De reis om de wereld in tachtig dagen
Part 12
Vóór drie uur was de geheele tent reeds bezet. Europeanen en inboorlingen, Chineezen en Japanners, mannen, vrouwen en kinderen, haastten zich om maar plaats te bekomen op de kleine bankjes of in de loges, welke recht tegenover het tooneel waren aangebracht. De muzikanten waren naar binnen gekomen en het orkest, ten volle compleet, begon met zijne vreeselijke instrumenten, zooals gongs, tam-tams, kleppers, fluiten, tamboerijnen en groote trommen te werken. Deze voorstelling was als alle acrobatische vertooningen. Maar men moet toch bekennen, dat de Japanners de eerste equilibristen der wereld zijn. Een, voorzien van zijn waaier en kleine stukjes papier, voerde zeer bevallig zijn toer met de kapellen en bloemen uit. Een ander wierp vlug met den geurigen rook van zijn pijp een aantal blauwachtige woorden in de lucht, welke dan een compliment aan de toeschouwers vormden. Gene goochelde met aangestoken kaarsen, die hij achtervolgens uitblies, wanneer zij voorbij zijne lippen kwamen en die hij, de eene na de andere, weder aanstak, zonder een oogenblik op te houden met jongleeren. Deze weer maakte met draaiende tollen de onmogelijkste bewegingen. Onder zijn hand schenen die brommende toestellen in hun eindelooze omwentelingen bezield te worden met een eigen leven, zij stonden op pijpen, op het scherp van een sabel, op ijzerdraad, op wezenlijke haartjes, welke van de eene zijde van het tooneel naar de andere gespannen waren; zij liepen om een groote kristallen vaas; zij bestegen een ladder van bamboes, verspreidden zich in alle hoeken en maakten eene welluidende muziek, van zeer vreemdsoortigen aard, door hare verschillende tonen te vermengen. De jongleurs jongleerden er mede, en zij draaiden zelfs in de lucht; zij wierpen ze als volants met houten raketten en toch draaiden zij maar door; zij staken ze in hunne zakken, en als zij ze er uit haalden, draaiden zij nog, tot op het oogenblik dat een veer lossprong en haar in vuurwerk deed verdwijnen.
Het is onnoodig de kunsten der acrobaten en athleten hier te beschrijven. De toeren met de ladder, den stok, de bal, de tonnen, werden allen met een groote juistheid uitgevoerd. Maar het mooiste van de voorstelling was de vertooning der Long-noses, verbazend geoefende balanceurs, welke in Europa nog niet bekend waren.
De Long-noses vormden een gezelschap dat onder de rechtstreeksche bescherming stond van den god Tingoe. Zij waren gekleed als helden uit de middeneeuwen, en aan hunne schouders waren prachtige vleugels bevestigd. Maar wat nog het meest de aandacht trok, was de lange neus, waarmede hun aangezicht versierd was en waarmede zij grootendeels hunne toeren verrichten. Deze neuzen bestonden uit niet meer of minder dan bamboes, welker lengte tusschen de vijf, zes a tien voeten bedroeg. Van den een was hij recht, van den ander gebogen, van genen weer glad, van een vierde hobbelig. Op dit uitstekende lichaamsdeel nu, dat zeer stevig bevestigd was, werden alle toeren van evenwicht verricht. Een dozijn van deze volgelingen van Tingoe legden zich op hun rug, en hunne makkers kwamen zich vermaken op hunne neuzen, die zoo recht als een kaars stonden, en voerden, al springende en voltigeerende van den een op den ander, de onmogelijkste toeren uit.
Ten slotte zou men de menschelijke pyramide nog geven, waarbij een vijftigtal Long-Noses de kar van Jagernaut zouden voorstellen. Maar in plaats dat zij voor deze pyramide hunne schouders tot steun gaven, moesten de artisten van Batulcar hunne neuzen er voor afstaan. Een van hen nu, welke juist het onderste gedeelte van den wagen moest uitmaken, had het gezelschap verlaten, en daar men nog behoefte had aan een krachtig, behendig man, was Passepartout voor hem in plaats genomen.
De arme knecht gevoelde zich zeker zeer ongelukkig, toen hij--droevige herinnering aan het verleden!--zijn prachtig midden-eeuwsch gewaad aantrok, versierd met veelkleurige vlerken en toen er een neus van zes voet op zijn aangezicht werd vastgezet. Maar deze neus was zijne broodwinning en hij onderwierp zich dus aan zijn lot. Passepartout trad op en nam plaats tusschen zijn collega's om de onderste laag van Jagernaut's wagen te helpen vormen. Allen wierpen zich op den grond met den neus naar omhoog. Een tweede rij balanceurs plaatste zich daarboven op, dan volgde eene derde en eindelijk eene vierde, en op deze neuzen, die elkaar slechts aan de punt raakten, vormde zich de menschelijke pyramide, die tot aan de balken reikte.
Het applaudisseeren werd al sterker en sterker en de muziek maakte een oorverdoovend geraas toen de pyramide eensklaps wankelde en allen het evenwicht verloren; een der onderste steunpunten der laag verdween onderuit en de geheele pyramide stortte als een kaartenhuis naar beneden.
Het was Passepartout, die zijn post verlaten had; hij klom zonder behulp van zijn vleugels, over de omheining, kwam in de rechter galerij en wierp zich voor de voeten van een der toeschouwers, met den uitroep:
"O, mijn meester! mijn meester!"
"Gij hier?"
"Ja, ik."
"Welnu, laten wij dan spoedig naar de mailboot gaan."
Fogg, Aouda, welke hem vergezelde, en Passepartout haastten zich door de smalle gangen en kwamen buiten de tent. Maar daar ontmoetten zij Batulcar, die woedend was en schadevergoeding eischte. Phileas Fogg stilde zijn toorn, door hem eenige banknoten toe te werpen. En ten half zeven scheepten zich Aouda en Fogg op de amerikaansche mailboot, gevolgd door Passepartout, die nog gevleugeld was en zijn neus van zes voet droeg, daar hij hem nog niet had kunnen afleggen.
VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Waarin de overtocht van de Stille Zuidzee eindelijk ten einde wordt gebracht.
Wat er in het gezicht van Shangaï gebeurd was, begrijpt men. De signalen, door de Tankadère gegeven, werden door de mailboot naar Yokohama bemerkt. Toen de kapitein de noodvlag geheschen zag, had hij naar den schoener koers gezet. Eenige oogenblikken later betaalde Phileas Fogg den overeengekomen prijs en gaf nog aan John Bunsby vijf honderd vijftig pond. Daarop waren de gentleman, Aouda en Fix aan boord van de stoomboot gegaan, welke terstond haar weg naar Yokohama vervolgde. Denzelfden morgen, 14 November, op het door het reglement vastgestelde uur, kwam zij te Yokohama aan. Fix ging zijne zaken regelen. Fogg begaf zich aan boord van de Carnatic en daar vernam hij, tot groot genoegen van Aouda en misschien ook tot zijn eigen genoegen--maar hij liet er niets van blijken--dat de Franschman Passepartout den vorigen avond reeds te Yokohama was aangekomen.
Phileas Fogg, die nog dezen avond naar San-Francisco vertrekken moest, ging terstond Passepartout opzoeken. Hij had zich reeds tot de engelsche en fransche consuls gewend, maar alles zonder gevolg, en na nog eenigen tijd te vergeefs de straten doorkruist te hebben, wanhoopte hij er aan Passepartout terug te vinden, toen hem het toeval, of liever zeker voorgevoel, de tent van Batulcar deed binnentreden. Hij had zeker zijn bediende niet onder diens zonderlinge vermomming herkend; maar deze in zijne liggende houding had zijn meester in de galerij opgemerkt. Hij kon een beweging niet weerhouden. Daardoor werd het evenwicht verbroken, en men weet wat er volgde.
Ziedaar wat Passepartout uit den mond zelven van mevrouw Aouda vernam, die hem den overtocht van Hong-Kong naar Yokohama vertelde, in gezelschap van een zekeren heer Fix, op den schoener de Tankadère.
Op den naam van Fix vertrok Passepartout zijn gelaat niet. Hij begreep, dat het oogenblik nog niet gekomen was om aan zijn meester te vertellen hetgeen tusschen hem en Fix had plaats gehad. Ook toen Passepartout zijne avonturen verhaalde, beschuldigde en verontschuldigde hij zich slechts over het gebruik van opium in een tabagie te Yokohama.
Fogg hoorde alles aan zonder hem in de rede te vallen; daarop gaf hij zijn bediende het noodige geld, om zich aan boord eenige betere kleederen aan te schaffen. En een uur later, toen de bediende zijn neus had afgelegd en zijne vleugels had geknipt, geleek hij niets meer op een der volgelingen van den god Tingoe.
De mailboot, welke de gemeenschap onderhoudt tusschen Yokohama en San-Francisco, behoort aan de Pacific Mail-Steam-Company, en heette General Grant. Het was een groote stoomboot, metende twee duizend vijf honderd ton, goed ingericht en zeer snelloopend. Een ontzaglijke zuiger rees en daalde onophoudelijk boven het dek; aan een der uiteinden was de stang van een zuiger; aan de andere die van een hefboom, die de loodrechte beweging in eene excentrische veranderde en op de as der raderen werkte. De General Grant was getuigd als driemast-schoener met een aanzienlijk zeilvermogen, waardoor de stoom krachtig werd ondersteund. Zij legde twaalf mijlen in het uur af; de mailboot had dus niet meer noodig dan een en twintig dagen om de Stille Zuidzee over te steken. Phileas Fogg kon alzoo rekenen op den 2en December te San-Francisco te zijn, den l0en te New-York en den 20en te Londen. Hij won zoodoende nog eenige uren op den uitersten dag, die den 21en December zou aanbreken.
Er waren een aantal passagiers aan boord; Engelschen, Amerikanen, eene ware landverhuizing van koelies naar Amerika, en eenige officieren in dienst van het indische leger, die van hun verlof gebruik maakten om een reis om de wereld te doen. Gedurende dezen overtocht had er niets merkwaardigs plaats. De mailboot, voorgestuwd door hare groote raderen en bijgestaan door haar zeilvermogen, schommelde weinig. De Stille Zuidzee rechtvaardigt tamelijk wel haar naam. Fogg was ook zeer kalm, en, zooals gewoonlijk, weinig spraakzaam. De jonge vrouw voelde zich al meer en meer aan hem gehecht, nog door andere banden dan die der erkentelijkheid. Deze kalme natuur, altijd zich zelve meester, boeide haar meer dan zij zelve wel wist en het was schier buiten haar weten dat zich een gevoel van haar meester maakte, waarvan de ondoordringbare Fogg intusschen niet den minsten invloed ondervond. Bovendien stelde Aouda in de plannen van den gentleman veel belang en zij was zeer bezorgd dat er eenig voorval mocht plaats grijpen, waardoor de reis van den gentleman kon vertraagd worden.
Dikwijls sprak zij er met Passepartout over, die zeer goed begreep wat er in het hart van de dame omging. De goede knecht had voor den Brit een onbegrensden eerbied, hij kon niet genoeg spreken over zijns meesters edelmoedigheid, eerlijkheid en genegenheid. Altijd stelde hij Aouda gerust omtrent den goeden uitslag der reis, bij herhaling verzekerende, dat het moeielijkste reeds voorbij was, daar men de minder bereisde landen van China en Japan achter den rug had en nu weder op meer bekend grondgebied kwam, en dat eindelijk een trein van San-Francisco naar New-York en een transatlantische boot van New-York naar Londen zonder twijfel voldoende zouden zijn om deze onmogelijke reis om de wereld binnen den overeengekomen tijd te volbrengen.
Negen dagen na het verlaten van Yokohama, had Phileas Fogg precies de helft der aarde omgereisd. Werkelijk was de General Grant den 23en November den honderd tachtigsten meridiaan gepasseerd, waarin, op het zuidelijk halfrond, de Londensche tegenvoeters wonen. Van de tachtig dagen, die tot Fogg's beschikking waren gesteld, had hij er twee en vijftig gebruikt; er bleven hem dus nog maar acht en twintig over. Maar men moet in aanmerking nemen dat, zoo deze gentleman de helft van zijn weg reeds had afgelegd, dat is de helft der meridianen, hij in werkelijkheid meer dan twee derden van de geheele reis had volbracht. Welke gedwongen omwegen toch moet men maken, om van Londen naar Aden, van Aden naar Bombay, van Calcutta naar Singapore, en van Singapore naar Yokohama te komen! Als hij de vijftigste paralel gevolgd had--dat is die, welke over Londen loopt--zou de afstand slechts ongeveer twaalf duizend mijlen geweest zijn, maar nu was Phileas Fogg genoodzaakt geweest, dank zij de middelen van vervoer, om zes en twintig duizend mijlen af te leggen, waarvan hij ongeveer zeventien duizend vijf honderd op den 23en November achter den rug had. Maar nu had men met geen omwegen meer te maken, en was Fix er gelukkig niet meer om den eenen hinderpaal na den anderen in den weg te leggen.
Passepartout was op den 23sten November zeer in zijn schik. Men herinnert zich dat hij eigenzinnig genoeg was geweest, om zijn horloge niet te verzetten, en beweerd had, dat alle klokken in de landen, welke hij doorreisd had, verkeerd liepen. Op dien dag nu, ging zijn horloge, ofschoon hij het noch vóór- noch achteruit gezet had, volkomen gelijk met de klokken aan boord.
Dat Passepartout zegevierde, begrijpt men zeer goed; maar hij zou wel eens willen weten, wat Fix, als hij er was, zou gezegd hebben.
"Die schurk, welke mij een menigte dingen vertelde over de meridianen, de zon en de maan!" sprak Passepartout bij zich zelven. "Ha, ha! zoo men naar die lui eens hoorde, wat zou men mooie horloges kunnen maken. Ik was er wel zeker van dat den een of anderen dag de zon zich naar mijn horloge zou regelen."
Maar Passepartout wist niet, dat, zoo de wijzerplaat van zijn uurwerk ingericht ware geweest op italiaansche wijze, namelijk in vier en twintig uren verdeeld, hij volstrekt geene reden zou hebben om zich zelven geluk te wenschen, want als de wijzers van zijn horloge op negen uur 's morgens stonden, zou men op deze negen uur 's avonds hebben, dat is te zeggen het een en twintigste uur na middernacht, dus het juiste verschil, dat er tusschen Londen en den honderdtachtigsten meridiaan bestaat.
Maar al had Fix hem dit zeer duidelijk kunnen uitleggen, dan ware Passepartout toch niet in staat geweest om het te begrijpen, of ten minste om het te willen begrijpen. En, in elk geval, zoo--wat ondenkbaar was--de inspecteur plotseling te voorschijn ware gekomen, zou Passepartout, die natuurlijk nog eenigen wrok tegen hem koesterde, een geheel ander voorwerp met hem behandeld hebben.
Waar was Fix op dat oogenblik?....
Fix was aan boord van de General Grant.
Toen namelijk de inspecteur te Yokohama was aangekomen en Fogg verlaten had, dien hij in den loop van den dag weder hoopte terug te vinden, had hij zich terstond naar den engelschen consul begeven. Daar had hij eindelijk het mandaat gevonden, hetwelk hem reeds van Bombay af volgde: en dus al veertig dagen oud was; dit bevel tot inhechtenisneming was te Hong-Kong met de Carnatic afgezonden, waarop men meende dat hij zich bevond. Men kan dus denken hoe groot de teleurstelling van den inspecteur was. Het bevel had nu geen waarde meer! Fogg had het engelsche grondgebied verlaten! Er was thans een akte van uitlevering noodig, om hem te kunnen arresteeren.
"Goed!" dacht Fix, toen hij weder tot kalmte was gekomen. "Mijn mandaat kan hier niet meer dienen, maar dan toch wel weder in Engeland. Deze schelm schijnt alle plan te hebben om weder in Engeland terug te keeren, nadat hij de politie van het spoor heeft geleid. Welnu, ik zal hem daarheen volgen! Wat het geld betreft, de hemel geve, dat er nog wat mag overschieten. Maar hij heeft reeds voor reiskosten, premiën, processen, boeten, olifanten en allerlei andere onkosten meer dan vijf duizend pond uitgegeven. Maar wat doet er toe? de bank is rijk!"
Dit overlegd hebbende, begaf hij zich op de General Grant. Hij was reeds aan boord, toen Fogg en Aouda daar aankwamen. Tot zijne groote verwondering, herkende hij Passepartout in zijn heldencostuum. Hij verborg zich terstond in zijne hut, om alle mogelijke verklaringen te ontloopen, die zijne plannen soms mochten schaden, en dank zij het aantal passagiers, welke zich aan boord bevonden, rekende hij er op van zijn vijand ontslagen te zijn, toen hij hem op dien morgen op het voordek juist onder de oogen kwam. Passepartout greep hem bij de keel, zonder eenige opheldering, tot groot genoegen van eenige Amerikanen, die terstond voor hem eene weddenschap aangingen; hij gaf den ongelukkige een geducht pak slaag, hetwelk de voortreffelijkheid van het fransche boven het engelsche boksen ten volle bewees. Toen Passepartout dit gedaan had, gevoelde hij zich veel kalmer en rustiger. Fix richtte zich op in niet zeer benijdenswaardigen toestand, keek zijn tegenpartij eens aan, en vroeg op kalmen toon:
"Is het klaar?"
"Ja, voor het oogenblik."
"Dan heb ik je wat te zeggen."
"Dat ik...."
"In het belang van uw meester."
De koelbloedigheid van den inspecteur maakte zulk een indruk op Passepartout, dat hij dezen naar het voordek volgde.
"Gij hebt mij afgeranseld," zeide Fix: "goed, ik was er op voorbereid. Maar luister nu ook naar mij. Tot nog toe was ik Fogg's tegenstander, maar nu verlang ik hem in alles te helpen."
"Dus dan gelooft gij toch eindelijk dat hij een eerlijk man is?"
"Neen," antwoordde Fix kalm, "ik geloof nog dat hij een schelm is.... Stil, val mij niet in de rede. Zoolang Fogg op engelsch grondgebied was, had ik er belang bij hem terug te houden om het bevel tot inhechtenisneming te kunnen bekomen. Ik heb mijn best daarvoor gedaan. Ik heb de priesters van Bombay op hem afgestuurd, ik heb u te Hong-Kong dronken gemaakt, ik heb u van uw meester zoeken te scheiden, ik heb hem de mailboot te Yokohama doen misloopen...."
Passepartout luisterde met gebalde vuisten.
"Fogg schijnt nu weder naar Engeland terug te keeren," vervolgde Fix. "Het zij zoo! Ik zal hem tot daar volgen. Maar voortaan zal ik trachten alle zwarigheden uit den weg te ruimen, zooals ik die vroeger zocht op te werpen. Gij ziet, mijn rol is veranderd en zij is veranderd omdat mijn belang het medebrengt. Ik voeg er bij, dat uw belang hetzelfde is als het mijne, want het is eerst in Engeland dat gij weten zult of gij in dienst zijt van een dief of van een eerlijk man."
Passepartout had zeer goed geluisterd en hij was overtuigd, dar Fix ter goeder trouw sprak.
"Wij zijn dus goede vrienden?" vroeg Fix.
"Vrienden niet," zeide Passepartout, "maar wel bondgenooten, en voorwaardelijk, want bij het minste verraad, draai ik je den nek om."
"Dat is goed," antwoordde de inspecteur kalm.
Elf dagen na den 3den December liep de General Grant de haven Porto-d'Oro binnen en kwam zij te San-Francisco aan.
Fogg had geen dag verloren noch gewonnen.
VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Waarin men een klein idee van San-Francisco bekomt, op een dag dat er eene meeting plaats heeft.
Het was zeven uur 's morgens, toen Fogg, Aouda en Passepartout den voet op amerikaansch grondgebied zetten--zoo men althans dezen naam mag geven aan de drijvende kade, waarop zij landden. Deze kade daalde en rees met eb en vloed, en bracht zoodoende veel bij om het laden en ontladen der schepen gemakkelijker te maken. Daar liggen een aantal klipperschepen van allerlei afmeting, stoombooten van alle landen, en daaronder de stoombooten met verschillende verdiepingen, welke dienst doen op de Sacramento en daarin uitloopende stroomen. Daar zijn de magazijnen van alle voortbrengselen van den handel, die zich uitstrekt over Mexiko, Peru, Chili, Brazilië, Europa, Azië en alle eilanden der Stille Zuidzee.
Passepartout voelde zich zoo gelukkig toen hij eindelijk den amerikaanschen bodem bereikte, dat hij een saut périlleux van bewonderenswaardige kracht maakte, ten teeken van zijne blijdschap.
Maar toen hij op de kade terecht kwam, waarvan de planken vermolmd waren, ging hij er bijna doorheen.
Onthutst over de manier, waarop hij voet aan wal had gezet, gaf de arme kerel een verschrikkelijken gil, die een aantal waterraven en pelikanen deed opvliegen, welke gewoonlijk op de beweegbare kade hunne nesten maakten.
Fogg was nu ook aan wal gekomen en ging terstond onderzoeken hoe laat de eerste trein naar New-York vertrok. Eerst ten zes ure 's avonds. Hij kon dus den geheelen dag doorbrengen in de hoofdstad van Californië. Hij bestelde een rijtuig voor Aouda en voor zich zelven. Passepartout plaatste zich op den bok en het rijtuig, dat drie dollars per rit kostte, reed naar het International Hotel.
Passepartout kon van zijne hooge zitplaats alle bijzonderheden van deze groote amerikaansche stad opnemen: breede straten, lage, maar allen in rijen geschaarde huizen, kerken en tempels, allen in gothisch anglo-saxischen stijl gebouwd, onmetelijke dokken, entrepôts zoo groot als paleizen, sommigen van hout, anderen van steen. In de straten wemelde het van rijtuigen, omnibussen, tramways, en op de trottoirs versperden niet alleen Amerikanen elkander den weg, maar ook Europeanen, Chineezen, en Indiërs--in één woord er waren genoeg menschen om eene bevolking van meer dan tweemaal honderd duizend inwoners eer aan te doen. Passepartout was over alles wat hij zag zeer verbaasd. Hij had zich nog altijd de stad van 1849 voorgesteld, de stad der roovers, brandstichters en moordenaars, die waren afgekomen op de ontdekte goudmijnen, naar dat onmetelijke pelgrimsoord voor allen, die niets in de wereld te verliezen hebben, waar men met goudpoeder speelde, met een revolver in de eene hand en een mes in de andere. Die goede tijd echter was voorbij. San-Francisco heeft geheel het voorkomen van eene handeldrijvende stad. De hooge toren van het stadhuis, bestemd om alle wijken te bespieden en te beheerschen, strekte tot verblijfplaats van wachters, die den blik lieten gaan over deze menigte van straten en avenues, zich verdeelend in rechte hoeken tusschen welke een aantal lommerrijke pleinen zich vertoonen. In de nabijheid strekte zich een Chineesche stad uit, die zoo mooi was, alsof zij zoo pas uit het Hemelsche Rijk in een speelgoeddoos was overgebracht. Geen sombrero's, geen roode hemden, geen Indianen met veeren, maar zijden hoeden en zwarte rokken door heeren gedragen, welke allen even groote haast hadden. Eenige straten, zooals Montgommery-street, de Regent-street van Londen, de Boulevard des Italiens van Parijs, de Broadway van New-York, waren versierd met prachtige winkels, die alle voortbrengselen, welke de wereld oplevert, ten toon spreidden.
Toen Passepartout het International Hotel binnentrad scheen het hem toe of hij Engeland niet had verlaten. De rez-de-chaussée werd ingenomen door een groote bar, eene soort van buffet waar elke voorbijganger gratis iets kon gebruiken. Gedroogd vleesch, oestersoep, beschuit en kaas, werden er verkocht zonder dat de gebruiker er ooit zijn beurs voor uit den zak behoefde te halen. Hij betaalde slechts hetgeen hij dronk, als porto, ale of sherry, zoo hij lust had zich te verfrisschen. Dit vond Passepartout echt amerikaansch. De restauratie van het hotel was zeer goed. Fogg en Aouda zetten zich aan tafel en werden in schotels, waarschijnlijk afkomstig uit Lilliput, door pikzwarte negers bediend.
Na dit ontbijt begaf Fogg zich, vergezeld van Aouda; naar het bureel van den engelschen consul om daar zijn paspoort te laten viseeren. Op de stoep vond hij zijn bediende, die hem vroeg of het niet voorzichtig zou zijn, vóór zij met den zuider-spoorweg vertrokken, een dozijn Enfield-karabijnen of Colt-revolvers op te doen. Passepartout had gehoord van Sioux en Pawnies, die, evenals de spaansche roovers, de treinen aanhielden. Fogg antwoordde, dat dit eene noodelooze voorzorg zou zijn, maar hij liet hem vrij om hierin te handelen zooals hij zelf goeddacht. Daarop vervolgde hij zijn weg naar den engelschen consul.
Phileas Fogg had nauwelijks tweehonderd schreden gedaan, of heel toevallig ontmoette hij Fix. De inspecteur toonde zich zeer verwonderd. Fogg en hij hadden te zamen den tocht over de Stille Zuidzee gemaakt, zonder elkander slechts eene enkele maal te ontmoeten. In elk geval was Fix zeer vereerd den gentleman weder te zien, aan wien hij zooveel te danken had, en daar zijn zaken hem naar Europa terugriepen, zou hij zich in de hoogste mate gelukkig achten zijne reis in zulk aangenaam gezelschap te vervolgen.
Fogg antwoordde, dat de eer geheel aan hem zou zijn en Fix--die er prijs op stelde hem niet uit het oog te verliezen--vroeg of hij met hem de merkwaardige stad San-Francisco mocht bezoeken. Dit werd hem toegestaan.