De reis om de wereld in tachtig dagen
Part 14
Zooals men ziet, trachtte de "elder" William Hitch zelfs in den spoortrein proselieten te maken. Hij vertelde met toenemende geestdrift, welke uit de verheffing van zijne stem en zijne gebaren bleek, de geschiedenis van het mormonisme sedert de gewijde oudheid. Hoe in Israël een mormoonsch profeet uit den stam van Jozef de jaarboeken van den nieuwen godsdienst gaf en hen aan zijn zoon Morum naliet; hoe vele eeuwen later eene vertaling van dat kostbare boek uitkwam in egyptische karakters, door Jozef Smith junior, een boer in den Staat Vermont, die in 1825 als mystisch profeet opstond; hoe eindelijk een gezant uit den hemel hem in een vurig bosch verschenen was en hem de jaarboeken des Heeren ter hand had gesteld.
Op dit oogenblik verlieten eenige toehoorders, die niet veel belang stelden in dit historisch overzicht, den waggon; maar William Hitch ging voort met vertellen, hoe Smith junior met zijn vader, twee broeders en eenige discipelen vereenigd den godsdienst van de Heiligen der Laatste Dagen stichtte, welke godsdienst niet alleen in Amerika aangenomen werd, maar ook in Engeland, Scandinavië en Duitschland volgelingen telde onder de werklieden en onder hen, die vrije beroepen uitoefenden; hoe in Ohio een kolonie was gesticht; hoe een tempel voor tweehonderd duizend dollars werd opgericht en een stad gebouwd te Kirkland; hoe Smith een groot bankier werd en van een eenvoudig vertooner van mummies een document ontving, dat door Abraham en andere beroemde Egyptenaren geschreven was
Daar dit verhaal een weinig langdradig werd, nam het publiek hoe langer hoe meer af; men telde niet meer dan een twintigtal toehoorders.
Maar de "elder" bekommerde zich volstrekt niet over dit heengaan en vertelde tot in de kleinste bijzonderheden, hoe Joe Smith in 1837 bankroet maakte, hoe de geruïneerde aandeelhouders hem in een teerton staken en vervolgens in veeren rolden, en hoe men hem eenige jaren later, geachter en achtenswaardiger dan ooit, te Indépendance in Missouri terug vond als hoofd van een bloeiende gemeente, die niet minder dan drie duizend zielen telde, en dat hij toen, door den haat der heidenen vervolgd, naar het verre westen moest vluchten.
Tien hoorders waren nog gebleven en onder hen de eerzame Passepartout, die met beide ooren luisterde. Zoo vernam hij hoe na een jarenlange vervolging Smith weder in Illinois terug kwam, in 1839 aan de oevers der Mississippi Nauvoo stichtte, waarvan de bevolking tot vijf en twintig duizend zielen steeg; hoe Smith daar burgemeester, opperrechter en opperbevelhebber werd; hoe hij zich in 1843 kandidaat stelde voor het presidentschap der Vereenigde Staten, en hoe hij eindelijk, te Karthago in eene hinderlaag gelokt, in de gevangenis werd geworpen en door een bende gemaskerden werd vermoord.
Op dit oogenblik was Passepartout geheel alleen in den waggon en de "elder" hem strak in het gelaat ziende en door zijn woorden een magnetischen invloed op hem uitoefenende, herinnerde hem dat twee jaren na den moord op Smith gepleegd, diens opvolger, de getuigende profeet Brigham Young, Nauvoo verliet, om zich aan de oevers van het Zoutmeer te vestigen, en dat daar op dat belangrijke grondgebied, omringd door vruchtbare landouwen, op den weg der landverhuizers, die Utah doortrokken om zich naar Californië te begeven, de nieuwe kolonie, dank zij het mormoonsch beginsel der veelwijverij, eene ontzaglijke uitbreiding onderging.
"En ziedaar," voegde William Hitch er bij, "ziedaar waarom wij aan den naijver van het Congres zijn blootgesteld! Waarom de soldaten van de republiek den bodem van Utah hebben bezoedeld! Waarom ons hoofd, de Profeet Brigham Young, gevangen werd genomen in strijd met alle recht! Zullen wij wijken voor het geweld? Nooit. Verdreven uit Vermont, verdreven uit Illinois, verdreven uit Ohio, verdreven uit Missouri, verdreven uit Utah, zullen wij nogmaals een onafhankelijk grondgebied vinden, waar wij onze tenten zullen nederslaan. En gij, mijn getrouwe," voegde de "elder" er bij, op zijn eenigen toehoorder een ernstigen blik werpende, "zult gij daar de uwe planten in de schaduw van onzen banier?"
"Neen," antwoordde Passepartout, op zijn beurt wegloopende, terwijl hij den echtgenoot van vele vrouwen in de woestijn prediken liet.
Gedurende deze conferentie, was de trein met volle snelheid voortgestoomd en tegen half een in den middag bereikte hij het westelijke punt van het groote Zoutmeer. Van daar had men een ruim uitzicht over dit meer, dat ook den naam draagt van Doode Zee en waarin een amerikaanschen Jordaan uitloopt. Het is eene prachtige watervlakte, omsloten door schilderachtige, woeste rotsen met breede kruinen, die met wit zout zijn bedekt. Voorheen strekte zich de zilveren spiegel veel verder uit, maar met den tijd zijn de oevers langzamerhand gerezen, waardoor de oppervlakte kleiner, maar de diepte grooter werd. Het Zoutmeer is zeventig mijlen lang, vijf en dertig breed en drie duizend acht honderd voet boven de oppervlakte der zee gelegen. De visschen kunnen wegens het groote gehalte zout, in dit water niet leven. Die, welke de Jordaan, de Weber en andere rivieren er in werpen, sterven dan ook terstond; maar het is onwaar dat de dichtheid van het water van dit meer zoo groot is, dat een mensch er niet in zwemmen kan.
De omstreken van het meer zijn uitnemend bebouwd; want de Mormonen zijn ver in het bebouwen van den grond. De stallen en schuren voor de huisdieren, de koren-, maïs- en gierst-velden, de weelderige weilanden; tallooze heggen met wilde rozen, boschjes van acacia's en wolfsmelk zouden aan dit landschap zes maanden later een bekoorlijk karakter geven, maar voor het oogenblik was de grond met een dunne laag sneeuw bedekt.
Ten twee ure kwamen de reizigers te Odgen aan. De trein behoefde eerst ten zes ure te vertrekken. Fogg, Aouda en hunne twee reisgezellen hadden dus tijd in overvloed om zich naar de Stad der Heiligen te begeven, die door een zijtak met Odgen verbonden is. Twee uren waren voldoende om deze geheel amerikaansche stad te bezichtigen, die gebouwd is naar het model van alle steden uit de Vereenigde Staten--groote schaakborden met lange stijve lijnen en met de somberheid der rechte hoeken, zooals Victor Hugo het uitdrukt. De stichter van de Stad der Heiligen kon niet nalaten de symmetrie van den stijl der Anglo-Saxers na te volgen. In dit zonderlinge land, waar de menschen nog niet op de hoogte zijn van de maatschappelijke instellingen, is alles even groot: de steden, de huizen en de dwaasheden.
Ten drie ure wandelden de reizigers door de straten der stad, welke aan den oever van den Jordaan en de eerste krommingen van het Wahsatchgebergte gebouwd is. Zij zagen weinig of geen kerken, en ook niet veel monumenten, maar wel het huis van den profeet, de beurs en het arsenaal; voorts steenen huisjes met veranda's en galerijen, omringd door tuinen met acacia's, palm- en St. Jansbroodboomen. Een muur van steen en klei was in 1853 om de stad opgericht. In het voornaamste gedeelte, waar de markt wordt gehouden, heeft men eenige aanzienlijke hotels, waaronder ook het Gouvernementsgebouw behoort.
Fogg en zijne reisgezellen vonden die stad niet zeer bevolkt. De straten waren bijna allen verlaten, uitgenomen die waar de tempel is, maar dien zij niet bereikten, dan na eenige wijken te zijn doorgegaan, welke met palissaden waren afgezet. Er waren zeer veel vrouwen, wat te verklaren is door de zonderlinge manier waarop alle mormoonsche huishoudens zijn ingericht. Men moet evenwel niet denken, dat alle Mormonen de polygamie zijn toegedaan; men is geheel vrij, maar men moet wel in aanmerking nemen, dat het de burgeressen van Utah zijn, die er zoo bijzonderen prijs op stellen gehuwd te wezen, want volgens het geloof van dit volk, worden in den mormoonschen hemel geen ongehuwde vrouwen toegelaten. Deze arme wezens schijnen noch gelukkig noch rijk te zijn. Eenigen van haar, zeker de rijksten, dragen een pakje van zwarte zijde, van voren open en een eenvoudige kap of doek om het hoofd. De overigen zijn slechts in katoen gekleed.
Passepartout, in zijne hoedanigheid van ongetrouwd heer, aanschouwde niet zonder eenige huivering deze mormoonsche dames, op wie de taak rust te zamen met eenige anderen het geluk van een Mormoon uit te maken; zijn gezond verstand beklaagde den echtgenoot in de eerste plaats. Het scheen hem verschrikkelijk toe om zooveel dames beurtelings door de wisselvalligheid van het leven te moeten leiden; om eene geheele kudde van haar in het mormoonsche paradijs te brengen, met het vooruitzicht haar voor de geheele eeuwigheid terug te vinden in gezelschap van den verheerlijkten Smith, die het sieraad uitmaakt van dit gelukzalige oord. Ongetwijfeld voelde hij er geene roeping toe, en hij meende--misschien vergiste hij zich--dat de burgeressen van Great-Salt-Lake-City op zijn persoon verontrustende blikken wierpen. Gelukkig duurde zijn verblijf in de Stad der Heiligen niet zeer lang. Eenige minuten vóor vieren waren de reizigers weder aan het station en namen zij hunne plaatsen in den waggon weder in. Het fluitje liet zich hooren, maar op het oogenblik dat de wielen van de locomotief in beweging kwamen, hoorde men roepen: "Hou op! Hou op!"
Men laat een trein, die in beweging is, niet stilhouden. De heer, die dit riep, was blijkbaar een Mormoon, die te laat kwam. Hij was geheel buiten adem. Gelukkig voor hem dat het station deuren noch hekken had. Hij rende over den weg, sprong op de trede van den laatsten waggon en viel geheel ademloos op een der banken van een coupé.
Passepartout, die de verschillende momenten van dezen gymnastischen toer met belangstelling had gadegeslagen, kwam eens een kijkje nemen hoe de achtergeblevene, waarin hij een levendig belang stelde, er uit zag, toen hij vernam dat deze een bewoner was van Utah, die de vlucht had genomen ten gevolge van een huiselijk geschil.
Zoodra de Mormoon weder adem kon halen, vroeg Passepartout hem beleefd hoeveel vrouwen hij had. Naar de wijze te oordeelen, waarop hij zocht te ontvluchten, moest hij er zeker een twintigtal hebben.
"Één, mijnheer!" antwoordde de Mormoon, zijn handen ten hemel heffende, "en dat is genoeg!"
ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Waar Passepartout er maar niet in slagen kan de taal van het gezond verstand ingang te doen vinden.
Toen de trein Great-Salt-Lake en Ogden verlaten had, volgde hij een uur lang eene noordelijke richting tot aan de Weber-Rivier; na San-Francisco had hij ongeveer negen honderd mijlen afgelegd. Van dit punt af nam hij zijne westelijke richting weder aan door het gebergte Wahsatch. Het is in dit gedeelte van het grondgebied, begrepen tusschen deze bergen en het eigenlijk Rotsgebergte dat de amerikaansche ingenieurs met de grootste moeielijkheden te kampen hadden. Daarom heeft het gouvernement der Vereenigde Staten in dit bergachtige gedeelte een subsidie moeten toestaan van acht en veertig duizend dollars per mijl, terwijl het slechts zestien duizend dollars voor den weg op de vlakte gaf: maar de ingenieurs hadden, zooals reeds vermeld is, de natuur geen geweld aangedaan; zij hebben haar verschalkt, de moeielijkheden vermeden, en om het meer te bereiken hebben zij een langen tunnel van veertien duizend voet door den berg geboord. Aan het Zoutmeer zelf heeft de lijn haar hoogste toppunt bereikt. Van dit punt af beschrijft het profiel een zeer lange bocht, die tot de vallei van Bitter-Creek daalt om dan te stijgen tot het punt, waar de Atlantic- en de Pacific-baan aaneensluiten. De rivieren waren talrijk in deze rotsachtige landstreek. Men moest over houten bruggen de Muddy, de Green en andere stroomen passeeren.
Passepartout, die, naarmate hij zijn doel naderde, ongeduldig werd, had wel gewild dat deze bezwaren achter den rug waren. Hij vreesde voor een oponthoud; hij duchtte altijd eenig ongeluk en zijn ongeduld stak zonderling af bij de kalmte van zijn meester. Ook Fix, zijnerzijds, verlangde zeer dat men deze moeielijke streek achter den rug had. Hij was bang voor vertraging en vreesde voor ongevallen; hij was nog begeeriger dan Fogg zelf om den voet op engelschen bodem te zetten.
Ten tien ure kwam de trein te Fort-Bridge aan, dat hij terstond weder verliet en twintig mijlen verder overschreed hij de grenzen van den Staat Wyoming--het oude Dakota--de vallei van Bitter-Creek geheel volgende, waarin een aantal rivieren uitmonden, die het hydrographische stelsel van Colorado vormden.
Den anderen morgen, den 7den December, vertoefde men een kwartier aan het station van Green-rivier. Het had den geheelen nacht zwaar gesneeuwd, en de sneeuw, die vergezeld was van regen, was bijna gesmolten. Zij kon dus aan den trein niet hinderen. Maar dit slechte weder verontrustte nochtans Passepartout, daar de opeenhooping van sneeuw voor de wielen de reis kon vertragen.
"Hoe komt mijn meester er ook toe om in den winter te gaan reizen?" zeide hij. "Kon hij den zomer niet afwachten? dan zouden zijne kansen beter zijn geweest!"
Maar op het oogenblik dat hij aan niets dacht dan aan den hemel en het koude weder, was Aouda in doodelijken angst, die uit een geheel andere bron voortsproot.
Er waren eenige reizigers uit de waggons gestapt, die nu op het perron van het station van Green-Rivier heen en weder wandelden, het vertrek van den trein afwachtende. Onder dezen herkende de jonge vrouw den kolonel Stamp Proctor, den Amerikaan, die zich tegenover Fogg zoo lomp gedragen had bij de meeting te San-Francisco. Aouda wilde niet dat hij haar zag en wierp zich snel achterover. Dit voorval echter maakte diepen indruk op de jonge dame. Zij had zich gehecht aan den man, die, hoe koel hij ook was, haar toch dagelijks bewijzen gaf van zijne genegenheid. Zij begreep ongetwijfeld zelve niet al de diepte van het gevoel, dat haar redder haar inboezemde. Aan dat gevoel gaf zij nog altijd den naam van dankbaarheid, maar, buiten haar weten, was het meer dan dit.
Haar hart kromp dan ook samen toen zij de hooge gestalte herkende van den persoon, aan wien Fogg vroeg of laat rekenschap van zijn gedrag wilde vragen. Waarschijnlijk was het slechts het toeval dat kolonel Proctor in dezen trein had gebracht, maar, hoe het ook zij, hij was er, en men moest tot elken prijs trachten te verhinderen dat Fogg zijn tegenstander bemerkte.
Toen de trein zich weder in beweging zette, en Fogg ingeslapen was, maakte Aouda van het oogenblik gebruik om Fix en Passepartout met den toestand bekend te maken.
"Is die Proctor in den trein!" riep Fix uit. "Welnu, mevrouw, stel u gerust: vóor dat hij het mijnheer Fogg lastig maakt, zal hij met mij te doen hebben. Ik meen toch dat in deze geheele zaak ik het ben, die het grofst beleedigd werd."
"En ik zal er ook wel voor zorgen, al was hij driemaal kolonel," zeide Passepartout.
"Mijnheer Fix," hernam Aouda, "mijnheer Fogg zal aan niemand de taak overlaten om hem te wreken. Hij is man, en hij heeft zijn woord gegeven om naar Amerika weder te keeren, ten einde den beleediger te vinden. Zoo hij dus kolonel Proctor bespeurt, kunnen wij eene ontmoeting niet verhinderen, die misschien betreurenswaardige gevolgen zou kunnen hebben. Wij moeten daarom zorgen dat hij hem niet ziet."
"Gij hebt gelijk, mevrouw," antwoordde Fix, "zulk eene ontmoeting zou alles in duigen kunnen doen storten. Overwinnaar of overwonnen, mijnheer Fogg zou toch te laat komen, en...."
"En," voegde Passepartout er bij, "dat zou juist zijn wat de heeren der Reform-club hopen. Binnen vier dagen zullen wij te New-York zijn. Welnu, zoo mijn meester in die vier dagen zijn waggon niet verlaat, dan kunnen wij hopen dat het toeval hem niet tegenover den verwenschten Amerikaan zal brengen! Wij moeten dus een middel vinden om dit te voorkomen."
Hier werd het gesprek gestaakt, daar Fogg wakker werd en door het met sneeuwvlokken bedekte raampje naar het landschap staarde.
Eenigen tijd daarna en zonder door zijn meester of Aouda gehoord te worden, zeide Passepartout tot den inspecteur:
"Zoudt gij waarlijk voor hem willen vechten?"
"Ik zal alle mogelijke moeite doen om hem levend in Europa te brengen," antwoordde Fix op een toon, die van onwrikbare kalmte getuigde. Passepartout voelde eene trilling in zijn aderen; maar zijn eenmaal gevestigde overtuiging ten opzichte van zijn reisgezel verzwakte er niet door.
De vraag was thans of er een middel bestond om op de een of andere wijze Fogg in zijn waggon te houden, ten einde elke ontmoeting tusschen den kolonel en hem te voorkomen? Dit kon niet moeielijk zijn, want de gentleman was van nature niet nieuwsgierig of woelig. Ten overvloede vond Fix zulk een middel uit. Eenige oogenblikken later zeide hij tot Fogg:
"Wat gaat de tijd langzaam op een spoorweg voorbij, mijnheer."
"Inderdaad, maar hij gaat toch voorbij."
"Aan boord der mailboot was het altijd uwe gewoonte een partijtje te whisten."
"Ja," antwoordde Fogg, "maar dat zou hier moeielijk gaan, want ik heb kaarten noch medespelers."
"O, de kaarten zouden wij wel kunnen koopen. Men verkoopt van alles in een amerikaanschen spoortrein. Wat de medespelers betreft, misschien zou mevrouw wel...."
"Ja zeker, mijnheer, ik whist ook," antwoordde de jonge vrouw. "Dat maakt een deel uit van eene engelsche opvoeding."
"En ik," zeide Fix, "ik beweer het ook vrij wel te kennen. Welnu, wij zijn met ons drieën, dus spelen wij met een blinde."
"Zooals gij wilt, mijnheer," zeide Fogg, blijde dat hij zijn geliefkoosd spel weder kon opvatten, zelfs in een spoortrein.
Passepartout werd belast met het zoeken van den stewart en kwam weldra terug met twee volle spellen, fiches, een leitje en een tafeltje met laken overtrokken. Niets ontbrak er. Het spel begon. Aouda kon vrij wel spelen en zij kreeg zelfs nu en dan een complimentje van den ernstigen gentleman. Wat den inspecteur aangaat, deze was van de eerste kracht en waardig de tegenpartij van Fogg te zijn.
"Nu," dacht Passepartout, "zullen wij hem wel binnen houden. Hij zal zich niet verroeren!"
Ten elf uur bereikte de trein het punt waar de stroomen, die naar de twee oceanen loopen, zich verdeelen. Het was te Passe-Bridger op eene hoogte van zeven duizend vijfhonderd tachtig engelsche voeten boven de oppervlakte der zee; een der hoogste punten van den weg, die door het Rotsgebergte loopt.
Nog ongeveer tweehonderd mijlen en de reizigers waren eindelijk op die uitgestrekte vlakte, welke zich tot aan den Atlantischen Oceaan uitstrekt, en die de natuur zoo geheel geschikt heeft gemaakt voor een spoorweg.
Op de helling naar de Atlantische zee ontspringen reeds de rivieren, stroomen of zijstroomen van de Noord-Platte-rivier. De geheele horizon van het noorden naar het oosten was overschaduwd door die onmetelijke halfronde gordijn, welke het noordelijke gedeelte van het Rotsgebergte vormt en waarboven de top van de Laramie zich verheft. Tusschen die rotsgordijn en den spoorweg strekte zich de onafzienbare vlakte uit, welke in alle richtingen door rivieren doorsneden wordt. Rechts van den spoorweg verhieven zich de eerste bergen van den keten, die zich zuidwaarts kromt, tot aan den oorsprong der rivier de Arkansas, een van de groote voedingsstroomen van de Missouri.
Ten half een ure zagen de reizigers even het fort Halleck, dat deze streek in bedwang houdt. Nog eenige uren en de tocht door het Rotsgebergte zou geëindigd zijn. Men mocht dus hopen, dat de reis door deze landstreek zonder ongeluk zou worden volbracht. Het had opgehouden met sneeuwen. Het weer werd koud en droog. Groote vogels vlogen, door de locomotief verschrikt, op. Men ontmoette op de geheele vlakte wolf noch beer. Het was een woestijn in al hare naaktheid. Na een goed ontbijt zetten Fogg en zijne medespelers hun spel weder voort, toen de locomotief een schel gefluit deed hooren. De trein hield op.
Passepartout stak zijn hoofd uit het raampje, maar zag niets, dat tot dit oponthoud aanleiding kon geven. Geen enkel station was in het gezicht.
Aouda en Fix vreesden een oogenblik dat Fogg uit den trein wilde gaan. Maar de gentleman zeide slechts tot zijn knecht:
"Ga eens zien wat er gebeurt." Passepartout sprong uit den waggon. Een veertigtal reizigers hadden den hunne reeds verlater en onder hen was ook kolonel Stamp Proctor.
De trein had opgehouden voor een omgekeerde roode schijf, die zich boven den weg verhief. De machinist en de conducteur waren afgestegen en praatten zeer levendig met den lijn-opzichter, dien de chef van het station Medicine-Bow, het eerstvolgende station, herwaarts had gezonden. De reizigers waren nu eveneens genaderd en namen aan dit gesprek deel. Ook kolonel Stamp Proctor die op hoogen toon sprak en gebiedende gebaren maakte. Passepartout trad nader en hoorde den opzichter zeggen:
"Men kan er onmogelijk over. De brug van Medicine-Bow is gebroken en zou het gewicht van den trein niet kunnen dragen."
De brug, waarvan sprake was, was een hangende brug over een waterval, en op een mijl afstands van de plaats waar de trein nu ophield. Volgens den opzichter dreigde hij op meer dan een punt ineen te storten, daar er verscheidene koorden gebroken waren, en het was niet te wagen om er overheen te gaan. De opzichter overdreef dus in het geheel niet, toen hij zeide, dat men er niet over kon. Bovendien met het oog op de gewone zorgeloosheid der Amerikanen, zou het, nu zij voor een enkele maal voorzichtig wilden zijn, eene dwaasheid wezen dit niet te zijn.
Passepartout durfde zijn meester dit niet te gaan mededeelen; hij hoorde met zijne tanden op elkaar gedrukt en zoo onbeweeglijk als een standbeeld alles aan.
"Zeg eens," riep kolonel Proctor, "wij hebben toch geen plan om hier in de sneeuw wortel te schieten."
"Kolonel," antwoordde de conducteur, "men heeft naar het station Omaha geseind om een trein, maar het is niet waarschijnlijk dat deze te Medicine-Bow vóor zes uur aankomt.
"Zes uur!" riep Passepartout.
"Ongetwijfeld," antwoordde de conducteur. "Ook hebben wij dezen tijd wel noodig om te voet naar het station te gaan."
"Maar het is maar een mijl hier van daan," merkte een der reizigers op.
"Ja, een mijl, maar aan den anderen kant der rivier."
"Én kan men deze rivier met een boot oversteken?" vroeg de kolonel.
"Onmogelijk. De kreek is door den regen gezwollen. Het is een waterval en wij zouden dus genoodzaakt zijn een omweg van tien mijlen noordwaarts te maken om eene doorwaadbare plaats te vinden."
De kolonel gaf aan een reeks van vloeken lucht, deels tegen de reizigers, deels tegen de conducteurs, en Passepartout, die ook woedend was, had zeer veel lust om hem daarin gezelschap te houden. Hier had zich een materieel bezwaar opgedaan, waarop alle banknoten van zijn meester schipbreuk moesten lijden. Alle reizigers waren dan ook teleurgesteld, daar zij, behalve hun oponthoud te rekenen, zich genoodzaakt zagen vijftien mijlen door met sneeuw bedeke vlakte af te leggen. Er ontstond eene wisseling van uitroepingen en verwenschingen, die ongetwijfeld Fogg's aandacht zouden getrokken hebben, zoo hij niet verdiept ware geweest in zijn spel. Toch was Passepartout genoodzaakt om hem alles mede te deelen, en met gebogen hoofd begaf hij zich naar den waggon, toen de machinist van den trein--een echte Yankee, Forster genaamd--zijne stem verhief en zeide:
"Heeren, er is misschien een middel om verder te gaan."
"Over de brug?"
"Ja, over de brug."
"Met onzen trein?" vroeg de kolonel.
"Met onzen trein."
Passepartout stond stil en verslond de woorden van den machinist.
"Maar de brug is op het punt van in te storten!" merkte de conducteur aan.
"Dat doet er niet toe," antwoordde Forster. "ik geloof dat, wanneer de trein in zijn grootste snelheid over de brug gaat, er alle kans bestaat dat wij er goed over komen."
"Drommels!" zeide Passepartout.