De Reis om de Wereld

Part 56

Chapter 563,596 wordsPublic domain

[188] Groensteen is de oude benaming van twee na aan elkander verwante gesteenten, dioriet en diabas. Dioriet is een kristallijn korrelig mengsel van triklinisch veldspaath en hoornblende, soms met bijmenging van kwarts en augiet. Het veldspaath is gewoonlijk wit, geel of groenachtig gekleurd; en hoornblende meest zwart-groen. Den naam "diabas" heeft men gegeven aan zekere donkergroene of zwarte vulkanische gesteenten, die in de oudere geologische formaties gevonden zijn; zij bestaan in hoofdzaak uit plagioklas (triklinisch veldspaath), augiet, magneet- of titaanijzer, en apatiet. De structuur is grof- tot fijnkorrelig, soms vast en dicht.

(Vert.)

[189] Dit woord is eene verbastering der Noord-Amerikaansch-Indiaansche woorden wekoe-omoet, hetgeen zeggen wil: in zijn huis. Oorspronkelijk is het eene Indiaansche hut van kegelvormige gedaante, meest van boomschors gemaakt en met vellen gedekt.

(Vert.)

[190] Deze booten zijn uit boomschors vervaardigd, en worden meest door vrouwen geroeid.

(Vert.)

[191] Met den soortnaam Diomedea (Orde: Procellariae).

(Vert.)

[192] De spelling van dit woord schijnt eenigszins twijfelachtig, hetgeen wellicht aan dialectische verschillen is toe te schrijven. Ik vind althans ook deze spellingen Jammenschken en Jammenschkener.

(Vert.)

[193] Ongetwijfeld bedoelt Darwin hiermede den stam der Ona's, die forscher en kloeker gebouwd zijn dan andere Vuurlanders.

(Vert.)

[194] De hier genoemde witte stof is in gedroogden toestand vrij vast, en heeft een gering soortelijk gewicht. Prof. Ehrenberg heeft haar onderzocht, en verklaart (zie Königl. Akademie der Wissensch., Berlin, Feb. 1845), dat zij uit infusoria bestaat, waaronder 14 polygastrica en 4 phytolitharia, en dat deze allen zoetwater-bewoners zijn. Dit is een schoon voorbeeld van de resultaten, die door Prof. Ehrenberg's microscopische onderzoekingen verkregen kunnen worden; want Jemmy Button zeide mij, dat de stof altijd op den bodem van bergbeken verzameld wordt. Bovendien is het een opmerkelijk feit in de geographische verspreiding der infusoria--die, gelijk men weet, een uitgestrekt gebied bewonen--dat alle soorten in deze stof oude bekende vormen zijn, ook al is zij uit de zuidelijkste punt van Vuurland afkomstig.

[195] Op zekeren dag zagen wij niet ver van de Vuurlandsche kust het indrukwekkende schouwspel, dat verscheidene potvisschen (of cachelotten--Physeter macrocephalus, soortnaam Catodon) rechtop en in hunne volle lengte, met uitzondering van de staartvinnen, uit het water sprongen. Telkens als zij dan zijdelings neervielen, plaste het water hoog op, met een geluid als van een volle laag.

[196] Kapitein Sulivan, die gedurende zijne reis op de Beagle met het opmeten van de Falklands-Eilanden bezig was geweest, hoorde van een robbenvanger (in 1842?), dat, toen deze zich eens in het westelijk gedeelte der Straat van Magelhaen bevond, eene inlandsche vrouw bij hem aan boord was gekomen, die tot zijne verwondering wat Engelsch kon spreken. Deze vrouw was zonder twijfel Fuegia Basket. Zij leefde eenige dagen aan boord (welke uitdrukking, vrees ik, voor eene dubbele uitlegging vatbaar is.)

[197] Een werpwapen, dat uit de hand wordt weggeslingerd, zeer merkwaardige bochten beschrijft, en eindelijk in omgekeerde richting tot den werper terugkeert.

(Vert.)

[198] Hier zij nog opgemerkt, dat de lage ontwikkelingstrap, waarop de Vuurlanders staan, blijkens onderzoekingen van den laatsten tijd, geen gevolg is van hun geringeren physieken aanleg. Men heeft nl. gevonden, dat het gemiddelde gewicht hunner hersenen--zoowel bij mannen als bij vrouwen--weinig verschilt van dat der beschaafde volken; wel bleken de afwijkingen van het gemiddelde zeer groot. Dit feit, in verband met de ervaring door Darwin en anderen opgedaan, dat sommige Vuurlanders vatbaar zijn voor beschaving, wettigt het vermoeden, dat zij van een hooger ontwikkeld volk afstammen. Dit vraagstuk is een der vele problemen, die Zuid-Amerika nog aan de wetenschap stelt. Ook weet men niet juist welken godsdienst de Vuurlanders hebben; alleen heeft men waargenomen, dat zij eene zekere vereering voor het uitspansel aan den dag leggen, en somtijds onder het aanheffen van een tamelijk welluidend gezang naar den hemel wijzen.

Wat de taal der Vuurlanders betreft, zij hier vermeld, dat in het binnenland de taal der Ona's--het Onaasch--en hare dialecten gesproken worden. Deze taal is nauw verwant aan die der Patagoniërs. Eene van het Onaasch onafhankelijke taal, het Jaghaansch, wordt gesproken aan het Beagle-kanaal, op de eilanden bij Kaap Hoorn en op Navarin--door die Vuurlanders, derhalve, met wie Darwin het meest in aanraking kwam. Al deze talen behooren tot de taalstammen van het Pampas-gebied.

(Noot van den Vert.)

[199] De zuidwestelijke briezen zijn, in 't algemeen, zeer droog. Op 29 Januari lagen wij bij Kaap Gregory voor anker; er woei een zeer harde storm uit het W.Z.W., bij heldere lucht met enkele cumuli. Temperatuur 57°, dauwpunt 36°; verschil 21°. Op 15 Januari te Port St.-Julian: des morgens zwakke winden met veel regen, gevolgd door een zeer hevige windvlaag met regen; deze ging over in een krachtigen storm met groote cumuli; en toen deze opklaarden, woei het zeer krachtig uit het Z.Z.W. Temperatuur 60°, dauwpunt 42°; verschil 18°.

[200] Talrijke metingen hebben bewezen, dat de lengte der Patagoniërs afwisselt tusschen 1.750 Met. en 1.924 Met.

(Vert.)

[201] Pedro Sarmiento de Gamboa (1530-1589), Spaansch ontdekker, die de kust van Peru onderzocht.

(Vert.)

[202] Rengger, Natur der Säugethiere von Paraguay, blz. 334.

[203] De naam is ontleend aan het feit, dat eene kolonie van 400 menschen, welke zich hier in 1584 gevestigd had, er den hongerdood vond.

(Vert.)

[204] Kapitein Fitz-Roy deelt mij mede, dat de bladeren dezer boomen, die dicht bij den voet der bergen groeien, in April (gelijkstaande met onze maand October) van kleur veranderen, maar niet bij die van de hooger gelegen punten. Ik herinner mij eenige waarnemingen te hebben gelezen, blijkens welke in Engeland de bladen vroeger afvallen in een warmen en fraaien herfst, dan in een laten en kouden. Dat hier in de hoogere, en dus koudere streken de kleurverandering later intreedt, moet aan dezelfde algemeene vegetatie-wet worden toegeschreven. De boomen van Vuurland werpen in geen enkel jaargetijde hunne bladeren geheel af.

[205] Aldus noemt men die soorten van planten, welke op meer dan 1700 Met. boven de zee groeien. In 't hooge Noorden ligt die grens lager.

(Vert.)

[206] Rev. I. M. Berkeley heeft hem naar mijne exemplaren in de Linnean Transactions (Deel XIX, blz. 37) onder den naam van Cyttaria Darwinii beschreven. De Chileensche soort is Cyttaria Berteroii. Dit geslacht is aan Bulgaria verwant.

[207] Behoorende tot de Tyrannidae, eene familie van de Orde der Musschen of Passeres.

(Vert.)

[208] Vuurland heeft eene oppervlakte van 73746 vierkante Kilom., Schotland van 78777 vierkante Kilom.

(Vert.)

[209] Ik meen hier eene uitzondering te moeten maken met eene Alpen-soort Haltica ((Haltica behoort tot de Aardvlooien: Halticinae.)) , en een enkel exemplaar van Melasoma. Waterhouse meldt mij, dat de Harpalidae vertegenwoordigd zijn door acht of negen soorten, voor het meerendeel met zeer eigenaardige vormen; de Heteromera door vier of vijf, de Rhynchophora door zes of zeven soorten, en de volgende familiën: Staphylinidae ((Roofkevers.)) , Elateridae ((Springkevers.)) , Cebrionidae ((Zijdekevers.)) , Melolonthidae ((Meikevers)) , elk door ééne soort. De andere Orden komen met nog minder soorten voor. Bij alle Orden treft ons nog meer de schaarschheid der individuën dan die der soorten. De meeste Coleoptera zijn door Waterhouse in de Annals of Natural History nauwkeurig beschreven.

[210] Hare geographische verspreiding is bijzonder groot; men vindt ze van af de uiterste zuidelijke eilandjes bij Kaap Hoorn (naar Mr. Stokes mij bericht) tot 43° N.B. aan de oostkust; maar aan de westkust--zegt Dr. Hooker mij--strekt zij zich uit tot de rivier San Francisco in Californië, en mogelijk zelfs tot Kamtsjatka. In breedte is dit gebied dus verbazend groot; bedenkt men echter dat Cook, die met de soort wel bekend moet zijn geweest, haar op de Kerguélen-Eilanden ((Deze eilanden (130 in getal) werden in 1772 door den Franschen zeevaarder Yves Joseph de Kerguélen-Trémarec (1734-1797) ontdekt. Zij liggen in het zuid. deel van den Indischen Oceaan.)) vond, dan strekt haar gebied zich over niet minder dan 140 Lengtegraden uit.

[211] Voyages of the Adventure and Beagle, Deel I, blz. 363. Het schijnt, dat zeewier uiterst snel groeit. Stephenson vond (Wilson's Voyage round Scotland, Deel II, blz. 228), dat eene alleen bij springtijden blootkomende rots, die in November nog als gepolijst was, in Mei daaraanvolgende--dus zes maanden later--dicht bedekt was met 2 voet lange Fucus digitatus, en 6 voet lange Fucus esculentus.

[212] Voor Vuurland zijn de resultaten afgeleid uit de waarnemingen van Kapitein King (Geographical Journal, 1830), en die welke aan boord van de Beagle genomen zijn. Voor de Falklands-Eilanden heb ik de gemiddelde temperatuur der drie heetste maanden December, Januari en Februari (afgeleid uit nauwkeurige waarnemingen te middernacht, 8 ure des morgens, op den middag, en te 8 ure des avonds) aan Kapitein Sulivan te danken. De temperatuur van Dublin is aan Barton ontleend.

[213] Agüeros, "Discription historique de la Province de Chiloé" 1791, blz. 94.

[214] Zie de Duitsche vertaling van dit Dagboek, en voor de andere feiten het Appendix to Flinders' Voyage van Brown.

[215] Ik geloof, dat de sneeuwgrens op de Cordilleras van Midden-Chili in verschillende zomers aanmerkelijk in hoogte verschilt. Men verzekerde mij, dat gedurende een zeer drogen en langen zomer, al de sneeuw van de Aconcagua verdween, ofschoon deze berg de kolossale hoogte van 23090 voet of 7040 Met. bereikt. Het is waarschijnlijk, dat de sneeuw op deze groote hoogten veel meer verdampt dan smelt.

[216] Miers Chile, Deel I. blz. 415. Men zegt, dat het suikerriet te Ingenio groeide op 32° tot 33° breedte, maar niet overvloedig genoeg voor winstgevende bewerking. In de Quillota-vallei, ten zuiden van Ingenio, zag ik eenige hooge dadelpalmboomen.

[217] Bulkeley en Cummins, Faithful Narrative of the Loss of the Wager. De aardbeving geschiedde op 25 Augustus 1741.

[218] Agüeros, Descr. Hist. de Chiloé, blz. 227.

[219] Geological Transactions, Deel VI, blz. 415.

[220] Bijzonderheden over dit onderwerp (de eerste, naar ik meen, die openbaar gemaakt zijn) heb ik gegeven in de eerste uitgaaf van dit werk, en in het Aanhangsel daartoe. Ik heb daar bewezen, dat de schijnbare uitzonderingen op het ontbreken van zwerfblokken in sommige heete landen, aan fouten in de waarnemingen zijn toe te schrijven. Vele der door mij gegeven verklaringen heb ik later door verscheidene schrijvers bevestigd gezien.

[221] Geographical Journal, 183, blz. 65 en 66.

[222] Richardson, Appendix to Back's Expedition, en Humboldt, Fragments Asiatiques, deel II, blz. 386.

[223] De eerste neushoren (Rhinoceros tichorhinus) werd in 1770 gevonden aan de Wiljui, een zijtak van de Lena. Hij had eene lengte van 11 1/2 voet, en was behaard. Geographisch was deze soort verspreid van Engeland tot Siberië. (Vert.)

[224] Dease en Simpson in Geographic. Journ., deel VIII, blz. 218 en 220.

[225] In de laatste 200 jaren zijn in Noord-Siberië door ontdooiing van den diluvialen bodem de skeletdeelen van ongeveer 20,000 mammoethen (Elephas primigenius) voor den dag gekomen. (Vert.)

[226] Cuvier, Ossemens fossiles, deel I, blz. 151, ontleend aan Billing's Voyage.

[227] In de vorige uitgaaf en het Aanhangsel heb ik eenige feiten genoemd betreffende het vervoer van zwerfblokken en ijsbergen in de Zuidelijke IJszee. Onlangs is dit onderwerp uitstekend behandeld geworden door Hayes in Boston Journal (deel IV, blz. 426). De schrijver schijnt onbekend met een door mij in Geographical Journal (deel IX, blz. 528) vermeld geval van een reusachtigen rolsteen, die in een ijsberg begraven was, welke bijna zeker honderd mijlen en misschien veel verder van land af was. In het Aanhangsel heb ik uitvoerig gesproken over het feit (waaraan destijds bijna niet gedacht werd), dat ijsbergen bij hunne stranding waarschijnlijk de rotsen groeven en polijsten, evenals gletschers. Deze meening wordt nu zeer algemeen gedeeld; en nog altijd kan ik het vermoeden niet ontveinzen, dat zij zelfs op gevallen als dat van het Jura-gebergte toepasselijk is. Dr. Richardson heeft mij verzekerd, dat de ijsbergen in de nabijheid van Noord-Amerika kiezelsteenen en zand voor zich uitdrijven, en de onderzeesche rotsachtige zandbanken geheel kaal achterlaten. Het valt bijna niet te betwijfelen, dat zulke klippen gepolijst en gegroefd moeten worden in de richting van het stelsel der heerschende stroomen. Sedert ik dit Aanhangsel schreef, heb ik in Noord-Wallis (London Phil. Mag. deel XXI blz. 180) de nevenwerking van gletschers en drijvende ijsbergen gezien.

[228] of ongeveer 7040 Met. De Chimborazo is 20.700 voet of 6310 Met. hoog.

(Vert.)

[229] Thomas Cochrane (1775-1860), bekend Britsch admiraal, verviel in ongenade, omdat hij medeplichtig was aan het verspreiden van een valsch gerucht over Napoleon's dood, ten einde zoo de koersen der Staatsfondsen te influenceeren. Daarna diende hij in Chili, Brazilië en Griekenland.

(Vert.)

[230] Rondgang, of wel de open ruimte zelve, waar het weidende vee wordt bijeengedreven.

(Vert.)

[231] Beheerder van een landgoed, huishofmeester, intendant.

(Vert.)

[232] Lord Anson (1697-1762), een bekend Engelsch admiraal, streed voornamelijk tegen Spaansche schepen in den Stillen Oceaan. Hij bracht der Spaansche macht veel nadeel toe, en plunderde twee schatvaartuigen.

[233] In Spaansche landen vormt het eene soort van gerecht van geroosterd rundvleesch in eene gekruide saus met aardappelen.

[234] Behoort tot de nachtzwaluwen (Caprimulgidae), Orde Macrochires.

(Vert.)

[235] Rex wil zeggen "Koning," en Finis "Einde." De tekst zal waarschijnlijk doelen op George IV van Engeland, die geboren werd in 1762 en regeerde van 1820-1830.

(Vert.)

[236] Onder dislocatie verstaat men in de geologie eene breuk en daaruit gevolgde verplaatsing in de oorspronkelijk horizontaal afgezette aardlagen. Dit verschijnsel hangt ten nauwste samen met het inzinken van de aardkorst door het inkrimpen der kern.

(Vert.)

[237] Caldcleugh in de Philosoph. Transact. van het jaar 1836--Na de aardbeving, die plaats had op 19 November 1822, bleek een groot gedeelte der kust van Chili 3 tot 4 voet gerezen te zijn, zoodat onder tal van doode visschen, eene menigte strandschelpdieren blootkwamen, die nog aan de rotsen vastzaten. Bij die in Febr. 1835 waren de Chileensche vulkanen Yanteles en Osorno in werking. De eerste ligt tegenover het eiland Chiloë, op 43° 29' Z.B. en heeft eene hoogte van 2447 met.; de Osorno in de provincie Llanquihue op 41° 9' Z.B., en is 2250 met. hoog. Ook toen steeg een deel van Chili.

(Vert.)

[238] Gedisloqueerde en geinjiciëerde, zegt men in wetenschappelijke termen. De afgekoelde ingespoten vulkanische gesteenten heeten dijken.

(Vert.)

[239] "Annales des Sciences Naturelles," mars 1833. Gay, een ijverig en bekend natuurvorscher, hield zich toen bezig met de studie van alle takken der natuurlijke historie in het koninkrijk Chili.

[240] Volgens het zeggen der inboorlingen wordt in die tusschentijden het metaal "voortgebracht."

[241] Burchell's Travels, deel II, blz. 45.

[242] Leonero wil zeggen: leeuwenbewaker.

[243] Het verdient opmerking, dat Molina, ofschoon alle vogels en viervoetige dieren van Chili uitvoerig beschrijvende, geen enkele maal van dit geslacht melding maakt, waarvan de soorten zoo algemeen zijn en zulke merkwaardige gewoonten hebben. Wist hij niet recht in welke klasse hij het zou plaatsen, en dacht hij daarom dat het raadzamer was te zwijgen? Het is alweer een voorbeeld van de vele gevallen dat schrijvers onderwerpen weglaten, waar men dit het minst zou verwachten.

[244] Thans heet de hoofdstad Ancud.

(Vert.)

[245] Circa 125,417 vierkante Meter.

(Vert.)

[246] Eenige bladzijden verder beschrijft Darwin dezen vogel nader. De beteekenis van het woord "cheucau" weet men niet met zekerheid.

(Vert.)

[247] Aan de oevers van sommige stroomen in de Cordilleras worden de bladeren dezer plant zoo groot, dat 2 of 3 personen te paard bij regen er gemakkelijk eene schuilplaats onder vinden.

(Vert.)

[248] Behalve lianen, zijn het vooral de hooge bamboesachtige klimplanten Quila en Coleu (soortnaam Chusquea), die deze wouden zoo ondoordringbaar maken.

(Vert.)

[249] "Horticultural Transact.," deel V, blz. 249. Mr. Caldcleugh stuurde twee knollen naar huis, die bij goede bemesting zelfs in het eerste seizoen talrijke aardappelen en een overvloed van bladeren voortbrachten. Zie Humboldt's belangrijke bespreking van deze plant, welke in Mexico onbekend schijnt geweest te zijn, in "Versuch über den politischen Zustand des Königreichs Neuspanien" 1809-14.

[250] Met behulp van mijn insectennet verschafte ik mij in deze streken een aanzienlijk getal kleine insecten van de familie der Staphylinidae (Roofkevers), andere die verwant zijn aan Pselaphus (Tastkever), en kleine Hymenoptera. Maar de meest karakteristieke familie wat het getal individuën en soorten betreft, in de meer boschvrije gedeelten van Chiloë en den Chonos-archipel, is die der Telephoridae.

[251] De Koypu of Moerasbever.

(Vert.)

[252] Men zegt, dat sommige roofvogels hunne prooi levend naar hun nest brengen. Zoo dit waar is, kan er in den loop der eeuwen wel nu en dan een aan de jonge vogels ontsnappen. Deze of andere omstandigheden van dien aard zijn noodig, om de verspreiding der kleinere knaagdieren te verklaren op eilanden, welke niet zeer dicht bij elkander liggen.

[253] Als een bewijs van het groote verschil tusschen de seizoenen in de begroeide en opene gedeelten dezer kust, wil ik vermelden, dat deze vogels op 34° Z.B. den 20sten September jongen in het nest hadden, terwijl zij op de Chonos-eilanden drie maanden later in den zomer pas eieren legden. Het breedte-verschil tusschen die twee streken is ongeveer 700 mijlen.

[254] quebrantar = breken; hueso = been.

(Vert.)

[255] Deze, in Nicaragua gelegen en slechts 500 voet hooge vulkaan, had uitbarstingen in 1709, 1809 en 1835.

(Vert.)

[256] Darwin bedoelt hier zeer waarschijnlijk de Minchimavida, ook wel Minchimadom geheeten. (2450 M.)

(Vert.)

[257] Geb. 1394, vermoord te Perth in 1437. Hij was van 1423-1437 Koning van Schotland.

(Vert.)

[258] In de Archaeïsche of Prae-Cambrische perioden der aardgeschiedenis hadden vulkanische uitbarstingen plaats in Noord- en Zuid-Wallis, in Shropshire en in sommige gedeelten van Schotland en Ierland. Gedurende het daaropvolgende Palaeozoïsche of Primaire Tijdvak, toen ook nog een zeer klein gedeelte der Britsche Eilanden boven zee lag, herhaalden zich de vulkanische uitbarstingen (vooral in het Cambro- of Onder-Siluur) op zeer groote schaal; en hiervan zijn talrijke bewijzen gevonden in Noord-Wallis en in het zoogenaamde Lake District of Merengebied van Cumberland en Westmoreland. Nog zeer hevig waren de uitbarstingen gedurende de Devonische perioden van hetzelfde Tijdvak, doch verminderden langzamerhand in die der Steenkoolvorming, welke op het Devoon volgde. In het lange Mesozoïsche of Secondaire Tijdvak, dat nu aanbrak en waarin de Britsche Eilanden meer en meer boven het zeeoppervlak verrezen, hadden in dien hoek van Europa geen uitbarstingen plaats. Wel geschiedden die toen met meer of mindere hevigheid in Tyrol, het Zuidoosten van Europa, Britsch-Indië en in West-Amerika. Maar in het Tertiaire Tijdvak, en vooral in de Mioceen periode, openbaarden zij zich weer met groote hevigheid in het Britsche Rijk, dat toen in bijna zijn tegenwoordigen vorm en grootte boven den zeespiegel lag. Engeland en Ierland werden toen vreeselijk geteisterd, doordien zich een nieuwe reeks van duizenden vulkanische spleten had gevormd, die van IJsland af over de Färöer van Noord naar Zuid liep en een groot aantal vulkaankegels telde. Enorme hoeveelheden eruptie-stoffen, uit dat Tijdvak afkomstig, zijn gevonden op de Hebriden, in het noordoosten van Ierland, over het vasteland van Engeland en in de zee tusschen Gr. Brittannië en Ierland--over eene totale oppervlakte, welke op minstens 100,000 vierkante Eng. mijlen wordt geschat. Volgens een Engelsch geoloog, was Groot-Brittannië toen een "Reign of Fire" (Rijk van Vuur).

(Vert.)

[259] Deze had plaats op 19 November en was zeer hevig. De schok werd gevoeld over een afstand van 1200 mijlen of ruim 1900 Kilom. langs de kust, naar noord en zuid. Santiago, Valparaiso en andere steden werden deerlijk geteisterd. Bij Valparaiso rees de kust 3 voet, en bij Quintero omstreeks 4 voet.

(Vert.)

[260] De Antuco, op 37° 20' Z.B. in Chili gelegen, is een 2800 Met. hooge kegelvormige vulkaan, die om de 10 minuten rookwolken uitstoot. In 1845, 1851 en 1863 waren zijne uitbarstingen nogal hevig. Van de 33 vulkanen, die Chili minstens bezit, ligt de Antuco het verst van de kust.

(Vert.)

[261] John Mitchell, Woodwardian professor in de Mineralogie te Cambridge, leefde omstreeks het midden der 18de eeuw. Hij bekleedde dit professoraat slechts acht jaren, om zich daarna geheel aan de theologische bezigheden te wijden. In 1760 publiceerde hij in de Philos. Transact. eene verhandeling over "The Cause and Phenomena of Earthquakes." De groote aardbeving van Lissabon in 1755 had zijne belangstelling in dit onderwerp gewekt. Sommige van zijn ideeën over de onderaardsche bewegingen zijn zeer scherpzinnig en juist.

(Vert.)

[262] Arago in L'Institut, 1839, blz 337. Zie ook Mier, Chile, deel I, blz. 392, en Lyell, Principles of Geology, deel II, blz. 119 (10e uitgaaf).

[263] De oude stad Concepcion, ook Penco geheeten, werd toen geheel verwoest en door eene vloedgolf verzwolgen. De inwoners bouwden toen ongeveer 10 mijlen van de kust eene nieuwe stad, om van zulke overstroomingen verschoond te blijven. Tegelijk werd eene nederzetting op de kust van Juan Fernandez bijna geheel door eene dergelijke golf vernietigd. In 1730 en verder terug tot 1590 hebben dergelijke rampen deze streek bezocht. Verder reikt de overlevering niet.

(Vert.)

[264] Reeds lang bestaat op bovengenoemde gronden de meening, dat de geheele reeks van rotsachtige eilanden, die zuidelijk van Valdivia tot aan den ingang der Straat van Magelhaen (van 39° 53'-52° 16' Z.B.) tegenover de fjorden van het vasteland liggen, een afgebroken of verzwolgen kam van de Cordilleras is, waarvan alléen de toppen boven zee uitsteken. Vooral de onderzeesche uitbarstingen wijzen hierop.

(Vert.)

[265] De oppervlakte van dit lavameer zou dan ongeveer 745,900 vierk. Kilom. geweest zijn, terwijl die van de Zwarte Zee 423,990 vierk. Kilom. bedraagt.

(Vert.)

[266] Deze indringende beweging heet met een wetenschappelijk woord: intrusie.

(Vert.)

[267] Voor eene volledige beschrijving van de vulkanische verschijnselen, die de aardbeving van 20 Februari 1835 vergezelden, en voor de gevolgtrekkingen, welke daaruit zijn af te leiden, moet ik verwijzen naar deel V der Geological Transactions.

[268] E. Suess "Die Entstehung der Alpen," en "Antlitz der Erde;" A. Heim "Untersuchungen über den Mechanismus der Gebirgsbildung."

[269] Deze passen hebben hoogten van 3927 en 4060 M.

(Vert.)

[270] Een Engelsch gewicht, inzonderheid voor wol, gelijkstaande met 14 pounds of circa 6-35/100 kilogr.

[271] Scoresby's Arctic Regions, Vol. I, Blz. 122.