De Reis om de Wereld

Part 55

Chapter 553,720 wordsPublic domain

[89] De noordelijke gedeelten lagen waarschijnlijk onder water.

[90] Sturt Travels, Deel II, blz. 74.

[91] Een Gaucho verzekerde mij, dat hij eens eene sneeuwwitte of Albino-variëteit gezien had, en dat dit eene zeer fraaie vogel was.

[92] Guacho wil zeggen vondeling: ook wel een vrucht, die door de moeder niet op natuurlijke wijs ter wereld is gebracht.

[93] Burchell's Travels, Deel I, blz. 280.

[94] Azara, Deel IV, blz. 173.

[95] Lichtenstein beweert echter (Travels, Deel II, blz. 25), dat de wijfjes beginnen te zitten, zoodra zij 10 of 12 eieren gelegd hebben, en dat zij, geloof ik, in een ander nest het leggen voortzetten. Dit komt mij zeer onwaarschijnlijk voor. Verder verklaart hij, dat 4 of 5 wijfjes zich voor het broeden verbinden met één mannetje, dat alleen des nachts zit.

[96] Ook Abestrúz geheeten, een Portugeesch woord, dat struisvogel beteekent.

(Vert.)

[97] Tijdens ons verblijf aan de Rio Negro hoorden wij veel van de onvermoeide pogingen van dezen natuuronderzoeker. Gedurende de jaren 1825-1833 doorkruisde Alcide d'Orbigny verscheidene groote deelen van Zuid-Amerika. De resultaten dier reis heeft hij verzameld en thans uitgegeven op zulk een grootsche schaal, dat hij na Humboldt de eerste plaats inneemt onder de wetenschappelijke natuuronderzoekers van Amerika.

[98] Account of the Abipones, 1749, Deel I, blz. 314. (Engelsche Vertaling).

[99] Behoorende tot de echte hoenders (Galli), eene onderorde van de Hoendervogels, of Rasores.

(Vert.)

[100] Eene familie der Zangvogels (Oscines), welke eene Onderorde uitmaakt van de Passeres of Musschen.

(Vert.)

[101] De Portugeezen noemen dit dier Armadilho apar.

(Vert.)

[102] Bufo.

[103] Oenotherae.

[104] De holten, die van de vleezige afdeelingen der extremiteit binnenwaarts leiden, waren met eene gele weeke stof gevuld, die met den microscoop onderzocht, er ongewoon uitzag. De massa bestond uit ronde, half-doorschijnende, onregelmatige korrels, samengehoopt tot deeltjes van verschillende grootten. Al die deeltjes en de afzonderlijke korrels konden zich snel bewegen, meestal rondom verschillende assen, maar soms in lineaire richting. De beweging was zichtbaar bij zeer zwakke vergrooting; maar zelfs bij de sterkste vergrooting liet zich de oorzaak niet ontdekken. Zij verschilde zeer van de circulatie der vloeistof in den veerkrachtigen zak, die het dunne einde der as bevatte. Bij andere gelegenheden, toen ik kleine zeedieren onder den microscoop ontleedde, heb ik deeltjes zachte vleezige stof gezien, enkele van aanzienlijke grootte, die zoodra zij afgescheiden waren, terstond begonnen te draaien. Ik vermoed--doch weet niet in hoeverre ik gelijk heb,--dat deze korrelig-vleezige stof op weg was om in eieren te worden omgezet. In dezen zoöphiet scheen dit zeker het geval te zijn.

[105] Kerr's Collection of Voyages, Vol. VIII, blz. 119.

[106] Purchas' Collection of Voyages: Ik geloof, dat het eigenlijke jaartal 1537 was.

[107] Azara heeft zelfs in twijfel getrokken of de Pampas-Indianen ooit bogen gebruikten.

[108] Circa 1018 Meter.

[109] Ik noem deze "distelstengel" bij gemis van een juisteren naam. Ik geloof, dat het eene soort Eryngium was.

[110] Afgeronde stukken steen (steenpuin), die door een of ander cement (matrix) verbonden zijn. Er bestaan conglomeraten van kwarts, gneiss, basalt, kalksteen, enz.

(Vert.)

[111] Zie zijne "Travels in Africa," Blz. 233. Hij leefde van 1771-1806.

[112] Salvatore Rosa, een Napolitaansch schilder (1615-1673).

[113] Twee soorten Tinamus, en Eudromia elegans d'Orbignyi, die echter alleen om zijn gewoonten met den naam van patrijs bestempeld kan worden.

[114] History of the Abipones, Deel II, blz. 6.

[115] Falconer's Patagonia, blz. 70.

[116] Fauna Boreali-Americana, Deel I, blz. 35.

[117] Zie Atwater's Account of the Prairies in Silliman's N. A. Journal, deel I, blz. 117.

[118] Azara, Voyage, deel I, blz. 373. "Deze (wilde) paarden hebben de zucht om paden en den zoom van rij- of landwegen voor het leggen van hunne uitwerpsels te kiezen, welke men op die plaatsen in hoopen vindt."

[119] A. d'Orbigny (Voyage dans l'Amérique Méridionale, deel I, blz. 474) zegt, dat de cardón en de artisjok beiden wildgroeiend gevonden worden. Dr. Hooker (Botanical Magazine, deel LV, blz. 2862) heeft eene variëteit van de Cynara uit dit gedeelte van Zuid-Amerika beschreven onder den naam van Inermis, en herinnert er aan, dat botanici het nu algemeen eens zijn, dat de cardón en de artisjok (Cynara scolymus) variëteiten zijn van dezelfde plant. Ik wil er bijvoegen, dat een bekwaam pachter mij verzekerde, dat hij in een verlaten tuin eenige artisjokken in den gewonen cardón had zien veranderen. Dr. Hooker gelooft, dat Head's heldere beschrijving van den Pampasdistel betrekking heeft op den cardón; maar dit is een misverstand. Kapitein Head doelde op de plant, die ik eenige regels verder onder den naam van Reuzendistel heb vermeld. Of het een echte distel is, weet ik niet; doch hij gelijkt meer op den eigenlijken distel (Carduus of Cirsium) dan op den cardón, waarvan hij geheel verschilt.

[120] Agave americana, de groote of Amerikaansche Aloë, te onderscheiden van de Aloë Soccotrina (de echte of Arabische Aloë) en van de West-Indische Aloë.

[121] Men zegt, dat deze stad 60,000 inwoners heeft; Montevideo, de tweede belangrijke stad aan de oevers der La Plata, 15,000.

Thans hebben die steden respect. 1,242,000 en 310,000 inwoners, volgens tellingen in 1909 en 1908.

(Vert.)

[122] Dit woord is afgeleid van het Spaansche matár (dooden), en wil dus zeggen: doodslager, moordenaar.

[123] De bizcacha (Lagostomus trichodactylus) gelijkt eenigszins op een groot konijn, maar heeft dikkere knaagtanden en een langeren staart; zij heeft echter, evenals het aguti, slechts drie teenen achter. Gedurende de laatste drie of vier jaren zijn de vellen dezer dieren naar Engeland gezonden, om als bont te dienen.

[124] Journal of Asiatic Soc., deel V, blz. 363.

[125] Naar de volkstelling van 1908 telt zij 160,000 inwoners.

[126] Ofschoon de schrijver niet vermeldt welke "mijlen," zijn het blijkbaar nautical of geographical miles van 1854.965 Meter. In het bekende werk van W. Chauvenet: Spherical and Practical Astronomy, Deel I, blz. 178, vinden wij voor den afstand (d) van den zeehorizon:

d (in standaardmijlen) = 1,317 wortel van x (in voeten)

hierin x = 6 stellende, vinden wij door eene eenvoudige berekening:

d (in standaardmijlen) = ± 3,225

Een statute of British mijl bedraagt 1609.33 M., dus

3,225 St. Miles = ± 5190 Meter.

2,8 Naut. Miles = ± 5194 Meter.

(Noot van den Vert.)

[127] De Mastodonten, die voorvaderen onzer oliphanten, zijn in Europa gevonden o.a. in de Mioceen-lagen van Frankrijk (M. longirostris, M. tapiroides Cuv. enz.); in het Plioceen van Engeland (M. Arvernensis) enz. Vóór het Mioceen-Tijdperk zijn geen resten van dit dier gevonden. In Amerika heeft de eerste Mastodon (M. mirificus Leidy) geleefd om de groote Plioceen-meren ten westen van den Mississippi. Later, in het Quartaire Tijdvak, komt over de noordelijke helft der Ver. Staten: in Noord- en Zuid-Carolina, Mississippi, Arkansas, Texas, alsook in Canada Mastodon giganteus voor. Eene variëteit van deze species is in menigte in de Pampas van Zuid-Amerika gevonden.

(Noot van den Vertaler.)

[128] Blijkens eene volkstelling, bezat de stad in 1901 circa 27000 inwoners.

[129] In 1907 telde de provincie Entre Rios 384000 inwoners, en is, op 3 na, de meest bevolkte provincie van de Argentijnsche Republiek. Hare hoofdstad heet nu Concepcion del Uruguay.

(Vert.)

[130] De rijzing van Z.-Amerika aan de westkust bij de Andes duurt nog voort. Zie Credner, Geologie, blz. 59.

(Vert.)

[131] Ik behoef hier nauwelijks te zeggen, dat er stellige bewijzen zijn, dat er in Columbus' tijd geen paarden in Amerika waren.

[132] Cuvier, Ossemens fossiles, Deel I, blz. 158.

[133] Dit is de door Lichtenstein, Swainson, Erichson en Richardson gevolgde geographische verdeeling. De doorsnede van Vera-Cruz naar Acapulco, door Alex. v. Humboldt in zijn Essai politique sur le royaume de la Nouvelle Espagne gegeven ((Dit meesterwerk werd van 1809/14 in 't Duitsch vertaald, en verscheen in 5 banden. Een uittreksel daarvan verscheen in 2 deelen bij Cotta te Stuttgart in de Gesammelte Werke von A. von Humboldt.

(Vert.))) , toont ons welk een ontzaglijke slagboom het Mexicaansche tafelland vormt. Waar Dr. Richardson in zijn voortreffelijk Report on the Zoology of N. America (uitgebracht voor het Brit. Assoc., 1836, blz. 157) spreekt over de gelijkstelling van een Mexicaansch dier met den Synetheres prehensilis--zegt hij: "In hoeverre dit juist is, weten wij niet; maar indien het waar is, vormt dit zoo niet het eenige, dan toch bijna het eenige voorbeeld van een knaagdier, dat aan Noord- en Zuid-Amerika gemeen is."

[134] Zie Dr. Richardson's Report blz. 157; ook L'Institut 1837, blz. 253. Cuvier zegt, dat de kinkaju op de Groote Antillen gevonden wordt; maar dit is twijfelachtig. Gervais zegt, dat de Didelphis Cancrivora daar gevonden wordt. Zeker is 't, dat West-Indië eenige zoogdieren bezit, welke dit land bijzonder kenmerken. Een tand van den Mastodon is uit Bahama meêgebracht: Edinb., New Phil. Journal, 1826, blz. 395.

[135] Zie het merkwaardig Bijvoegsel van Dr. Buckland tot Beechy's Voyage; ook de geschriften van Chamisso in Kotzebue's Voyage.

[136] In kapitein Owen's Surveying Voyage (deel II, blz. 274) staat een treffend verhaal over de gevolgen eener droogte op de olifanten te Benguëla (westkust van Afrika). "Een aantal dezer dieren was vóor eenigen tijd in een drom de stad binnengekomen, om zich van de putten meester te maken, daar zij zich nergens in het land water konden verschaffen. De bewoners vereenigden zich, en er ontstond een wanhopig gevecht, dat met de volkomen nederlaag der indringers eindigde, doch niet voordat zij één man gedood en vele anderen gewond hadden." Naar men zegt, heeft de stad eene bevolking van ongeveer 3000 zielen! Dr. Malcolmson bericht mij, dat tijdens eene groote droogte in Indië de wilde dieren eenige soldatententen te Ellore binnendrongen, en dat een haas uit een pot dronk, dien de adjudant van het regiment hem voorhield.

[137] Voyage, deel I, blz. 374.

[138] Deze droogten schijnen, tot op zekere hoogte, bijna periodiek te zijn. Men noemde mij de datums van vele andere en de tusschenruimten bedroegen ongeveer 15 jaren.

[139] Het vaartuig gelijkt eenigszins op onze kotters.

(Vert.)

[140] Hiermede wordt de tigre de América bedoeld, zooals de jaguar daar genoemd wordt.

(Vert.)

[141] Trogschelpen (van het Grieksche of Latijnsche Mactra = baktrog).

(Vert.)

[142] Darwin spelt dit woord in zijn tekst njata en niata. Het woord luidt echter zoowel in 't Spaansch als Portugeesch nata en beteekent (fig.) het beste, uitgezochtste, de bloem. De eigenlijke vertaling is "room." (Vert.)

[143] Waterhouse heeft eene uitvoerige beschrijving van dit hoofd gegeven, welke hij, hoop ik, in eenig tijdschrift zal publiceeren.

[144] Dit dier was een reusachtig vierhoornig hert, ter grootte van een olifant, en grooter nog. Men heeft het met de overblijfsels van vele andere zoogdieren uit de Mioceen- en Plioceenperioden (o. a. groote krokodillen, en de vier meter lange reuzenschildpad Colossochelys Atlas) gevonden in de zoogenaamde Siwalik-heuvels aan den zuidelijken voet van den Himalaya. Deze heuvels zijn van zoetwateroorsprong, en vormen eene 2000 meter diepe afzetting van klei, zandsteen en conglomeraten door de bergstroomen van den Himalaya, gedurende de laatste geweldige aardkorstbewegingen in het Tertiaire Tijdvak, toen de H. evenals de meeste groote bergketenen der aarde omhoog werd geheven. Enkele deelen van den toenmaligen zeebodem liggen nu minstens 16,500 voet boven de zee.

(Noot v. d. Vert.)

[145] Een bijna even abnormale bouw (maar ik weet niet of hij erfelijk is) heeft men waargenomen bij den karper, alsmede bij den krokodil van den Ganges (Histoire des Anomalies, par Isid. Geoffroy St. Hilaire, Deel I. blz. 244.)

[146] A. d'Orbigny heeft een bijna gelijkluidend verhaal van dezen hond gegeven: Voyage dans l'Amérique Mérid., Deel I, blz. 175.

[147] In den tekst staat domidor, welk woord echter noch in 't Spaansch, noch in 't Portugeesch bekend is.

(Vert.)

[148] "Ach, Don Karel, wat erg!" (Karel of Charles was Darwin's voornaam).

[149] Een crown = 5 shillings.

[150] Ik moet mijn dank betuigen aan Mr. Keane, in wiens huis op den Berquelo ik vertoefde en aan Mr. Lumb te Buenos Aires; want zonder hunne hulp zouden deze kostbare overblijfsels nooit in Engeland zijn gekomen.

[151] saamgesteld uit = vlies en pter'on = vleugel.

(Vert.)

[152] Lyell's Principles of Geology, 10de Edit., Deel II, blz. 377/78.

[153] Pelagisch van pelagik'oc: tot de zee (p'elagoc) behoorende.

(Vert.)

[154] De vliegen, die dikwijls een schip eenige dagen op zijn tocht van de eene haven naar de andere vergezellen, zijn, als zij van het schip afdwalen, spoedig verloren en verdwijnen alle.

[155] Pierre André Latreille (1762-1833) was een Fransch dier- en insectenkundige. Hij schreef Histoire des Salamandres, en Histoire naturelle des Reptiles.

(Vert.)

[156] Mr. Blackwall, in zijne Researches on Zoology, doet vele voortreffelijke opmerkingen over de gewoonten van spinnen.

Volgens Dr. Otto Taschenberg (Bilder aus dem Tierleben) zijn de herfstdraad-spinnen de jonge dieren van verschillende soorten: Xysticus, Micryphantus, e. a.

(Vert.)

[157] Eene soort van kwallen, behoorende tot de orde der Craspedophorae.

[158] Lagere Kreeftdieren (eene onderklasse van de Crustacea).

[159] Ook Zwaluw-stormvogel genoemd: eene soort Procellaria, evenals de albatros (Diomedea). Zijn tekstnaam is ontleend aan het feit, dat hij, evenals Petrus, over zee schijnt te loopen.

(Vert.)

[160] Twee soorten van makreelen (Thynnus of Scomber).

[161] Ik heb hier eene cactus-soort gevonden, door Professor Henslow beschreven onder den naam van Opuntia Darwinii (Magazine of Zoology and Botany, deel I, blz. 466), welke merkwaardig was om de prikkelbaarheid harer stamina (meeldraden), als ik de punt van een stok of mijn vingertop in de bloem stak. Ook de segmenten van het perianthium (bloemkelk) sloten zich op den stamper, maar langzamer dan de meeldraden. Planten van deze familie, die in 't algemeen als tropisch wordt beschouwd, komen in Noord-Amerika op dezelfde hooge breedte voor als hier: namelijk in beide gevallen op 47°. (Lewis and Clarke's Travels, blz. 221).

[162] Laatstgenoemde insecten vindt men niet zelden onder steenen. Eens zag ik een schorpioen kalm een anderen verslinden.

[163] De dingey of dinghy is eene soort van boot, die in Oost-Indië gebruikt wordt; ook noemt men aldus de kleinste boot op een schip, die door twee man geroeid wordt.

(Vert.)

[164] Onlangs heb ik gehoord, dat kapitein Sulivan der K. M. talrijke fossiele beenderen gevonden heeft in regelmatige lagen op 52° 4' breedte aan de oevers der Rio Gallegos. Eenige daarvan zijn groot, andere klein, en schijnen tot een armadil behoord te hebben. Dit is eene zeer belangwekkende en gewichtige ontdekking.

[165] Zie de uitmuntende opmerkingen dienaangaande van Lyell in zijne Principles of Geology, 10e Uitgaaf, Deel II, Blz. 433 en volg.

[166] De woestijnen van Syrië kenmerken zich, volgens Volney (Deel I, blz. 351) door boschachtige struiken, talrijke ratten, gazellen en hazen. In de landschappen van Patagonië vervangt het guanaco de gazel, en het aguti den haas.

[167] Door neerslag uit zout- of zoetwater ontstaan.

[168] Volgens Humboldt wisselt de vluchtwijdte der condors in de Andes af van 2.6 met. tot 4.5 met. Uit deze grootte en den gezichtshoek waaronder de vogel dikwijls loodrecht boven het hoofd van waarnemers gezien is geworden, kan men zijne hoogte bepalen. Een gezichtshoek van 4 minuten geeft reeds eene hoogte van 2230 meter. Het is bekend, dat hij bij helderen hemel tot 7150 meter kan stijgen, waar de luchtdruk slechts 310,5 mm. bedraagt. Zoo men bedenkt, dat de condor uit deze hoogte soms plotseling naar het dal of het zeestrand neerstrijkt, hetgeen o.a. aan de westelijke helling van den vulkaan Pichineha bij Quito is waargenomen, dan staat men verbaasd over het gemak, waarmee deze vogel zijn ademhalingsvermogen kan regelen.

(Noot van den Vert.)

[169] Ik merkte op, dat verscheidene uren voordat een der condors stierf, al de luizen waarmede hij besmet was, naar zijne buitenste vederen kropen; en men verzekerde mij, dat dit altijd gebeurde.

[170] Loudon's Magazine of Natural History, deel VII.

[171] Daar 1 vierkante nautical of geographical mile = ± 3.441 vierkante Kilom., zou volgens Darwin de Archipel eene oppervlakte hebben van circa 24775 vierk. Kilom., terwijl Ierland 84253 vierk. Kilom. groot is. Blijkbaar is Darwin's opgaaf dus niet nauwkeurig. In de Geographisch-Statistische Tabellen van Otto Hübner (uitgaaf 1910) wordt de land-oppervlakte der Falklands-Eilanden aangegeven als 16800 vierk. Kilom. Deze Archipel bestaat uit twee groote eilanden Oost- en West-Falkland, omringd door circa 200 kleine, en ligt 450 Kilom. ten oosten van Patagonië. Hij werd op 14 Aug. 1592 door John Davis ontdekt.

(Vert.)

[172] Uit verhalen, sedert onze reis in het licht gegeven, en meer in 't bijzonder uit verschillende belangwekkende brieven van kapitein Sulivan der K. M., die bij de opmeting was aangesteld, blijkt, dat wij van de slechtheid van het klimaat dezer eilanden een overdreven begrip hadden. Maar als ik denk aan de bijna onafgebroken veenlaag, die den bodem bedekt, en aan het feit, dat tarwe hier zelden tot rijpheid komt, dan kan ik moeilijk gelooven, dat het klimaat in den zomer zoo fraai en droog is, als men het onlangs heeft voorgesteld.

[173] Lesson's Zoology of the Voyage of the "Coquille," Deel I, blz. 168. Alle vroegere reizigers, en in 't bijzonder Bougainville, verklaren uitdrukkelijk, dat de wolfachtige vos (Canis antarcticus) het eenige op het eiland inheemsche dier was. Dat men het konijn als eene bijzondere soort beschouwt, vloeit voort uit eigenaardigheden in zijn pels, uit den vorm van het hoofd, en uit de kortheid der ooren. Ik wil hier opmerken, dat verschil tusschen den Ierschen en Engelschen haas op bijna gelijksoortige, alleen sterker uitkomende kenmerken berust.

[174] Konijntje.

[175] Cávia = Zeezwijntje of Varkenkonijntje.

[176] Ik heb reden te onderstellen, dat er eene kleine veldmuis is. De gewone Europeesche rat en muis zijn ver van de woningen der kolonisten afgedwaald. Op een der eilandjes loopt ook het gewone zwijn wild rond; allen hebben een zwarte kleur; de mannetjes zijn zeer woest, en hebben groote slagtanden.

[177] De culpeu is de Canis Magellanicus, dien kapitein King uit de Straat van Magelhaen heeft meegebracht.

Deze wilde hond komt onder den naam Culpo in Chili voor.

[178] De Dodo (Gekuifde Zwaan of Dodó das Mauricias, volgens de Portugeezen) was een groote, plompe, omstreeks 23 kilo zware vogel, wiens vleugels niet meer ontwikkeld waren dan van een jong kuiken, zoodat het dier niet in staat was te vliegen. In voorkomen verschilde hij van alle bekende vogels, ook van den struisvogel en casuaris. In de 17de eeuw vonden de Hollandsche zeevaarders hen in groot aantal op Isle-de-France of Mauritius; doch na de inbezitneming van het eiland door de Franschen (1712), is niets meer van den Dodo vernomen. Deze vogel en de Solitaire van Rodriguez (met de wetenschappelijke soortnamen Didus en Pezophaps) vormden eene Onderorde der Gyrantes.

(Vert.)

[179] Pernety, Voyage aux Isles Malouines, blz. 526.

[180] "Niet minder zijn wij verwonderd geweest bij het zien van de tallooze menigte steenen van alle grootten, die op elkander waren geworpen, en toch in regelmatige orde, alsof zij achteloos waren opgestapeld om ravijnen te vullen. Men werd het bewonderen van de verrassende werkingen der natuur niet moede."

Pernety, Voyage aux Isles Malouines, blz. 526.

[181] Een inwoner van Mendoza, en dus wel tot oordeelen bevoegd, verzekerde mij, dat hij verscheidene jaren op deze eilanden gewoond, maar nooit den geringsten schok van aardbeving gevoeld had.

(Mendoza, hoofdstad eener Argentijnsche provincie bij de Andes, had o.a. aardbevingen op 20 Februari 1835, en vooral op 20 Maart 1861.)

(Vert.)

[182] Darwin's meening, dat de door hem op de Falklands Eilanden gevonden "steenstroomen" (thans steenrivieren genoemd) door geweldige bevingen of stuiptrekkingen, zooals hij ze noemt, der aardkorst ontstaan zouden zijn, wordt, in overeenstemming met zijn in den tekst uitgesproken vermoeden, door de tegenwoordige wetenschap niet gedeeld. Deze geeft er eene eenvoudiger verklaring van. De oorzaak van het verschijnsel is volgens Geikie (Textbook of Geology) een onderdeel der mechanische werking van den regen, door hem met den naam Movement of Soil-cap bestempeld. Op blz. 328 zegt hij:

"In some countries where the ground is covered with a thick spongy mass of vegetation exposed to considerable variation of temperature and moisture, appearances have been observed of an extensive slipping of the layer of soil to lower levels, bearing with it whatever may be growing or lying upon it. Such are the so-called "Stone-rivers" of the Falkland-Islands, and the superficial débris of certain parts of the west coast of Patagonia. In Western Europe, slight indications of a similar movement may often be noticed on the sides of hills or valleys."

Waarvan de vertaling luidt:

"In sommige streken, waar de grond bedekt is met eene dikke sponsachtige plantenmassa, die aan aanzienlijke temperatuurs- en vochtigheids-verandering blootgesteld is, zijn verschijnselen waargenomen van eene vèrstrekkende verschuiving der grondlaag naar lagere peilhoogten, waarbij zij al wat er op groeit of ligt met zich meevoert. Daartoe behooren de zoogenaamde "Steenrivieren" der Falklands-Eilanden, en het rotspuin dat de oppervlakte van sommige kustgedeelten in Westelijk Patagonië bedekt. In West-Europa kunnen op heuvel- of dalhellingen dikwijls kleine teekenen van eene dergelijke beweging waargenomen worden."

(Noot van den Vert.)

[183] Tot de Orde der Sphenisci behoorende.

[184] Darwin geeft aan deze vogels den naam van ganzen, ofschoon de soortnaam van deze niet Anas (Eend), maar Anser (Gans) luidt. De naam schijnt echter zoo te zijn aangenomen.

(Vert.)

[185] Het geslacht Apteryx met vier soorten komt alleen op Nieuw-Zeeland voor, en behoort tot de Apteryges, eene Onderorde van de Struisvogels of Brevipennes. De geslachten Dinornis en Meiornis, behoorende tot de Moas of Dinornithes (óok eene Onderorde van de Brevipennes), bewoonden met te zamen 7 soorten eveneens Nieuw-Zeeland, maar werden door de zich hier vestigende Maoris uitgeroeid. De Moas waren reusachtige vogels, met geweldige beenen en drieteenige voeten.

(Vert.)

[186] Bij het tellen van de eieren van een grooten, witten Doris (eene zeeslak die 3 1/2 inches lang was), vond ik tot mijne verbazing hoe buitengewoon talrijk die waren. Twee tot vijf eieren (elk 0.003 inch in doorsnede) waren besloten in kleine bolvormige kapsels, die twee aan twee in dwarsrijen gegroepeerd, een lint vormden. Dit lint hechtte op zijn kant in eene ovale spiraal aan de rots. Ik vond er een, dat bijna 20 inches lang en een halve inch breed was. Tellende hoeveel kapsels er begrepen waren in éen tiende inch van het lint, vond ik bij de zuinigste berekening dat er 600,000 eieren waren. Toch was deze Doris stellig niet zeer verspreid, want ofschoon ik dikwijls onder de steenen zocht, zag ik slechts zeven exemplaren. Onder de natuuronderzoekers is geen dwaling meer algemeen, dan dat het getal individuën van eene of andere soort afhangt van haar voortplantingsvermogen.

[187] Elders vind ik dezen beuk Fagus antarctica genoemd. De Winter's-bast werd door kapitein Winter uit de Straat van Magelhaen meegebracht; het is een welriekende bast en bezit geneeskrachtige eigenschappen.

(Vert.)