Part 54
De tegenwoordige toestand, waarin wij een bijna geheel halfrond hebben leeren kennen, kan niet anders dan hooge verwachtingen schenken omtrent zijn toekomstigen voorspoed. Waarschijnlijk is de verbetering, die, dank zij de invoering van het Christendom, over de geheele Zuidzee in gang is, éénig in de jaarboeken der geschiedenis. Dit is des te merkwaardiger, zoo wij bedenken, dat Cook, wiens uitnemend oordeel wel door niemand zal worden betwist, pas 60 jaren geleden geen uitzicht op verandering kon geven. Toch zijn die veranderingen door den menschlievenden geest der Britsche natie thans tot stand gebracht.
In denzelfden hoek van den aardbol is Australië op weg zich te verheffen, of, kan men zeggen, heeft het zich verheven tot een groot beschavingsmiddelpunt, dat in eene niet zeer verre toekomst als Keizerin zal heerschen over het zuidelijk halfrond. Het is niet mogelijk, dat een Engelschman deze verre kolonies anders dan met rechtmatigen hoogmoed en voldoening beschouwt. Rijkdom, voorspoed en beschaving schijnen de wisse gevolgen te zijn, welke het hijschen van de Britsche vlag na zich voert.
Tot besluit schijnt het mij toe, dat er voor een jongen natuuronderzoeker niets bevorderlijkers zijn kan, dan eene reis naar verre landen. Zulk eene reis--merkt Sir John Herschel op--versterkt en stilt gedeeltelijk de behoeften en wenschen, die in den mensch opwellen ook dan, wanneer aan alle stoffelijke begeerten voldaan is. Het opwekkende gevoel, dat de studie van nieuwe voorwerpen of verschijnselen en de kans op welslagen doen ontstaan, prikkelen hem tot meerdere werkzaamheid, terwijl daarenboven de gewoonte om los staande feiten met elkaar te vergelijken, die anders spoedig onbelangrijk worden, hem tot algemeene beschouwingen leiden. Hier staat tegenover, dat de beschrijvingen van den reiziger, die uitteraard slechts kort op elke plaats vertoeft, meestal uit louter schetsen moeten bestaan, in stede van uitvoerige waarnemingen. En daaruit ontspruit, gelijk ik tot mijne schade ondervonden heb, eene voortdurende zucht om de wijde leemten in onze kennis aan te vullen met onnauwkeurige en oppervlakkige hypothesen.--
Maar, ik heb mijne reis te volop genoten, om niet elken natuuronderzoeker aan te bevelen alle kansen te wagen, en zoo mogelijk landreizen, of anders eene verre zeereis te doen, hoewel hij er niet op moet rekenen zoo gelukkig in zijne reisgenooten te zijn, als ik het was. Hij kan er van verzekerd zijn, dat hij, behalve in zeldzame gevallen, geen moeilijkheden of gevaren zal ontmoeten, die niet geringer zullen blijken dan hij te voren verwacht heeft. Uit een zedelijk oogpunt behoort het gevolg te zijn, dat hij leere opgeruimdheid te paren aan geduld, zijne eigenliefde te overwinnen, zich te gewennen aan zelfstandig handelen, en zich zoo goed mogelijk in alle omstandigheden te schikken. In 't kort, hij behoort de eigenschappen te leeren, welke de meeste zeelieden bezitten. Ook moet de reis hem leeren anderen te wantrouwen; maar tevens zal hij dan ontdekken, hoevele oprecht welwillende menschen er zijn, die, schoon hij vroeger nooit met hen in aanraking kwam noch later ooit weer komen zal, toch bereid zijn hem op de onbaatzuchtigste wijze te helpen.
EINDE.
HERLEIDING VAN EENIGE IN DIT WERK VOORKOMENDE ENGELSCHE MATEN EN GEWICHTEN.
1 Foot (12 inches) 30.48 cm. 1 Square foot (144 vierkante inches) 929.014 qcm. 1 Inch (10 lines, vroeger 12 lines) 2.54 cm. 1 Square inch 6.451 qcm. 1 Land yard (in Hertford) = 3 feet 91.44 cm. 1 Yard (als winkelmaat) = 4 quarters 91.44 cm. 1 Square yard 0.836 qm. 1 English ell = 5 quarters 114.30 cm. 1 Fathom = 6 feet 182.88 cm. 1 Statute mile of British mile (algemeen "Engelsche mijl" genoemd) = 5280 feet 1609.330 m. 1 English mile = 5000 feet 1523.986 m. 1 Nautical mile of Geographical mile = 1/60 Equatorgraad (1/60 van 111.2979 kilom.) 1854.965 m. 1 League = 3 Miles 3 British miles 4827.989 m. 3 London miles 4571.959 m. 3 Nautical miles 5564.895 m. 1 Mile of land of Square Statute Mile = 640 acres 258.994 ha. 2.58994 qkm. 1 Square Geographical Mile = 3.44090 qkm. 1 Acre (of land) = 4 roods 40.468 aren. 1 Admiralty knot = 6080 feet 1853.167 m./h. 1 Pound (Avoirdupois--Handelsgewicht) = 16 ounces 453.593 g. 1 Ounce 28.350 g. 1 Ton = 2240 pounds 1016.048 kg. 1 Imperial gallon 4.544 lit.
INHOUD.
Charles Darwin 5
Inleiding 7
Voorwoord van den Schrijver 9
Hoofdstuk I. St.-Jago. De Kaap-Verdische Eilanden 13
Hoofdstuk II. Rio de Janeiro 35
Hoofdstuk III. Maldonado 61
Hoofdstuk IV. Van de Rio Negro naar Bahia Blanca 91
Hoofdstuk V. Bahia Blanca 114
Hoofdstuk VI. Van Bahia Blanca naar Buenos Aires 147
Hoofdstuk VII. Van Buenos Aires naar Santa Fé 168
Hoofdstuk VIII. Oost-Banda en Patagonië 193
Hoofdstuk IX. De Santa Cruz, Patagonië en de Falklands-Eilanden 238
Hoofdstuk X. Tierra del Fuego of Vuurland 274
Hoofdstuk XI. De Straat van Magelhaen. Het klimaat der zuidelijke kusten 313
Hoofdstuk XII. Midden-Chili 341
Hoofdstuk XIII. Chiloë en de Chonos-Eilanden 369
Hoofdstuk XIV. Chiloë en Concepcion.--Eene hevige aardbeving 393
Hoofdstuk XV. Overtocht van de Cordilleras 424
Hoofdstuk XVI. Noord-Chili en Peru 455
Hoofdstuk XVII. De Galápagos-Archipel 502
Hoofdstuk XVIII. Tahiti (of Taïti) en Nieuw-Zeeland 542
Hoofdstuk XIX. Australië 580
Hoofdstuk XX. Keeling-Eiland.--Koraalvormingen 608
Hoofdstuk XXI. Mauritius. Terugkeer naar Engeland 650
Herleiding van eenige in dit werk voorkomende Engelsche maten en gewichten 683
Alphabetisch Register 684
Verbeteringen 699
AANTEEKENINGEN
[1] Het reisdagboek van Charles Darwin's bijna vijf jaar durende reis om de wereld aan boord van de Beagle. Tijdens deze reis werden de grondslagen gelegt voor zijn latere evolutietheorie.
[2] Darwin's vader had namelijk geen zin zijn zoon deze reis te laten ondernemen, dan op voorwaarde, dat deze een man vond, die het hem ernstig aanried. Deze man was Darwin's oom. Voorts had kapitein Fitz-Roy, commandant van de Beagle, aanvankelijk er op tegen, dat Darwin als natuuronderzoeker meêging, om reden diens neus, waarin hij gebrek aan energie meende te lezen, hem niet beviel. Kapitein Fitz-Roy was namelijk een leerling van Lavater. (Noot van den vertaler.)
[3] Ik moet deze gelegenheid aangrijpen om mijn oprechten dank te betuigen aan den heer Bynoe, arts op de Beagle, voor zijne zeer vriendelijke zorgen jegens mij, toen ik te Valparaiso ziek was.
[4] De Britsche Minister van Financiën.
[5] Een student, die zijn eersten graad nog niet bereikt heeft.
(Vert.)
[6] Dit op gezag van Dr. E. Dieffenbach in zijne Duitsche vertaling van de eerste uitgaaf van dit Dagboek.
[7] Tusschen Frankrijk en de gealliëerde Staten Spanje, Portugal en Engeland (1807-1814.)
[8] De Kaap-Verdische Eilanden werden ontdekt in 1449. Er was een grafsteen van een bisschop met het jaartal 1571, en het bovendeel van een hand en een dolk met het jaartal 1497.
[9] Numida, eene soort behoorende tot de familie der Phasianidae.
(Vert.)
[10] Ik moet van deze gelegenheid gebruik maken om de groote welwillendheid te gedenken, waarmeê deze vermaarde natuuronderzoeker vele mijner exemplaren onderzocht heeft. In Juni 1845 heb ik een volledig bericht over dit vallende stof aan The Geological Society gezonden.
[11] De harmáttan waait in December, Januari en Februari.
(Vert.)
[12] Behoorende tot de Cephalophora (Slakken), eene klasse van de Mollusca.
(Vert.)
[13] Een groep van 29 eilanden ten noordoosten van Madagascar. Zij zijn bekend om hunne kokosnoten. De hoofdstad Victoria op Mahé telt ruim 20,000 inwoners.
(Vert.)
[14] Mr. Horner en Sir David Brewster hebben in de Philosophical Transactions (Jaargang 1836, blz. 65) eene zonderlinge "kunstmatige zelfstandigheid" beschreven "die op eene schelp geleek." Deze zelfstandigheid zet zich in fijne, doorschijnende, fraai gepolijste en bruinachtig gekleurde laminae, welke bijzondere optische eigenschappen bezitten, af aan de binnenzijde van een vat met water, waarin men laken, dat eerst in lijm en daarna in kalk gedrenkt is, snel laat roteeren. Zij is veel zachter en doorschijnender en bevat meer dierlijke stof dan de natuurlijke korst of incrustatie op Ascension; maar hier zien wij opnieuw de sterke neiging, die koolzure kalk en dierlijke stof aan den dag leggen tot het vormen van eene aan schelpen verwante vaste stof.
[15] Bóbo en Nodí zijn de Spaansche namen voor Jan-van-Gent en Domme Zeezwaluw. Ook heeft het woord Bóbo de beteekenis van "domkop." De soortnamen dezer vogels zijn resp. Sula en Sterna. (Orden respect. Graculi en Lari).
(Vert.)
[16] M. Montaigne in de Comptes Rendus, enz. van Juli 1844, en Annales des Sciences Naturelles, December 1844.
[17] M. Lesson (Voyage de la Coquille, Deel I, blz. 255) maakt melding van rood water op de hoogte van Lima, dat blijkbaar aan dezelfde oorzaak is toe te schrijven. De uitstekende natuuronderzoeker Peron geeft in zijn Voyage aux Terres Australes niet minder dan 12 aanhalingen van reizigers, die op het verkleurde water der zee gezinspeeld hebben. (Deel II blz. 239). Aan de door Peron gegeven verwijzingen kunnen worden toegevoegd; Humboldt. Relation historique, deel VI blz. 804 (Eng. Vert.); Flinder, Voyage, deel I blz. 92; Labillardière, deel I blz. 287; Ulloa, Voyage; Voyage of the Astrolabe and of the Coquille; Kapitein King, Survey of Australia, enz.
[18] Lagoa is het Portugeesche woord voor "Meer."
(Vert.)
[19] Annales des Sciences Naturelles, Jaargang 1833.
[20] De Broodwortel (wortel van den cassave-struik) met den Lat. naam Jatropa manihot.
(Vert.)
[21] Volgens eene planimetrische berekening telt Brazilië 8,524,777 vierkante Kilom. bij eene bevolking van ruim 21 millioen zielen. De dichtheid is dus 2.5 inw. per vierkante Kilom. Zooals bekend, is 80 het normaalcijfer voor de bevolkingsdichtheid, welke grens niet mag worden overschreden, zonder sociale nooden in 't leven te roepen. Nederland en België hebben respect. eene bevolkingsdichtheid van 176.5 en 251 per vierkante Kilom.
(Vert.)
[22] De West-Indische koolpalm (Areca of Oreodoxa oleracea.)
(Vert.)
[23] Baron George L. C. F. D. Cuvier (1769-1832), vooral bekend door zijn klassiek werk Recherches sur les ossemens fossiles, dat in 1812 voor 't eerst verscheen.
(Vert.)
[24] Deze species heb ik beschreven en benoemd in de Annals of Natural History, Vol. XIV, blz. 241.
[25] Rhamphastus, van de orde der Cuculi (Koekoeksvogels.) In Brazilië heet hij tucano.
(Vert.)
[26] Ik ben Waterhouse veel dank schuldig voor zijne vriendelijkheid om deze en vele andere insecten voor mij te benoemen, en voor zijne zeer gewaardeerde hulp.
[27] Illig. of Ill. is de afgekorte benaming voor J. K. W. Illiger.
[28] Kirby's Entomology, Deel II, blz. 319.
[29] Behoorende tot de Sphingidae, eene familie van de Lepidoptera of Kapellen.
[30] Phallus impudicus.
(Vert.)
[31] Doubleday heeft op 3 Maart 1845 voor het Entomologisch Genootschap een bijzonderen bouw in de vleugels dezer kapel beschreven, welke het middel schijnt te zijn om dit geluid te maken. Hij zegt: "Dit insect is merkwaardig wegens het bezit van eene soort trommel aan de basis der voorvleugels, tusschen de rib- en de onderribnerven. Deze twee nerven hebben daarenboven binnenin een schroefvormig diaphragma of tubus." In Langendorff's Reizen (gedurende de jaren 1803/7), blz. 74 vind ik vermeld, dat op het eiland Sa.-Catharina, aan de kust van Brazilië, eene kapel Februa Hoffmanseggi bestaat, die bij het wegvliegen een geluid maakt, als van een ratel.
[32] Ik wil hier als een gewoon voorbeeld van één dag verzamelen (23 Juni), toen ik op de Coleoptera niet bijzonder acht gaf, vermelden, dat ik 68 soorten van deze orde ving. Daaronder waren slechts twee Carabidae, vier Brachelytra, vijftien Rhyncophora en veertien Chrysomelidae. Zeven en dertig soorten Arachnidae, die ik thuis bracht, zullen voldoende zijn om te bewijzen, dat ik aan de algemeene lievelingsorde der Coleoptera niet te veel aandacht schonk.
[33] Te vinden in een handschrift van Abbott, die zijne waarnemingen in Georgië deed, en dat in het Britsch Museum berust. Zie de verhandeling van A. White in de Annals of Natural History, Deel VII, blz. 472. Luitenant Hutton heeft in The Journal of the Asiatic Society, Deel I, blz. 555 eene in Indië thuis behoorende wesp beschreven, die dezelfde gewoonten heeft.
[34] Don Felix Azara (Deel I, blz. 175) spreekt van een tot de Hymenoptera behoorend insect, waarschijnlijk van hetzelfde geslacht, en zegt dat hij dit eene doode spin door het hooge gras in eene rechte lijn naar zijn nest zag sleepen, hetwelk 163 pas ver lag. Hij voegt er bij, dat de wesp, om haren weg te vinden, telkens demi-tours d'environ trois palmes maakte.
[35] Behoort tot de familie der Orbitelae (groep Sedentaria of Netspinnen). Veelal geschreven Epeira in plaats van Epeïra.
(Vert.)
[36] Hans Sloane (1660-1753), Iersch geneesheer en natuuronderzoeker, schreef Natural History of Jamaica en stichtte het Britsch Museum.
(Vert.)
[37] Azara's Voyage, Deel I, blz. 213.
[38] Zoo genoemd naar den heilige St.-Elmo, bisschop van Formiae, eene stad in het oude Italië.
(Vert.)
[39] Wilde bewoners van de Pampas, meerendeels veedrijvers.
[40] Spaansche uitdrukking: "Zonder zonde begrepen."
[41] De zadel in de Pampas.
[42] Hearnes' Journey, blz. 383.
[43] Maclaren, hoofdstuk "Amerika" in de Encyclop. Brittannica.
[44] Azara zegt: "Je crois que la quantité annuelle des pluies est, dans toutes ces contreés, plus considérable qu'en Espagne"--Deel I, blz. 36.
[45] In Zuid-Amerika verzamelde ik in 't geheel 27 soorten muizen, en nog 13 zijn bekend uit de werken van Azara en andere schrijvers. Die, welke door mijzelf verzameld werden, zijn benoemd en beschreven geworden door Mr. Waterhouse op de vergaderingen der Zoological Society. Het zij mij vergund van deze gelegenheid gebruik te maken om mijn hartelijken dank te betuigen aan Mr. Waterhouse en de andere aan dat Genootschap verbonden heeren, voor hunne vriendelijke en zeer trouwe hulp bij alle gelegenheden.
[46] Hydrochoerus van (water) en qo=iroc (varken).
[47] In de maag en duodenum (twaalfvingerdarm) van een Capybara, welke ik opende, vond ik een zeer groote hoeveelheid van eene dunne geelachtige vloeistof, waarin bijna geen vezel te onderkennen was. Maar R. Owen meldt mij, dat een deel van den oesophagus (slokdarm) zoodanig gebouwd is, dat er niets door kan hetwelk veel grooter is dan de schacht eener kraaieveêr. Inderdaad zijn de breede tanden en sterke kaken van dit dier wel geschikt om de waterplanten waarmeê het zich voedt, tot brij te vermalen.
[48] Het halfkonijntje of zeezwijntje (Cavia). Cabiai is een Braziliaansch woord.
(Vert.)
[49] Aan de Rio Negro in Noord-Patagonië leeft een dier met dezelfde gewoonten, en waarschijnlijk eene naverwante soort, maar dat ik nooit zag. Zijn geluid verschilt van dat der Maldonado-soort; het herhaalt zich slechts twee- in plaats van drie- of viermaal, en heeft een duidelijker klank; op een afstand gehoord, gelijkt het zoozeer op het geluid, dat ontstaat bij het vellen van een kleinen boom met behulp van een bijl, dat ik soms in twijfel heb verkeerd wat het was.
[50] Philosophie Zoologique (1809), deel I, blz. 242--Prof. E. Haeckel beoordeelt Lamarck (1744-1829) met veel meer lof dan Darwin hier.
(Vert.)
[51] Magazine of Zoology and Botany, Vol. I. Blz. 217.
[52] L'Institut, 1834, Blz. 418. Lezing in de Acad. des Sciences de Paris.
[53] Ook wel negendooders, Grauwe Eksters genoemd (Familie der Laniidae of Worgers).
(Vert.)
[54] Tegenwoordig deelt men Gallinazo (Cathartes) en Condor (Sarcorhamphus) in bij de orde der Giervogels (Vultures).
(Vert.)
[55] Zoogenaamde estáncia's.
[56] Den buizerd rangschikt men nu onder de Valken (Falcones), eene onderorde der Roofvogels (Raptatores).
[57] Volgens A. von Humboldt's Ansichten der Natur, bestaan er twee soorten: Cathartes Urubu en Cathartes aura.
(Vert.)
[58] In de Philosophical Transactions, 1790, blz. 294, heeft Dr. Priestley eenige onvolkomen kwartshoudende buizen beschreven, en een gesmolten stuk kwarts, dat gevonden was bij het graven in den grond onder een boom, waar een man door den bliksem gedood was.--Men noemt deze buizen "Bliksembuizen" of met een wetenschappelijken naam: Fulgurites.
[59] Annales de Chimie et de Physique, deel 37, blz. 319.
[60] Azara's "Reis", Deel I, blz. 36.
[61] De corrál is eene uit lange en stevige palen gemaakte omheining, die tegen elke estáncia of landbouw-plantage wordt aangebracht.
[62] tóldo = zonnetent.
[63] Linnean Transactions, deel XI, blz. 205. Het is merkwaardig, dat alle omstandigheden, op de zoutmeren betrekking hebbende, in Siberië en Patagonië van gelijken aard zijn. Siberië schijnt, evenals Patagonië, betrekkelijk niet lang geleden uit zee te zijn geheven. In beide landen vormen de zoutmeren ondiepe holten in de vlakten; in beide is de modder aan de kanten zwart en stinkend; onder de gewone zoutkorst (NaCl) komt zwavelzure soda of zwavelzure magnesia voor in onvolkomen kristallen, en in beide is het modderige zand vermengd met gipslenzen. De Siberische zoutmeren worden bewoond door kleine schaaldieren, en ook flamingo's vindt men er (Edin. New Philos. Journ., Januari 1830). Daar deze schijnbaar zoo nietige omstandigheden in twee ver verwijderde werelddeelen voorkomen, mogen wij veilig aannemen, dat zij het noodzakelijke gevolg zijn van gemeenschappelijke oorzaken. (Zie Pallas' Travels, 1793 tot 1794, blz. 129-134.)
[64] Het varkenkonijn--een langneuzig knaagdier in Brazilië. De soortnaam is ook Dasyprocta aguti.
(Vert.)
[65] Peruaansch konijntje.
[66] Ik acht mij verplicht in de hartelijkste bewoordingen mijn dank te betuigen aan het gouvernement te Buenos Aires voor de vriendelijke wijze, waarop mij, als natuuronderzoeker op de Beagle, paspoorten werden gegeven naar alle deelen van het land.
[67] Deze profetie is geheel anders en ongelukkig uitgevallen (1845).
[68] H. Credner (Elemente der Geologie, 9e Auflage 1902, blz. 751) omschrijft deze formatie aldus: "Gleichalterige äolische Lösze mit eingelagerten fluviatilen Sanden."
(Vert.)
[69] Voyage dans l'Amérique Méridionale par M. A. d'Orbigny, Partie Historique, Tome I, blz. 664.
[70] Wie weet?
[71] Kuguar of Chileensche leeuw.
[72] Van m'ega (groot) en jhr'ion (dier).
[73] Skel'ic of Sqel'ic (ham, achterpoot.)
[74] Van dit dier zijn 7 Zuid-Amerikaansche soorten gevonden, een zoo groot als de Megalonyx. (Zie Dana "Manual of Geology," blz. 570).
[75] Makra'uqhn (met den langen hals).
[76] Doegong (van het Maleische dûyông) en Manatus (of Lamantijn) zijn de twee eenige nog levende soorten van de Orde der Zeekoeien (Sirenia).
(Vert.)
[77] Principles of Geology, Deel IV, blz. 40. Dit vermaarde werk, dat in 1830/32 in 2 deelen 8o het licht zag en in 1867/68 eene 10de oplaag beleefde, verscheen in de 3de, 4de en 5de uitgaven (respect. in de jaren 1834, 1835 en 1837) in 4 deelen 12o. De Principles zijn voor de ontwikkelingsgeschiedenis der aarde geweest, wat Darwin's Origin of Species in 1859 voor de Biologie geweest is.
(Vert.)
[78] Deze theorie werd het eerst ontwikkeld in de Zoology of the Voyage of the Beagle, en later in Prof. Owen's "Memoir on Mylodon robustus."
[79] De naam Megalonyx zinspeelt zelfs op deze grootte der klauwen, want het Grieksche >'onux wil zeggen klauw.
[80] Het Megatherium overtrof den grootsten rhinoceros. De lengte van een der skeletten bedraagt 18 voet. Het femur of dijbeen was driemaal zoo dik als dat van een oliphant. Daar de grootste thans nog levende Edentata, waartoe dit dier behoorde, slechts 3 of 4 voet lang zijn, overtrof het Megatherium zijne tegenwoordige soortverwanten meer dan honderdmaal.
(Vert.)
[81] Van het Sanskriet dsjañgala = wildernis.
(Vert.)
[82] Ik wil hiermede zeggen, dat ik den totalen rijkdom, welke achtereenvolgens in een gegeven tijdvak voortgebracht en verbruikt wordt, uitsluit.
[83] Travels in the Interior of South Africa, Vol. II, blz. 207.
[84] De in Exeter Change gedoode oliphant, die slechts gedeeltelijk gewogen was, werd op 5 1/2 ton geschat (1 ton = 2240 avoirdupois = circa 1016 kilo). De oliphant van een menagerie woog, naar men mij berichtte, een ton minder, zoodat wij 5 ton voor het gemiddelde van een volwassen oliphant mogen stellen. In de Surrey-Gardens werd mij gezegd, dat een nijlpaard, hetwelk in drie stukken gesneden naar Engeland was gezonden, op 3 1/2 ton geschat werd; laat ons stellen drie. Naar deze maatstaf mogen wij 3 1/2 ton aan elk der drie rhinocerossen geven; wellicht een ton aan de giraffe, en half zooveel aan den Zuid-Afrikaanschen os, evenals aan den eland (een groote os weegt van 1200 tot 1500 pounds of ongeveer 544 tot 600 kilo). Dit geeft volgens bovenstaande schattingen een gemiddelde van 2.7 ton of 6048 pounds voor de tien grootste plantenetende dieren van Z.-Afrika. Geeft men, wat Z.-Amerika betreft, 1200 pounds aan de twee tapirs te zamen, 550 aan den guanaco en de vicugna, 500 aan de drie herten, 300 aan de capybara, het pecari en een aap, dan krijgen wij een gemiddelde van 255 pounds, welk cijfer, naar ik geloof, overschat is. De verhouding zal dus zijn als 6048 tot 255 of als 237 tot 10 voor de tien grootste dieren der twee vastelanden.
[85] Van het Spaansche pecár = muskuszwijn.
(Vert.)
[86] Nemen wij eens aan, dat het skelet van een Groenlandschen walvisch in fossielen staat ontdekt werd, terwijl men niet wist dat een walvischachtig dier bestond: welk natuuronderzoeker zou dan durven vermoeden, dat zulk een reusachtige karkas bestaan heeft van de kleine schaal- en weekdieren, welke leefden in de bevroren zeeën van het hooge Noorden?
[87] Zie Zoological Remarks to Captain Back's Expedition, door Dr. Richardson. Hij zegt: "Benoorden 56° breedte is de ondergrond voortdurend bevroren, daar de dooi op de kust niet meer dan drie voet, en te Bear Lake op 64° niet meer dan 20 inches diep in den grond dringt. De bevroren onderlaag op zichzelf verwoest den plantengroei niet, want op een afstand van de kust bloeien wouden aan de oppervlakte."
[88] Zie Humboldt Fragmens asiatiques, blz. 386; Barton's Geography of Plants, en Malte-Brun. In laatstgenoemd werk wordt gezegd, dat de grens van den boomgroei in Siberië getrokken kan worden onder den parallel van 70°.