De reis om de wereld in tachtig dagen

Part 16

Chapter 16 3,900 words Public domain Markdown

Toen werd Fix geheel moedeloos. Hij had een verschrikkelijken lust om zijn eenmaal gekozen partij op te geven. Juist op dat oogenblik werd hem de gelegenheid aangeboden om het station Kearney te verlaten en zijne reis, zoo rijk in moeielijkheden, te vervolgen.

Tegen twee uur toch in den namiddag, toen de sneeuw in groote vlokken viel, hoorde men een schel gefluit, dat uit het oosten kwam. Eene groote schaduw, voorafgegaan door fel licht, naderde langzaam, aanmerkelijk grooter schijnend door den mist, die haar tevens een fantastisch voorkomen gaf.

Men verwachtte nochtans geen trein uit het oosten. De hulp, die door middel van de telegraaf gevraagd was, kon nog zoo spoedig niet opdagen en de trein van Omaha naar San-Francisco passeerde eerst den anderen morgen. Men vernam echter spoedig wat het was.

De locomotief, die daar langzaam kwam aanstoomen en zoo schel floot, was die, welke den trein hier had gebracht en nadat zij was losgehaakt, haar weg met bliksemsnelheid had vervolgd, den bewusteloozen machinist en den stoker met zich voerende. Zij had eenige mijlen op de rails geloopen; toen was het vuur verminderd door gebrek aan brandstof, haar stoom had opgehouden en een uur later, al langzamer en langzamer gaande, stond zij eindelijk stil op tien mijlen afstand van het station Kearney.

Noch de machinist noch de stoker waren bij den strijd omgekomen. Na eene lange bezwijming waren zij weder ontwaakt. De machine stond juist stil. Toen zij zagen, dat zij slechts met de locomotief zonder andere wagens in de woestijn waren, begreep de machinist wat er gebeurd moest zijn. Hoe men de locomotief had losgehaakt kon hij niet gissen, maar hij twijfelde er niet aan of de trein, die was achtergebleven, kon niet verder. De machinist aarzelde geen oogenblik ten aanzien van hetgeen hem te doen stond.

Het voorzichtigst ware geweest de reis voort te zetten en zich naar Omaha te begeven; daarentegen was het gevaarlijk terug te keeren naar den trein, die misschien nog door de Indianen werd geplunderd. Toch besloot hij er toe. Eenige scheppen steenkool deden het vuur weder herleven; de stoom ontwikkelde zich weder en tegen twee ure in den namiddag keerde de locomotief naar het station van Kearney terug. Zij was het, wier fluiten men in den mist had gehoord.

De reizigers waren aangenaam verrast, toen zij haar zagen terugkomen, vóor het station stilhouden en aan den trein zich vasthechten. Men zou nu de reis kunnen vervolgen, die op zoo droevige wijze was geschorst.

Toen zij de locomotief zag komen, verliet ook Aouda het station en vroeg aan den conducteur:

"Gaat gij vertrekken?"

"Terstond, mevrouw."

"Maar die gevangenen, onze arme reisgezellen ... gij kunt niet wachten?"

"Ik kan den dienst niet doen stilstaan," antwoordde de conducteur. "Wij zijn reeds drie uren ten achter."

"En wanneer komt de andere trein van San-Francisco?"

"Morgen avond; mevrouw."

"Morgen avond; maar dat is te laat. Men moet wachten."

"Onmogelijk," antwoordde de conducteur, "als gij mede wilt, moet gij instappen."

"Ik ga niet mede," antwoordde de jonge vrouw.

Fix had dit gesprek gehoord. Eenige oogenblikken te voren, toen elk middel om verder te reizen hem ontbrak, was hij vast besloten Kearney te verlaten, maar thans, nu de trein daar gereed stond om te vertrekken, nu hij slechts zijne plaats behoefde in bezit te nemen, werd hij door een onwederstaanbare kracht aan deze plek gebonden. Het perron brandde hem onder de voeten en toch kon hij niet besluiten om het te verlaten. Zijn inwendige strijd begon weder. Hij stikte bijna in zijne woede over het mislukken van zijn tocht. Hij zou den strijd tot het einde toe voortzetten.

Intusschen hadden de reizigers en eenige gekwetsten, waaronder kolonel Proctor, wiens toestand ernstig was, plaats genomen in de waggons. Men wachtte dat de trein zich in beweging zou zetten. De machinist gaf het sein, de locomotief bewoog langzaam hare zuigers en verdween weldra, hare rookwolken vermengende met de sneeuwvlokken.

De avond viel. Het kleine detachement was nog niet teruggekeerd. Waar zou het thans zijn? Had het de Indianen achterhaald? Had men gevochten of waren de soldaten door den mist het spoor bijster geraakt? De kapitein van het fort Kearney was zeer ongerust, ofschoon hij niets van zijne onrust liet blijken.

De nacht brak aan; het sneeuwde niet zoo sterk, maar de koude nam toe. De stoutmoedigste blik huiverde voor deze stikdonkere onmetelijkheid. Een doodsche stilte heerschte op de vlakte. Noch het opvliegen van een vogel, noch het gedruisch van een wild dier verbrak deze eindelooze kalmte.

Den ganschen nacht zwierf Aouda, vervuld met de somberste voorgevoelens angstvol langs de grenzen der woestijn. Hare verbeelding voerde haar verre weg en zij zag duizenden gevaren. Wat zij gedurende die lange uren leed is niet te beschrijven.

Fix zat nog altijd onbeweeglijk op dezelfde plaats, maar ook hij sliep niet. Eens was een man hem genaderd en had hem zelfs aangesproken, maar Fix had hem weggezonden, nadat hij op diens vragen slechts het hoofd had geschud. Zoo ging de nacht voorbij. Toen de dageraad aanbrak, rees de vale schijf der zon boven een mistigen horizon.

Fogg en zijn detachement hadden zich in zuidelijke richting verwijderd. Het zuiden was en bleef eene woestijn. Het werd zeven uur in den morgen.

De kapitein was zeer bezorgd en wist niet wat te doen. Moest hij een tweede detachement zenden om het eerste te hulp te komen? Mocht hij nog meer menschenlevens opofferen, waar zoo weinig kans bestond om de andere, die zich terstond opgeofferd hadden, te redden? Zijne aarzeling duurde echter niet lang. Hij riep een zijner luitenants bij zich en gaf dezen bevel eene verkenning te doen in zuidelijke richting, toen er geweerschoten van die zijde werden vernomen. Was het een signaal? De soldaten snelden allen uit het fort en op een halve mijl afstands zagen zij een kleinen troep, die in goede orde terugkeerde.

Fogg stapte vooruit en naast hem Passepartout en de twee andere reizigers, die men uit de handen der Sioux gered had.

Men had een gevecht geleverd op tien mijlen afstands van Kearney. Weinige oogenblikken vóor de komst van het detachement, hadden Passepartout en zijne medegevangenen reeds tegen hunne wachters geworsteld, en de Franschman had er reeds twee met vuistslagen gedood, toen Fogg en zijne soldaten hem ter hulp snelden.

Redders en geredden werden met kreten van blijdschap begroet en Fogg keerde aan de soldaten de beloofde belooning uit, terwijl Passepartout, niet zonder eenige reden, herhaalde:

"Sakkerloot, ik moet zeggen dat ik veel geld aan mijn meester kost!"

Fix zag, zonder een woord te spreken, Fogg aan. De gewaarwordingen, die in hem oprezen, zouden moeielijk te beschrijven zijn. Wat Aouda betreft, zij had de hand van den gentleman gevat en drukte deze in de hare, zonder een woord te kunnen uiten.

Passepartout had intusschen, zoodra hij aankwam, den trein in het station gezocht. Hij dacht hem klaar te vinden om te vertrekken en hoopte, dat men den verloren tijd nog zou kunnen inhalen.

"De trein! de trein!" riep hij.

"Vertrokken," zeide Fix.

"En wanneer passeert de volgende trein?" vroeg Fogg.

"Eerst van avond."

"Zoo," zeide de kalme gentleman.

EEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Waarin de inspecteur Fix de belangen van Phileas Fogg zeer ter harte neemt.

Phileas Fogg was twintig uur ten achteren; Passepartout was, hoewel onwillekeurig, daarvan de schuld. Hij was wanhopend: hij had ontegenzeglijk zijn meester geruïneerd.

Op dat oogenblik naderde Fix den heer Fogg en zag hem strak aan.

"Hebt gij waarlijk zooveel haast, mijnheer?" vroeg hij.

"Waarlijk," antwoordde Fogg.

"Vergeef me dat ik er op aandring. Gij hebt er veel belang bij om den 11den vóór negen uur 's avonds te New-York te zijn om van daar met de mailboot naar Liverpool te vertrekken!"

"Een groot belang."

"En zoo uwe reis niet door den aanval der Indianen ware vertraagd, zoudt gij te New-York reeds in den morgen van den 11den zijn aangekomen."

"Ja, twaalf uur vóór de mailboot."

"Goed. Gij zijt dus twintig uur ten achter. Tusschen twintig en twaalf is het verschil acht. Wij moeten alzoo acht uur inhalen. Wilt gij dit beproeven?"

"Te voet?" vroeg Fogg.

"Neen, met een slede," antwoordde Fix, "met eene slede met zeilen. Een man heeft mij dit vervoermiddel aangeboden."

Het was de man, die Fix 's nachts aangesproken had, en wien deze voor zijn aanbod had bedankt.

Phileas Fogg antwoordde Fix niet; maar toen Fix hem den man in eigen persoon, die op het station wandelde, had aangewezen, ging hij naar dezen toe. Eenige oogenblikken later traden Fogg en de Amerikaan Mudge in een hut aan den voet van het fort.

Daar bezichtigde Fogg een zeer zonderling voertuig, een soort van sjees, vastgemaakt op twee lange balken, die van voren een weinig opliepen als de onderlagen van een slede; daarin konden vijf of zes personen plaats vinden. Op een derde gedeelte van de sjees, het meest naar voren, was een ontzaglijk hooge mast geplaatst. Deze mast was bevestigd door dikke ijzerdraden, waaraan weder een ijzeren stang vastgemaakt was, welke diende om een fok van grooten omvang op te hijschen. Achteraan was een roer dat den toestel stuurde. Het was alzoo een slede, ingericht tot sloep. In den winter, op de bevroren vlakten en wanneer de treinen door de sneeuw worden tegengehouden, gaan deze voertuigen zeer snel van het eene station naar het andere. Zij hebben bovendien veel zeilen, meer zelfs dan een kotter waarmede men pleiziertochtjes maakt en die nog gevaar loopt van om te slaan; zoo zij den wind achter hebben, glijden zij over de oppervlakte der velden met gelijke snelheid, zoo niet sneller, dan een sneltrein.

In weinige oogenblikken waren Fogg en de patroon van dit vaartuig-over-land het eens omtrent den prijs. De wind was gunstig. Het woei sterk uit het westen. De sneeuw was hard bevroren en Mudge maakte zich sterk Fogg in eenige uren te Omaha te brengen. Van daar vertrekken vele treinen en zijn er ook een aantal wegen, die naar Chicago en van daar naar New-York voeren. Het was niet onmogelijk dat men het tijdverlies weder zou inhalen. Er viel dus niet te aarzelen. Men moest de onderneming wagen. Fogg wilde Aouda niet blootstellen aan de kwellingen, welke aan eene reis in de open lucht verbonden zijn, en aan de koude, die nog ondraaglijker werd door de snelheid waarmede men rijden zou. Hij stelde haar dus voor, onder bescherming van Passepartout aan het station Kearney te blijven. De goede jongen zou zich dan belasten om haar langs een beteren weg en met gemakkelijker vervoermiddelen naar Europa te brengen.

Aouda weigerde van Fogg te scheiden, en Passepartout rekende zich door dit besluit zeer gelukkig. Inderdaad, voor niets ter wereld zou hij zijn meester willen verlaten, daar Fix dezen nu vergezellen zou.

Wat de inspecteur van politie er van dacht valt moeilijk te zeggen. Was zijne overtuiging aan het wankelen gebracht door den terugkeer van Phileas Fogg, of hield hij hem voor een geslepen schurk, die dacht, na zijn reis om de wereld volbracht te hebben, in Engeland in volmaakte vrijheid te zullen zijn? Misschien was Fix's overtuiging omtrent Fogg wel eenigszins veranderd. Maar hij was toch nog altijd vast besloten zijn plicht te doen.

Ten acht ure was de slede klaar om te vertrekken; men zou den tocht beproeven. De passagiers namen plaats en wikkelden zich allen in hunne reisdekens. De twee groote zeilen werden geheschen en, dank zij de kracht van den wind, vloog de slede over de bevroren sneeuw, met een snelheid van veertig mijlen in het uur.

De spoorweg van Kearney naar Omaha vormt een rechte lijn en is hoogstens twee honderd mijlen van de laatste plaats verwijderd. Als de wind zoo bleef, zou men in vijf uren dezen afstand hebben afgelegd. Wanneer zich geen zwarigheid opdeed zou men dus ten een ure des namiddags te Omaha aankomen.

Maar op welke wijze! De reizigers zaten tegen elkander gedrongen en spraken geen woord. De koude was nog heviger geworden en door de snelheid van de vaart was hun zelfs het spreken niet mogelijk. De slede gleed even gemakkelijk over de vlakte als een vaartuig over het water, behalve dat zij niet slingerde. Toen de wind vlak langs den grond streek, scheen het alsof de slede door de zeilen werd opgelicht.

Mudge bleef aan het roer en hield altijd de rechte lijn; door eene kleine wending voorkwam hij elke buiging en afwijking. Alle zeilen waren bijgezet.

"Zoo er niets breekt," zeide Mudge, "zullen wij er bij tijds komen."

En Mudge had er belang hij om er op den bepaalden tijd te zijn, want Fogg, getrouw aan zijn beginsel, had hem een aanzienlijke premie toegezegd.

Het veld, dat de slede in een rechte lijn doorsneed, was zoo effen als een zee. Men zou gezegd hebben dat het een bevroren vijver was. De spoorweg, welke in dit gedeelte van het grondgebied dienst doet, ging van het zuidwesten naar het noordoosten, door Grant Isle over Columbus, eene belangrijke stad in Nebraska, Schuyler, Fremont en eindelijk op Omaha af. De weg volgde geheel den oever der Platte-rivier. De slede daarentegen koos den kortsten afstand, en nam de koord op den boog, dien de spoorweg beschrijft. Mudge vreesde niet dat de Platte-rivier een bezwaar zou opleveren bij de kleine bocht welke zij even vóór Fremont maakt, omdat de oppervlakte er van geheel bevroren was. De weg was dus vrij van alle hinderpalen en Fogg behoefde slechts twee dingen te vreezen: een ongeluk aan de slede en het veranderen of het gaan liggen van den wind. Maar de wind veranderde niet. Integendeel; hij blies dat de mast er van boog; gelukkig dat zij met ijzeren draden stevig was vastgemaakt.

"Deze draden geven de quint en de octaaf aan," zeide Fogg. Dit waren de eenige woorden, die hij gedurende den ganschen overtocht sprak. Aouda, door zijne zorg in dekens ingepakt, was zoo goed mogelijk beschut tegen de koude.

Wat Passepartout aangaat, met een gelaat zoo rood als de ondergaande zon, ademde hij de scherpe lucht in. Met zijn onwrikbaar vertrouwen begon hij weder te hopen. In plaats van 's morgens te New-York aan te komen zou men er 's avonds zijn, maar er was nog kans dat men er aankwam vóór het vertrek der mailboot naar Liverpool. Passepartout gevoelde zelfs grooten lust om de hand van zijn bondgenoot Fix te drukken, want hij vergat niet, dat het de inspecteur was, die deze slede met zeilen had verschaft, het eenige middel om bij tijds te Omaha te komen. Maar door een onbestemd voorgevoel gedreven, hield hij zich op den gewonen afstand.

In elk geval, een ding zou hij nooit vergeten: de opoffering van Fogg om hem uit de handen der Sioux te redden. Daarvoor had Fogg zijn leven en zijn fortuin op het spel gezet. Dat zou zijn knecht zich ten eeuwigen dage herinneren.

Terwijl ieder aan zijne eigene gedachten den vrijen loop liet, schoof de slede met onbeschrijfelijke snelheid over de sneeuwvelden. Als zij creeks of stroomen van de Littleblue-rivier passeerde, bemerkte men het niet eens. De velden en rivieren toch waren allen met een wit kleed bedekt. De vlakte overal even kaal. Het gedeelte tusschen de Union-Pacific-road en den zijtak, die Kearney met Sint Joze verbindt, vormde een groot onbewoond eiland. Geen dorp noch station, zelfs geen fort was er te bekennen. Van tijd tot tijd snelde men als een bliksemstraal een grijnzenden boom voorbij, waarvan de witte stam samenkromp onder de stormvlagen. Somtijds zag men gansche zwermen wilde vogels gelijktijdig opstijgen. Dan weder waren het de wolven uit de prairiën, mager en uitgehongerd, die, door hun onduldbaren honger voortgedreven, in dichte drommen opdaagden en in snelheid wedijverden met de slede. Passepartout greep dan zijn revolver, gereed om op den eersten, die binnen zijn bereik kwam, vuur te geven. Zoo op dat oogenblik aan de slede eenig ongeluk overkomen ware, zouden de reizigers zeker door deze verscheurende dieren zijn aangevallen en wat dan hun lot zou zijn geweest ware moeielijk te voorzien. Maar de slede hield zich goed; zij bleven de wolven vooruit en weldra hoorde men hun gehuil slechts op verwijderden afstand.

Tegen den middag herkende Mudge aan eenige bepaalde punten dat hij de Platte-rivier passeerde. Hij zeide niets, maar voor zich zelven was hij zeker dat hij twintig mijlen verder het station Omaha zou hebben bereikt. En inderdaad het was nog geen éen uur, toen de bekwame gids het roer los liet en de zeilen reefde, terwijl de slede door haar eigen vaart voortgedreven nog een halve mijl haar weg vervolgde zonder behulp der zeilen. Eindelijk stond zij stil. Mudge wees op eenige besneeuwde daken en zeide:

"Wij zijn er."

Werkelijk was men aangekomen aan dit station, dat dagelijks door vele treinen met het oostelijk gedeelte der Vereenigde Staten in gemeenschap is.

Passepartout en Fix sprongen op den grond en schudden hunne verstijfde ledematen. Zij hielpen Fogg en Aouda ook de slede uitstijgen. Fogg rekende zeer edelmoedig met Mudge af; Passepartout drukte hem als een vriend de hand en allen begaven zich toen onmiddellijk naar het station van Ohama.

Het is in deze belangrijke stad van Nebraska, dat de eigenlijk gezegde Pacific-spoorweg eindigt, welke de hoofdtak van de Mississippi in gemeenschap stelt met den Atlantischen Oceaan. Maar om van Omaha de reis naar Chicago te maken, loopt de spoorweg, bekend onder den naam van Chicago-Rock-Island Road rechtstreeks naar het oosten, onder weg voor 50 stations halt houdende. De trein stond gereed om te vertrekken. Fogg en zijne reisgezellen hadden slechts den tijd om in een waggon te springen. Zij hadden niets van Omaha gezien, maar Passepartout erkende bij zich zelven dat hij er geen spijt van behoefde te hebben, omdat er toch niets te zien was.

Met verbazende snelheid doorsneed de trein den staat Jowa, langs Council-Bluffs, Des Moines en Jowa-City. Gedurende den nacht passeerde hij de Mississipi te Davenport, en te Rock-Island bereikte hij Illinois. Den 10den, ten elf ure 's avonds, kwam hij te Chicago, dat reeds weder opgebouwd is en trotscher dan ooit zich aan de oevers van het schoone meer Michigan verheft.

Negen honderd mijlen scheiden Chicago van New-York. Het ontbrak te Chicago niet aan treinen. Fogg ging terstond van den een in den ander.

De snuivende locomotief der Pittsburg-Fort-Wayne-Chicago-railroad vertrok zoo snel mogelijk alsof zij begreep, dat de achtenswaardige gentleman geen tijd te verliezen had. Hij trok als een bliksemstraal Indiana, Ohio, Pensylvanie, Nieuw-Jersey door, passeerde ook eenige steden met oude namen, waarvan sommige wel straten en tramways hadden, maar nog geen huizen. Eindelijk zag men den 11den December, 's avonds kwart voor elven den Hudson; de trein stond in het station stil aan den rechteroever van den stroom vlak voor het havenhoofd, waar de booten van Cunard's Britsch-Noord-Amerikaansche Koninklijke Stoompakket Maatschappij, landden.... De China was vijf en veertig minuten te voren naar Liverpool vertrokken.

TWEE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Waarin Phileas Fogg een directen strijd voert tegen het noodlot.

De China scheen bij haar vertrek tevens Fogg's laatste hoop medegenomen te hebben.

Geen der mailbooten toch die rechtstreeks dienst doen tusschen Amerika en Europa, noch de Fransche mailbooten, noch de stoombooten van de Witte-Ster-lijn, noch die van de Compagnie Inman, of de Hamburgsche lijn konden den gentleman in zijn plannen dienen.

De Pereire van den franschen maildienst vertrok eerst twee dagen later; bovendien voer zij niet rechtstreeks naar Liverpool of Londen, maar naar Havre, en de reis van daar naar Southampton zou de laatste kansen van Fogg hebben verijdeld. Aan de booten van Inman viel niet te denken. Deze zijn vooral ingericht voor landverhuizers; hare machines zijn zwak, zij gebruiken evenveel zeil als stoom en hare snelheid is dan ook zeer middelmatig. Voor de overvaart van New-York naar Engeland zouden zij meer tijd verreizen dan Phileas Fogg noodig had om zijne weddenschap te winnen.

Al deze mededeelingen vond de gentleman in zijne Bradshaw. Passepartout was verpletterd: die vijf en veertig minuten welke men te laat was gekomen om de mailboot te halen, maakten hem diep rampzalig. Zijne schuld was het, de zijne alleen, daar hij, in plaats van zijn meester te helpen, voortdurend hinderpalen op diens weg had opgehoopt. En wanneer hij in zijn geest alle bijzonderheden van de reis terug zag, wanneer hij dacht aan het louter weggeworpen geld dat alleen ten zijnen behoeve noodig was geweest; wanneer hij daarbij overwoog, dat die ontzaglijke weddenschap, nog vermeerderd met de aanzienlijke kosten van de reis, die nu noodeloos was geworden, den heer Fogg geheel ruïneerde, dan verwenschte hij zich zelven.

Fogg deed hem nochtans geen enkel verwijt, de aanlegplaats van de fransche mailboot verlatende, zeide hij slechts:

"Wij zullen morgen overleggen. Kom mede."

Fogg, Aouda, Fix en Passepartout trokken den Hudson weder over en stegen in een rijtuig, dat hen naar het Sint-Nikolaas-hotel in Broadway bracht. Eenige kamers werden daar ter hunner beschikking gesteld, en de nacht ging voor Fogg spoedig voorbij, daar hij zeer gerust sliep, maar hij duurde voor Aouda en de andere reizigers lang, omdat hunne gejaagdheid hun niet toeliet te rusten.

Den anderen dag zou het den 12den December zijn. Van den 12den 's morgens zeven ure tot den 21sten 's avonds kwart voor negenen was negen dagen, dertien uren en vijf en veertig minuten. Zoo Fogg dus den vorigen dag met de China vertrokken ware, een der beste stoomschepen van de Cunard-lijn, zou hij te Liverpool en te Londen op den bepaalden tijd zijn aangekomen.

Fogg verliet zijn hotel alleen, na aan zijn knecht bevolen te hebben te wachten en mevrouw Aouda te verzoeken zich gereed te maken.

Hij begaf zich naar de oevers van den Hudson en onder de schepen, die voor anker lagen op de kade of op stroom, zocht hij nauwkeurig diegenen uit, welke op het punt waren te vertrekken. Vele schepen hadden reeds hunne bestemming en waren klaar om met den vloed in zee te steken, want in deze groote en bewonderenswaardige haven van New-York gaat er geen dag om, dat er geen honderd schepen naar alle deelen van de wereld vertrekken. Maar de meesten waren zeilschepen en konden dus Fogg niet dienen voor zijne plannen.

De laatste poging van den gentleman scheen dus te mislukken, toen hij vóor de batterij een scherp gebouwd stoomschip voor anker zag liggen, dat zich gereed maakte om te vertrekken. Phileas Fogg riep een bootje aan, sprong er in en bereikte met een paar slagen de scheepstrap der Henrietta. De kapitein van de Henrietta was aan boord. Fogg klom op het dek en vroeg naar den kapitein. Deze kwam dadelijk te voorschijn.

Hij was een man van omstreeks vijftig jaar, een echte zeerob, met groote oogen, verbrand gelaat, rood haar en een ruw voorkomen. Hij had niets van een beschaafd man.

"Gij zijt de kapitein?" vroeg Fogg.

"Dat ben ik."

"Ik ben Phileas Fogg, uit Londen."

"En ik Andrew Speedy, uit Cardiff."

"Gij gaat vertrekken?"

"Over een uur."

"Gij gaat naar...?"

"Bordeaux."

"En uw lading?"

"Alleen ballast, geen lading. Ik ga vracht halen."

"Hebt gij passagiers?"

"Geen passagiers. Nooit passagiers. Redeneerende en in den weg loopende lading."

"Uw schip loopt goed?"

"Tusschen de elf en twaalf knoopen. De Henrietta is goed bekend."

"Wilt gij mij en drie andere passagiers naar Liverpool brengen?" vroeg Fogg.

"Waarom niet liever naar China?"

"Ik zeg Liverpool."

"Neen."

"Neen?"

"Neen. Ik ben uitgeklaard voor Bordeaux, en ik ga naar Bordeaux."

"Tot elken prijs?"

"Tot elken prijs."

De kapitein had gesproken op een toon, die geen tegenspraak gedoogde.

"Maar de reeders van de Henrietta...." hernam Phileas Fogg.

"De reeders--ben ik," antwoordde de kapitein, "het schip behoort mij toe."

"Ik huur het van u."

"Neen."

"Ik koop het."

"Neen."