Part 53
Wanneer ik kalm over de belommerde paden wandelde en de opvolgende tafereelen bewonderde, wenschte ik woorden te vinden om mijne gedachten uit te drukken. Doch vruchteloos: bijnaam op bijnaam bleken te zwak om het genot dat de geest smaakt, te beschrijven aan hen, die de tusschenkeerkringslanden niet bezocht hebben. Boven zeide ik, dat de planten in eene broeikas onmachtig zijn om een juist denkbeeld van de flora te geven; toch moet ik tot dien zwakken maatstaf terugkeeren. Het land is ééne groote, woeste, ongerepte en rijk gevulde broeikas, door de Natuur voor zich zelve gemaakt, maar door den mensch in bezit genomen, die haar met vriendelijke huizen en regelmatige tuinen heeft gestoffeerd. Hoe gaarne zou niet elk bewonderaar der natuur, indien zulks mogelijk was, het landschap op eene andere planeet willen zien? Welnu, men kan in waarheid zeggen, dat zich voor elken Europeaan op een afstand van slechts weinige lengtegraden de pracht eener andere wereld ontsluit! Op mijne laatste wandeling bleef ik bij herhaling staan om deze schoonheden te bewonderen, en poogde zoo een onuitwischbaren indruk daarvan in mijne ziel te griffen, schoon wetende dat die vroeg of laat toch zou vervloeien. De vormen van den oranje- en kokosboom, den palm- en mangoboom, de boomvaren en den banaan zullen duidelijk en scherp bewaard blijven; maar de duizende tinten en vormen die met deze boomen een volledig landschap samenstellen, moeten onherroepelijk vervloeien--mij niets nalatende dan eene schilderij vol onbestemde doch overschoone figuren, evenals een sprookje uit onze kinderjaren!
[6 Augustus.]
In den namiddag stevenden wij in zee, met het doel om rechtstreeks naar de Kaap-Verdische Eilanden te gaan. Maar ongunstige winden hielden ons terug, en zoo liepen wij den 12den Pernambuco binnen--eene groote stad op 8° Z.B. aan de kust van Brazilië. Wij ankerden buiten het rif; doch spoedig kwam een loods aan boord en bracht ons naar de binnenhaven, waar wij dicht bij de stad lagen.
Pernambuco is gebouwd op eenige smalle en lage zandbanken, die door ondiepe zoutwater-kanalen van elkander gescheiden zijn. De drie deelen, waaruit de stad bestaat, zijn onderling door twee lange, op houten palen gebouwde bruggen verbonden. De stad is op alle punten afschuwelijk: de straten zijn smal, slecht geplaveid en morsig, en de huizen zijn hoog en somber. Het seizoen der hevige regens was nauwelijks geëindigd, en dientengevolge stond het omliggende land, dat amper boven den zeespiegel ligt, geheel onder water. Dit was oorzaak, dat al mijne pogingen om lange wandelingen te doen, mislukten. [395]
Het vlakke moerasland, waarop Pernambuco ligt, is op enkele mijlen afstands omringd door een halven cirkel van lage heuvels, of liever door den rand van een gebied, dat ongeveer 200 voet boven de zee ligt. De oude stad Olinda ligt aan het eene einde dezer heuvelreeks. Op zekeren dag nam ik een kano, en voer een der kanalen op om deze stad te bezoeken, die met hare groote kloosters en kerken een treffenden indruk maakt. Zij is zindelijker en aangenamer gelegen dan Pernambuco, doch innerlijk vervallen. Hier moet ik vertellen wat ons voor de eerste maal op onze vijfjarige reis overkwam, nl. dat wij gebrek aan voorkomendheid ontmoetten; ik werd aan twee verschillende huizen op knorrigen toon afgewezen, en kreeg aan een derde met moeite verlof om door den tuin naar een onbebouwden heuvel te gaan, ten einde de streek te overzien. Het doet mij genoegen, dat dit in het land der Brazilianen gebeurde, want ik draag hun geen goed hart toe; ook is het een land van slavernij en dus van zedelijk verval. Een Spanjaard zou zich schamen over het denkbeeld alléén, dat hij zulk een verzoek weigerde of zich ruw tegen een vreemdeling gedroeg. Het kanaal, waardoor wij naar Olinda gingen en van daar terugkeerden, was aan beide zijden met mangleboomen (Rhizophora mangle) begroeid, [396] die als een woud in 't klein uit de vettige modderbanken verrezen. De lichtgroene kleur dezer bosschages herinnerde mij aan het welige gras op een kerkhof; beiden worden gevoed door bedorven uitwasemingen: het een spreekt van dood in het verleden, het ander zeer vaak van dood in de toekomst.
Het eigenaardigste gewrocht, dat ik in dezen omtrek zag, was het rif dat de haven vormt. [397] Ik twijfel of er op de geheele wereld een tweede natuurgewrocht bestaat met zulk een kunstig voorkomen. Het loopt over een lengte van verscheidene mijlen in eene volkomen rechte lijn evenwijdig met en niet ver [398] van het strand. Zijne breedte wisselt af van 30 tot 60 yards; de oppervlakte is vlak en effen, en het is saamgesteld uit onduidelijk gelaagden, harden zandsteen. Bij hoog water spoelen de golven er over heen; bij laag water blijft het bovengedeelte droog, en zou men het licht voor een pier of golfbreker houden, die door cyklopische arbeiders gebouwd is. Tegenover het land op deze kust werpen de zeestroomen lange smalle tongen en dammen op van los zand, en het is op een van die dammen, dat een deel der stad Pernambuco staat. In vroeger tijd schijnt een dergelijke lange dam onder de doorzijgende werking van kalkhoudende stof vast te zijn geworden, en daarna langzamerhand gerezen. Terwijl dit geschiedde werden de buitenste en losse gedeelten door den golfslag der zee weggespoeld, en bleef de vaste kern over in den vorm waarin wij haar nu zien. Hoewel de golven van den vollen Atlantischen Oceaan, troebel van het slib, dag en nacht tegen de steile buitenkanten van dezen steendam worden gedreven, hebben de oudste loodsen nooit van eene verandering in zijn voorkomen gehoord. Deze duurzaamheid is verreweg het belangrijkste feit in zijne geschiedenis, en is toe te schrijven aan eene taaie, kalkhoudende laag van enkele inches dikte, die geheel gevormd is door het opvolgend groeien en sterven der kleine schelpdieren, Serpulae geheeten, benevens enkele eendenmosselen (Lepas anatifera) en Nulliporae. [399] Deze Nulliporae (harde, zeer eenvoudig georganiseerde kalkafscheidende zeealgen, die in vorm en hardheid dikwijls op koralen gelijken, doch van de echte koralen hierin verschillen dat zij geene poriën of cellen hebben, zooals ook haar naam aanduidt) spelen eene dergelijke en gewichtige rol, doordien zij de bovenoppervlakken der koraalriffen achter en tusschen de brandingen beschermen, waar de echte koralen gedurende den uitwendigen groei der massa door blootstelling aan zon en licht gedood zijn. Deze onbeduidende organische wezens, in 't bijzonder de Serpulae, hebben den inwoners van Pernambuco grooten dienst bewezen, want zonder hare beschermende hulp zou de zandsteenbank stellig reeds lang zijn vergaan; en zonder de bank zou er geen haven zijn geweest.
Op den 19den Augustus verlieten wij voorgoed de Braziliaansche kusten. Gode zij dank--nooit zal ik weer een slavenland bezoeken! Nog heden herinnert elke gil, dien ik in de verte hoor, mij pijnlijk en levendig aan de gevoelens die mij bestormden, toen ik voorbij een huis bij Pernambuco gaande, het hartverscheurendste gejammer hoorde, en niet anders kon denken dan dat hier een arme slaaf gemarteld werd, terwijl ik wist dat ik even machteloos was als een kind, om er zelfs iets van te zeggen! Ik vermoedde dat dit het gejammer was van een gemartelden slaaf, want men vertelde mij andere gevallen van dien aard. Bij Rio de Janeiro woonde ik tegenover eene oude dame, die er schroeven op nahield om de vingers van hare slavinnen te vermorzelen. Ik heb in een huis vertoefd, waar een jonge mulatbediende dag aan dag, uur aan uur beschimpt, geslagen en gekweld werd op eene manier, die zelfs den geest van het laagste dier zou dooden. Ik heb een knaap van zes of zeven jaren tweemaal met eene paardenzweep op het bloote hoofd zien striemen, voordat ik tusschenbeide kon komen, alleen omdat het kind mij een glas water had gegeven dat niet geheel schoon was. Ik zag zijn vader beven zoodra zijn meester maar de oogen opsloeg. Deze laatste gruwelen woonde ik bij in eene Spaansche kolonie, waar de slaven altijd beter behandeld heetten te worden, dan door de Portugeezen, Engelschen of andere Europeanen. Te Rio de Janeiro heb ik een krachtigen neger gezien, die bang was om een slag af te weren, dien hij dacht dat op zijn gelaat gemunt was. Ik was er bij, toen een goedhartig man op het punt stond de mannen, vrouwen en kinderen van een groot aantal gezinnen, die lang te zamen hadden gewoond, voor altijd te scheiden! Nu zal ik nog niet eens spreken van de vele hartroerende wreedheden, die ik uit geloofwaardige bron gehoord heb: en ook de bovenstaande schokkende bijzonderheden zou ik niet hebben vermeld, indien ik niet een aantal lieden ontmoet had, die zoo verblind waren door de natuurlijke vroolijkheid van den neger, dat zij over de slavernij spraken als over een dragelijk kwaad. Zulke lieden hebben meestal de huizen der hoogere standen bezocht, waar het slavenpersoneel doorgaans goed behandeld wordt, en hebben niet, zooals ik, onder de lagere standen verkeerd. Dergelijke onderzoekers zullen slaven uithooren omtrent hun toestand, en daarbij vergeten, dat het inderdaad een domme slaaf moet zijn, die niet rekent op de kans, dat zijn antwoord ter oore kan komen van zijn meester.
Men beweert, dat eigenbelang buitensporige wreedheid zal voorkomen, alsof eigenbelang onze huisdieren beschermde, die toch veel minder dan verworpen slaven in staat zijn den toorn hunner woeste meesters op te wekken! Het is een argument, waartegen de groote von Humboldt lang geleden met ridderlijk gevoel te velde is getrokken, en dat hij door treffende voorbeelden heeft toegelicht. Dikwijls poogt men slavernij te verschoonen door den slavenstand te vergelijken met onze armere landgenooten. Zoo de ellende onzer armen veroorzaakt wordt--niet door de wetten der natuur, maar door onze instellingen, dan zondigen wij zwaar; doch hoe dit in verband staat met slavernij, kan ik niet inzien: even goed zou men in ons land het gebruik van de duimschroef kunnen verdedigen, door te bewijzen dat menschen in een ander land veel aan eene gevreesde ziekte leden. Zij, die goedgunstig over slavenhouders denken, en met een koud hart over den slaaf, schijnen zich nooit in den toestand van den laatsten te stellen. Welk een vreugdeloos en troosteloos vooruitzicht--zelfs geen hoop op verandering! Denk eens, lezer, dat u zelven steeds de kans boven het hoofd hing, dat uwe vrouw en kinderen--de wezens, die de natuur ook aan den slaaf vergunt de zijnen te noemen--aan u ontrukt en aan den eersten den besten bieder als beesten wierden verkocht! En zulke daden worden bedreven en verschoond door lieden, die belijden dat zij hunne naasten liefhebben als zich zelven, die in God gelooven en bidden dat Zijn wil zal geschieden op aarde! Ons bloed kookt, maar ook ons hart krimpt bij de gedachte, dat wij, Engelschen en onze Amerikaansche afstammelingen, met onze trotsche vrijheidsleus zoo schuldig zijn geweest en nòg zijn; maar het is een troost te denken, dat wij ten minste een grooter offer hebben gebracht om voor onze zonden te boeten, dan ooit een ander volk deed!
Op den laatsten dag in Augustus 1836 ankerden wij voor de tweede maal te Porto Praya op de Kaap-Verdische Eilanden, en zeilden van daar naar de Azoren, waar wij zes dagen bleven. Op den 2den October bereikten wij de Engelsche kust, en te Falmouth verliet ik eindelijk de Beagle, na omtrent vijf jaren aan boord van dit kleine, maar degelijke schip te hebben doorgebracht.
Aan het einde onzer Reis gekomen, zal ik een kort overzicht geven van de voor- en nadeelen, alsmede de bezwaren en genoegens, welke onze omvaring van de wereld heeft opgeleverd. Zoo iemand, voordat hij eene groote reis ondernam, mij om raad vroeg, zou mijn antwoord afhangen van de voorwaarde, of hij eene besliste neiging voor de eene of andere wetenschap bezat, die langs dezen weg bevorderd kon worden. Verschillende landen en de vele menschenrassen te zien, is ongetwijfeld een groot genot; maar het genoegen dat men daarbij smaakt, weegt niet op tegen de lasten. Zal eene vrucht worden geplukt, of iets goeds worden bereikt, dan moet men een oogsttijd afwachten, ook al is deze nog zoo ver.
Het is duidelijk, dat men zich vele verliezen moet getroosten: zoo, bij voorbeeld, het gezelschap van alle oude vrienden, en het gezicht van die plaatsen, waaraan de dierbaarste herinneringen ten nauwste zijn verbonden. Die verliezen worden echter voor een deel verzacht door het onuitsprekelijk voorgenot van den lang gewenschten dag van wederkomst. Indien, zooals de dichters zeggen, het leven een droom is, dan ben ik zeker, dat dergelijke droombeelden op reis het best geschikt zijn om den langen nacht door te komen. Andere verliezen zijn er, die, hoewel in 't eerst niet gevoeld, na verloop van tijd zwaar beginnen te wegen; deze zijn het gemis van eene kamer, van afzondering, van rust; het afmattende gevoel van voortdurende haast; het derven van kleine weeldezaken; het gemis van huiselijke gezelligheid, en zelfs van muziek of andere aesthetische genoegens. Wanneer wij zulke beuzelingen vermelden, is het duidelijk dat de werkelijke bezwaren van het leven op zee--rampen of onheilen uitgezonderd--voorbij zijn. De korte spanne van 60 jaren heeft eene verbazende verandering teweeg gebracht in het gerief van verre zeereizen. Nog in den tijd van Cook (1728-1779) stond elk, die den huiselijken haard verliet om zulke tochten te ondernemen, aan ernstige ontberingen bloot. Thans kan een yacht of snelzeiler met alle levensgemakken den aardbol omvaren. Behalve de groote verbeteringen in de schepen en de hulpmiddelen van het zeewezen, staat thans de geheele westkust van Amerika open, terwijl Sydney de hoofdstad is geworden van een opkomend werelddeel. Hoe geheel anders zijn de omstandigheden voor iemand, die nu in den Stillen Oceaan schipbreuk lijdt, vergeleken met die in de dagen van Cook! Sedert zijne reis is aan de beschaafde wereld een halfrond toegevoegd.
Indien iemand veel aan zeeziekte lijdt, laat hij dan hiermede ernstig rekening houden. Ik spreek uit ondervinding; het is een kwaad, dat niet gering en niet binnen eene week genezen is. Heeft hij daarentegen pleizier om op zee te dobberen, dan zal hij voor dat genoegen zeker ruimschoots gelegenheid vinden. Men diene intusschen wel in 't oog te houden, dat gedurende eene lange reis een zeer groot deel van den tijd op het water wordt doorgebracht, vergeleken met het oponthoud binnen de havens. En wat zijn nu de zoo geprezen schoonheden van den grenzenloozen oceaan? Eene vervelende eenzaamheid, een waterwoestijn, gelijk de Arabier hem noemt. Niettemin geeft hij ons somtijds verrukkelijke tafereelen te zien. Schoon is een nacht met maneschijn, bij helderen hemel en donker-glinsterende zee: de witte zeilen gezwollen onder den zachten adem van een kalmen passaat, of bij bladstille lucht, als het bolle zeevlak gepolijst en spiegelend voor u ligt, en alleen het klapperend zeildoek nu en dan de stilte verbreekt. Ook is het goed eens een donderbui te zien opkomen, die u nadert in al hare woede, of een geweldigen orkaan die de golven tot bergen verheft. Toch beken ik, dat mijne verbeelding zich iets grootschers, iets vreeselijkers gemaald had van een woedenden storm. Een onvergelijkelijk schooner schouwspel biedt hij op 't strand gezien, waar de zwiepende boomen, de wilde vlucht der vogels, de jagende stroomen, de donkere schaduwen en heldere tinten allen den strijd der losgebroken elementen verkondigen. Op zee vliegen albatros en kleine stormvogel met evenveel gemak, als ware de storm hun eigenlijk element, en rijst en daalt het water, alsof het zijn gewone taak volbrengt; alleen het schip en zijne bewoners schijnen het voorwerp der algemeene woede. Op een eenzaam, door wind en zee geteisterd strand is het tafereel weer anders, doch krijgen wij hier meer een gevoel van afschrik, dan van wilde verrukking.
Laat ons nu de lichtere zijde van den afgeloopen tijd beschouwen. Het genoegen, dat voortsproot uit het gezicht van de natuurtooneelen en den algemeenen aanblik der verschillende door ons bezochte landen, is beslist een bron geweest van duurzaamst en hoogst genot. Waarschijnlijk wordt al wat wij zagen door het schilderachtig schoon in vele gedeelten van Europa overtroffen; maar een toenemend genot levert het onderling vergelijken van den aard der natuurtooneelen in verschillende landen, hetgeen in zekeren zin iets anders is dan een louter bewonderen van hunne schoonheid. Dit genot hangt voornamelijk af van onze bekendheid met de onderdeelen van elk landschap; en ik ben zeer geneigd te gelooven, dat--evenals iemand, die elken toon in de muziek begrijpt en daarenboven een gepasten smaak bezit, een meer volkomen genot van het ensemble zal hebben--ook hij die elk deel van een fraai landschap onderzoekt, den vollen en samengestelden indruk er van zal begrijpen. Zoo zou een reiziger plantkundige moeten zijn, want in elk landschap vormen planten de hoofdversiering. Groepen naakte rotsen kunnen somtijds, zelfs in hare ruwste gedaanten, een verheven schouwspel opleveren; doch spoedig worden zij eentonig. Maal haar af in heldere en afwisselende kleuren, zooals de Andes in het noorden van Chili--en zij zullen phantastisch worden; maar bekleed ze met planten--en zij moeten een aangenaam, zoo niet een schoon tafereel vormen.
Als ik zeg, dat het landschap in sommige gedeelten van Europa vermoedelijk schooner was dan die wij zagen, zonder ik daarvan, als eene klasse op zich zelve, dat der tusschenkeerkringsstreken uit. Die twee klassen kunnen niet samen vergeleken worden; doch, over het grootsche dezer gewesten heb ik al dikwijls uitgeweid. Daar de kracht der indrukken meestal afhangt van vooraf gevormde denkbeelden, mag ik er bijvoegen, dat de mijne ontleend waren aan de levendige beschrijving in von Humboldt's Relation Historique, die in verdienste elke andere door mij gelezene overtreft. Maar zelfs met deze hoog opgevatte ideeën ondervonden mijne gevoelens op verre na geen zweem van teleurstelling bij mijne eerste en laatste landing op de kusten van Brazilië.
Van de landschappen, welke een diepen indruk op mijn geest maakten, overtrof er geen in grootschheid de maagdelijke wouden, die de hand des menschen ongerept had gelaten: hetzij die prachtvolle in Brazilië, zoo overrijk aan vormen, waar het Leven heerscht in al zijne kracht: hetzij die sombere in Vuurland, waar Dood en Verval den scepter zwaaien. Beiden zijn tempels, gevuld met de velerlei voortbrengselen uit Gods schoone Natuur! Niemand kan deze eenzaamheden betreden zonder ontroering, er dolen zonder een gevoel, dat in den mensch iets meer is dan alleen zijn ademtocht... Bij het oproepen van beelden uit het verleden, zie ik telkens weer de vlakten van Patagonië voorbij mijne oogen gaan--vlakten, die door ieder als nutteloos en ellendig worden uitgekreten. Men kan ze slechts beschrijven met negatieve eigenschappen: zonder woningen, zonder water, zonder boomen of bergen, bevatten zij niets dan enkele dwergplanten. Maar waarom--en het geval betreft niet alleen mij zelven--hebben die dorre wildernissen dan zoo onwrikbaar in mij post gevat? Waarom hebben de nog vlakkere, meer groene en vruchtbare Pampas, nog dienstig daarenboven voor het menschdom, niet een even sterken indruk nagelaten? Ik kan deze gevoelens moeilijk uitdrukken; maar deels zijn zij hieraan toe te schrijven, dat de verbeelding er den vrijen teugel viert. En kan het anders? De vlakten van Patagonië zijn grenzenloos; want zij zijn bijna ontoegankelijk en dientengevolge onbekend. Zij dragen het stempel van eeuwenlang geduurd te hebben zooals zij nu zijn, en onbeperkt schijnt haar duur in de toekomst. Denkt men tevens aan de onderstelling der Ouden, dat de platte aarde omringd was door eene onmetelijke watervlakte of door ondraaglijk heete woestijnen--wie zou dan niet met indrukken van diep en onbestemd gevoel die uiterste grenzen van menschelijke kennis beschouwen?
Tot de natuurtafereelen behooren eindelijk de vergezichten van hooge bergen, die, hoewel in zekeren zin niet bepaald mooi, toch zeer gedenkwaardig zijn. Toen ik, door geen nietige bijzonderheden in het berglandschap gestoord, van de hoogste kruin der Cordilleras naar omlaag zag, werd mijn geest overstelpt door de ontzagwekkende afmetingen der omringende bergen!
Wat menschenrassen betreft, wekt niets zoozeer onze verbazing als het eerste gezicht van een wilde: van een mensch in den laagsten en wildsten natuurstaat in de schuilhoeken van zijn geboorteland. Onze geest snelt eeuwen, eeuwen ver terug en vraagt zich af: is 't mogelijk, dat onze stamvaderen in de geschiedenis der menschheid geweest zijn zooals deze wilden? Menschen, wier gebaren en uitdrukkingen nog minder verstaanbaar voor ons zijn dan die der huisdieren? Menschen, die niet het instinct dezer dieren bezitten, maar ook niets dat bogen kan op menschelijk verstand--althans op kunsten, die de vruchten zijn van dat verstand? Ik geloof niet, dat het mogelijk is het verschil te beschrijven, of te malen, tusschen een wilden en een beschaafden mensch. Het is als het verschil tusschen een wild en een tam dier; en onze belangstelling bij het zien van een wilde is voor een deel dezelfde, als die ons zou doen wenschen den leeuw te zien in zijn woestijn, den tijger als hij zijn prooi in den dsjungel verscheurt, of den rhinoceros, zwervend over de woeste vlakten van Afrika.
Tot de merkwaardigste natuur- en hemelverschijnsels, die wij gezien hebben, mogen gerekend worden: de Magelhaensche Wolken, [400] het Zuiderkruis en de andere sterrenbeelden van den zuidelijken hemel; eene waterhoos; een gletscher met zijn blauwen ijsstroom, die als een steile rotswand boven de zee hing; een laguneneiland, dat door de rifvormende koralen tot aan de zee was opgebouwd; eene vulkanische uitbarsting, en eene hevige aardbeving met al hare verpletterende gevolgen. Ik stel in deze laatste verschijnselen bijzonder veel belang, misschien wegens hun nauw verband met den geologischen bouw van onze planeet; maar in 't algemeen moet de aardbeving voor ieder een gebeurtenis zijn, die de sterkste indrukken achterlaat. De aarde, die wij van onze vroegste kindsheid af als het zinnebeeld van vastheid hebben beschouwd, heeft als eene dunne korst onder onze voeten gebeefd; en ziende, hoe de hechtste werken van den mensch in een oogwenk worden omvergeworpen, beseffen wij hoe nietig de macht is, waarop hij zich verheft!--
Men zegt, dat de liefhebberij in de jacht een genot is, dat den menschen aankleeft--een overblijfsel van een instinctmatigen hartstocht. Zoo ja, dan ben ik zeker, dat het genoegen om in de open lucht te leven met den hemel als dak en de aarde als tafel, een deel is van die zelfde zucht: het is de wilde mensch, die tot zijne wilde en aangeboren leefwijze terugkeert. Altijd zie ik op onze boottochten en mijne uitstappen te land--wanneer deze geschiedden door onbewoonde streken--met een bijzonder genot terug, hetwelk geen land der beschaafde wereld had kunnen verschaffen. Ik twijfel niet, of elk reiziger zal zich het zegepralende gevoel van blijdschap herinneren, dat in hem opwelde toen hij voor 't eerst in een onbekend land ademde, waar de beschaafde mensch zelden of nooit een voet gezet had.
Op eene lange reis ontmoet men vele andere bronnen van genot, die van meer bescheiden aard zijn. De wereldkaart is nu niet langer een blad papier, maar wordt een schilderij vol van de afwisselendste en levendigste figuren. Elk deel verkrijgt zijne juiste afmetingen; vastelanden gelden niet langer als eilanden, en eilanden, die menigmaal grooter zijn dan vele koninkrijken in Europa, niet langer als stippen. Afrika, of Noord- en Zuid-Amerika zijn welklinkende namen en laten zich gemakkelijk uitspreken; doch eerst nadat men weken achtereen langs hunne kusten heeft gevaren, krijgt men de volle overtuiging welke uitgestrekte ruimten op onze groote aarde met deze eenvoudige namen bedoeld worden.