De reis om de wereld in tachtig dagen

Part 15

Chapter 15 3,905 words Public domain Markdown

Maar een aantal reizigers had dit voorstel reeds goedgekeurd en het scheen vooral kolonel Proctor zeer aangenaam toe. Deze heethoofd vond de zaak zeer goed uitvoerbaar. Hij herinnerde zich zelfs hoe eenige ingenieurs het plan hadden gevormd om een goed aaneengesloten trein in volle vaart rivieren zonder bruggen te doen passeeren. Bij slot van rekening schaarden alle belanghebbenden zich aan de zijde van den machinist.

"Wij hebben vijftig kansen tegen een," zeide een der reizigers.

"Zestig! ... tachtig! Wel negentig op de honderd," zeide een ander. Passepartout was geheel verbijsterd van verbazing; ofschoon hij wel alles had willen doen om de brug van de Medicine-Bow over te komen, scheen hem dit toch een weinig al te amerikaansch toe.

"Daar is bovendien nog wel een eenvoudiger middel, en daar denken die menschen nu in het geheel niet aan!... "Mijnheer," zeide hij tot een der reizigers, "het middel, dat de machinist voorstelt, schijnt mij een weinig gewaagd toe, maar...."

"Tachtig kansen!" antwoordde de reiziger, die hem den rug toekeerde.

"Ik weet wel," zeide Passepartout zich tot een ander gentleman richtend, "maar het was toch goed eens even te bedenken...."

"Geen bedenkingen, dat is onnoodig," antwoordde de aangesproken Amerikaan, zijn schouders ophalend, "daar de machinist u verzekert dat men er over zal gaan."

"Zeer zeker," hernam Passepartout, "zal men er over komen, maar was het niet voorzichtiger...."

"Wat! voorzichtiger!" riep kolonel Proctor, dien dit woord, hetwelk hij toevallig hoorde, deed opspringen. "Met volle vaart zeg ik u! Begrijpt ge nu? Met volle vaart!"

"Ik weet het ... ik begrijp het...." herhaalde Passepartout, maar niemand liet hem uitspreken. "Het was toch voorzichtiger, maar daar dit woord u hindert, het was toch natuurlijk...."

"Wie? wat? hoe? Wat moet hij toch met zijn natuurlijk?..." riep men van alle kanten.

De arme knecht wist niet meer tot wien hij zich wenden kon.

"Zijt gij bang?" vroeg hem kolonel Proctor.

"Ik bang!" riep Passepartout. "Nu nog mooier! Ik zal aan deze menschen toonen dat een Franschman even goed Amerikaan kan zijn als zij."

"Instappen! instappen!" riep de conducteur.

"Ja, instappen," herhaalde Passepartout, "instappen. En terstond maar! Maar men zal mij niet beletten te denken, dat het veel natuurlijker ware geweest, ons reizigers, eerst te voet de brug over te laten gaan, en dan den trein...." Maar niemand hoorde deze verstandige opmerking en niemand wilde er de juistheid van erkennen.

De reizigers zaten weder in hun waggon. Passepartout had ook zijn plaats hernomen, zonder meer over het voorgevallene te spreken. De spelers waren geheel verdiept in hun whisten. De locomotief floot op oorverdoovende wijze. De machinist bracht de trein een mijl terug, achteruitgaande als een springer, die zijn sprong wil nemen. Vervolgens, na een tweede fluitje, ging de trein weder voorwaarts en daarop zoo snel mogelijk. Spoedig werd de snelheid verschrikkelijk, men hoorde niets dan een gesis dat uit de locomotief kwam; de zuigers sloegen twintig slagen in de seconde, de assen der raderen rookten in de bussen. Men gevoelde om zoo te zeggen dat de geheele trein vloog met eene snelheid van honderd mijlen in het uur en niet op de rails drukte. Hij ging zoo snel, dat hij geen gewicht meer had.

En men ging er over! Het was als een bliksemstraal. Men zag niets van de brug. De trein sprong, zou men kunnen zeggen, van den eenen oever naar den anderen en de machinist kon zijn machine niet eer doen stilstaan dan op vijf mijlen afstand van het station. Maar nauwelijks was deze aan de overzijde der rivier of de brug stortte werkelijk in, en viel met een vreeselijk geweld in de Medicine-Bow.

NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Waarin de verschillende ongelukken verhaald worden, die men op een spoorweg der Vereenigde Staten ontmoeten kan.

Denzelfden avond vervolgde de trein zonder eenigen hinderpaal zijn weg, reed het fort Sanders voorbij, trok door den bergpas van Cheyenne en kwam aan dien van Evans aan. In deze streek bereikte de spoorweg zijn hoogste punt; het was acht duizend een en negentig voet boven de oppervlakte van den oceaan. De reizigers behoefden slechts tot de Atlantische zee te sporen over die onbegrensde vlakte, welke door de natuur tot een effen veld is gemaakt.

Daar was de groote zijtak naar Denver-city, de voornaamste stad van Colorado. Dit grondgebied is rijk aan goud- en zilvermijnen en meer dan vijftig duizend bewoners hebben zich hier reeds gevestigd.

Op dat oogenblik had men van San-Francisco af dertien honderd twee en tachtig mijlen in drie nachten en drie dagen afgelegd. In vier nachten en vier dagen moest men New-York bereikt hebben. Phileas Fogg was dus in overeenstemming met de uren van zijn reglement.

Gedurende den nacht liet men het kamp van Walbah links liggen. De Lodgepole-Creek liep met den weg evenwijdig en volgde de rechtlijnige grens, die de scheiding uitmaakt tusschen Wyoming (het oude Dakota) en Colorado. Ten elf ure trok men Nebraska door en ging dicht langs Sedgwick, hield even te Julesburgh op, dat aan den zuidelijken tak van de Platte-rivier ligt.

Hier werd den 25sten October 1877 de Union-Pacific-Road ingewijd, waarvan de hoofd-ingenieur generaal J.M. Dodge was. Daar stonden toen de twee groote locomotieven stil, met zich voerende negen waggons met genoodigden. Onder hen was ook de vice-president Thomas C. Durant; daar hoorde men de toejuichingen van duizenden; daar gaven de Sioux en de Pawnies een voorstelling van een kleinen indiaanschen oorlog; daar werd het vuurwerk afgestoken; daar eindelijk verscheen door middel van een draagbare drukpers het eerste nummer van den Railway-Pioneer. Op deze wijze werd de inwijding van den grooten spoorweg gevierd, die het middel is tot vooruitgang en beschaving, dwars door de woestijn aangelegd en bestemd om de gemeenschap te vormen tusschen de woestijn en steden, die nog niet bestonden. De fluit der locomotief, nog luider dan de lier van Amphion, zou ze weldra uit den amerikaanschen bodem doen verrijzen.

Ten acht ure in den morgen had men het fort Mac Pherson achter den rug. Drie honderd zeven en vijftig mijlen scheiden dit punt van Omaha. De spoortrein volgde langs den linker oever de grillige bochten van den zuidelijken tak der Platte-rivier. Ten negen ure kwam men aan de belangrijke stad North-Platte, gebouwd tusschen de beide armen van den grooten stroom, die zich in de nabijheid der stad met elkaar vereenigen en dan slechts één bedding hebben. Deze groote stroom, waarin vele rivieren uitmonden, vereenigt zich met de Missouri, een weinig ten zuiden van Omaha.

Men was den honderd en eersten meridiaan gepasseerd.

Fogg en zijne medespelers hadden het spel hervat. Geen van allen beklaagden zich over den langen weg. Zelfs niet de blinde. Fix had eenige guinjes gewonnen, die hij weer op het punt was van te verliezen, maar hij toonde zich niet minder hartstochtelijk dan Fogg. Gedurende dezen ochtend waren de kansen dezen gentleman zeer gunstig. De troeven en de honneurs regenden in zijne hand. Op een zeker oogenblik, toen hij een fijn berekende methode toepaste en schoppen wilde spelen, hoorde hij eene stem achter zich zeggen:

"Ik zou ruiten spelen."

Fogg, Aouda en Fix keken op. Kolonel Proctor was bij hen. Stamp Proctor en Phileas Fogg herkenden elkander terstond.

"Zoo, zijt gij het, mijnheer de Engelschman!" riep kolonel Proctor, "zijt gij het, die schoppen wilde spelen!"

"En die ze ook speelt," antwoordde Fogg kalm, een tien van deze kleur nederleggende.

"Welnu, ik verkies dan dat het ruiten zal zijn," hernam de kolonel driftig.

En hij maakte een gebaar om de gespeelde kaart op te nemen, er bijvoegende:

"Gij verstaat niets van het spel."

"Misschien zou ik een ander beter verstaan," zeide Fogg opstaande.

"Het staat aan u, om er de proef van te nemen, zoon van John Bull," antwoordde de ruwe kolonel.

Aouda was bleek geworden. Haar bloed stolde in hare aderen. Zij had Fogg's arm gevat, die haar zachtjes terug stootte. Passepartout was bereid om zich op den Amerikaan te werpen, die zijn tegenpartij met het meest uittartende gezicht aanzag. Maar Fix was opgestaan en ging naar Proctor met de woorden:

"Gij vergeet, mijnheer, dat ik het ben, met wien gij te doen hebt; ik ben het, dien gij niet alleen beleedigd, maar geslagen hebt."

"Mijnheer Fix," zeide Fogg, "ik vraag u verschooning, maar dit gaat mij alleen aan. Bewerende dat ik ongelijk had toen ik schoppen speelde, heeft de kolonel mij opnieuw beleedigd, en hij zal er mij voldoening voor geven."

"Wanneer, en waar gij wilt," antwoordde de Amerikaan, "en met het wapen van uwe keus."

Aouda beproefde te vergeefs Fogg terug te houden. De inspecteur wendde alles aan, maar zijne pogingen om den twist op hem te doen overgaan, bleven zonder gevolg. Passepartout wilde den kolonel uit het portier werpen, maar een teeken van zijn meester weerhield hem. Fogg verliet den waggon en de Amerikaan volgde hem op de brug.

"Mijnheer," zeide Fogg tot zijn tegenpartij, "ik heb zeer veel haast om naar Europa terug te keeren, en een oponthoud zou aan mijne belangen veel nadeel veroorzaken."

"Wel, wat gaat mij dat aan?" antwoordde kolonel Proctor.

"Mijnheer," vervolgde Fogg, "na onze ontmoeting te San-Francisco was ik voornemens u weder in Amerika op te zoeken, nadat ik mijne zaken in Europa had afgehandeld."

"Waarlijk!"

"Wilt gij mij binnen zes maanden rendez-vous geven?"

"Waarom geen zes jaar?"

"Ik zeg zes maanden," antwoordde Fogg beleefd, "en ik zal zorgen op het rendez-vous te zijn."

"Uitvluchten, anders niet!" riep Proctor. "Nu of nooit."

"Goed," antwoordde Fogg. "Gij gaat naar New-York?"

"Neen."

"Naar Chicago?"

"Neen."

"Naar Omaha?"

"Kan het u schelen? Kent gij Plum-Creek?"

"Neen," antwoordde Fogg.

"Dat is het eerstvolgende station. De trein zal er binnen een uur zijn. Hij zal er tien minuten ophouden. In tien minuten kunnen wij eenige geweerschoten wisselen."

"Goed," zeide Fogg. "Ik zal te Plum-Creek uitstappen."

"En ik geloof zelfs dat gij er blijven zult," voegde de Amerikaan er bij met de grootste onbeschaamdheid.

"Wie weet, mijnheer," antwoordde Fogg, en hij keerde naar zijn waggon terug. De trein zette zich oogenblikkelijk in beweging.

Daar begon de gentleman Aouda gerust te stellen, door de opmerking dat de bluffers nooit te vreezen waren. Toen verzocht hij Fix om getuige te wezen bij het duel dat zou plaats hebben. Fix kon niet weigeren, en Fogg begon weer even kalm zijn gestoord spel, en speelde schoppen met de meest mogelijke koelheid en het beste resultaat.

Te elf ure kondigde het fluitje aan, dat men te Plum-Creek was aangekomen. Fogg stond op en gevolgd door Fix, begaf hij zich op de brug. Passepartout vergezelde hen met een paar revolvers. Aouda bleef zitten, bleek als een doode.

Op dit oogenblik werd het andere portier van den waggon geopend, en de kolonel Proctor verscheen ook op de brug, gevolgd van zijn getuige, een Yankee van zijn stempel. Maar terzelfder tijd, toen de twee partijen uit wilden stappen, kwam een conducteur aanloopen, roepende:

"Men stapt niet uit, heeren."

"En waarom niet?" vroeg Proctor.

"Wij zijn twintig minuten ten achter en de trein staat niet stil."

"Maar ik moet met mijnheer vechten."

"Het spijt mij," antwoordde de conducteur, "maar wij vertrekken terstond. Hoor, daar luidt de bel reeds!"

De bel luidde inderdaad, en de trein zette zich oogenblikkelijk in beweging.

"Het spijt mij waarlijk," herhaalde de conducteur. "In elk ander geval had ik u kunnen helpen. Maar waarom zoudt gij, daar gij den tijd niet hebt gehad hier te vechten, die zaak onder weg niet kunnen afdoen.

"Dat zal mijnheer misschien niet naar den zin zijn!" zeide Proctor met een spottend gezicht.

"Dat is zeer naar mijn zin," antwoordde Fogg.

"Wij zijn bepaald in Amerika," dacht Passepartout, "en de conducteur is een volmaakt gentleman--in zijn land."

Met deze woorden volgde hij zijn meester.

De twee partijen, gevolgd door hunne getuigen en voorafgegaan door den conducteur, stapten van den eenen waggon in den anderen en bereikten eindelijk het achterste gedeelte van den trein. Deze laatste waggon was slechts door een tiental reizigers bezet. De conducteur vroeg hun of zij wel voor eenige minuten de plaats voor deze heeren wilden inruimen, die een zaak van eer hadden te behandelen.

"Wel waarom niet! De reizigers waren zelfs zeer gelukkig aan de twee heeren genoegen te doen, en zij begaven zich op de brug.

De waggon had een lengte van vijftig voet en was zeer goed voor deze zaak ingericht.

De partijen konden op elkander aanvallen tusschen de banken door, zich verschansen en zoo elkander doodschieten. Nooit was er een duel gemakkelijker te regelen geweest. Fogg en Proctor, beiden van twee revolvers met zes loopen voorzien, stapten in den waggon. Hunne getuigen, die buiten waren gebleven, sloten deze dicht. Op het eerste fluiten der locomotief moesten zij beginnen. Nadat het twee minuten geduurd had zou er uit den waggon worden gehaald wat er van de twee heeren zou zijn overgebleven.

Waarlijk er was niets eenvoudiger dan dit. Het was zelfs zoo eenvoudig dat Fix en Passepartout hun hart hoorden kloppen, alsof het bersten zou.

Men wachtte het afgesproken sein, toen men eensklaps wilde kreten hoorde, die met geweerschoten gepaard gingen; maar deze kwamen niet uit den waggon, waarin de reizigers waren.

De trein werd aangevallen door een bende Sioux. Het schieten strekte zich uit langs den geheelen trein en uit alle wagens hoorde men schreeuwen en kermen.

Kolonel Proctor en Fogg, met hunne revolvers in de hand, traden naar buiten en snelden naar de voorste wagens waar het meest geschreeuwd en geschoten werd.

Zij hadden begrepen dat de trein werd aangevallen door een bende Sioux.

Deze stoutmoedige Indianen bedreven niet hun eerste heldenfeit; meermalen reeds hadden zij de treinen aangerand. Volgens hunne gewoonte wachtten zij niet tot de locomotief stil stond, maar sprongen op de treden, en honderden van hen wierpen zich dan in de waggons evenals een clown van een rennend paard springt. Deze Sioux waren allen met geweren gewapend. Vandaar de geweerschoten, die door de reizigers, welke bijna allen revolvers hadden, beantwoord werden. Het allereerst hadden de Indianen zich op de locomotief geworpen. De machinist en de stoker waren half vermoord door de stokken met looden knoppen. Een der opperhoofden van de Sioux wilde den trein doen ophouden, maar daar hij niet wist hoe hij de kruk der machine moest draaien, had hij de stoomkraan wijd geopend in plaats van haar te sluiten, zoodat de trein met duizelingwekkende vaart voortrende. Te gelijkertijd hadden de Sioux de waggons vermeesterd; zij liepen als woedende apen over de imperialen, trapten de portieren in en streden man tegen man met de reizigers. Naast de bagagewagens, die zij hadden opengebroken en geplunderd, lagen de kisten en koffers op den weg verspreid. Het schreeuwen en schieten duurde voort.

De reizigers verdedigden zich intusschen moedig. Eenige wagens waren gebarricadeerd en stonden een beleg uit, als beweegbare forten, die vooruit gingen met een snelheid van honderd mijlen in een uur.

Van den eersten aanval af, had Aouda zich kloek gedragen. Met de revolver in de hand, verdedigde zij zich heldhaftig, door gebroken glasruiten schietende, zoo vaak de een of andere wilde zich vertoonde. Een twintigtal doodelijk getroffen Sioux, die op den weg gevallen waren, werden door de wielen van de waggons verpletterd als wormen, evenzoo zij, die op de rails onder de loopbrug waren uitgegleden.

Verscheidene reizigers, zwaar gewond door de kogels of stokken, lagen op de banken.

Er moest een einde aan komen. De strijd duurde reeds tien minuten en kon niet dan ten voordeele van de Sioux afloopen. Het station van het fort Kearney was nog slechts twee mijlen verwijderd. Daar was een amerikaansche post, maar zoo men dien post gepasseerd was, welke tusschen Kearney en het eerstvolgende station lag, dan zouden de Sioux meester van den trein zijn. De conducteur streed aan Fogg's zijde, maar een kogel deed hem ineen zinken. Terwijl hij viel, riep deze man:

"Wij zijn verloren, zoo de trein niet binnen vijf minuten stil staat."

"Hij zal stil staan," zeide Fogg, die uit den waggon wilde springen.

"Blijf, mijnheer," riep Passepartout, "dat is mijn zaak."

Fogg had den tijd niet zijn moedigen knecht tegen te houden, die, zonder door de Indianen gezien te worden een portier opende en tusschen de waggons doorgleed. En toen, terwijl de strijd nog altijd voortduurde, en de kogels hem om de ooren floten, kreeg hij zijn handigheid en lenigheid van clown terug, kroop onder de waggons door, zich nu eens vasthoudende aan de assen, dan zich klemmende aan de boomen, elken haak en uitstekende punt grijpende, en zoo bereikte hij, dank zij zijne bewonderenswaardige vlugheid, het voorste gedeelte van den trein, zonder dat iemand hem gezien had of had kunnen zien. Daar, tusschen den goederenwagen en den tender hangende, haakte hij de ketting los, schroefde toen, niet dan met veel moeite de haken uit en de trein, welke nu los was, bleef langzamerhand achter, terwijl de locomotief met een ongeloofelijke snelheid voortging.

Zijne eens verkregen snelheid volgende, reed de trein nog eenige minuten door, maar daar men inwendig het remtoestel deed werken, hield hij eindelijk, op honderd passen afstand van het station Kearney, stil.

Daar kwamen de soldaten van het fort, gewaarschuwd door de geweerschoten, in allerijl aansnellen. De Sioux hadden hen niet verwacht en nog vóor de trein geheel stilstond, was de gansche bende verdwenen.

Maar toen de reizigers elkander aan het station telden, bemerkten zij dat er verscheidenen ontbraken en onder hen was ook de moedige Franschman, door wiens kloeke daad men gered was.

DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Waarin Phileas Fogg slechts zijn plicht doet.

Drie reizigers, waaronder Passepartout behoorde, ontbraken.

Waren zij in den strijd gedood? Of waren zij gevangen door de Sioux? Men wist er nog niets van.

Er waren een aantal gewonden, maar van geen was de wond doodelijk. Kolonel Proctor was nog het ergst gewond; hij had zich ook moedig verdedigd. Hij werd met de andere reizigers, wier toestand onmiddellijke hulp eischte, naar het station gebracht. Aouda was er zonder eenige wond afgekomen. Phileas Fogg, die ook dapper had medegevochten, had geen enkelen schram. Fix was licht aan zijn arm gekwetst. Maar Passepartout ontbrak en Aouda kon hare tranen niet bedwingen.

Alle reizigers hadden intusschen den trein verlaten. De wielen der waggons dropen van bloed. Aan de assen en aan de spaken hingen stukken vleesch. Men zag, zoo ver men zien kon, den witten grond met bloed bevlekt. De laatste Indianen verdwenen toen in het zuiden, in de richting van de Republican-rivier. Fogg bleef met de armen over elkaar onbeweeglijk staan. Hij had een gewichtig besluit te nemen. Aouda, die naast hem stond, keek hem aan, maar sprak geen woord. Hij begreep dezen blik. Nu zijn ongelukkige bediende gevangen was, moest hij thans niet alles wagen om hem aan de handen der Indianen te ontrukken?

"Ik zal hem levend of dood terugvinden," zeide hij tot Aouda.

"O, mijnheer, ... mijnheer Fogg!" riep de jonge vrouw uit, de handen van haar reisgezel grijpende en die met tranen bedekkende.

"Levend!" voegde Fogg er bij, "zoo wij geen minuut verloren laten gaan."

Door dit besluit offerde Fogg zich geheel op. Hij sprak hier zijn ondergang uit. Als hij éen dag te laat kwam, miste hij de mailboot te New-York. Zijne weddenschap had hij dan onherroepelijk verloren; maar bij de gedachte: "het is mijn plicht" had hij niet geaarzeld.

De kapitein, die in het fort Kearney kommandeerde, was tegenwoordig. Zijne soldaten--een honderdtal manschappen--hadden zich allen voorbereid op het geval dat de Sioux een aanval op het station mochten wagen.

"Mijnheer," zeide Fogg tot den kapitein, "drie reizigers worden er gemist."

"Dood?" vroeg de kapitein.

"Dood of gevangen," antwoordde Fogg. "Wij verkeeren in dit opzicht in het onzekere en die onzekerheid moet ophouden. Is het uw voornemen de Sioux te vervolgen?"

"Dat is eene ernstige zaak, mijnheer," zeide de kapitein. "Deze Indianen kunnen vluchten tot aan gene zijde van Arkansas. Ik mag het fort dat mij toevertrouwd is, niet verlaten."

"Mijnheer," hernam Fogg, "het geldt hier het leven van drie menschen."

"Zeer zeker, ... maar mag ik het leven van vijftig wagen om drie te redden?"

"Ik weet niet of gij het kunt, maar gij moet."

"Mijnheer," antwoordde de kapitein, "niemand behoeft mij te leeren wat mijn plicht is."

"Goed," zeide Fogg. "Ik zal alleen gaan."

"Gij, mijnheer," riep Fix, die ook naderbij was gekomen, "gaat gij alleen de Indianen vervolgen?"

"Wilt gij dan dat ik dien ongelukkige laat omkomen, aan wien wij allen ons leven te danken hebben? Ik zal gaan."

"Nu dan ... neen, gij zult niet alleen gaan!" riep de kapitein, die ondanks zich zelven was getroffen. "Neen, gij hebt een te edel hart."

"Dertig vrijwilligers!" riep hij, "zich tot zijn soldaten wendende."

De geheele compagnie trad voor. De kapitein had slechts te kiezen uit zijn dapperen. Dertig soldaten werden er uitgekozen met een ouden sergeant aan het hoofd.

"Ik dank u, kapitein," zeide Fogg.

"Veroorlooft gij mij u te vergezellen?" vroeg Fix aan den gentleman.

"Doe zooals gij wilt, mijnheer," antwoordde Fogg. "Maar zoo gij mij een dienst wilt bewijzen, blijf dan bij mevrouw Aouda voor het geval dat mij een ongeluk mocht overkomen."

De inspecteur werd doodsbleek. Te scheiden van den man, dien hij stap voor stap met zooveel volharding gevolgd had. Hem in de woestijn te laten gaan! Fix sloeg den gentleman oplettend gade, en hoe het ook zij, ondanks zijn voorgevoel en ten spijt van den strijd, dien hij in zijn binnenste voerde, sloeg hij zijn oogen neder voor diens kalmen en open blik.

"Ik zal blijven," zeide hij.

Eenige oogenblikken later had Fogg Aouda's hand gedrukt en haar zijn kostbaren reiszak toevertrouwd, en vertrok hij met den sergeant en zijn weinige manschappen.

Maar vóór hij vertrok had hij tot de soldaten gezegd:

"Vrienden, duizend pond voor u, zoo wij de gevangenen redden."

Het was twaalf uur 's middags. Aouda had zich in een wachtkamer begeven en daar in de eenzaamheid dacht zij aan Phileas Fogg, aan zijn groote en eenvoudige edelmoedigheid en aan diens kalmen moed. Fogg had zijn fortuin opgeofferd, en nu zette hij zijn leven op het spel en dat alles zonder eenige aarzeling, uit plichtbesef en zonder er over te spreken. Phileas Fogg was in hare oogen een held.

De inspecteur Fix dacht niet evenzoo en hij kon zijn gejaagdheid niet bedwingen. Hij liep koortsig op het perron heen en weer. Eenige oogenblikken later en hij was zich zelf weder meester. Toen Fogg vertrokken was, begreep hij de dwaasheid, die hij begaan had door dezen te laten vertrekken. Hoe die man, dien hij de geheele wereld door gevolgd was, had hij van zich laten scheiden. Zijne natuur kreeg weder de overhand; hij beschuldigde zich zelven, hij behandelde zich zelven alsof hij de directeur van politie in de hoofdstad ware, een agent bestraffende op heeterdaad betrapt van onhandigheid.

"Ik ben zeer onhandig geweest," dacht hij. "De ander heeft hem gezegd wie ik was. Hij is heengegaan en zal niet wederkeeren. Waar hem nu weer te vinden? Maar hoe heb ik mij zoo kunnen laten verblinden; ik Fix, die in mijn zak het bevel tot zijne inhechtenisneming heb! Ik ben bepaald niets meer dan een stommerik."

Zoo peinsde de inspecteur van politie, terwijl de uren maar al te langzaam naar zijn zin voorbij gingen. Hij wist niet wat hij doen zou. Soms had hij lust om alles aan Aouda te zeggen. Maar hij begreep hoe hij door de jonge vrouw ontvangen zou worden. Wat zou hij doen? Hij dacht er zelfs aan de groote vlakte te doorkruisen alleen om Fogg maar te volgen. Het scheen hem niet onmogelijk dezen terug te vinden. De voetstappen der soldaten waren nog in de sneeuw zichtbaar!... Maar weldra zouden zij onder een nieuwe sneeuwlaag geheel bedolven zijn.