin gij verkeert, dit moeielijk gaan zal. Weet ge wel, dat volgens het signalement, dat ge gekregen hebt, deze dief zeer veel op een eerlijk man gelijkt?"

"Mijnheer de consul," antwoordde de inspecteur van politie op beslissenden toon, "de groote dieven gelijken altijd op eerlijke lui. Gij begrijpt toch wel dat voor hen, die een schurkengezicht hebben, slechts éen weg open staat, namelijk om eerlijk te blijven, anders zouden zij ingerekend worden. De eerlijke gezichten zijn het, waarop men vooral moet passen. Een moeielijk werk, ik beken het, en dat geen handwerk is, maar eene kunst."

Men ziet dat Fix niet zonder een weinig eigenwaan was. Onderwijl kwamen er hoe langer hoe meer wandelaars op de kade. Het wemelde er van zeelieden van verschillenden landaard, kooplieden, makelaars, kruiers en fellahs. De mailboot kon blijkbaar ieder oogenblik aankomen.

Het weer was dien dag vrij mooi, doch nog al koud door den oostenwind. Eenige minaretten staken boven de stad uit en werden verlicht door de bleeke zonnestralen. Een havenhoofd van twee mijlen lengte strekte zich ten zuiden als een arm van de reede van Suez uit. Vele visschersbooten en kustvaarders zwierven op de golven der Roode Zee rond; in eenige daarvan herkende men door hun sierlijken bouw nog het model der oude galei.

Onder deze menigte rondwandelende, nam Fix, krachtens de gewoonte aan zijne betrekking eigen, iedereen in het voorbijgaan op.

Het was juist half elf.

"Maar zij komt niet!" riep hij wanhopend uit, toen hij de klok hoorde slaan.

"Zij kan niet ver meer af zijn," antwoordde de consul.

"Hoe lang zou zij te Suez toeven?" vroeg Fix.

"Vier uren. Juist den tijd om kolen in te nemen. Van Suez naar Aden, aan het uiteinde van de Roode Zee, is de afstand dertien honderd en tien mijlen en moet men een voorraad van brandstoffen innemen."

"En van Suez gaat deze boot rechtstreeks naar Bombay?"

"Rechtstreeks zonder ergens aan te leggen."

"Welnu," zeide Fix, "zoo de dief dezen weg en die boot heeft gekozen, dan moet het zijn plan zijn om te Suez aan wal te gaan, ten einde langs een anderen weg in een der hollandsche of fransche bezittingen in Azië te komen. Hij zou in Indië niet veilig zijn, want dat is engelsch grondgebied."

"Als het ten minste geen schrander man is," antwoordde de consul. "Een engelsch misdadiger is altijd beter te Londen verborgen dan in den vreemde."

Na dit gezegde, dat stof tot veel nadenken gaf aan den inspecteur, ging de consul naar zijn bureau niet ver van daar. Fix bleef alleen achter, in een zeer zenuwachtigen toestand, en met het bepaald voorgevoel, dat de dief zich aan boord der Mongolia moest bevinden. En waarlijk, zoo deze schurk Engeland verlaten had met het plan om naar de Nieuwe Wereld te gaan, moest de weg over Indië wel de voorkeur hebben boven de Atlantische Zee, daar deze minder bewaakt werd of moeielijker te bewaken was dan laatstgenoemde. Fix bleef niet lang aan zijne overpeinzingen overgelaten. Een schril gefluit kondigde de nadering der mailboot aan. Alle kruiers en fellahs haastten zich naar de aanlegplaats, en er ontstond een gedrang, dat de ledematen en kleederen der reizigers niet weinig in gevaar bracht. Een tiental bootjes verlieten den oever om naar boord van het stoomschip te roeien.

Weldra zag men de reusachtige Mongolia tusschen de oevers van het kanaal doorstoomen, en toen het elf uur sloeg, liet de stoomboot het anker vallen, terwijl haar stoom met een groot gedruisch uit de pijpen omhoog steeg.

Er waren tamelijk veel passagiers aan boord. Eenigen bleven op het dek om het schilderachtige stadsgezicht te genieten, maar de meesten lieten zich met de bootjes naar wal roeien.

Fix sloeg met de grootste aandacht ieder, die het schip verliet, gade.

Op dit oogenblik kwam er iemand, die op ruwe wijze de fellahs, welke hem met hunne aanbiedingen overstelpten, van zich stootte, naar hem toe en vroeg hem zeer beleefd of hij hem ook het bureel van den engelschen consulairen agent kon aanwijzen. Hij liet hem te gelijk een paspoort zien, waarop hij zonder twijfel verlangde dat men het engelsche visa zou stellen.

Fix nam werktuigelijk het paspoort en met een vluchtigen blik las hij het signalement. Een moeielijk te onderdrukken beweging maakte zich van hem meester. Het papier trilde in zijn hand; het signalement op het paspoort was volkomen hetzelfde als dat, hetwelk hij van den directeur van politie uit de hoofdstad ontvangen had.

"Dit paspoort is niet van u?" zeide hij tot den reiziger.

"Neen," antwoordde deze, "het is van mijn meester."

"En uw meester?"

"Hij is aan boord gebleven."

"Maar," hernam de agent, "men moet zich altijd in persoon bij den agent aanmelden, ten einde zijn identiteit te bewijzen."

"Hoe zoo? is dat noodig?"

"Dat is noodzakelijk."

"Waar is het bureel?"

"Daar op den hoek van het plein," antwoordde de inspecteur, naar een huis wijzende, dat niet meer dan tweehonderd schreden van hem verwijderd was.

"Dan zal ik mijn meester gaan halen, die het intusschen volstrekt niet aangenaam zal vinden om zoo gestoord te worden."

Toen groette de reiziger Fix en ging weer naar de stoomboot terug.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Dat alweer de nutteloosheid van een paspoort in politiezaken bewijst.

De agent spoedde zich naar het consulaat. Hij werd terstond op zijn dringende vraag om den consul te spreken, tot dezen toegelaten.

"Mijnheer de consul," zeide hij, met de deur in het huis vallende, "ik heb reden om te gelooven dat onze dief op de Mongolia is."

En Fix vertelde wat er tusschen den bediende en hem was voorgevallen.

"Mij is het wel, mijnheer Fix," antwoordde de consul, "en ik wil het gezicht van zoo'n schurk wel eens zien. Maar misschien zal hij niet eens aan mijn bureel komen, zoo hij 't is voor wien gij hem houdt. Een dief is er niet op gesteld om eenigen indruk van zich achter te laten, en bovendien is de formaliteit der viseering van paspoorten niet verplichtend."

"Mijnheer de consul," antwoordde de inspecteur, "zoo het een schrandere kerel is, zooals men wel denken moet, dan zal hij komen!"

"Om zijn paspoort te laten viseeren?"

"Ja. De paspoorten dienen nergens anders toe dan om een fatsoenlijk man in zijne bewegingen te hinderen en een schurk in zijne vlucht behulpzaam te zijn. Ik ben overtuigd dat dit paspoort in orde zal zijn, maar ik vertrouw dat gij het niet viseeren zult."

"Wel waarom niet? Zoo het paspoort in orde is," antwoordde de consul, "dan heb ik het recht niet om mijn visa te weigeren."

"In elk geval, mijnheer de consul, ben ik wel genoodzaakt om dien man hier te houden, totdat ik het bevel tot arrestatie uit Londen ontvangen heb."

"Wat dat betreft, mijnheer Fix, dat is uwe zaak," antwoordde de consul, "maar ik heb daartoe geen recht...."

De consul eindigde zijn volzin niet. Er werd geklopt en de klerk kondigde twee vreemdelingen aan, waarvan een dezelfde bediende was, waarmede de detective had staan praten.

Het waren inderdaad de heer en zijn knecht. De eerste reikte zijn paspoort over en vroeg eenvoudig, of de consul er zijn visa op wilde stellen.

Deze nam het paspoort en las het zeer aandachtig, terwijl Fix, die in een hoek gezeten was, den vreemdeling gadesloeg of liever met de oogen verslond.

Toen de consul het stuk gelezen had, vroeg hij: "--Gij zijt mijnheer Phileas Fogg, esquire?"

"Ja, mijnheer," antwoordde de gentleman.

"En deze man is uw bediende?"

"Ja, een Franschman. Passepartout is zijn naam."

"Gij komt uit Londen?"

"Ja."

"En gij gaat naar?"

"Bombay."

"Best, mijnheer. Gij weet dat deze formaliteit met uw paspoort onnoodig is, en dat wij ook het vertoonen van het paspoort niet meer vorderen?"

"Ik weet het, mijnheer," antwoordde Phileas Fogg, "maar ik wensch door uw visa mijn reis naar Suez te constateeren."

"Zooals gij wilt, mijnheer."

Toen de consul het stuk geteekend en gedateerd had, drukte hij er zijn stempel op. Fogg betaalde het visa, en na een koelen groet verliet hij het bureel, gevolgd door zijn knecht.

"Wat zegt ge er van?" vroeg de agent.

"Wel," zeide de consul, "hij heeft het voorkomen van een fatsoenlijk man."

"Dat is wel mogelijk," antwoordde Fix; "maar dat is hier de quaestie niet. Vindt gij niet, mijnheer de consul, dat deze kalme gentleman trek voor trek gelijkt op den dief, waarvan ik het signalement heb ontvangen?"

"Ik geef het u toe; maar gij weet dat alle signalementen...."

"Ik moet er het mijne van hebben," antwoordde Fix; "de knecht schijnt mij minder ondoordringbaar toe dan de meester; bovendien is hij een Franschman en Franschen praten graag. Tot straks, mijnheer de consul."

Met die woorden ging de inspecteur heen om Passepartout op te zoeken.

Toen Fogg het huis van den consul verlaten had, begaf hij zich naar de aanlegplaats. Op eenigen afstand van het schip gekomen gaf hij eenige bevelen aan Passepartout en verdween zelf in zijn hut aan boord der Mongolia. Daar haalde hij zijn opschrijfboekje uit zijn zak en schreef de volgende aanteekeningen:

"Woensdag 2 October,'s avonds 8 uur en 45 minuten Londen verlaten.

"Donderdag 3 October, 's morgens 7 uur 20 minuten te Parijs aangekomen.

"Parijs verlaten donderdag morgen ten 8 ure en 40 minuten.

"Te Turin over den Mont-Cenis aangekomen 4 October, vrijdag 's morgens ten 6 ure 25 minuten.

"Turin verlaten, vrijdag morgen 7 ure 20 minuten.

"Zaterdag 5 October, 's middags 4 uur te Brindisi aangekomen.

"Met de Mongolia verder gereisd zaterdag avond ten 5 ure.

"Te Suez aangekomen, woensdag morgen 9 October ten 11 uur.

"Totaal der uren van de reis: 156 1/2, en der dagen: 6 1/2.

Fogg schreef deze datums op in een reisboek in kolommen verdeeld, die aanduidden--van den 20en October tot den 21en December--de maand, den dag, de uren van aankomst volgens de lijsten, en de uren van werkelijke aankomst in de hoofdstations Parijs, Brindisi, Suez, Bombay, Calcutta, Singapore, Hong-kong, Yokohama, San-Francisco, New-York, Liverpool, Londen, en waarop men ook kon aanteekenen de gewonnen of verloren uren in elke plaats, die men passeerde. Door dit stelselmatig ingerichte reisboek kon men dus van alles rekenschap geven, en Fogg wist altijd of hij voor of achter was.

Hij schreef heden, woensdag 9 October, zijne aankomst, te Suez, die overeenstemde met de aankomst volgens het plan, en waaruit bleek, dat hij noch uren gewonnen, noch verloren had.

Vervolgens liet hij zijn ontbijt in de hut brengen. Wat de stad betrof, hij dacht er zelfs niet aan om haar te gaan zien, want hij behoorde tot die soort van Engelschen, die het land dat zij doortrekken door hunne bedienden laten bezoeken.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Waarin Passepartout een weinig meer spreekt dan hem misschien wel betaamt.

In weinig oogenblikken had Fix Passepartout ingehaald. Deze liep te slenteren en rond te kijken, want hij voor zich achtte zich niet verplicht om iets te zien.

"Wel, vriend," zeide Fix, hem aansprekende, "is uw paspoort al geviseerd?"

"O, zijt gij het, mijnheer," antwoordde de Franschman, "ik dank u nog wel. Alles is in orde."

"En nu bekijkt gij de stad eens?"

"Ja, maar wij reizen zoo gauw, dat het mij is alsof ik droom. Alzoo zijn wij te Suez?"

"Te Suez."

"In Egypte?"

"In Egypte, juist."

"Dus in Afrika."

"In Afrika?"

"In Afrika!" herhaalde Passepartout. "Ik kan het niet gelooven. Verbeeld u eens mijnheer, dat ik niet verder dacht te komen dan Parijs, en die groote hoofdstad heb ik niet weer gezien dan van zeven uur 's morgens tot acht uur veertig, van het noorderstation tot het station van Lyon en dan nog door de raampjes van een rijtuig bij een slagregen! Ja, ik heb er spijt van! Ik had zoo graag Père-Lachaise en het Cirque in de Champs-Elysées nog eens weergezien."

"Gij hebt dus wel veel haast?" vroeg de inspecteur van politie.

"Ik niet, maar mijn meester. A propos, ik moet nog sokken en hemden koopen! Wij hebben geen koffers bij ons; niets meer dan een valies."

"Ik zal u naar een winkel brengen, waar gij alles van dien aard kunt vinden."

"Mijnheer," antwoordde Passepartout, "gij zijt wezenlijk de hulpvaardigheid zelve."

Al pratende wandelden zij samen verder.

"Maak vooral dat ik niet te laat aan de boot kom!"

"Gij hebt nog al den tijd," antwoordde Fix; "het is eerst twaalf uur!"

Passepartout keek op zijn reusachtig horloge.

"Twaalf uur," zeide hij. "Wel neen! het is negen uur twee en vijftig minuten."

"Uw horloge loopt achter," antwoordde Fix.

"Mijn horloge! Een familiestuk dat al van mijn overgrootvader afkomstig is! Het loopt geen vijf minuten in het jaar achter. Het is een echte chronometer!"

"Ik begrijp al hoe het komt," antwoordde Fix. "Gij hebt uw horloge geregeld naar de londensche klok, die ongeveer twee uur verschilt met die van Suez. Gij moet altijd zorgen uw horloge te regelen naar de hoofdstad van het land, waarin gij u bevindt."

"Ik! Aan mijn horloge komen!" riep Passepartout uit, "neen dat nooit!"

"Wel, dan zal het ook niet in overeenstemming blijven met de zon."

"Des te erger voor de zon, mijnheer! Zij is aan het kortste eind!"

En de brave knecht borg met eene fiere beweging zijn horloge weer in zijn vestjeszak.

Eenige oogenblikken daarna begon Fix weer:

"Gij hebt dus Londen zeer overhaast verlaten?"

"Nu, dat geloof ik! Laatstleden woensdag avond tegen acht uur. Tegen alle gewoonten in, kwam mijnheer Fogg op dat uur van zijn club terug en om negen uur waren wij al op weg."

"En waar gaat u meester dan naar toe?"

"Altijd maar vooruit! Hij maakt de reis om de wereld!"

"De reis om de wereld?" herhaalde Fix.

"Ja, in tachtig dagen! Een weddenschap zooals hij beweert, maar onder ons gezegd, geloof ik er niets van. Dat zou toch wat al te dwaas zijn. Er steekt wat anders achter."

"Zoo; dan is 't een zonderling, die mijnheer Fogg."

"Dat zou ik denken."

"Hij is dus rijk?"

"Dat blijkt, en hij neemt een aardig duitje met zich mede, in geheel nieuwe banknoten. Hij ziet ook op geen geld onder weg. Begrijp eens! hij heeft een prachtigen prijs uitgeloofd aan den machinist der Mongolia, als wij vóór den vastgestelden tijd te Bombay aankwamen!"

"En gij zijt al lang bij uw meester?"

"Ik!" antwoordde Passepartout, "ik ben pas den dag van ons vertrek in zijn dienst getreden."

Men kan gemakkelijk begrijpen welk een indruk deze mededeelingen te weeg brachten op den reeds overspannen geest van den inspecteur van politie.

Dat overijlde vertrek uit Londen even na dien verbazend grooten diefstal, en daarbij de haast om in verafgelegen landen te komen, dat alles onder voorwendsel van een dwaze weddenschap, paste zoo volkomen in elkaar, dat het Fix wel in zijn vermoeden moest versterken. Hij deed den Franschman nog meer vertellen en verkreeg de zekerheid, dat de knecht zijn meester volstrekt niet kende, dat Fogg zeer op zich zelf te Londen leefde, en dat men den gentleman voor rijk hield, zonder te weten waarmede hij zijn rijkdom verkregen had, dat het een raadselachtig man was enz. Maar tegelijkertijd mocht Fix de zekerheid erlangen dat Phileas Fogg niet te Suez aan land ging maar werkelijk naar Bombay reisde.

"Is Bombay nog ver af?" vroeg Passepartout.

"Vrij ver," antwoordde de inspecteur, "nog ongeveer tien dagen zeereis."

"En waar ligt Bombay?"

"In Indië."

"In Azië?"

"Natuurlijk."

"Lieve hemel! Weet ge ... daar is iets dat mij geweldig hindert ... mijn kraan!"

"Welke kraan?"

"Mijn gaskraan, die ik vergeten heb uit te draaien en die nu voor mijne rekening brandt. Ik heb uitgerekend dat zij in de vier en twintig uren voor twee shillings verbrandt, juist zes stuivers meer dan ik verdien, en gij begrijpt dat zoo de reis lang duurt...."

Begreep Fix deze mededeeling over het gas? Het is niet waarschijnlijk; hij hoorde er ook al niet meer naar, want hij wist nu wat hem te doen stond. Zij waren thans aan den winkel gekomen. Fix liet zijn metgezel binnen gaan om zijne boodschappen te doen, en beval hem aan vooral niet te laat aan de Mongolia te komen. Hij zelf snelde toen in allerijl naar het consulaat.

Nu zijne overtuiging vaststond, kreeg Fix weer al zijn koelbloedigheid terug.

"Mijnheer," zeide hij tot den consul, "thans twijfel ik er niet meer aan: het is de man, dien ik hebben moet. Hij laat zich voor een zonderling doorgaan, die in tachtig dagen de reis om de wereld wil doen."

"Dan is hij al een heel slimme vogel," antwoordde de consul, "en hij denkt weer in Londen terug te komen na de politie van de twee werelddeelen van het spoor te hebben geleid."

"Dat zullen we eens zien," antwoordde Fix.

"Maar bedriegt ge u niet?" vroeg de consul nogmaals.

"Neen; ik bedrieg mij niet."

"Waarom zou deze dief er dan op gestaan hebben, om zijne passage te Suez door een visa bewezen te hebben?"

"Ja, waarom, dat weet ik niet, mijnheer de consul," antwoordde de detective, "maar luister."

En in korte woorden vertelde hij den hoofdinhoud van zijn gesprek met den bediende van gemelden Fogg.

"Waarlijk," zeide de consul, "alle vermoedens zijn tegen dien man. En wat gaat gij nu beginnen?"

"Naar Londen seinen, met het verzoek om mij een bevel tot inhechtenisneming te zenden naar Bombay; mij op de Mongolia inschepen, mijn dief tot in Indië volgen, en daar op engelsch grondgebied hem zeer beleefd aan te spreken met mijn bevelschrift in de eene hand en de andere op zijn schouder."

Na deze woorden vertrok de inspecteur, en begaf hij zich naar het telegraafkantoor. Daar zond hij den inspecteur der hoofdstad de dépêche, die men kent.

Een kwartier later ging Fix met zijne kleine bagage en een goed gevulde beurs aan boord der Mongolia, en de snelle boot stak met volle vaart de Roode Zee over.

NEGENDE HOOFDSTUK.

Waarin de Roode en de Indische Zee de plannen van Phileas Fogg schijnen te begunstigen.

De afstand tusschen Suez en Aden is, precies berekend, dertien honderd tien mijlen, en de Maatschappij staat aan elke mailboot een tijdsverloop van honderd dertig uren toe om dit traject af te leggen. De Mongolia, wier vuur zeer goed onderhouden werd, stoomde altijd met die snelheid om binnen de vastgestelde uren aan te komen.

Bijna alle passagiers waren te Brindisi ingescheept en gingen naar Indië. Sommigen begaven zich naar Bombay, anderen naar Calcutta, maar altijd over Bombay, want sedert een spoorweg de geheele breedte van het indische schiereiland doorsnijdt, is het niet meer noodig de zuidelijke punt Ceylon om te varen.

Onder de reizigers der Mongolia waren verschillende burgerlijke ambtenaren en officieren van allerlei rang. Van dezen behoorden er eenigen tot het eigenlijk gezegde engelsche leger; anderen commandeerden de inlandsche troepen, bestaande uit cipayers. Allen waren hoog bezoldigd, zelfs nu het Gouvernement de rechten en lasten van de voormalige Indische Compagnie heeft overgenomen. Tweede luitenants hadden f 3,500, brigade-generaals f 30,000, generaals f 50,000. De traktementen der burgerlijke ambtenaren zijn nog hooger. De minste ambtenaren hebben f 6,000;--rechters f 30,000, presidenten van gerechtshoven f 125,000, gouverneurs f 150,000, de gouverneur-generaal f 300,000.

Men leefde dus zeer goed aan boord der Mongolia in dezen kring van ambtenaren, waarbij zich nog eenige jonge Engelschen voegden, die een millioen te verteren hadden, en die in verre landen hunne handelskantoren gingen vestigen. De "purser," de vertrouwde persoon der Compagnie, gelijk in rang met den kapitein, deed alles op groote schaal. Aan het ontbijt, aan den lunch, ten twee uur, aan het middagmaal te half zes, het souper ten acht ure, bogen de tafels bijna onder de schotels warm vleesch en verdere gerechten, die door de slagers en den kok der mailboot geleverd werden. Onder de vrouwelijke passagiers waren er eenige, die tweemaal daags haar toilet veranderden. Men maakte muziek, men danste zelfs, als de zee het veroorloofde. Maar de Roode Zee is grillig en dikwijls zeer onstuimig, zooals alle lange, smalle zeeën. Als de wind, hetzij van den kant van Azië kwam of van Afrika, slingerde de Mongolia, het lange stoomschip, geducht, daar zij de zee dwars inkreeg. De dames verdwenen dan in hare hutten, de piano werd niet bespeeld en natuurlijk eindigde dan ook het zingen en dansen. En toch, ondanks al die rukwinden en de deining, zette de mailboot, voortgedreven door haar ontzaglijk groot stoomwerktuig, zonder vertraging de reis naar de straat van Bab-el-Mandeb voort.

Wat deed Phileas Fogg wel gedurende de reis? Men zou denken, dat hij altijd angstig en onrustig zich bezig hield met de veranderingen van den wind, die misschien nadeelig voor zijne reis konden zijn, of eene onverwachte beweging konden veroorzaken, welke de machine gevaar deed loopen onklaar te worden; in één woord met alle mogelijke gebeurtenissen, die de Mongolia konden noodzaken om in een van de havens binnen te loopen, zoodat zijne reis langer zou duren.

