# De reis om de wereld in tachtig dagen

## Part 18

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-reis-om-de-wereld-in-tachtig-dagen-11318/index.md

Het was tien minuten over half drie, en de expres-trein was vijf en dertig minuten geleden vertrokken.

Fogg bestelde een extra-trein.

Er waren verscheidene locomotieven, die zeer snel liepen, maar in verband met den dienst, kon de extra-trein niet vóor drie uur het station verlaten.

Ten drie ure, nadat Fogg aan den machinist eene premie uitgeloofd had, snelde de trein in de richting van Londen, met Fogg, Aouda en zijn trouwen dienaar.

Men moest in vijf en een half uur den afstand afleggen, die Liverpool van Londen scheidt, wat mogelijk was, zoo de weg overal vrij was. Maar men had telkens een gedwongen oponthoud--en toen de gentleman aan het station kwam, stonden alle klokken op tien minuten voor negenen.

Phileas Fogg kwam, nadat hij zijn reis om de wereld volbracht had, vijf minuten te laat.

Hij had verloren.

VIJF EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Waarin Passepartout het bevel van zijn meester zich niet tweemaal laat geven.

Den anderen morgen zouden de inwoners van Saville-Row zeer verwonderd zijn geweest als men hun verteld had, dat de heer Fogg weder in zijn woning teruggekeerd was. Deuren en vensters waren gesloten. Geenerlei verandering had er uitwendig plaats gegrepen.

Inderdaad, nadat zij het station verlaten hadden, had Fogg aan Passepartout gelast eenige levensmiddelen te koopen, en was toen in huis gegaan. Zijne gewone kalmte was niet veranderd onder den vreeselijken slag, die hem trof. Geruïneerd, en door de schuld van dien stommen inspecteur van politie! Na altijd met vasten tred gedurende de lange tochten voortgeschreden te zijn, na duizenden hinderpalen overwonnen te hebben, en nog tijd te hebben gehad om eenig goed te doen op zijn weg, te moeten buigen voor een brutaal feit, dat hij niet had kunnen voorzien en waartegen hij ongewapend was, dat was verschrikkelijk. Van de aanzienlijke som gelds, welke hij bij zijn vertrek medegenomen had, was nog maar een klein gedeelte over. Zijn fortuin bestond slechts uit twintig duizend pond, gedeponeerd bij de gebroeders Baring, en die twintig duizend pond moest hij aan de Reform-club afstaan. Na zooveel verspild te hebben, zou hem de gewonnen weddenschap niet veel verrijkt hebben--het is waarschijnlijk dat hij zich niet wilde verrijken, want hij behoorde tot die menschen, die voor de eer wedden--doch nu de weddenschap verloren was, was hij geruïneerd. Maar hij had zijn partij gekozen, en wist wat hem te doen stond. Een kamer in zijne woning in Saville-Row werd aan Aouda afgestaan. De jonge dame was wanhopend. Door eenige woorden van Fogg had zij begrepen, dat deze eenig noodlottig plan koesterde.

Men weet, tot welke rampzalige uitersten de engelsche monomanen kunnen overgaan, zoo zij door een idee fixe worden beheerscht. Ook sloeg Passepartout, zonder het te laten merken zijn meester gade. Eerst echter was hij naar zijne kamer gegaan en had daar de gaspit uitgedraaid, die nu tachtig dagen brandde.

Hij had in de brievenbus een nota gevonden der gasmaatschappij en hij begreep, dat het meer dan tijd was om die onkosten te doen ophouden, waarvoor hij aansprakelijk was.

De nacht ging voorbij. Fogg was naar bed gegaan, maar had hij geslapen? Wat Aouda betreft, zij had geen oogenblik gerust. Passepartout had als een hond voor de deur van zijn meester gewaakt.

Den anderen morgen liet Fogg hem bij zich komen en gaf in korte woorden te kennen, dat hij voor het ontbijt van Aouda moest zorgen. Hij zelf zou zich vergenoegen met een kop thee en een stuk rundvleesch. Aouda zou hem wel verschoonen zoo hij niet aan het ontbijt of aan het diné verscheen, want hij had al zijn tijd noodig om orde op zijne zaken te stellen. Hij zou niet beneden komen. Tegen den avond vroeg hij aan Aouda een onderhoud van eenige oogenblikken.

Passepartout had de lijst zijner werkzaamheden. Daarna behoefde hij zich slechts te regelen. Toch bleef hij; hij zag zijn kalmen meester voortdurend aan en kon niet besluiten diens kamer te verlaten. Zijn hart was vol en zijn geweten liep over van verwijten, want hij beschuldigde zich meer dan ooit van deze onmetelijke ramp. Ja, zoo hij Fogg gewaarschuwd had, zoo hij de plannen van Fix had ontsluierd, zou Fogg ongetwijfeld den agent niet tot Liverpool hebben medegenomen, en dan....

Passepartout kon niet langer zwijgen.

"Meester! mijnheer Fogg," riep hij, "vervloek mij. Het is mijne schuld, dat...."

"Ik beschuldig niemand," antwoorde Fogg op den kalmsten toon. "Ga."

Passepartout verliet de kamer en ging naar Aouda, aan wien hij de plannen van Fogg mededeelde.

"Mevrouw," voegde hij er bij, "ik zelf kan niets meer; niets. Ik heb volstrekt geen invloed op den heer Fogg. Gij misschien...."

"Welken invloed zou ik hebben," antwoordde Aouda. "Mijnheer Fogg staat onder niemands invloed. Heeft hij ooit begrepen dat mijne dankbaarheid jegens hem op het punt was over te vloeien? Heeft hij ooit in mijn hart gelezen? Mijn vriend, gij moet hem geen oogenblik verlaten. Gij zegt dat hij plan heeft om mij heden avond te spreken?"

"Ja, mevrouw. Het is zeker om u eene goede positie in Engeland te verzekeren."

"Wij zullen dan wachten," antwoordde de jonge vrouw, die in gepeins verzonk.

Ook dien zondag scheen het huis in Saville-Row onbewoond, en voor de eerste maal, zoolang hij hier woonde, ging Fogg niet ten half twaalf ure naar zijn club.

Waarom zou hij ook naar zijn club gaan. Zijne medeleden wachtten hem immers niet meer. Den vorigen avond toch, den laatsten van den fatalen termijn, den 21sten December, te kwart voor negenen was Fogg niet in de Reform-club geweest; zijn weddenschap had hij dus verloren. Het was zelfs niet noodig, dat hij naar zijn bankier ging om de twintig duizend pond te halen. Zijne tegenpartij had van hem een quitantie door hem geteekend; zij behoefde slechts een wissel af te geven op de gebroeders Baring, die hem zouden uitbetalen.

Fogg behoefde dus niet uit te gaan en hij ging dan ook niet uit. Hij bleef in zijn kamer en regelde zijne zaken. Passepartout liep onophoudelijk de trappen van het huis in Saville-Row op en neder. De uren gingen voor den armen knecht maar niet voorbij. Hij luisterde aan de deur van zijn meester en begreep dat hij zoodoende volstrekt niet onbescheiden handelde. Hij keek door het sleutelgat en meende daartoe het recht te hebben. Passepartout vreesde ieder oogenblik een nieuwe ramp. Soms dacht hij ook wel eens aan Fix, maar er had een omkeer in zijn gemoed plaats gehad. Den inspecteur van politie droeg hij geen kwaad hart meer toe. Fix had zich vergist, zooals iedereen ten opzichte van Phileas Fogg gedaan had, maar hij had zich ter goeder trouw vergist, en, hem volgende en arresteerende, had hij slechts zijn plicht gedaan, terwijl hij, Passepartout.... Die gedachte overstelpte hem en hij hield zich voor den ellendigsten mensch op aarde.

Toen Passepartout zich eindelijk al te ongelukkig gevoelde om langer alleen te zijn, klopte hij aan de deur van Aouda, trad hare kamer binnen, ging in een hoek zitten, zonder een woord te spreken, en zag de steeds in gepeins verdiepte jonge vrouw aan.

Tegen half acht des avonds, liet Fogg aan Aouda vragen of zij hem kon ontvangen en eenige oogenblikken later waren hij en Aouda alleen in de kamer.

Phileas Fogg nam een stoel en zette zich bij den schoorsteen, tegenover Aouda. Zijn gelaat teekende volstrekt geen ontroering. De Fogg, die was teruggekeerd, verschilde in niets van den Fogg, die was heengegaan. Hij was altijd even kalm en onverstoorbaar.

Vijf minuten lang bewaarde hij het stilzwijgen. Toen zijne oogen op Aouda slaande, zeide hij:

"Mevrouw, vergeeft gij mij, dat ik u naar Engeland gevoerd heb."

"Ik, mijnheer Fogg? ik...." antwoordde Aouda, het kloppen van haar hart met moeite bedwingende.

"Sta mij toe mijn zin te voltooien," hernam Fogg. "Toen ik het plan vormde om u mede te nemen ver van het land, dat zoo gevaarlijk voor u was, was ik rijk, en ik wilde u een deel van mijn fortuin geven. Uw leven zou zoo gelukkig en vrij zijn geweest. Maar nu ben ik geruïneerd."

"Ik weet het, mijnheer," hernam de jonge dame, "en ik vraag u op mijn beurt: Vergeeft gij het mij dat ik u gevolgd heb en--wie weet! misschien bijgedragen heb tot uw ongeluk?"

"Mevrouw, gij kondt in Indië niet blijven en uwe veiligheid was niet verzekerd vóor gij ver verwijderd waart van die Hindoes."

"Alzoo, mijnheer," zeide Aouda, "nog niet tevreden mij van een vreeselijken dood gered te hebben, woudt gij mijn bestaan in Europa nog verzekeren?"

"Ja, mevrouw," antwoordde Fogg, "maar de zaak is mij tegengeloopen. Toch blijft er nog een klein gedeelte van mijn fortuin over en dit wensch ik ter uwer beschikking te stellen."

"Maar gij, mijnheer Fogg, wat moet er van u worden?" vroeg Aouda.

"Ik mevrouw," antwoordde Fogg kalm, "ik heb niets meer noodig."

"Hoe denkt gij dan over het lot dat u te wachten staat?"

"Zooals ik er over moet denken," antwoordde Fogg zacht.

"In elk geval zal een man als gij niet ongelukkig worden. Uwe vrienden...."

"Ik heb geen vrienden, mevrouw."

"Uwe bloedverwanten...."

"Ik heb geen bloedverwanten meer."

"Dan beklaag ik u, mijnheer Fogg, want verlaten te zijn is zeer treurig. Hoe! geen enkel vriendenhart om uw gemoed uit te storten. Men zegt toch, dat men te zamen het ongeluk lichter dragen kan."

"Men zegt het, mevrouw."

"Mijnheer Fogg," zeide toen Aouda opstaande en hare hand den gentleman reikende, "wilt gij tegelijk eene vriendin en eene bloedverwant hebben? Wilt gij mij tot uwe vrouw?"

Fogg stond bij die woorden eveneens op. Het was of er een ongewone glans in zijn oogen flikkerde en of zijne lippen beefden. Aouda zag hem aan. De oprechtheid, de flinkheid en de zachtheid van dien schoonen blik eener edele vrouw, die alles waagt om hem te redden, aan wien zij alles verschuldigd is, verbaasde hem eerst en ontroerde hem daarna zeer. Hij sloot even de oogen als om te beletten dat die blik dieper doordrong.--Toen opende hij ze weder.

"Ik bemin u, mevrouw," zeide hij eenvoudig. "Ja, waarlijk, bij alles wat heilig op aarde is, ik bemin u, ik ben geheel de uwe."

"O!"--riep Aouda, de hand aan haar hart brengende.

Passepartout werd gescheld. Hij kwam terstond. Fogg hield de hand van Aouda in de zijne. Passepartout begreep alles en zijn breed gelaat schitterde als de zon in het zenith in de tropische gewesten.

Fogg vroeg hem of het niet te laat zou zijn om den eerwaarden Samuel Wilson van de Sint-Stephaan-parochie te halen. Passepartout lachte allervriendelijkst.

"Nooit is het te laat," zeide hij. "Het is nog pas vijf minuten over achten."

"Het zal morgen, maandag zijn?" voegde hij er vragend bij.

"Morgen, maandag?" vroeg Fogg, Aouda aanziende.

"Morgen, maandag," antwoordde Aouda.

Passepartout liep op een draf heen.

ZES EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Waarin Phileas Fogg nog eene premie op den koop toegeeft.

Het is tijd mede te deelen, welk een omkeer in de publieke opinie in het Vereenigde Koninkrijk had plaats gehad, toen men de arrestatie van den werkelijken dief der bank had vernomen--een zekere James Strand--die den 17den December plaats had gehad.

Drie dagen vroeger was Fogg nog de schuldige, dien de inspecteur voet voor voet volgde; maar toen de dief eenmaal gearresteerd was, werd de gentleman weder de eerlijkste man ter wereld, die mathematisch zijne zonderlinge reis rondom de wereld volbracht.

Welk een indruk maakte dit, en welk een ophef in de couranten! Allen die voor of tegen gewed hadden, of de geheele zaak reeds hadden vergeten, werden als door een tooverroede wakker geschud. Alle overeenkomsten werden weder geldig. Alle verbintenissen herleefden weer. Alle weddenschappen kregen nieuwe kracht, en de Phileas Fogg-actiën rezen.

De vijf medespelers van den gentleman in de Reform-club brachten deze drie dagen in zekere onrust door. Die Phileas Fogg, dien zij allen vergeten hadden, verscheen onverwachts weder voor hunne oogen! Waar was hij nu? Den l7den December, den dag waarop James Strand te Edinburg gearresteerd werd, was het zes en zeventig dagen geleden, dat Fogg vertrokken was en men had nog niets van hem vernomen. Had hij den strijd opgegeven of vervolgde hij zijn weg volgens het overeengekomen reisplan? Zou hij zaterdag den 21sten December 's avonds ten kwart voor negenen als de geest der nauwgezetheid op den drempel der Reform-club verschijnen ?

Wij zullen de spanning niet schetsen, waarin ieder Engelschman gedurende die drie dagen verkeerde. Men zond telegrammen naar Amerika en Azië, om maar iets van Fogg te weten te komen. Men ging 's morgens en 's avonds het huis in Saville-Row eens opnemen. Niets. De politie wist ook niet wat er van den inspecteur Fix geworden was, die zoo ongelukkig een verkeerd spoor had gevolgd. Dit verhinderde niet, dat men nieuwe weddenschappen op nog grootere schaal aanging. Phileas Fogg deelde het lot van het paard, dat aan de laatste barrière is genaderd. Men taxeerde hem niet meer op honderd, maar op twintig, op tien, ja op vijf; alleen de lamme lord Albemarle hield zijne actiën op pari.

Dien zaterdagavond was er dan ook een groote menigte naar Pall-Mall en in de naburige straten gestroomd. Men zou gemeend hebben, dat hier alle beursmannen waren samengekomen, en onafgebroken voor de deuren der Reform-club stand hielden. De passage was gestremd; men riep den koers van "Phileas Foggs" af, alsof het engelsche fondsen waren. De politie-agenten hadden zeer veel moeite om het volk in bedwang te houden, en naarmate het uur naderde waarop Fogg moest aankomen, nam de opgewondenheid met onbeschrijfelijke snelheid toe.

Dien avond waren de vijf partners van den gentleman sedert zeven uur in de groote zaal van de Reform-club bijeen. De twee bankiers, John Sullivan en Samuel Fallentin, de ingenieur Andrew Stuart, Gauthier Ralph, administrateur der Bank, de brouwer Thomas Flanagan, allen zagen zijne komst met belangstelling tegemoet.

Op het oogenblik dat de klok der groote zaal vijf minuten vóor half negen aanwees, stond Andrew Stuart op en zeide:

"Mijne heeren, binnen twintig minuten zal de termijn, tusschen Phileas Fogg en ons bepaald, verstreken zijn."

"Wanneer is de laatste trein uit Liverpool aangekomen?" vroeg Thomas Flanagan.

"Ten zeven uur drie en twintig minuten," antwoordde Gauthier Ralph, "en de volgende trein komt eerst tien minuten over twaalven aan."

"Welnu, mijne heeren," hernam Andrew Stuart, "zoo Phileas Fogg met den trein van zeven uur drie en twintig was aangekomen, zou hij reeds hier zijn. Wij kunnen de weddenschap dus als gewonnen beschouwen."

"Laten wij nog geen uitspraak doen," antwoordde Samuel Fallentin. "Gij weet dat onze collega zeer zonderling is. Zijne nauwkeurigheid is overal bekend. Hij komt nooit te laat, noch te vroeg. Zoo hij hier nog op het laatste oogenblik verscheen, zou het mij niet verwonderen."

"En ik," hernam Andrew Stuart, die altijd zeer zenuwachtig was, "ik zou het niet gelooven al zag ik het."

"Inderdaad," hernam Thomas Flanagan, "het plan van den heer Fogg was onzinnig. Hoe stipt hij ook moge zijn, hij kon de onvermijdelijke hinderpalen niet outwijken en een oponthoud van twee of drie dagen moest zijn geheele reis in duigen doen vallen."

"Bovendien moeten wij niet vergeten," voegde John Sulivan er bij, "dat wij niets van onzen collega vernomen hebben: toch ontbreekt de opgave der telegrafen niet in zijn reisboek."

"Hij heeft verloren, mijne heeren," hernam Andrew Stuart, "hij heeft het honderdmaal verloren! Gij weet bovendien dat de China--de eenige mailboot van New-York, die hij kon nemen om op den bepaalden tijd te Liverpool te zijn--gisteren is binnengeloopen. En ziedaar de lijst der passagiers, door de Shipping-Gazette medegedeeld; de naam van Phileas Fogg staat er niet op. Zelfs al namen wij de gunstigste kansen aan, dan is onze collega op dit uur nauwelijks in Amerika. Ik reken dat hij minstens twintig dagen ten achter is, en de oude lord Albemarle heeft ook zijn vijf duizend pond verloren."

"Dat is wel waarschijnlijk," antwoordde Gauthier Ralph. "Wij behoeven slechts den wissel van Phileas Fogg op de gebroeders Baring af te geven."

Op dit oogenblik wees de klok tien minuten over half negen.

"Nog vijf minuten," riep Andrew Stuart.

De vijf leden der Reform-club zagen elkander aan. Men kan licht begrijpen dat hun hart een weinig sneller klopte, want zelfs voor goede spelers was het een hoog spel. Zij wilden er echter niets van laten bemerken, en op voorstel van Samuel Fallentin namen zij plaats aan de speeltafel.

"Ik zou mijn vijfde gedeelte van de twintig duizend niet willen geven," zeide Andrew Stuart, zich nederzettende, "al bood men er drie duizend negen honderd en negentig pond voor."

De wijzer wees op dit oogenblik twaalf minuten over half negen.

De spelers hadden de kaarten opgenomen, maar ieder oogenblik keken zij op de klok. Hoe zeker ze ook waren, nooit had een minuut hen zoo lang geduurd.

"Dertien minuten over half negen," zeide Thomas Flanagan, de kaarten coupeerende, die Gauthier Ralph hem toeschoof. Daarop volgde een oogenblik stilte. In de groote zaal der club hoorde men geen geluid. Maar buiten klonk het geraas der menigte, die somtijds luide kreten uitte. De slinger van de klok gaf elke seconde aan. Ieder speler telde onwillekeurig de slingeringen.

"Veertien minuten over half negen!" zeide John Sulivan, met een stem, waarin zekere ontroering hoorbaar was.

Nog één minuut, en de weddenschap was gewonnen. Andrew Stuart en zijn collega's speelden niet meer. Zij hadden de kaarten neergelegd.

Op de veertigste seconde niets. Op de vijftigste seconde nog niets!

Op de vijf en vijftigste hoorde men buiten iets als een onweersbui, handgeklap, hoezee's en zelfs verwenschingen, die zich al verder voortplantten.

De vijf spelers stonden op.

Op de zeven en vijftigste seconde werd de deur geopend en de slinger had de zestigste seconde nog niet aangegeven, toen Phileas Fogg verscheen, gevolgd door een opgewonden menigte, die den ingang der club was binnengedrongen. Op zijn kalmen toon, zeide hij:

"Mijne heeren, hier ben ik."

ZEVEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Waarin aangetoond wordt dat Phileas Fogg niets gewonnen heeft door zijne reis om de wereld, behalve zijn geluk.

Ja, Phileas Fogg was er in eigen persoon.

Men herinnert zich dat 's avonds vijf minuten over achten--omstreeks vier en twintig uur na zijn aankomst te Londen--Passepartout door zijn meester belast was om den eerwaarden Samuel Wilson te waarschuwen, ten einde een zeker huwelijk, dat den anderen morgen zou plaats hebben, te sluiten.

Passepartout was opgewonden van blijdschap vertrokken en was naar het huis van den eerwaarden Samuel Wilson gesneld, die nog niet te huis was. Passepartout wachtte natuurlijk, maar hij wachtte ten minste twintig lange minuten. Het was vijf minuten voor half negen toen hij uit het huis van den eerwaarde ijlde. Maar in welk een toestand! De haren verward, zonder hoed, loopende, loopende zóo hard als men nog nooit iemand had zien loopen; hij wierp de voorbijgangers omver en vloog als een haas over de steenen.

Binnen drie minuten was hij weer in Saville-Row teruggekeerd, en viel buiten adem in de kamer van Fogg. Hij kon niet spreken.

"Wat is er?" vroeg Fogg.

"Mijn meester," stamelde Passepartout, "huwelijk ... onmogelijk"

"Onmogelijk?"

"Onmogelijk, voor morgen."

"Waarom?"

"Want morgen ... zondag!"

"Maandag," antwoordde Fogg.

"Neen ... vandaag zaterdag."

"Zaterdag? Onmogelijk!"

"Ja, ja, ja!" riep Passepartout. "Gij hebt u een dag vergist. Wij zijn vier en twintig uren te vroeg aangekomen, maar gij hebt nog maar tien minuten tijd."

Passepartout had zijn meester ondertusschen bij zijn kraag gegrepen en trok hem met onwederstaanbare kracht voort.

Fogg, zóo voortgesleept, zonder den tijd te hebben een oogenblik na te denken, verliet zijn kamer en zijn huis en sprong in een rijtuig met Passepartout, beloofde honderd pond aan den koetsier en na twee honden overreden en twee rijtuigen omvergeworpen te hebben, kwamen zij aan de Reform-club.

De klok wees kwart voor negenen, toen hij in de zaal trad.

Phileas Fogg had zijn reis om de wereld in tachtig dagen volbracht.

Phileas Fogg had zijne weddenschap van twintig duizend pond gewonnen.

Maar hoe had een man, die zoo stipt en nauwkeurig was, zich een dag kunnen vergissen? Hoe had hij kunnen gelooven dat het zaterdagavond den 21sten December was, toen hij te Londen kwam, terwijl het pas vrijdag 20 December was--alzoo eerst negen en zeventig dagen na zijn vertrek uit Londen.

De reden van deze dwaling is zeer eenvoudig.

Phileas Fogg had, zonder het te weten, een dag op zijne reis gewonnen door dat hij van het westen naar het oosten ging. Hij zou dien dag integendeel verloren hebben zoo hij van het oosten naar het westen ware gegaan.

Daar Fogg zijn weg in een oostelijke richting volgde, trok hij de zon tegemoet en dientengevolge werden de dagen voor hem zooveel maal vier minuten korter, als hij graden in deze richting aflegde. Er zijn drie honderd zestig graden op den omtrek der aarde, die drie honderd zestig graden vermenigvuldigd met vier minuten, geven juist vier en twintig uren--dat is te zeggen één dag, dien men alzoo zonder het weten wint. Met andere woorden, nu Phileas Fogg oostwaarts trok, zag hij de zon tachtig maal den meridiaan passeeren, terwijl zijne collega's, die te Londen bleven, dit slechts negen en zeventig maal zagen. Van daar dat het op zaterdag en niet op zondag was, zooals Fogg meende, dat zij hem in de zaal der Reform-club wachtten.

Dit zou het groote horloge van Passepartout, dat altijd met de Londensche klok gelijk ging, aangewezen hebben zoo het, ter zelfder tijd dat het de minuten en de uren aanwees ook de dagen had aangewezen.

Phileas Fogg had dus de twintig duizend pond gewonnen. Maar daar hij op weg ongeveer negentien duizend pond verteerd had, was het geldelijk voordeel zeer weinig. Intusschen, zooals men weet, had deze zonderlinge gentleman slechts gevaren en geen geld gezocht. Hij verdeelde zelfs die duizend pond tusschen den eerlijken Passepartout en den ongelukkigen Fix, wien het hem onmogelijk was een kwaad hart te blijven toedragen.

Dien avond vroeg Fogg, als altijd even kalm en even flegmatiek aan Aouda:

"Wilt gij nog altijd met mij huwen, mevrouw?"

"Mijnheer Fogg," antwoordde Aouda, "het is aan mij om u die vraag te doen. Gij waart arm, nu zijt gij rijk...."

"Met uw verlof, mevrouw, dit fortuin behoort u. Zoo gij niet aan dit huwelijk gedacht had, zou Passepartout niet naar den eerwaarden Samuel Wilson gegaan zijn; en zou ik niet uit mijne dwaling zijn geholpen en...."

"Dierbare mijnheer Fogg!..." zeide de jonge vrouw.

"Dierbare Aouda," antwoordde Fogg.

Men begrijpt dat de verbinding acht en veertig uren later gesloten werd en Passepartout, prachtig en schitterend aangekleed, was getuige bij het huwelijk der jonge dame. Had hij haar niet gered, en kwam hem er niet alle eer van toe?

Maar den anderen morgen bij het aanbreken van den dag, klopte Passepartout met groot gedruisch aan de deur van zijns meesters kamer.

De deur ging open en Fogg verscheen.

"Wat is er, Passepartout?"

"Wat er is, mijnheer! Zoo even verneem ik...."

"Wat dan?"

"Dat wij de reis om de wereld in negen en zeventig dagen konden maken."

"Ongetwijfeld," antwoordde Fogg, wanneer wij niet over Indië waren gegaan. Maar zoo ik de reis niet over Indië had genomen, zou ik Aouda niet hebben gered; zij zou mijne vrouw niet wezen, en...."

En de heer Fogg sloot bedaard zijn deur.

Phileas Fogg had dus zijne weddenschap gewonnen. Hij had zijne reis in tachtig dagen volbracht. Hij had om dit te doen alle middelen van vervoer gebruikt: mailbooten, spoorwegen, rijtuigen, jachten, koopvaardijschepen, zeilsleden en olifanten.

De zonderlinge man had al zijn koelbloedigheid en stiptheid in deze zaak getoond. Maar wat nu? Wat had hij er bij gewonnen? Wat had hij van deze reis medegebracht?

Niets, zal men zeggen. Ja toch, eene schoone vrouw, die hem--hoe onmogelijk dit ook moge schijnen--tot den gelukkigsten man op aarde maakte.

INHOUD.

