De reis om de wereld in tachtig dagen

Part 11

Chapter 11 3,613 words Public domain Markdown

Ten zeven ure was men nog drie mijlen van Shangaï. Een geduchte vloek ontsnapte aan de lippen van den schipper. De premie van tweehonderd pond ging hem ontsnappen. Hij zag Fogg aan. Fogg was dood bedaard. Nochtans stond zijn gansche fortuin thans op het spel.

Op dat oogenblik toch zag men eene lange zwarte schoorsteen, waaruit een rookwolk zich ontwikkelde, boven den waterspiegel. Het was de Amerikaansche stoomboot, die op het bepaalde uur vertrok.

"Verdoemd!" riep John Bunsby, die een wanhopende ruk aan het roer deed.

"Geef het noodsein," sprak Phileas Fogg zeer kalm.

Een klein bronzen kanon stak uit de verschansing van de Tankadère. Het strekte om signalen te geven bij mistig weer.

Het kanon werd geladen tot den mond, maar op het oogenblik, dat de schipper de lont bij het zundgat bracht, zeide Fogg:

"Hijsch de noodvlag."

De vlag werd halversteng geheschen. Dit was het teeken dat men in nood verkeerde en men mocht hopen, dat de amerikaansche mailboot, als zij dit zag, een weinig van haar koers zou afwijken om het vaartuig te naderen.

"Vuur," beval Fogg.

En het schot van het kleine kanon dreunde over de watervlakte.

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Waarin Passepartout bemerkt dat zelfs bij de tegenvoeters het goed is eenig geld bij zich te hebben.

De Carnatic, welke Hong-Kong den 7den November, 's avonds ten half zeven ure, verlaten had, stoomde met alle kracht naar Japan. Zij bracht een groote lading en veel passagiers over. Maar twee hutten aan den achtersteven bleven onbezet. Het waren die, welke voor Phileas Fogg opengehouden waren.

Den anderen morgen ontmoetten de reizigers niet zonder eenige verbazing op den voorsteven een man, met half geopende oogen, waggelenden gang en met verwarde haren, die uit zijn hut tweede klasse te voorschijn kwam en al slingerend op een der verschansingen plaats nam. Deze passagier was Passepartout in eigen persoon. Ziehier wat er was gebeurd:

Eenige oogenblikken nadat Fix vertrokken was, hadden twee knechts Passepartout, welke in een diepen slaap was gedompeld, opgenomen en hem op de bank der rookers gelegd. Maar drie uur later werd hij, die zelfs tot in zijn droomen door een idée fixe vervolgd werd, wakker, en streed hij tegen de bedwelmende werking van het verdoovende slaapmiddel. De gedachte van zijn plicht niet gedaan te hebben schudde hem uit zijn gevoelloosheid.

Hij stond van de bank op en verliet al struikelend en stootend, vallende en weer opstaande, maar altijd en onwederstaanbaar voortgeduwd door een soort van instinct, de herberg, en riep als in een droom: de Carnatic! de Carnatic!

De mailboot lag onder stoom en gereed om te vertrekken. Passepartout behoefde slechts eenige stappen te doen. Hij spoedde zich over de losse brug, sprong op het dek en viel roerloos op den voorsteven, juist toen de Carnatic op het punt was te vertrekken.

Eenige matrozen, die gewend waren aan zulk soort van voorvallen, hielpen den knecht in een hut der tweede klasse en Passepartout werd niet vóór den anderen morgen wakker op honderd vijftig mijlen afstands van de chineesche kust.

Ziedaar dus hoe het kwam dat Passepartout zich dien morgen op de Carnatic bevond en met volle teugen den frisschen zeewind kwam inademen. Deze koele wind ontnuchterde hem weder. Hij verzamelde zijne gedachten, doch niet dan met zeer veel moeite. Maar eindelijk toch viel hem het gansche tooneel van den vorigen avond weder in, en tevens de mededeelingen van Fix in de herberg.

"Het waarschijnlijkst is," dacht hij, "dat ik verschrikkelijk dronken ben gemaakt. Wat zal mijnheer Fogg er wel van zeggen! Maar in elk geval, ik ben de boot niet misgeloopen, en dat is toch het voornaamste!"

Daarom dacht hij aan Fix:

"Ik hoop maar dat wij van dezen bevrijd zullen zijn, en dat hij, na hetgeen hij mij heeft voorgesteld, niet op de Carnatic zal durven komen. Een inspecteur van politie, een detective, die mijn meester altijd op de hielen zit en hem van den diefstal aan de Bank beschuldigt. Kom, kom. Mijnheer Fogg is een dief, zooals ik een moordenaar ben!"

Moest Passepartout het voorgevallene aan zijn meester vertellen? Zou het goed zijn dezen bekend te maken met de rol, welke Fix in deze zaak speelde? Was het niet beter te wachten tot zij in Londen waren, om hem dan mede te deelen dat een agent van politie uit de hoofdstad hem de geheele wereld gevolgd had, en daarover dan met hem eens hartelijk te lachen? Ja ongetwijfeld. In elk geval was dit eene zaak, die hij met zich zelven kon overleggen; voor het oogenblik moest hij zich haasten om naar Fogg te gaan en zich over zijn onbehoorlijk gedrag te verontschuldigen.

Passepartout stond dus op. De zee was onstuimig en de mailboot slingerde geweldig. Maar de trouwe knecht, hoe goed en hoe kwaad het ook op zijn nog onvaste beenen ging, kwam toch op het achterdek. Daar zag hij niemand, die op Fogg of op Aouda geleek.

"Och," dacht hij, "mevrouw Aouda is nog niet op en mijn meester zal den een of anderen whistspeler gevonden hebben, en volgens zijne gewoonte...."

Zoo peinzende, daalde Passepartout in de kajuit af. Fogg was er niet: Passepartout schoot dus nog maar één ding over en wel om aan den hofmeester te vragen, welke hut mijnheer Fogg betrokken had. De hofmeester antwoordde hem, "dat hij geen passagier van dezen naam kende."

"Wel zeker," zeide Passepartout. "Een groot, kalm en weinig spraakzaam gentleman, vergezeld van eene jonge dame."

"Er is geen enkele jonge vrouw aan boord," antwoordde de hofmeester. "Maar, om u te overtuigen, hebt ge hier de lijst der passagiers. Gij kunt die raadplegen."

Passepartout las de lijst door.... De naam van zijn meester was er niet op te vinden.

Eensklaps ging hem een licht op.

"Zeg eens," vroeg hij, "ben ik wel op de Carnatic?"

"Ja," antwoordde de hofmeester.

"Die naar Yokohama gaat!"

"Juist."

Een oogenblik had Passepartout gevreesd op het verkeerde schip te zijn. Maar, zoo hij op de Carnatic was, dan was het zeker dat zijn meester er niet op was.

Hij zonk op een stoel neder. Hij was als door den bliksem getroffen. Plotseling werd het hem helder voor den geest. Hij herinnerde zich dat het uur van vertrek der Carnatic vervroegd was, dat hij zijn meester had moeten waarschuwen, en dat hij dit niet had gedaan: het was dus zijne schuld, zoo Fogg en Aouda niet bij tijds aan de mailboot waren gekomen.

Zijne schuld, ja, maar meer nog die van den verrader, welke, om hem van zijn meester te scheiden en dezen te Hong-Kong te kunnen houden, hem had dronken gemaakt. Nu begreep hij het gedrag van den inspecteur. Fogg was thans geruïneerd, had zijne weddenschap verloren en zat op dit oogenblik misschien in de gevangenis!... Bij deze gedachte, trok Passepartout zich de haren uit het hoofd. Zoo Fix hem ooit onder de oogen kwam, wat zou hij afrekening met hem houden!

Eindelijk herstelde Passepartout zich weder en ging zijn toestand eens na. Die was verre van benijdenswaardig. Hij bevond zich op weg naar Japan. Hij was wel zeker daar aan te komen, maar hoe weer te vertrekken? Hij had geen cent op zak.

Gelukkig waren zijn overtocht en vertering aan boord vooruit betaald. Hij had dus nog vijf of zes dagen tijd om te denken wat hij doen moest. Wat hij at en dronk gedurende dezen tocht, laat zich niet beschrijven. Hij at voor zijn meester, voor Aouda en voor zich zelven. Hij at alsof Japan, waar hij nu heen ging, een verlaten land was, verstoken van alle levensmiddelen. Den 13en, met den vloed, liep de Carnatic de haven van Yokohama binnen.

Dit punt is eene zeer belangrijke aanlegplaats in de Stille Zuidzee, welke alle schepen aandoen, die in dienst zijn van het brieven- en reizigers-vervoer tusschen Noord-Amerika, China, Japan en Nederlandsch Indië. Yokohama ligt aan dezelfde golf als Yeddo, niet ver verwijderd van deze stad, welke de tweede hoofdstad is van het japansche rijk, de residentie van den Taïkoen, den burgerlijken keizer, de mededingster van Miako, de groote stad, welke de verblijfplaats is van den Mikado, den geestelijken keizer, den afstammeling der goden.

De Carnatic wierp haar anker voor de kade van Yokohama, in de nabijheid van den havendam en de entrepôts, te midden van een aantal schepen van alle natiën.

Passepartout begaf zich zonder eenige geestdrift aan wal, en betrad het zoo zonderlinge land der zonen van de zon. Hij had niets beters te doen dan het toeval tot zijn gids te nemen, en met dezen de straten der stad te doorkruisen.

Fogg's bediende bevond zich eerst in een geheel europeesche stad, te midden van huizen met lage gevels en veranda's, waaronder zich bevallige voorhuizen vertoonden en die met hare straten, pleinen, dokken en entrepôts de ruimte besloeg tusschen het voorgebergte en de rivier. Daar, zoowel als te Hong-Kong en te Calcutta, wemelden alle natiën door elkander, Amerikanen, Engelschen, Chineezen, Hollanders, meest allen kooplieden, die alles wilden verkoopen en alles wilden koopen, en te midden van die menigte gevoelde zich de Franschman zoo vreemd als of hij zich in het land der Hottentotten bevond.

Passepartout had nog wel een redmiddel, namelijk zich te wenden tot de fransche of engelsche consulaire agenten te Yokohama, maar hij zag er tegen op zijne geschiedenis te verhalen, die zoo nauw verwant was aan die van zijn meester, en vóór hij daartoe overging, wilde hij alle andere redmiddelen beproefd hebben. Daarom, na het europeesche gedeelte van de stad doorkruist te hebben, waagde hij zich in het japansche gedeelte, voor zich zelven vast besloten, om, indien het noodig was, naar Yeddo door te wandelen.

Deze wijk, door de inboorlingen van Yokohama bewoond, heet Benten, naar den naam eener godin der zee, welke op de omliggende eilanden wordt aangebeden. Daar zijn prachtige lanen van denne- en cederboomen, heilige poorten van zonderlingen bouwstijl, bruggen verborgen onder bamboes en riet, tempels beveiligd door sombere honderdjarige ceders, waar voorheen priesters van Boeddha woonden en belijders van den godsdienst van Confucius, eindelooze straten waar men een ontelbare hoeveelheid aantreft van kinderen met roode wangen, wezentjes, die men meenen zou, dat uit een japansch kamerschut waren gesneden en die speelden te midden van honden met korte pooten en gele katten zonder staart, welke zich traag tusschen de spelers bewogen en zich gaarne lieten liefkoozen.

In de straten heerschte eene woelige drukte, een bestendig verkeer; bonzen die in optocht voortschreden, op hunne eentonige tamboerijnen slaande. Yakounines, ambtenaren der douane of politie, met puntige verlakte hoeden, die in hun gordel twee sabels droegen, soldaten van den Taikoen, gekleed in blauw katoen met witte strepen en gewapend met percussie-geweren, wapenknechten van den Mikado, die in hun zijden buis als in een zak gesloten waren, met ringkragen en maliënkolders, en een aantal andere militairen van elken rang; want in Japan is de soldatenstand even geacht als hij veracht is in China. Voorts bedelmonniken, pelgrims in lange gewaden, eenvoudige burgers met gevlochten pikzwart haar, groot hoofd, lange borst, magere beenen en klein van gestalte, wier kleur afwisselt tusschen koperrood en mat wit, maar die nooit de kleur hebben der Chineezen, waarvan de Japanners geheel en al verschillen. Eindelijk, tusschen de rijtuigen, de palankijns, de paarden, de dragers, de kruiwagens met zeilen, de norimons met verlakte wanden, de mollige cangos, de draagstoelen van bamboe, zag men enkele vrouwen zich bewegen, met hare kleine schoentjes van lijnwaad, sandalen van stroo of klompjes van gesneden hout. Zij waren niet schoon, hare oogen smal, haar borst gedrukt, hare tanden volgens gebruik zwart gemaakt, maar zij droegen zeer bevallig het nationaal gewaad, de kirimon, eene soort van kamerjapon, waarover zich een zijden sjerp kruist, waarvan de breede gordel van achteren eindigt in een reusachtigen strik, dien de moderne europeesche dames schijnen ontleend te hebben aan hare japansche zusters.

Passepartout wandelde eenige uren door deze bonte menigte, nu en dan blijvende staan voor de merkwaardige en rijke winkels, waarin het japansche goud, in allerlei vormen verwerkt, ten toon lag gespreid; voor de restauratie met vlaggen en banieren, waarvan voor hem echter de toegang versperd was; voor de theehuizen waar volle koppen geschonken worden van dien geurigen warmen drank, alsmede saki, een drank van rijst gestookt en eindelijk voor net ingerichte tabagies, waar men eene zeer fijne soort van tabak rookt, maar geen opium, waarvan het gebruik in Japan schier onbekend is.

Voortgaande kwam Passepartout aan onmetelijke rijstvelden. Daar bloeiden, met bloesems die hunne laatste kleuren en geuren verspreidden, schitterende camelia's, niet aan struiken, maar aan boomen. Omheind door bamboes zag hij de kersen-, pruimen- en appelboomen, die de Japanners meer voor hunne bloemen dan voor hunne vruchten teelen, en die door vogelverschrikkers van allerlei vorm en geraasmakende molentjes beschermd werden tegen musschen, duiven, kraaien en andere roofdieren. Elke ceder strekte tot nest van groote arenden, elke treurwilg verborg onder haar lommer een reiger, die melancholisch op zijn eenen poot stond te mijmeren; overal zag hij raven, eenden, sperwers, wilde ganzen en een groot aantal kraanvogels, die door de Japanners met eerbied worden behandeld en voor hen het zinnebeeld zijn van een lang en gelukkig leven.

Zoo ronddolende, ontdekte Passepartout eenige viooltjes tusschen het groen.

"Daar zal ik mijn soupé mede moeten doen," dacht hij, maar toen hij er aan rook, bemerkte hij dat zij geen geur hadden.

"Het loopt mij niet mee," prevelde Passepartout.

Gelukkig had hij uit voorzorg, alvorens hij de Carnatic verliet, zich zoo te goed gedaan aan het ontbijt, dat hij een middagmaal had kunnen missen; maar na een ganschen dag geslenterd te hebben, begon zijn maag hem toch te kwellen. Wel was het hem niet ontgaan, dat hij voor de winkels van de inlandsche vleeschhouwers schapen, geiten en varkens zag, en daar hij wist dat het dooden van runderen als heiligschennis beschouwd werd, omdat deze dieren uitsluitend voor den landbouw worden gebezigd, had hij hieruit afgeleid, dat vleesch eene zeldzaamheid was in Japan.

Hij vergiste zich hierin niet, maar bij gebrek aan rundvleesch, zou hij zich zeer gaarne eens vergast hebben aan varkens- of hertenvleesch, patrijzen of kwartels of visch, hetgeen met de opbrengst der rijstvelden bijna uitsluitend het voedsel der Japanners uitmaakt. Maar hij moest zich in zijn lot schikken en de zorg voor het onderhoud van zijn lichaam tot den anderen dag uitstellen.

Het werd avond. Passepartout keerde naar de inlandsche stad terug en dwaalde te midden van veelkleurige lantarens. Hij bleef staan bij de straatkunstenaars, die ongeloofelijke toeren verrichtten en astrologen in de open lucht, die het volk om hunne kijkers verzamelden. Daarop keerde hij naar de kade terug en zag op de zee duizenden lichtjes van visschers, welke door het toortslicht de visschen lokten.

Eindelijk werden de straten ledig en hij ontmoette slechts den nachtwacht der Yakounines, die in hunne prachtige kleederen en te midden van hun gevolg, het voorkomen hadden van ambassadeurs. Zoo dikwijls Passepartout zulk een schitterenden stoet ontmoette, mompelde hij lachend bij zich zelven:

"Al weder een japansch gezantschap, dat naar Europa vertrekt."

DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Waarin de neus van Passepartout aanmerkelijk grooter wordt.

Den anderen morgen was Passepartout afgemat en uitgehongerd, zoodat hij bij zich zelven dacht, dat hij hoe eerder hoe beter moest eten, het mocht kosten wat het wilde. Hij kon altijd zijn toevlucht nog tot zijn horloge nemen, maar hij hongerde liever dood dan dat hij dit zou verkoopen. Het kwam er nu meer dan ooit op aan om van de krachtige, maar niet liefelijke stem gebruik te maken, waarmede de natuur hem begiftigd had. Gelukkig herinnerde hij zich nog eenige fransche en engelsche liedjes en besloot hiermede de proef eens te nemen.

De Japanners, dacht hij, houden zeker veel van muziek, daar zij alles doen op het gebied van cymbalen, tam-tams, trommen, en een europeesche virtuoos zal hun dus zeer welkom zijn.

Maar misschien was het voor een concert nog te vroeg in den morgen en zouden de liefhebbers, onverwachts in hun slaap gestoord, ongetwijfeld aan den zanger niets geven, waarop het beeld van den Mikado was afgedrukt. Passepartout besloot dus nog eenige uren te wachten, maar al voortwandelende bedacht hij zich, dat hij toch voor een zwervenden zanger te goed gekleed was, en op eenmaal kwam het plan in hem op om zijne kleeding te verwisselen tegen een gewaad, dat beter met zijn toestand overeenkwam. Deze verandering moest hem natuurlijk nog eenig voordeel opleveren, waarmede hij dan terstond zijn honger kon stillen.

Toen hij dit besluit genomen had, behoefde hij het nog slechts ten uitvoer te brengen. Eerst na lang zoeken ontdekte Passepartout een inlandschen uitdrager, tot wien hij zijn verzoek richtte. Zijn europeesche jas beviel den uitdrager wel en spoedig was hij vermomd in een ouden japanschen rok en gedekt met een soort van verschoten tulband. Maar hij kreeg ook nog eenige geldstukken, welke in zijne zakken rammelden.

"Zie zoo," dacht hij, "ik zal mij maar verbeelden dat het vastenavond is."

Het eerste wat de "verjapanschte" Passepartout nu ging doen, was een onaanzienlijk theehuis binnen treden. Hij ontbeet daar met het overschotje van een vogel, maar at rijst zooveel hij verlangde, als een man voor wien het middagmaal nog een onuitgemaakte zaak was.

"Thans," dacht hij, toen hij zijn honger een weinig gestild had, "is het maar zaak om mijn hoofd bij elkaar te houden. Ik heb nu geen gelegenheid meer om deze monnikspij tegen een nog meer japansch kleed te verwisselen en ik moet dus zorgen hoe eer hoe beter uit dit land der zon te komen, waarvan ik slechts een onaangename herinnering medeneem."

Passepartout ging nu de mailbooten naar Amerika eens na. Hij besloot zich daar als kok of als knecht aan te bieden, niets tot loon vragende als overtocht en kost. Zoo hij maar eens te San Francisco was, dan zou hij ook wel verder komen. Het belangrijkste was voor het oogenblik maar om de vierduizend zevenhonderd mijlen van de Stille Zuidzee over te steken, welke Japan van de Nieuwe Wereld scheiden.

Passepartout was er de man niet naar om er gras over te laten groeien. Hij begaf zich dus terstond naar de haven van Yokohama. Maar hoe meer hij de dokken naderde, des te onuitvoerbaarder scheen hem zijn eenmaal opgevat voornemen. Waarom zou men aan boord van eene amerikaansche mailboot een kok of knecht noodig hebben, en hoe zou hij in zulk eene kleeding vertrouwen kunnen inboezemen? Op wien zou hij zich beroepen?

Toen hij zoo liep te peinzen, viel zijn oog op een groot aanplakbiljet, waarmede een soort clown door de straten liep. Dit biljet bevatte in het engelsch als volgt:

HET JAPANNEESCHE ACROBATISCHE GEZELSCHAP

VAN

WILLIAM BATULCAR.

Laatste voorstellingen,

vóór hun vertrek naar de Vereenigde Staten,

VAN

LONG-NOSES-LONG-NOSES.

Onder rechtstreeksche hoede van den god Tingoe.

Zeer vermakelijk.

"De Vereenigde Staten van Amerika! Ziedaar juist wat ik hebben moet."

Hij volgde den man met zijn biljet en kwam weldra weder in de japansche stad.

Een kwartier later hield hij stil voor eene groote loods, versierd met vele aanplakbiljetten, waarvan de randen wel perspectief, maar met schitterende kleuren een aantal kunstenmakers voorstelden.

Dit was het spel van Batulcar, een soort van amerikaanschen Barnum, directeur van een gezelschap kunstenmakers, goochelaars, clowns, acrobaten, koorddansers, athleten, welke, volgens het affiche, hunne laatste voorstellingen in het rijk der zon gaven, voor zij naar de Vereenigde Staten vertrokken.

Passepartout trad onder eene gaanderij vóór de hut en vroeg om den heer Batulcar te spreken. Batalcur verscheen in eigen persoon.

"Wat gij?" vroeg hij aan Passepartout, dien hij eerst voor een inboorling aanzag.

"Hebt gij ook een bediende noodig?" vroeg Passepartout.

"Een bediende," riep de Barnum, zijn dichten grijzen baard strijkende, "ik heb er twee, die mij trouw en eerlijk dienen en die geen loon krijgen, op voorwaarde dat ik hun den kost geef. Zie, hier zijn ze," voegde hij er bij, op zijn twee krachtige armen wijzende, met aderen zoo dik als de snaren van een contra-bas.

"Dus kan ik u niet van dienst zijn?"

"In niets."

"Sakkerloot, ik zou toch gaarne met u vertrekken."

"O, zoo," zeide Batulcar, "gij zijt een Japanner zooals ik een aap ben! Waarom hebt ge u dan zoo gekleed?"

"Men kleedt zich zooals men kan."

"Dat is waar. Gij zijt een Franschman?"

"Ja, een Parijzenaar uit Parijs."

"Wel, dan kunt ge ook zeker wel grappen maken?"

"Och", antwoordde Passepartout, wien het een weinig hinderde dat zijne nationaliteit zoo beschimpt werd, "och, wij Franschen kunnen wel grappen maken, maar toch niet beter dan de Amerikanen."

"Juist. Zoo ik u niet als knecht kan nemen, kan ik je toch wel voor clown gebruiken. Gij begrijpt, vriendlief, in Frankrijk vertoont men vreemde paljassen en in vreemde landen heeft men gaarne fransche paljassen."

"Dat is zoo."

"Zijt gij bovendien nog al sterk?"

"Ja, vooral als ik gegeten heb."

"En kunt ge zingen?"

"Zeker," antwoordde Passepartout, die vroeger wel eens met straatmuzikanten had medegezongen.

"Maar kunt gij zingen met het hoofd naar beneden, met een draaiende tol op uw linker voetzool en een sabel in evenwicht op uw rechter?"

"Gemakkelijk!" riep Passepartout, die zich de eerste oefeningen uit zijn jeugd nog herinnerde.

"Daar komt alles op aan," antwoordde Batulcar en de overeenkomst werd op staanden voet gesloten.

Eindelijk had Passepartout dan toch eene betrekking gevonden. Hij was gehuurd om alles te doen in dit beroemde japansche gezelschap. Het was weinig vereerend, maar binnen acht dagen zou hij op weg naar San-Francisco zijn.

De voorstelling, welke Batulcar met groot marktgeschreeuw had aangekondigd, zou ten drie ure beginnen en spoedig hoorde men de geduchte instrumenten van het japansch orkest; de trommen en tam-tams maakten een oorverdoovend geraas voor de deur. Men kan licht denken, dat Passepartout zijne rol nog niet bestudeerd had, maar hij behoefde vooreerst slechts zijne krachtige schouders tot steun te geven om de menschelijke pyramide te helpen vormen, uitgevoerd door de Long-noses onder den god Tingoe. Deze prachtige toer zou alle andere kunsten overtreffen.